Onderwijs in relatie tot P2P/Participatieve wetgeving

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen



Een participatieve wetgeving bestaat uit twee begrippen, enerzijds 'participatie' en anderzijds 'wetgeving'. De definitie van 'participatie' kan omschreven worden als een aandeel hebben in iets, en de definitie van wetgeving kan omschreven worden als het uitvaardigen van wetten of wetten op zichzelf (Van Dale, 2014).

Samenvattend betekent de participatieve wetgeving, dat er wetten zijn die voorschrijven dat en hoe de burgers deel mogen nemen in de samenleving. Dit betekent onder andere dat burgers zelf betrokken worden bij het opstellen van beleidszaken, wetten en regels die betrekking op hen hebben. Deze beleidszaken, wetten en regels kunnen betrekking hebben op het werk van de burgers of op projecten waaraan zij deelnemen. De participatieve wetgeving wordt opgesteld om participatie mogelijk te maken via bepaalde regels, maar daarnaast wordt de participatieve wetgeving ook vormgegeven door inspraak van de burgers. De participatieve wetgeving is daardoor een interactieproces tussen participatie mogelijk maken, via regels en wetten, en de participatie van de burgers in de wetgeving (Council of Europe, 2011).


Participatieve wetgeving & P2P[bewerken]

De participatieve wetgeving is een belangrijk element binnen het peer-to-peer concept. Het doel van peer-to-peer is om mensen meer deel te laten nemen aan de maatschappij (Bauwens & Lievens, 2013). Het deelnemen van burgers in de maatschappij wordt gestimuleerd. Dit stimuleren wordt bijvoorbeeld gedaan door het inzetten van commons en het laten deelnemen van de burgers aan projecten en producties. Commons worden door Bauwens en Lievens (2013) beschreven als open projecten waarvan de informatie vrij beschikbaar is en waarbij deelname plaatsvindt op basis van de eigen interesse van burgers. De participatieve wetgeving ondersteunt het doel van peer-to-peer door participatie, enerzijds middels regels en wetten mogelijk te maken en anderzijds door de burgers ook daadwerkelijk te laten participeren in de wetgeving. Het deelnemen van burgers in de maatschappij wordt vanuit de participatieve wetgeving als hoofddoel gesteld. Dit kan ook in de peer-to-peer maatschappij tot stand komen.

Een manier waarop de participatieve wetgeving, binnen peer-to-peer, via regels en wetten mogelijk gemaakt kan worden, is aan de hand van de drie fasen die het veranderen van de staat naar een peer-to-peer beweging omschrijven (Bauwens & Lievens, 2013). De drie fasen zijn als volgt:

  1. Er wordt een netwerk gecreëerd van peer-to-peer sympathisanten. Dit netwerk bestaat uit politici en sociale bewegingen die overeenkomen in denkwijze over de partnerstaat.
  2. Er wordt gewerkt aan een ‘nieuwe’ meerderheid in de politiek, ook wel de ‘coalitie van de commons’ genoemd.
  3. Daarna begint het proces van de transformatie van de staat via onder andere, democratie en diepe participatie.

Bij de eerste fase van het creëren van het netwerk en het idee van de partnerstaat kan de participatieve wetgeving een rol spelen. In deze fase kan men aandacht schenken aan de participatie. Als men ervan uitgaat dat participatie van burgers bij beleidszaken een belangrijk punt vormt binnen de peer-to-peer beweging, dan kan men dit via het netwerk van p2p-sympathisanten naar voren brengen. Dit zorgt ervoor dat de deelname en medezeggenschap van burgers in beleidszaken een belangrijke basis vormt in de wetgeving voor de P2P-maatschappij. Bij de tweede fase wordt, vanuit het standpunt dat participatie van burgers mogelijk gemaakt moet worden, een politieke meerderheid gevormd voor de participatieve wetgeving. Deze politieke meerderheid komt voort vanuit de p2p-sympathisanten die bij de eerste fase ook van belang waren. Bij de derde fase van het proces van de transformatie en de daarbij behorende democratie en diepe participatie, gaat men de participatieve wetgeving, zoals men die in de eerste fase als voorwaarde opgesteld heeft, tot uitvoering brengen. De aanpak die hierboven beschreven werd, omschrijft een goed voorbeeld van de partnerstaat. De overheid creëert hier namelijk omstandigheden waardoor burgers samen iets waardevols voort kunnen brengen. De hele gemeenschap kan hier vervolgens van profiteren. Dit betekent dat dit zowel het politieke als het sociale leven ten goede komt (Bauwens & Lievens, 2013). Vanuit de drie fasen is daarom te zeggen dat deze van belang zijn voor de participatieve wetgeving. De fasen zorgen ervoor dat de participatie middels wetten en regels vormgegeven wordt. Het stelt mensen in staat om meer deel te nemen, kennis te delen en hier ook gebruik van te maken.

