Franse literatuurgeschiedenis/Marie de France

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Marie de France, illustratie uit een manuscript

Marie de France (Frankrijk, late 12e eeuw) was de eerste Franse middeleeuwse dichteres. Ze was een veelzijdig schrijfster en hanteerde literaire vormen zoals fabels en lais. Haar oeuvre getuigt van een aanzienlijke charme en talent en werd waarschijnlijk in Engeland geschreven. Het weinige dat over haar bekend is, wordt afgeleid uit haar geschriften en uit enkele toespelingen van schrijvers uit haar tijd.

Biografie[bewerken]

Zoals vaak het geval is met middeleeuwse auteurs, identificeert de naam haar niet met een specifieke historische figuur, maar toont hij aan dat ze afkomstig was uit Frankrijk. In de epiloog van Ysopet schreef de auteur Marie ai num, si suis de France, wat zoveel betekent als Ik kom uit Frankrijk, mijn naam is Marie. "France" betekent hier: Île-de-France, de streek waaruit zij afkomstig was. Dezelfde auteur identificeerde zich met naam in haar Lais en in Espurgatoire Seint Patriz.

Denis Pyramus, een Engelse monnik uit die tijd, spreekt in de inleiding van zijn gedicht Vie Seint Edmund le Rey (ca. 1240) over een zekere dame Marie, die verzen of lais schreef, die weliswaar niet op waarheid berustten, maar waarvoor zij nochtans zeer geprezen werd door graven, baronnen en ridders.

Uit haar werk blijkt dat ze op een of andere manier te maken had met het hof van koning Hendrik II van Engeland, echtgenoot van de beroemde koningin Eleanor van Aquitanië. Marie kende waarschijnlijk Engels, Frans en Latijn.

Oeuvre[bewerken]

Er worden momenteel vier werken toegeschreven aan Marie de France. De manuscripten waarin haar gedichten bewaard zijn gebleven dateren uit de late 13e of zelfs de 14e eeuw, maar het taalgebruik plaatst de gedichten in de tweede helft van de 12e eeuw.

Lais de Marie de France[bewerken]

De Lais de Marie de France is een collectie van twaalf korte, verhalende gedichten in de Anglo-Normandische taal. Het zijn mogelijk verkorte versies van romances, opgedragen aan een onbekende koning, die geïdentificeerd werd als Hendrik II van Engeland.

Lai de Guigemar (synopsis)[bewerken]

Guigemar, de zoon van een trouwe vazal van de koning van Brittanië, is een dappere en wijze ridder, maar ondanks zijn vele kwaliteiten heeft hij nog nooit liefgehad. Tijdens een jachtpartij probeert hij een witte hinde te doden, waarbij hij echter zelf gewond wordt. Voordat ze sterft spreekt de hinde een vloek over hem uit: zijn wonde kan slechts worden geheeld door een vrouw, die uit liefde voor hem zal lijden. Hij zal op zijn beurt evenveel afzien uit liefde voor haar. Guigemar komt terecht op een een mysterieus schip dat hem naar een land brengt waar een oude koning getrouwd is met een mooie jonge vrouw, die hij angstvallig bewaakt. De koningin stemt erin toe zijn wonde te verzorgen in haar 'gouden kooi' en ze worden verliefd. Ze wisselen een teken van trouw uit. De dame legt een knoop in zijn hemd, die zij alleen kan losmaken en Guigemar geeft haar een soort kuisheidsgordel. De geliefden worden betrapt en Guigemar moet terugkeren naar zijn land. Daar wordt hij als een held onthaald, maar hij kan alleen maar aan zijn geliefde denken. Die slaagt erin uit haar gevangenis te ontsnappen. Het mysterieuze schip brengt haar naar Brittanië, waar ze gevangen genomen wordt door Mériaduc, die verliefd op haar wordt. Dank zij haar kuisheidsgordel ontkomt ze aan zijn poging tot verkrachting. Tijdens een toernooi vinden de twee geliefden elkaar weer en herkennen elkaar aan de knoop en de gordel. Guigemar doodt Meriaduc en de geliefden worden herenigd.

