Naar inhoud springen

Koningen aan de Nijl/Predynastieke periode

Uit Wikibooks

De Predynastieke periode werd gekenmerkt door rijkjes, waarin zich later steden zouden gaan ontwikkelen die een belangrijke rol zouden spelen in de Egyptische geschiedenis. In de eerste twee predynastische periodes is er nog geen sprake van dynastiën, maar vanaf de derde zal men een dynastie kennen die bekend staat als de Nulde dynastie.

Naqada I of Amritische periode (4500-3750 v.Chr.)

[bewerken]
Excursie: Faraonische regalia
Onbekende predynastische heerser met desjret (Louvre).

De Amritische periode overlapte ten dele de eerder beschreven Badari-cultuur, maar lag meer naar het zuiden dan deze vroegere cultuur. Een belangrijk verschil met deze cultuur was dat in de graven sociale differentiatie zijn intreden doet: er verschijnen zaken zoals de desjret, knotskoppen en schminkpaletten, die later symbolen van de macht zullen worden.

Deze periode wordt gezien als een Neolithisch-Chalcolitische periode waarin de cultivatie van de Nijlvallei begon. Er zijn veel aanwijzingen voor een nog sterk nomadische veeteelt die gepaard gaat met een weinig jacht op wild. Enige eenvoudige huisplattegronden zijn gevonden, maar bijna alle opgravingen betreffen begraafplaatsen met kuilgraven aan de rand van de woestijn. Hier zijn een groot aantal 'vruchtbaarheids'-beeldjes teruggevonden. Wat opvalt daarentegen, is dat er ook een groot aantal beeldjes van ivoren mannelijke, bebaarde figuren en amuletten gevonden zijn in de graven. De periode wordt vooral gekenmerkt door het roodbruine aardewerk dat een decoratie van witte slipverf draagt: geometrische figuren, vaak gearceerde driehoeken (wel imitaties van oorspronkelijk vlechtwerk) en dier-, planten- en enige antropomorfe figuren. Zeldzaam zijn een afbeelding van een horizontaal weefgetouw en van een grote roeiboot gebruikt bij o.a. de nijlpaardjacht en hoogstwaarschijnlijk ook voor de handel over de Nijl.

Figurine van een hondje (Louvre).

De Egyptische kunst staat bekend om haar half menselijke, half dierlijke figuren, die ook de goden vertegenwoordigen. Reeds in de Naqada I periode ziet men het belang van het dierenrijk als inspiratiebron voor de religie, en dus ook voor de kunst, aangezien de mens de drang om het geloof uit te beelden nooit heeft kunnen weerstaan.

Na de schilderijen op de rotsen uit de prehistorie, en de vruchtbaarheidsbeeldjes, is de vorm en versiering van aardewerk reeds lang een middel geweest om via de verschillende stijlen tijden en culturen te definiëren en van elkaar te scheiden. Kleien potten zijn dan ook een belangrijke bron voor de geschiedenis en de kunstgeschiedenis. Binnen de zogenaamde C-ware (Cross-lined ware)-decoratie van Naqada I zijn regionale stijlverschillen aangetoond.

Een schminkpalet in de vorm van een Nijlpaard (British Museum).

Het in de zon gedroogde aardewerk van de Naqada-periode was nog niet met een wiel gemaakt. Het zuivere handwerk gaf de potten een onconventionele vorm. Ze werden roodgekleurd en gepolijst, met een zwarte band aan de bovenkant, de opening van de pot. Deze band ontstond door de voltooide pot omgedraaid in de hete as te zetten. Op bepaalde potten zijn ook ingekerfde, heel stylistische afbeeldingen terug te vinden die soms ook verschijnen op de schminkpaletten waarop oog- en huidschmink (zwarte galena, rode oker en malachiet) tot poeder werden gewreven.

Gebouwen uit deze periode zijn nauwelijks te vinden, door de grote tijdspanne, en doordat men toen vooral organische materialen gebruikte om te bouwen. Uit de gevonden grafkuilen uit deze periode kan men reeds afleiden dat een tweede, typische kenmerk van de Egyptische cultuur reeds aanwezig was. Dit was het sterke geloof in het leven na de dood, de drang om zich te vereeuwigen, en zich een plaats in de eeuwigheid te geven. In de graftombes werden namelijk reeds in deze Naqada I-periode beeldjes gevonden, samen met wapens, amuletten, voedsel, versieringen, vazen en schminlpaletten om de dode in zijn of haar leven na de dood te begeleiden.