Een tweede manier waarop de participatieve wetgeving, door middel van participatie in regels en wetten, vormgegeven kan worden is volgens Bauwens en Lievens (2013) door een draagvlak hiervoor te creëren. Het draagvlak voor de peer-to-peer maatschappij kan tot stand gebracht worden door wetgevingen en ondersteuningselementen te hanteren die hiervoor van belang zijn. De markt, maatschappij of partnerstaat kan op basis van deze wetgevingen en ondersteuningsmechanismen goed functioneren. Dit draagvlak kan vanuit de participatieve wetgeving gecreëerd worden, zodat er een wet is die aangeeft dat burgers de mogelijkheid hebben om te participeren in beleidszaken.

Een andere manier waarop de participatieve wetgeving vormgegeven kan worden is door burgers te laten deelnemen in de wetgevingen. Men kan burgers samen laten komen met beleidsmakers en hen laten discussiëren over beleidszaken, projecten of commons. Door burgers deel te laten nemen en hen met beleidsmakers te laten discussiëren, wordt ervoor gezorgd dat de burgers een aandeel hebben in de wetgevingen en reglementen. Ook door deze deelname wordt er een draagvlak gecreëerd waar vanuit de peer-to-peer maatschappij kan functioneren (Bauwens & Lievens, 2013).

Het participeren van burgers in de maatschappij en in wetgevingen kan volgens Bauwens en Lievens (2013) ook concreet vormgegeven worden, door de burgers zelf hun stem uit te laten brengen omtrent belangrijke onderwerpen binnen een gemeenschap. Het uitbrengen van de eigen stem kan via de burger zelf, maar ook via een deskundige die betrokken is bij de materie en waar de burger het vertrouwen in heeft. Men kan dan onderling discussiëren over onderwerpen. Bauwens en Lievens (2013) noemen dit verschijnsel een ‘vloeibare’ vorm van democratie. Ook hier is spraken van participatieve wetgeving, omdat de burgers in staat worden gesteld om mee te discussiëren over belangrijke onderwerpen en zij worden daarnaast in staat gesteld om hun stem zelf over te dragen.

Voorbeeld[bewerken]

Een voorbeeld van een situatie waarin de participatieve wetgeving terugkomt is, de participatieve wetgeving in Finland. Deze geeft aan dat kinderen en jongeren de kans moeten hebben om inspraak te leveren op beslissingen, die op gemeentelijk vlak betrekking op hen hebben (Council of Europe, 2011). In Finland staat participatie als belangrijke waarde voorop. Ook in scholen wordt er van kinds af aan aandacht besteed aan het participeren en in het nemen van beslissingen in de lokale regio’s. Zo worden er binnen scholen parlementen opgezet, waar de kinderen mee kunnen denken. De kinderen worden hiervoor ook getraind.

Er zijn twee projecten die in het artikel beschreven worden. Een project is gericht op de grote stad, Tampere, waar er parlementen opgezet zijn. Het ander project is gericht op een kleiner dorp in Finland, genaamd Pietarsaari.

In Pietarsaari mogen kinderen vanaf het secundaire onderwijs deelnemen in schoolraden. Echter had dit nooit veel effect tijdens het maken van beslissingen. Om hier een oplossing voor te vinden zijn er binnen Finland, sinds een aantal jaren, ‘Discussiedagen’. Tijdens deze discussiedagen zijn kinderen en jongeren en de beslissingsnemers aanwezig. Kinderen en jongeren kunnen hun ideeën en vragen voorstellen aan de beleidsmakers (Council of Europe, 2011).