Lai d’Equitan (synopsis)[bewerken]

De hofmeier van Equitan, de koning van Nanz, is getrouwd met een wondermooie vrouw. Equitan wordt verliefd op haar, maar hij wordt verscheurd door die gevoelens en zijn loyaliteit ten opzichte van haar echtgenoot. Wanneer Equitan haar uiteindelijk zijn liefde verklaart, gelooft ze hem niet vanwege het verschil in stand tussen hen. Hij overtuigt haar dat zijn gevoelens voor haar oprecht zijn en ze worden minnaars. Naarmate de verhouding vordert, zetten de raadgevers van Equitan hem onder druk om te trouwen. Hij vertelt zijn geliefde dat zij de enige is waarvan hij houdt en dat hij met haar zou trouwen, moest haar echtgenoot er niet zijn. Daarop besluit zijn geliefde haar man uit de weg te ruimen door hem met de hulp van Equitan in een bad kokend water te gooien. De koning zou dan kunnen verklaren dat zijn hofmeier tijdens het baden gestorven was. Tijdens een jachtpartij verblijven Equitan en zijn gevolg in een hut waarin twee badkuipen naast elkaar in de slaapkamer staan. Terwijl de hofmeier wat gaat halen, bereiden Equitan en zijn geliefde hun plan voor en bedrijven ze daarna de liefde. De hofmeier betrapt hen echter. Equitan probeert zich beschaamd te verbergen en springt daarbij per ongeluk in het bad met kokend water. De hofmeier, woedend door de ontrouw van zijn vrouw, gooit haar ook in de badkuip en het ontrouwe paar sterft een vreselijke dood.

Le Fresne (synopsis)[bewerken]

Een ridder en zijn vrouw krijgen een tweeling, twee zonen. Hun buurvrouw is jaloers en verspreidt het nieuws dat de vrouw een tweeling heeft, omdat ze met twee mannen geslapen heeft. De jaloerse vrouw wordt zelf zwanger en bevalt ook van een tweeling, twee meisjes. Ze wil een van haar dochtertjes doden, om niet in diskrediet gebracht te worden, maar een van de meiden van de vrouw stemt er in toe om de baby mee te nemen. De baby wordt in een zijden kleed gehuld en een in goud gezette robijn wordt eraan vastgemaakt met een lint. De dienstbode brengt de baby ver weg en laat haar achter in de takken van een es dicht bij een abdij. De abdis neemt het kind onder haar hoede, noemt haar Le Fresne, doet alsof het haar nicht is en voedt het meisje op. Le Fresne groeit op tot een wondermooie vrouw, waarop Heer Gurun verliefd wordt. Hij wordt een weldoener van de abdij. Gurun en het meisje worden geliefden en ze gaat bij hem wonen. Gurun wordt door anderen overhaald om te trouwen en hij stemt erin toe. Hij verlooft zich met een mooie edeldame, La Codre.

Bisclavret[bewerken]