Naqada II of Gerzeïsche periode (3750-3200 v.Chr.)

[bewerken]
Atlas: Kaart 1

In de Gerzeïsche periode wordt een verdere sociale differentiatie merkbaar. Dorpen groeiden uit tot belangrijke steden zoals Abydos, Hierakonpolis en Naqada (wiens naam aan de volledige periode zou gegeven worden), met een eerder nooit geziene bevolkingsgraad. Om de landbouw te stimuleren, begon men voor het eerst aan kunstmatige irrigatie te doen. Het is in deze periode dat het schrift zich in Egypte zou hebben ontwikkeld.

Ook de kunst zou zich ook ontwikkelden, ondermeer door de intensere contacten met de omringende gebieden en volkeren. Nieuwe stijlen van aardewerk ontstonden, de decoratie ervan evolueerde, en werd gedetailleerder.

Kruik uit de Naqada II periode (Louvre).

Schilderingen verschenen op de potten, die nog steeds zonder wiel gemaakt werden. De illustraties op de potten bestaan uit geometrische figuren (waaronder netwerkstructuren die oorspronkelijk wel draagnetten suggereren), en gestileerde afbeeldingen van allerlei aard, zoals dieren (met name addax of Mendesantilope (indien dit geen gedomesticeerd schroefhoorngeit verbeeldt), gazellen, flamingo's, struisvogel en (zeldzamer) parelhoenders; objecten (vooral grote roeiboten en een enkel zeilschip, opgespannen dierenhuiden (indien dit geen zeil-aan-mast verbeeldt) en losse kajuiten/bootskapellen van vlechtwerk), mensen, groot uitgevoerde godinnen met ronde hoofden en soms met een waaier in een hand, en meest ongeidentificeerde plantmotieven. Een terugkerend patroon in deze schilderingen verwijst waarschijnlijk naar een religieus-mythologische achtergrond. Een duidelijk mythologisch-funerair motief (lijk van man met opgetrokken knieeen ligt in boeg van een vaak afgebeeld Naqada II-schip waarin ook een 'godin' en een flamingo op de voorplecht (mogelijk symbool voor de zonnegod? staan afgebeeld) komt voor op de zgn. Harrogate vase van het Royal Pump Room Museum te Harrogate, Engeland. Een soortgelijk motief bevindt zich in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden dat een predynastisch aardewerk bootje bezit waarin eveneens een dode man ligt en op de voorplecht een kikker (de latere kikkergodin Heqet staat symbool voor wederopstanding!) is gemodelleerd. In tegenstelling tot de Naqada I-periode werd er in de Naqada II-periode eerder met wit-gele klei gewerkt, en werden de illustraties in het rood gemaakt.

Er zijn veel schminkpaletten gevonden, die een duidelijke link vormen met de latere schminkpaletten die zouden worden gebruikt voor rituele aangelegenheden. De gevonden rolzegels wijzen op de invloed van de naburige gebieden. Rolzegels zijn typisch voor Mesopotamië.

Uit de rechthoekige graftombes blijkt dat ook de architectuur evolueerde. Uit de materialen die de doden begeleidden, blijkt dat er een groter verschil was gegroeid tussen de armen en de rijken. In Hierakonpolis (Nekhen) zijn een paleis en gebouwen voor rituele doeleinden ontdekt. Het zijn duidelijke voorlopers van de gebouwen uit de Vroegdynastieke periode.1

Naqada III of Nulde dynastie (3200-3050 v.Chr.)

[bewerken]
Excursie: Farao

De laatste periode van Naqada wordt ook wel de Nulde dynastie genoemd omdat in deze periode de eerste farao's aan ons bekend zijn. In de drie grote steden Abydos, Hierakonpolis en Naqada regeren lokale heersers. Het zal enkel in Abydos zijn dat de serech (of serekh) gebruikt om de naam van de heerser in te schrijven.

