Spinoza Ethica/Deel 4

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
<Spinoza Ethica - Deel 1 "God" - Deel 2 De menselijke geest - Deel 3 De gevoelens - Deel 4 De menselijke slavernij of de macht van de gevoelens - Deel 5 De macht van het verstand of de menselijke vrijheid>

Deel 4 De kracht van de hartstochten

Schema[bewerken]

  • Voorwoord, definities en axioma's
  • De menselijke staat: 1-18 De oorzaken van de menselijke onmacht en wispelturigheid 19-28 Utile proprium, menselijke deugd 29-37 Het algemeen belang, samenleving
  • Onderworpenheid en vrijheid: 38-58 Goede en slechte aandoeningen. 59-66 Leven volgens het verstand 67-73 Het leven van de vrije mens
  • Samenvatting. Aanhangsel in 32 hoofdstukken: De juiste levenswijze

Definities[bewerken]

  1. Met goed bedoel ik iets waarvan we zeker weten dat het nuttig voor ons is.
  2. Onder slecht versta ik iets wat ons zeker belemmert iets goeds te bereiken.
  3. Losse dingen noem ik toevallig als we niets vinden in hun wezen waardoor ze moeten bestaan of waardoor hun bestaan zou moeten worden uitgesloten.

Axioma[bewerken]

Alle dingen kunnen door iets anders, dat sterker is, worden overtroffen.

Stellingen[bewerken]

  1. Als een onjuist idee (een valse voorstelling) een positieve kant heeft, blijft die in stand bij blootstelling aan de waarheid. - Opmerking: Bijvoorbeeld de suggestie dat de zon op 200 voet staat, blijven we houden ook al weten we beter. Als de zon in het water weerkaatst wordt, lijkt de zon onder water te staan, ook al weten we dat dit niet zo is. We houden foute voorstellingen dus ondanks het kennen van de waarheid, ze verdwijnen pas door confrontatie met sterkere ideeën, die het misverstand uitsluiten.
  2. Wij lijden (ondergaan iets) voorzover we een deel van de natuur zijn, dat op zichzelf en zonder andere delen onbegrijpelijk is. - Bewijs: men zegt dat we iets ondergaan als er iets in ons ontstaat waarvan we niet de hele oorzaak vormen (3d2), dat wil zeggen (3d1) iets wat niet uit de wetten van onze natuur alleen kan worden afgeleid.
  3. De kracht waarmee de mens het bestaan volhoudt, is beperkt en de uitwendige oorzaken overtreffen hem oneindig.
  4. Het is onmogelijk dat de mens niet een deel van de Natuur is, en alleen veranderingen zou ondergaan, die uit zijn eigen aard te verklaren zijn en waarvan hij de afdoende oorzaak is. Commentaar: de afhankelijkheid van de mens van de buitenwereld.
  5. De kracht en de toename van iedere passie (Latijn: passio) en haar vermogen om te blijven bestaan, wordt niet bepaald door het vermogen waarmee we in leven proberen te blijven, maar door de kracht van een uitwendige oorzaak vergeleken met onze eigen kracht.
  6. De kracht van een passie of hartstocht kan de overige handelingen van de mensen of de macht overtreffen, zodat deze hartstocht de mens hardnekkig beheerst.?
  7. Een emotie/invloed (Latijn: affectus) kan alleen geremd of opgeheven worden door een andere die tegengesteld en sterker is.
  8. De kennis van goed en kwaad (Latijn: cognitio boni et mali) is niets anders dan de emotie van blijdschap of verdriet, voorzover we ons die bewust zijn.
  9. Een emotie is in onze verbeelding sterker als we ons voorstellen dat haar oorzaak aanwezig is, dan als we denken dat de oorzaak niet aanwezig is.
  10. Iets toekomstigs dat we snel verwachten, pakt ons heviger aan, dan iets wat volgens ons later komt. Een herinnering aan volgens ons iets recents doet ons meer dan een herinnering aan iets volgens ons van lang geleden.