De stad Tampere, heeft parlementen waarin kinderen deel mogen nemen. Er is een parlement voor kinderen van 7 tot 12 jaar oud en een jeugdparlement voor kinderen van het secundaire onderwijs. Het parlement van de kinderen komt twee keer per jaar bij elkaar. Van elke school in Tampere mogen er twee kinderen naar de bijeenkomst. Dit zorgt ervoor dat alle kinderen de mogelijkheid hebben om te participeren in activiteiten via de schoolraden of hun eigen school. De opzet voor het jeugdparlement is hetzelfde als voor het parlement voor kinderen. Het jeugdparlement komt ook twee keer per jaar bij elkaar. Vertegenwoordigers van verschillende scholen hebben de mogelijkheid om deel te nemen aan de bijeenkomst. Er worden ook regionale ontmoetingen gehouden, waarin kinderen en jongeren discussiëren over onderwerpen die op dat moment spelen. Zo hoopt men de interesse van de kinderen en jongeren te wekken omtrent beleidszaken.

Het doel van beide parlementen in Tampere is dat men de kinderen het gevoel wil geven dat zij succesvol zijn geweest in het participeren en in het uiten van hun meningen of ideeën (Council of Europe, 2011).

Theoretische duiding[bewerken]

De participatieve wetgeving vindt haar oorsprong in de participatiedemocratie. De participatiedemocratie ontstond tussen 1965 en 1975. In die tijd kregen de burgers steeds meer rechten en mochten zij meer inspraak leveren binnen de maatschappij (Hartman, 2008). 'Goed burgerschap' kreeg een steeds belangrijkere rol in de maatschappij. Goed burgerschap betekent dat de burgers als vrije individuen deelnemen aan democratische en politieke besluitvorming en dat zij zich aan de besluitvorming, die genomen wordt, houden (Hartman, 2008).

In de jaren '80 was de politieke participatie een gevolg daarvan. Dit hield in dat burgers deel mochten nemen aan beslissingen en dat zij zelfstandige oordelen mochten vellen omtrent de politiek. De politieke participatie breidde zich snel uit waardoor er in de jaren '80 ook een wet opgesteld werd die 'interactieve beleidsvorming' genoemd werd. Dit was een stroming die vanuit de 'bestuurskunde' ontstond. Binnen deze interactieve beleidsvorming was het van belang dat het beleid interactief tot stand kwam door overleg. Dit overleg vond plaats tussen belangenorganisaties, bedrijven en experts, en overheden (Hartman, 2008). In de jaren '90 veranderde deze vorm van interactieve beleidsvorming naar een meer participatief karakter voor de burgers. De bedoeling hiervan was om een gat te dichten tussen de politiek en de burgers.

De interactieve beleidsvorming is vergelijkbaar met de participatieve wetgeving, omdat er ook hier een wet opgesteld wordt die participatie mogelijk maakt en omdat de burgers ook inspraak mogen hebben in beleidszaken. Door burgerparticipatie in beleidsvorming wordt er overigens ook bijgedragen aan het draagvlak van het beleid. Protestacties worden bijvoorbeeld minder door bijdrage van burgers. Dit omdat de burgers zelf een aandeel hebben in het beleid en de afspraken die gemaakt worden. Op deze wijze zorgt burgerparticipatie ervoor dat er een verhoogde efficiëntie ontstaat voor de vorming van het beleid (Hartman, 2008). Tot op de dag van vandaag hebben burgerparticipatie en politieke participatie een belangrijk aandeel binnen de maatschappij. Burgers worden, zo geeft Hartman (2008) aan, meer betrokken bij het tot stand komen van beleidszaken. Dit is bijvoorbeeld terug te zien in gemeenten, waar de burgers meer betrokken worden bij beslissingen omtrent gemeentelijke beleidszaken. Burgers kunnen instemmen of mogen bezwaar aantekenen tegen ideeën of plannen die de gemeente opstelt (Rijksoverheid, n.d.). De participatieve wetgevingen vormen hier een belangrijk onderdeel in.