Gedurende deze periode is er een duidelijk verschil merkbaar tussen Opper- en Neder-Egypte. Uit de namen van de koningen die regeerden in Opper-Egypte blijkt dat het dierenrijk als inspiratiebron heeft gediend. Uit de kunstwerken leidt men ook af dat het een oorlogszuchtig volk was.2

Neder-Egypte was daarentegen meer gericht op handel. De heerschappij was verdeeld over verschillende families, en er bleek niet echt een hiërarchie te bestaan. Uit het aardewerk leidt men af dat de invloed op de kunst vooral uit Opper-Egypte kwam.3 Toch kan men nog steeds geen echte conclusies trekken over de kunst en de cultuur van het toenmalige Neder-Egypte. Veel van het gebied is namelijk door het veranderende pad van de takken van de Nijl onder dikke lagen slib bedolven.
De eerste bekende heerser in deze periode was Schorpioen, wiens knotskop werd teruggevonden in Hierakonpolis. Op deze knotskop staat de heerser van Opper-Egypte met de kenmerkende hadjet. Naast hem staan twee symbolen, namelijk een ster en een schorpioen. Aangenomen wordt dat de ster voor koning staat, en de schorpioen zou in het Midden-Egyptisch srkt (serket) moeten zijn. De ster behoeft nog enige uitleg volgens sommigen zou er een link bestaan tussen het oude Mesopotamië waar ze ook de ster gebruikten voor koning en de heersers uit Hierakonpolis, wel duidelijk is dat de opvolger van Schorpioen, Narmer is geweest. Er bestaat nog veel discussie onder de Egyptologen of deze koning al dan niet echt bestaan heeft, maar hij is meer dan waarschijnlijk de voorganger van Narmer. Bovendien is het niet onwaarschijnlijk dat hij tevens afgebeeld stond met de desjret, als heerser over Neder-Egypte, zoals op de afbeelding hiernaast wordt aangegeven in stippellijnen.

Voorkant.
Voorkant.
Achterkant.
Achterkant.

Zoals gezegd werd Schorpioen opgevolgd door Narmer, die vermoedelijk dezelfde is als Menes, Meni, en volgens sommige zelfs met (Hor-)Aha (of Hor-Aka) is te vereenzelvigen. Aan de hand van de rolzegel van Qaä, plaatst men hem nu in de Eerste dynastie, hoewel hij lange tijd gedacht werd de nulde dynastie, bestaande uit Schorpioen, Narmer (en Hor-Aha), te vertegenwoordigen. We mogen hem beschouwen als eerste farao van Egypte, daar hij op het beroemde schminktablet van Narmer respectievelijk met de desjret, als heerser over Neder-Egypte, en de hadjet, als heerser over Opper-Egypte, afgebeeld wordt. We zien hier ook al enkele typisce houdingen die latere farao's zullen overnemen, zoals het neerslaan van de vijand met een knotskop op een staf. Of Narmer opgevolgd werd door Hor-Aha dan wel dezelfde was als Hor-Aha is moeilijk te zeggen.

Toch is het niet geheel onmogelijk dat Hor-Aha niet de zoon van Narmer en diens vrouw Nithotep zou zijn. De verwarring die ontstaat tussen beiden komt voort uit Hor-Aha's Neptinaam Men dat "gevestigd" betekent en hem linkt aan Menes, die volgens Manetho de eerste farao was. Zijn graf werd recentelijk (anno 2004) gevonden in de woestijn van Abydos en archeologen van de Universiteit van Pennsylvania, de Universiteit van New York en Yale doen er opgravingen. Zijn ommuurde graf ligt in het noordwestelijke deel van een ommuurde begraafplaats samen met enige andere graven, waarschijnlijk van een aantal hovelingen van Hor-Aha. Uit de ononderbroken pleisterlaag die de graven bedekt is af te leiden dat de lichamen tegelijkertijd zijn begraven en men denkt daarom dat het hier om mensenoffers gaat. Hoe het ook zij, de figuur Hor-Aha leverde veldslagen in Nubië, maar stichtte daarnaast ook de nieuwe hoofdstad Memphis boven in de Nijldelta, die een der voornaamste van de oudheid werd, die door middel van indamming gewonnen zou zijn op de Nijl. Hij bouwde tevens een aan de godin Neith gewijde tempel in Saïs.

Noten

[bewerken]
1 T.A.H. Wilkinson, Early Dynastic Egypt. Strategies, Society and Security, Londen - New York, 1999, pp. 33-34.
2 M. Campagno, In the Beginning was the War. Conflict and the Emergence of the Egyptian State, in S. Hendrickx - e.a. (edd.), Egypt at its origins: studies in memory of Barbara Adams: proceedings of the international conference "Origin of the State, Predynastic and Early Dynastic Egypt," Krakow, 28 August - 1st September 2002, Leuven, 2004, pp. 689-703.
3 T.A.H. Wilkinson, Early Dynastic Egypt. Strategies, Society and Security, Londen - New York, 1999, p. 36.

Bibliografie

[bewerken]

Referenties

[bewerken]
[bewerken]
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.