Bisclavret vertelt het verhaal van een door de koning geliefde baron die drie keer per week zijn kasteel verlaat zonder aan zijn vrouw te willen zeggen wat hij gaat doen. Nieuwsgierig geworden, volgt de barones hem. Zij is er getuige van hoe hij zich buiten uitkleedt, zijn kleren in een holle steen verstopt en in een wolf verandert. Om te beletten dat hij nog terug kan komen naar haar, geeft zij haar minnaar, een ridder, de opdracht om de kleren van haar man te stelen. Op die manier blijft hij gevangen in zijn wolvengedaante en kan zij trouwen met haar minnaar. Wanneer de koning op jacht gaat met zijn gevolg, ontmoet hij Bisclavret en geraakt onder de indruk van de nobele wolf. Hij neemt hem mee naar zijn kasteel, en ze genieten lange tijd van elkaars gezelschap, tot de koning alle baronnen uitnodigt voor een feest. Onder hen bevindt zich ook de ridder die met Bisclavrets vrouw is getrouwd. Zodra Bisclavret de man ziet valt hij hem aan. De koning roept Bisclavret terug en bedreigt hem met zijn staf. Omdat de wolf zich nog nooit gewelddadig heeft getoond rijst het vermoeden dat de aangevallen ridder hem op de een of andere manier onrecht heeft aangedaan. Kort daarop bezoekt de koning met de weerwolf in zijn gezelschap het gebied waar de baron vroeger woonde. Wanneer Bisclavret zijn vrouw ziet, kan hij zich weer niet beheersen. Hij valt haar aan en bijt haar neus af. Een wijze man vertelt de koning dat zij de vrouw is van de ridder die Bisclavret onlangs aanviel, en dat zij ook gehuwd was met de baron die spoorloos verdween. Onder tortuur bekent de vrouw alles, ook waar ze de kleren van Bisclavret heeft verstopt. Op advies van de wijze man laat de koning Bisclavret alleen in de slaapkamer, met de kleren op het bed. Als zijn geliefde baron tevoorschijn komt, geeft de koning hem al zijn bezittingen terug en verbant de barones en haar ridder. Nog lang daarna worden in het nageslacht van Bisclavrets ex-vrouw kinderen geboren zonder neuzen.

Les Deus Amantz[bewerken]

De koning van Val de Pîtres heeft een heel mooie en hoffelijke dochter die zijn oogappel is. Als zij oud genoeg is om te worden uitgehuwelijkt, besluit hij om de vrijers aan een test te onderwerpen. Alleen hij die erin slaagt zijn dochter zonder uit te rusten van de stad naar de top van de berg te dragen, kan met haar trouwen. De vrijers komen samen voor de proef maar allen falen zij. Een jongeman wordt verliefd op het meisje en zij op hem, maar de jongeman is te zwak om in de test te kunnen slagen. Het meisje is echter niet bereid om met hem te vluchten. Zij vraagt ​​een familielid om een ​​drankje te bereiden om de jongeman de nodige energie te geven. Deze laatste weigert echter het drankje, neemt het meisje in zijn armen en klimt snel de helling op. Gedragen door zijn enthousiasme en zijn liefde, voelt hij zijn hart vol van kracht. Hij komt zonder te rusten op de top aan, maar sterft dan van uitputting. Het meisje gooit de toverdrank uit over het land, dat vruchtbaar wordt, en sterft dan naast haar geliefde. De twee geliefden liggen begraven op de top van de berg, die zijn naam geeft aan de Côte des Deux-Amants.

Laustic[bewerken]
Chaitivel[bewerken]
Lanval[bewerken]

Op een dag voelt Lanval zich zo droevig dat hij met zijn paard een tocht naar het platteland maakt om zijn zinnen te verzetten. Aan een stroom gekomen, schrikt zijn paard. Om het wat te laten kalmeren, stijgt Lanval af en gaat aan de oever van de stroom liggen mijmeren. Een tijdje later ziet hij twee mooie jonkvrouwen naderen, die hem vertellen dat hun meesteres hem wil zien. Ze begeleiden hem naar een prachtig versierde tent, en daar wordt hij verwelkomd door een verblindend mooie dame. Zij belooft hem al het geluk dat hij maar wensen kan, op voorwaarde dat hij nooit iets tegen iemand over haar bestaan zal zeggen. Lanval belooft het en geniet van het heerlijke eten, de prachtige kleren die hij krijgt en het gezelschap van de dames. Na een lange tijd zegt ze hem dat hij moet vertrekken. Wanneer hij haar opnieuw wil ontmoeten hoeft hij alleen maar aan een zuivere plaats te denken en zij zal verschijnen.

