Franse literatuurgeschiedenis/Matière de Bretagne

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Tristan en Isolde
Franse jongleurs

Met middeleeuwse jongleurs bedoelen we iets heel anders dan een soort acrobaten die balletjes in de lucht proberen te houden. De jongleurs van de literatuur waren oorspronkelijk Franse zangers en voordrachtkunstenaars die met hun heldenliederen rondreisden, van markt tot markt of van kasteel naar kasteel. Het genre waarmee de Franse jongleurs het meest geassocieerd worden is het chanson de geste, het 'lied van daden'. Het is een vorm van orale literatuur in de volkstaal die de hele middeleeuwen door populair bleef, zelfs toen vanaf de 12e eeuw stilaan literatuur op schrift werd gesteld. De verhalen over Karel de Grote zoals het Chanson de Roland en de Renaut de Montauban werden ook door auteurs uit de lage landen opgevangen.

Chanson de Roland, 15e-eeuwse illustratie

Om ze beter te onthouden waren ze door de jongleurs op rijm gemaakt. Vaak duurde zo'n chanson zo lang dat de jongleur het in verschillende delen ten gehore bracht. Van deze verhalen bestaan verschillende versies, doordat degenen die het hadden beluisterd op hun geheugen moesten vertrouwen om het te reconstrueren. Dit geldt ook voor de Middelnederlandse (Dietse) rondreizende jongleurs die met hun vertaalde versie rondreisden. Zo werd een mondelinge traditie van verhalen vertellen verdergezet in een schriftelijke, met bewerkingen die vaak erg van het originele Franse chanson de geste afweken.

De benaming matière de Bretagne verwijst naar een geheel van legenden en liederen die eerst werden gezongen door de Franse jongleurs en die aan de basis lagen van een aantal latere Bretonse romans (romances) uit de periode tussen 1150 en 1250.

De verhalen worden gekenmerkt door sprookjesachtige thema’s en zijn duidelijk beïnvloed door Keltische mystiek. De matière de Bretagne werd een belangrijke literaire inspiratiebron na de publicatie in het Frans van de Historia Regum Britanniae van Geoffroy de Monmouth, die immens populaire personages als Koning Arthur en Merlijn de Tovenaar reeds vóór 1150 introduceerde. De Bretonse romans vormen, samen met de romans die zich op de Oudheid inspireren - de "matière de Rome" - een van de chansons de gestes (behorend tot de "matière de France") afwijkend corpus epen door het gebruik van de rijmende achtlettergrepige verzen en door de mindere nadruk op nationaal geïnspireerde achtergrond en thematiek.

De cycli[bewerken]

Er zijn drie grote cycli van Bretonse romans:

  1. De eerste omvat de lais, geïnspireerd door het repertoire van de Bretonse jongleurs, met name de lais van Marie de France, geschreven rond 1175. Tot deze eerste cyclus, gewijd aan de liefde, behoren ook alle romans geïnspireerd door het personage van Tristan, waaraan ook de cyclus zijn naam ontleent.
  2. In de tweede cyclus staat de legendarische koning van Brittannië, koning Arthur, centraal, samen met zijn ridders van de Ronde Tafel. Roman de Brut (1155) van de Normandische dichter Wace introduceert de personages en de magische omgeving van deze cyclus, maar het was Chrétien de Troyes die de matière de Bretagne met zijn verhalen in heel Europa beroemd maakte. Tot zijn bekendste en meest nagebootste vertellingen behoren Érec et Énide (ca. 1162), Cligès (ca. 1164), Yvain ou le Chevalier au Lion (ca. 1170) en vooral Lancelot ou le Chevalier à la Charrette (ca. 1168), dat door Godefroy de Lagny werd voltooid. Met name Lancelot belichaamt het ideaal van ridderlijkheid en al zijn avonturen staan in het teken van de hoofse liefde.
  3. De cyclus van de Graal begint met het lange gedicht Perceval (63.000 verzen), dat omstreeks 1182 zou zijn begonnen door Chrétien de Troyes. Het verschilt van de vorige cycli door een uitgesproken mystieke inspiratie. Het gaat nu niet meer om avonturen en hoofse liefde, maar om een verheven goddelijke liefde en queeste. In de voortzetting van Perceval, geschreven door verschillende auteurs, onder wie Wauchier de Denain, wordt deze mystieke trend nog geaccentueerd. Er wordt dieper ingegaan op de aard van de Graal. De heilige kelk die het bloed van Christus opving wordt nu het doel van talloze ridders van de Ronde Tafel die ernaar op zoek gaan. In le Roman du Saint-Graal van Robert de Boron en de vulgaat van Lancelot in proza (ca. 1225), is het centrale thema dat van de zuiverheid. Ondanks hun moed slagen noch Perceval, noch Lancelot erin om de queeste naar de Graal tot een goed einde te brengen. Alleen Galahad, Lancelots zoon, zal dankzij zijn kuisheid de Graal zien voordat hij sterft. De Graalcyclus eindigt in Mort du roi Arthur (1230-1235) met de vernietiging van de Ronde Tafel, en de dood van de koning en zijn belangrijkste ridders.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.