Jenkins, Clinton, Purushotma, Robinson en Weigel (2006) schrijven over een participatieve cultuur, waarbij er een aantal kernelementen zijn die omschrijven en aangeven hoe burgers gestimuleerd kunnen worden bij het participeren in de samenleving. In het gegeven van de participatieve wetgeving betekent dit concreet dat het voor hen aantrekkelijker wordt om te participeren bij het opstellen van wetten en regels, als er voldaan wordt aan de elementen. De kernelementen zijn: 1) Lage grenzen voor het uiten van artistieke en burgerschapsdeelname; 2) Een sterke ondersteuning voor het creëren en delen van iemands ideeën en visies met anderen; 3) Een type van informele (mentor)begeleiding, waar degene die veel kennis bezit over een onderwerp, dit overbrengt aan anderen; 4) De deelnemers geloven er sterk in dat hun bijdrage waardevol is en er toe doet; 5) Deelnemers voelen een sociale verbondenheid met elkaar.

Het is bij het voorgaande belangrijk om in het oog te houden dat niet iedere deelnemer deel moet nemen, maar dat ze vrij zijn om deel te nemen wanneer ze daar klaar voor zijn en wanneer ze vinden dat wat zij aandragen waardevol is (Jenkins et al., 2006). De bovenstaande kenmerken geven aan wat er nodig is om de participatieve cultuur/participatieve wetgeving op te bouwen en hoe mensen deel kunnen nemen binnen de participatieve wetgeving. Dit sluit aan bij de gedachtegang van Bauwens en Lievens (2013) met betrekking tot de participatieve wetgeving. Bauwens en Lievens vinden het van belang dat burgers deel kunnen nemen binnen wetgevingen en beleidszaken en Jenkins et al. (2006) geeft met de kernelementen aan hoe deze bijdrage tot stand kan worden gebracht. De participatieve wetgeving zorgt ervoor dat er aandacht is voor de elementen en dat deze gestimuleerd worden.

Externe links[bewerken]

Verdere verdieping vanuit het voorbeeld van Council of Europe (2011):

http://www.coe.int/t/dg3/children/participation/PolicyReview_en.pdf

Voorbeeld van participatieve wetgeving; participatieve overheid en burgerdeelname:

http://unpan1.un.org/intradoc/groups/public/documents/un/unpan025375.pdf

Verdere toelichting van de participatieve wetgeving:

http://p2pfoundation.net/LexPop

http://p2pfoundation.net/Peer-to-Patent

Als aanvulling op bovenstaande link, het volledige artikel:

http://www.ifosslr.org/ifosslr/article/view/9/6

Verdere toelichting van de participatieve wetgeving:

http://www.participatorypolitics.org/about/

Referenties[bewerken]

Bauwens, M. & Lievens, J. (2013). De wereld redden. Met peer-to-peer naar een postkapitalistische samenleving. Antwerpen/Utrecht: Houtekiet.

Council of Europe (2011). Child and youth participation in Finland. A Council of Europe policy review. Retrieved from http://www.coe.int/t/dg3/children/participation/PolicyReview_en.pdf

Hartman, I. (2008). Jaarboek Kennissamenleving. Burgerschap en patronen van politieke participatie. Amsterdam: Uitgeverij Aksant.

Jenkins, H., Clinton, K., Purushotma, R., Robinson, A. J. & Weigel, M. (2006). Confronting the Challenges of Participatory Culture: Media Education for the 21st Century. Massachusetts Institute of Technology. Retrieved from http://www.macfound.org/media/article_pdfs/JENKINS_WHITE_PAPER.PDF

Rijksoverheid (n.d.). Kwaliteit en integriteit overheidsinstanties. Kan ik bezwaar maken tegen een beslissing van een bestuursorgaan? Retrieved December 10, 2014, from http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/kwaliteit-en-integriteit-overheidsinstanties/vraag-en-antwoord/kan-ik-bezwaar-maken-tegen-een-beslissing-van-een-bestuursorgaan.html

Van Dale (2014). Participatie. Retrieved October 27, 2014, from http://www.vandale.nl/opzoeken?pattern=participatie&lang=nn#.VFJ4BvmG-5I

Van Dale (2014). Wetgeving. Retrieved October 27, 2014, from via http://www.vandale.nl/opzoeken?pattern=wetgeving&lang=nn#.VFJ3EvmG-5I

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.