Teruggekeerd aan het hof van koning Arthur, breekt de ridder echter zijn woord om aan de avances van de koningin (Guinevere, hoewel Marie de France haar niet noemt) te ontsnappen. Op een dag zitten de ridders van Arthur zich in de tuin samen met de dames te ontspannen. Lanval heeft zich afgezonderd om ongestoord over zijn fee te kunnen dromen. Guinevere ziet dat echter vanuit haar raam en besluit om hem te verleiden. Wanneer hij niet ingaat op haar avances, wreekt de koningin zich door Lanval ervan te beschuldigen haar te hebben willen verleiden. Lanval verdedigt zich door te zeggen dat hij veel mooiere dames kent dan de koningin. Door dit te verklappen laat zijn mooie vriendin zich echter niet meer zien, en Lanval zal na de beschuldiging van de koningin slechts aan zijn terechtstelling kunnen ontsnappen door aan de rechters te bewijzen dat zijn geliefde fee bestaat en dat zij mooier is dan de koningin. Op het laatste moment duikt de fee op, en levert zo het bewijs dat de rechters van de ridder eisen. Lanval verdwijnt met zijn geliefde en keert nooit meer terug.

Chevrefoil[bewerken]

Tristan wordt uit het koninkrijk van Marc verdreven en verblijft een jaar in Zuid-Wales. Hij keert terug naar Cornwall, waar de koningin woont, maar houdt zich verborgen in het bos. Met Pinksteren moeten de baronnen zich verzamelen bij Tintagel, aan de noordkust van het Engelse graafschap Cornwall. Op de dag van het vertrek van de koning gaat Tristan naar het bos, waar de stoet voorbij moet gaan. Hij krast zijn naam op een hazelaartak en laat een bericht achter voor Isolde. De boodschap is dat hij niet zonder haar kan leven, en dat ze lijken op de kamperfoelie die zich om de hazelaar wikkelt, zodat de een niet lang zonder de ander kan leven. De koningin merkt de tak op, laat haar gevolg halt houden, en gaat naar de stok kijken met haar dienares uit Brangien. Ze zoekt Tristan op en ze praten vrijuit met elkaar. Ze legt hem uit hoe je je kunt verzoenen met koning Marc. Tristan keert terug naar Wales totdat de koning hem terugroept. Ter herinnering aan zijn vreugde componeert Tristan de 'Lai du Chèvrefeuille' , de lai van de kamperfoelie.

Milun[bewerken]
Yonec[bewerken]

Deze lai vertelt het verhaal van een vrouw die probeert te ontsnappen uit een liefdeloos huwelijk, en van Yonec, het uit liefde geboren kind dat werd verwekt door haar minnaar.

Het verhaal speelt zich af 'lang geleden in Bretagne'. Een rijke, oude man, een machtige heer van Caerwent, huwt een lieflijke jonge dame om erfgenamen voor zijn fortuin te krijgen, maar uit hartstocht en achterdocht behandelt hij haar slecht. Om zich van haar kuisheid te verzekeren sluit hij haar op in een toren. Daar komt hij haar af en toe bezoeken om te proberen een kind te verwekken, maar na zeven jaar heeft hij nog steeds geen erfgenamen. Zijn bejaarde zuster komt haar verzorgen, maar verder ziet ze niemand meer. De jonge dame verliest haar schoonheid en brengt haar leven door in verdriet, wenend en zuchtend, en hoopt op een genadige, snelle dood om aan dit erbarmelijke leven te ontsnappen.

Op een dag, wanneer haar echtgenoot op jacht is, roept zij God aan om haar net als in de sprookjes een reddende ridder te zenden, en daarop vliegt er een grote valk door haar raampje naar binnen die in een ridder verandert. Hij verzekert haar dat hij altijd al van haar heeft gehouden, maar pas nu, na haar gebed, erin geslaagd is om haar te ontmoeten. Ze gaan naast elkaar liggen op het bed, maar zoals de hoofse liefde het gebiedt, omhelst en kust hij haar niet meteen. Hij zegt dat hij haar vorm en gezicht zal aannemen en dat zij de verzorgster moet roepen. Als de oude verzorgster binnenkomt, zegt de jonge dame dat ze ziek is en vreest te zullen sterven. In paniek rent de verzorgster buiten om een priester te zoeken. De priester komt met zijn Corpus Christi, waarna de ridder in haar plaats het sacrament ontvangt en de wijn uit de kelk drinkt.