  11. De emotie over een zaak die we als noodzakelijk voorstellen is onder verder gelijke omstandigheden sterker dan als die zaak misschien of toevallig en dus niet noodzakelijk optreedt.
  12. De emotie over iets waarvan we weten dat het er niet is, maar dat we voor mogelijk houden, is onder gelijke omstandigheden sterker dan over iets dat volgens ons toevallig is.
  13. De emmotie over een toevallige zaak, waarvan we weten dat die nu niet aanwezig is, is onder gelijke omstandigheden zwakker dan over iets in het verleden.
  14. De ware kennis van goed en kwaad kan op zichzelf geen enkele emotie bedwingen. Zij kan dat alleen als ze als emotie wordt gezien.
  15. Het verlangen dat voortkomt uit de ware kennis van goed en kwaad, kan door vele andere begeerten, die ontstaan uit emoties waarmee we te kampen hebben, gesmoord of tegengewerkt worden.
  16. Het verlangen, dat ontstaat uit de kennis van goed en kwaad, voor zover die kennis (iets goeds of kwaads in) de toekomst (?, Latijn: futurus) betreft, kan gemakkelijker tegengewerkt worden of gesmoord door het verlangen naar dingen die tegenwoordig prettig zijn.
  17. Het verlangen dat voortkomt uit de kennis van goed en kwaad, voorzover ze slaat (Latijn: versare) op toevallige dingen kan veel makkelijker getemperd worden door het verlangen naar dingen die aanwezig zijn.
  18. Een verlangen dat voortkomt uit blijdschap is onder gelijke omstandigheden sterker dan een verlangen dat uit verdriet voortkomt.
  19. Ieder moet volgens de wetten van zijn aard datgene nastreven of afwijzen wat hij voor goed of slecht houdt.
  20. Hoe meer iemand zijn eigenbelang behartigt, dat wil zeggen naar zelfbehoud streeft en dat beter kan, des te deugdzamer is hij daardoor. Omgekeerd, hoe meer iemand zijn eigenbelang, dat wil zeggen zijn zelfbehoud, verwaarloost, des te zwakker hij is.

  21. Niemand kan gelukkig willen zijn, goed te handelen en goed te leven, die tegelijkertijd niet verlangt te zijn, te handelen, en te leven, dat wil zeggen, echt te bestaan.
  22. Er is geen enkele deugd voorstelbaar die sterker is (eerder komt, voorrang heeft boven, Latijn: prior) dan het streven naar zelfbehoud (Latijn: conatus sese conservandi).
  23. Van een mens die gedreven wordt om iets te doen, doordat hij inadequate ideeën heeft, kan volstrekt niet gezegd worden dat hij uit deugdzaamheid handelt, maar alleen voor zover hij bepaald wordt, door wat hij begrijpt.
  24. Volstrekt deugdzaam handelen is in ons niets anders, dan onder leiding van het verstand te handelen, te leven, te streven naar zelfbehoud (betekent alle drie hetzelfde) op grond van het streven naar het eigenbelang.
  25. Niemand streeft naar zelfbehoud om een andere reden.
  26. Alles wat we met verstand proberen, is niets anders dan dat begrijpen. De geest vindt als hij nadenkt, voor zichzelf alleen nuttig wat tot begrip leidt.
  27. Van niets weten we zeker dat het goed of slecht is, dan van wat echt tot begrip leidt of dit kan beletten.
  28. Het hoogste goed van de geest is de kennis van "God", en de hoogste deugd van de geest is het kennen van "God" (Latijn: Summum Mentis bonum est Dei cognitio, et summa Mentis virtus Deum cognoscere).
  29. Een afzonderlijk ding, dat een totaal andere aard heeft dan wij, kan ons vermogen tot handelen niet bevorderen of tegenwerken. En alleen kan iets goed of slecht voor ons zijn, als het iets met ons gemeen heeft.
  • 30 Niets kan door een met eigenschap die wij ook hebben slecht voor ons zijn. Maar voor zover het slecht voor ons is, is het strijdig met onze aard.

