Nederlandse literatuur in de middeleeuwen/Vroegste teksten

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlandse literatuur in de middeleeuwen Codex Manesse Heinrich von Veldeke.jpg


Oudnederlands en Middelnederlands[bewerken]

De oudste pennenvruchten in een taal die we als Nederlands kunnen herkennen zijn geschreven in het Oudnederlands. Bijvoorbeeld de Utrechtse doopgelofte uit 776-800 en de veel latere 'Hebban olla Volgala' en de Leidse Willeram. Het verschil met het latere Middelnederlands zit hem in de klinkerkleuring: in het Oudnederlands krijgen lettergrepen zonder accent nog een a of o in deze lettergreep. Een voorbeeld hiervan is 'hebban' 'n 'vogala en hagunnan. Deze klinkerkleuring was typisch voor West-Germaanse dialecten. De overgang tussen Oudnederlands en Middelnederlands is gesitueerd omstreeks 1150.

Oudste teksten[bewerken]

Het tot dusver als oudst aangemerkte 6e-eeuwse "Nederlandse" - eerder Oudnederfrankische - zinnetje 'Maltho thi afrio lito' is voor moderne sprekers van het Nederlands moeilijk te begrijpen. Het betekent [Ik] meld: [ik] bevrijd je, laat. Het ging hier om een formule die werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, een halfvrij persoon.

'Forsachistu diobolae? .& respondeat. ec forsacho diabolae. ' vertaling: 'Verzaak je de duivel? (Latijn:) En hij/zij moet antwoorden. Ik verzaak de duivel.'

is het begin van de Utrechtse doopgelofte (776-800), vooralsnog de oudste bewaarde langere Oudnederlandse tekst.[1] Na een vraag en antwoordspel over de duivel (de Germaanse goden) gaat de tekst verder met

'gelobistu in got alamehtigan fadaer?' vertaling: 'Geloof je in God de almachtige vader?'

en vraagt om geloof in God, Christus en de Heilige Geest.

De doopgelofte in twee delen: "Forsachistu diobolae.." en "gelobistu in got alamehtigan fadaer". Links bijschrift in latere hand: "Abrinuciatio diaboli lingua Teotisca veter." = Afzwering van de duivel in oud-Duits. Onder de doopgelofte in het Latijn een opsomming van de eerste twintig gebruiken in de Indiculus superstitionum et paganiarum

Wachtendonckse Psalmen[bewerken]

Het 10e eeuwse psalmenboek de Wachtendonckse Psalmen is geschreven in een Oudgermaans dialect. Het is ook het eerste geschrift waar we het Nederlandse woord 'boek' in terugvinden, gespeld als 'buok'. De tekst is genoemd naar de 16e-eeuwse kanunnik Arnold Wachtendonck die het manuscript in zijn bezit had toen Justus Lipsius het voor studiedoeleinden leende. Toen Lipsius de Latijnse teksten bestudeerde, werd zijn interesse gewekt door de Nederlandse vertalingen die erboven stonden. Het ging hier dus om een studieboek waar de monniken en nonnen gebruik van maakten in de lessen Latijn.

Jammer genoeg kunnen we het originele manuscript niet meer bestuderen. Degene die het als eerste bestudeerd heeft, Lipsius, heeft het merkwaardig genoeg ook verloren. Gelukkig heeft hij tijdens zijn studie een aantal van de psalmen overgeschreven. Al wat ons rest zijn dus kopieën. Aangezien de drukkunst nog niet bestond, werden boeken 'overgeschreven' en in dat overschrijven slopen bijna onvermijdelijk ook fouten. De oorspronkelijke tekst van het psalmenboek kon dus alleen gedeeltelijk gereconstrueerd worden door de verschillende kopieën met elkaar te vergelijken. Wat rest zijn enkele psalmen, en een interlineaire lijst met Latijnse woorden en hun Oudnederlandse vertaling.

Oudste literaire Nederlandse tekst[bewerken]

Hoewel er voor die tijd dus al losse woorden, glossen, een doopgelofte en psalmen bekend waren, dateert de oudste bewaarde voluit "literaire" tekst[2] in het Nederlands pas uit de 11e eeuw:

'Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu uuat unbidan uue nu' is ook lastig: 'Alle vogels hebben nestjes begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nu '

Dit intrigerende zinnetje werd meer dan 900 jaar gelden in de marge van een Latijns manuscript geschreven, waarschijnlijk door een verliefde West-Vlaamse scribent die in het klooster van Rochester in Kent werkte. Het gaat hier vermoedelijk om een probatio pennae, een penneprobeersel om een nieuw gesneden pen te testen. Het wordt nu in Oxford bewaard, waar het in 1932 werd ontdekt.

Het eerste boek: de Willeram[bewerken]

De titel van het eerste echte boek in het Nederlands gaat echter niet naar de Wachtendockse Psalmen, ook al zijn die twee eeuwen ouder. De 'Psalmen' zijn immers geen originele handschriften, maar kopieën uit de 16e eeuw. De titel van oudste Nederlandstalig manuscript gaat dus naar De Leidse Willeram, ook wel Egmondse Willeram of Williram genoemd. Het dateert uit circa 1100 en is dus in het Oudnederlands geschreven.

De 'Willeram' is een Oudnederlandse bewerking van Williram von Ebersbergs commentaar op het Hooglied. Williram was de abt van het Beierse klooster Ebersberg en schreef het boek in een Hoogduits dialect. De Hollandse kopiist 'vernederlandste' de tekst door Hoogduitse woorden te vervangen door noordwestelijke Nederlandse woorden. Ook de verbuiging van de werkwoorden en de spelling paste hij aan. De tekst bevat ongeveer 9500 woorden, waardoor het de langste overlevende tekst is in het Oudnederlands.

Referenties[bewerken]

  1. Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek, Amsterdam/Antwerpen, 2001, p. 136-137
  2. Frits van Oostrom, ‘’Stemmen op schrift’’ (zesde druk, 2013, p. 93: “Poezie als pennenproef”)
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.