De geliefden zien elkaar nu zo vaak als ze kunnen, en elke keer vliegt de ridder terug naar zijn landgoed in vogelgedaante. Ze maken plezier en door al dat geluk herwint de dame al gauw haar schoonheid. Ze maken zich wel ongerust dat de zuster van haar echtgenoot het zal opmerken en hen zal verraden. De oude man wordt argwanend als hij ziet hoe zijn vrouw veranderd is, maar zijn zuster verzekert hem dat niemand ongezien de toren kan binnenkomen, zodat het uitgesloten is dat ze een minnaar zou hebben. Toch vraagt de man aan zijn zus om haar te bespieden. Wanneer hij weg is moet zij doen alsof ze ook vertrekt, en zich dan ergens verstoppen om te zien wat het precies is dat de jonge dame zo gelukkig maakt. Drie dagen later zegt de echtgenoot aan zijn vrouw dat de koning hem heeft ontboden en dat hij moet vertrekken. Zijn zuster verstopt zich achter het gordijn in de torenkamer en zal zo alles kunnen zien en horen. Zij ziet hoe de ridder aankomt in de gedaante van een valk, en later ook weer zo vertrekt. Als de oude man dit van haar verneemt, laat hij scheermesscherpe ijzeren spietsen vastmaken aan het raampje om de valk te doden als hij komt aanvliegen.

Nog voor het licht wordt kondigt de echtgenoot aan dat hij op jacht vertrekt. De jonge dame wacht in spanning de komst van haar geliefde af. De valk komt aangevlogen, maar wordt dodelijk gekwetst en gaat in zijn riddergedaante bloedend op het bed zitten. Hij weet dat hij gaat sterven en vertrekt met zijn laatste krachten naar zijn eigen kasteel. De enige troost die zij heeft is dat ze zijn kind draagt. Haar verdriet is echter te groot en zij gooit zich door het raam. Als bij wonder overleeft ze de val en zij begint, slechts gekleed in een nachthemd, zijn bloedsporen op het pad te volgen. Uiteindelijk vindt ze de ingang van een heuvel, met een deur die vol bloed hangt. In het duister zoekt ze angstig maar vastberaden haar weg doorheen de heuvel tot ze aan de andere kant in een wei komt, waar ze ook weer bloedsporen ziet. Ze trekt verder langs de velden, tot ze aan een stad komt met zilveren muren en huizen. Rondom het kasteel vloeit er een brede rivier waar wel driehonderd zeilschepen aangemeerd liggen. Nog steeds het bloedspoor volgend, betreedt de jonge dame de stad. Er is geen levende ziel te bekennen. Ze steekt de binnenplaats van het paleis over en gaat een kamer binnen. Daar ligt een ridder te slapen, en wat verder in een andere kamer nog een. In de derde kamer vindt ze haar geliefde, rustend op een gouden bed. De ridder slaat zijn armen om haar heen, maar vraagt haar toch om zo snel mogelijk te vertrekken. Zijn volk weet immers dat zijn liefde voor haar hem zijn leven heeft gekost, en ze zullen zich op haar willen wreken. Zij zegt dat ze liever samen met hem sterft dan de confrontatie met haar echtgenoot aan te gaan. Daarom geeft hij haar een speciale ring. Zolang ze die aanhoudt, zal haar echtgenoot zich niets herinneren van wat er voordien gebeurde. Dan overhandigt hij haar zijn zwaard en laat haar beloven dat ze het nooit aan een andere man mag schenken. Ze moet het aan hun zoon geven, als die een volwassen, dapper ridder is geworden. Dan moet ze hem vertellen wie zijn echte vader was en wat hem overkomen is, zodat hij zich kan wreken. Op de terugweg hoort ze achter haar al de doodsklokken luiden in het kasteel van haar geliefde.