  • 31 Naarmate iets bij onze aard past, moet het wel goed zijn.
  • 32 Naarmate mensen meer ten prooi vallen aan emoties (Latijn: passiones), kan men des te minder zeggen dat ze bij elkaar passen/het eens worden (Latijn: convenire).
  • 33 Mensen kunnen van nature verschillen wanneer ze door gepassioneerde emoties (Latijn: affectus qui passiones sunt) gekweld worden. Daardoor is een mens in zijn eentje al veranderlijk en wispelturig.
  • 34 Wanneer mensen gekweld worden door gepassioneerde emoties, kunnen ze met elkaar in conflict komen.
  • 35 Voor zover de mensen het verstand volgen, moeten ze wel altijd bij elkaar passen.
  • 36 Het hoogste goed voor wie de deugd nastreeft is voor iedereen hetzelfde en daarom kan iedereen daar blij om zijn.
  • 37 Het goede dat ieder die de deugd nastreeft, voor zichzelf verlangt, wil hij ook voor de anderen, en des te sterker, naarmate hij grotere kennis van "God" heeft.
  • 38 Nuttig is wat het lichaam ontvankelijk maakt voor vele indrukken of wat het geschikt maakt om op allerlei manieren in te werken op uitwendige voorwerpen...Maar schadelijk is alles wat het lichaam hiervoor minder geschikt maakt.
  • 39 Goed is wat de verhouding van rust en beweging van lichaamsdelen behoudt. Slecht is alles wat de verhouding van rust en beweging van de lichaamsdelen verandert.
  • 40 Wat het gemeenschapsleven stimuleert en eendracht bevordert is nuttig. Slecht is wat tot ruzie leidt in de samenleving.

  • 41 Blijdschap is zonder meer (Latijn: directè) niet slecht, maar goed. Droefheid is zonder meer slecht.
  • 42 Je kunt niet te opgewekt zijn (Latijn: hilaritas). Opgewektheid is altijd goed, maar neerslachtigheid (Latijn: melancholia) is altijd slecht.
  • 43 Er kan teveel prikkeling (Latijn: titillatio) zijn, dat is slecht. Verdriet kan goed zijn naarmate de prikkeling of de blijdschap slecht is. (Verdriet kan teveel prikkeling tegengaan.)
  • 44 Liefde en begeerte kunnen te sterk zijn.
  • 45 Haat kan nooit goed zijn.
  • 46 Wie leeft volgens het verstand probeert zoveel mogelijk de haat, woede en minachting die hij van anderen ondervindt, met liefde en edelmoedigheid te vergelden.
  • 47 Gevoelens van hoop en vrees (Latijn: spei et metus affectus) kunnen op zichzelf beschouwd niet goed zijn.
  • 48 Gevoelens van overschatting en minachting ((Latijn: despectus) zijn altijd slecht.
  • 49 Overschatting maakt iemand die overschat wordt, gemakkelijk trots (arrogant).
  • 50. Medelijden (Latijn: commiseratio) is voor de mens die verstandig leeft als zodanig slecht en nutteloos.
Bewijs: Medelijden is droefheid (Definitie 18) en als zodanig slecht (Dit deel Stelling 41). Het goede dat deze emotie met zich meebrengt, namelijk iemand proberen te helpen (Deel 3 Stelling 27, bijkomende stelling 3), willen we alleen door het verstand (Dit deel Stelling 37). We kunnen iets alleen maar op voorschrift van het verstand doen, als we zeker weten dat het goed is (Dit deel Stelling 27). Medelijden is dus bij iemand die verstandig leeft slecht en nutteloos. QED.
Corollarium (Bijkomende stelling): Hieruit volgt, dat de mens die verstandig leeft, medelijden zoveel mogelijk probeert te voorkomen.
Scholium (Commentaar): wie het juiste inzicht heeft dat alles uit de "goddelijke" natuur voortkomt en volgens eeuwige natuurwetten en regels gebeurt, zal nooit iets tegenkomen wat zijn haat, lachlust of minachting waard is en hij zal met niemand medelijden hebben, maar zover als de menselijke deugd hem brengt proberen om zoals men zegt goed te doen en blij te zijn (Latijn: bene agere et laetari). Hier komt bij dat wie makkelijk medelijden voelt en door het leed en de tranen van een ander bewogen wordt, vaak iets doet, waar hij later spijt van heeft, zowel omdat we uit emotie niets doen, waarvan we zeker weten dat het goed is, als omdat we door valse tranen makkelijk misleid worden. En ik heb het hier uitdrukkelijk over iemand die onder leiding van het verstand leeft. Want iemand die noch door het verstand noch door medelijden bewogen wordt om anderen te helpen noemt men terecht onmenselijk. Want hij lijkt in niets op een mens (Deel 3 Stelling 27).