Tussen haar en haar echtgenoot valt er nooit een woord over wat er gebeurd is, en haar zoon wordt geboren. Hij groeit op tot een dappere ridder zoals zijn vader voorspeld had. Tijdens het feest van Saint Aaron, dat in Caerleon wordt gevierd, wordt de landheer samen met zijn vrouw en zoon uitgenodigd op een kasteel. Binnen de muren bevindt zich een klooster, waar iedere gast een kamer krijgt om te logeren. Tijdens hun verblijf daar ontdekken ze een reusachtige tombe met brandende kaarsen eromheen. De dorpelingen vertellen dat het de dapperste ridder van allen was die daar ligt, en dat hij vermoord is omdat hij in Caerwent een dame had bemind. De moeder roept daarop haar zoon toe dat deze ridder zijn vader is, en dat de verachtelijke oude man naast hem zijn echte vader heeft gedood. Daarop bezwijkt ze en sterft. Haar zoon onthoofdt de oude man met het zwaard van zijn vader. Iedereen in de stad weet al snel wat er is gebeurd. Met veel eerbetoon wordt de dame naast haar geliefde ridder begraven. Van haar zoon Yonec maken ze hun heer.

Sommigen die dit hoorden, zo eindigt Marie de France, maakten er een lai van die verhaalde over alle medelijden, verdriet en pijn die de twee minnaars voor hun liefde hadden geleden.

Eliduc[bewerken]

Ysopet[bewerken]

Ysopet is een verzameling fabels, vertaald van een Engels origineel dat Marie onterecht toeschreef aan Alfred de Grote, die het volgens haar uit het Latijn vertaald zou hebben. De collectie bevat veel fabels die van Phaedrus overgeleverd zijn, een aantal Oosterse verhalen, afkomstig uit joodse bronnen, met veel populaire, korte allegorische vertelsels, die tot de Reinaertcyclus behoren. Ze zijn veeleer bedoeld om te vermaken dan om te beleren. Marie beschrijft ook de ellende van de armen onder het feodale regime, maar ze predikt aanvaarding in plaats van verzet. De fabels werden volgens de Epilogue geschreven voor een zeker Count William, waarvan algemeen wordt aangenomen dat het William Longsword, earl of Salisbury is. De populariteit van de Ysopet blijkt uit de drieëntwintig manuscripten die er van overgebleven zijn.

L’Espurgatoire Seint Patriz[bewerken]

L’Espurgatoire Seint Patriz is een vertaling van de Tractatus de prugatorio S. Patricii (ca. 1185) van Henri de Salterey, wat de actieve periode van Marie de France situeert tegen het einde van de 12e eeuw.

La Vie Seinte d’ Audree[bewerken]

La Vie Seinte d’ Audree is een hagiografie van Sint Audrey, een heilige uit het Engelse Ely. De enige nog overblijvende kopie staat op een manuscript uit de vroege 14e eeuw, dat nu in het bezit is van de British Library. Onderzoekers situeren de compositie van het gedicht echter in de late 12e of vroege 13e eeuw. De lijnen waarin de auteur haar identiteit bekendmaakt hebben een treffende gelijkenis met wat we elders in het werk van Marie de France vinden.

Ici escris mon non Marie
Pur ce ke sois remembree
– La Vie Seinte Audree, vers 4624-4625
Me numeral pur remembrance
Marie ai nun, si sui de France
– Les Fables de Marie de France, epiloog, vers 3-4

Literatuur[bewerken]

  • Blain, Virgina, et al. "Marie de France," The Feminist Companion to Literature in English (Yale UP, 1990, 714).
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.