  • 51. Begunstiging (genegenheid, Latijn: Favor) is niet in strijd met het verstand, maar kan daarmee kloppen en eruit voortkomen.
  • 52. Tevredenheid met zichzelf (Latijn: acquiescentia in se ipso) kan uit het verstand voortkomen en is dan de hoogst mogelijke.
  • 53. Nederigheid?/Neerslachtigheid (Latijn: humilitas) is geen deugd en komt niet door het verstand.
  • 54. Berouw is geen deugd en komt niet door het verstand. Maar wie ergens berouw over heeft, is dubbel ongelukkig of machteloos.
  • 55. De grootste verwaandheid (Latijn: superbia) of zelfonderschatting is een totaal gebrek aan zelfkennis.
  • 56. De grootste verwaandheid (Latijn: superbia) of zelfonderschatting wijst op een totaal zwakke ziel/gemoed.
  • 57. Een verwaand (opmerking: arrogant) iemand houdt van het gezelschap van klaplopers en vleiers en heeft een hekel aan dat van edelmoedige mensen.
  • 58. Trots (Latijn: gloria) is niet in strijd met het verstand, maar kan er door veroorzaakt worden.
  • 59. Alle daden waartoe we gedwongen worden door een passieve aandoening ((Latijn: affectus, qui passio est) kunnen we ook verrichten vanuit het verstand.
  • 60. Een verlangen, dat uit blijdschap of droefheid ontstaat en dat te maken heeft met een of meer maar niet alle lichaamsdelen, is nutteloos voor de mens als geheel.

  • 61. De begeerte die uit het verstand (Latijn: ratio) voortkomt, kan niet te groot zijn.
  • 62. Als de geest (Latijn: Mens) zaken volgens het voorschrift van het verstand opvat, komt hem het idee van een zaak in de toekomst, verleden of heden op dezelfde manier voor.
  • 63. Wie door vrees geleid wordt en het goede doet om het kwade te vermijden, laat zich niet door het verstand leiden.
  • 64. De kennis van iets slechts is onvolledige kennis (Latijn: cognitio inadaequata).
  • 65. Als we ons laten leiden door het verstand streven we van twee goede zaken de beste en van twee slechte zaken de minst slechte na.
  • 66. Als we ons laten leiden door het verstand verkiezen we een groter goed in de toekomst boven een kleiner goed nu, en een kleiner huidig kwaad boven een groter kwaad in de toekomst.
  • 67. Een vrije mens denkt nergens minder aan dan aan zijn dood. Zijn wijsheid bestaat eruit, het leven te overdenken en niet de dood.
  • 68. Als de mensen vrij geboren zouden worden, zouden ze zolang ze vrij blijven, geen begrip (Latijn: conceptus) van goed en kwaad vormen.
  • 69. De deugd van een vrije mens blijkt net zo bij het vermijden als bij het overwinnen van gevaren.
  • 70. Een vrije mens die onder onwetende mensen leeft probeert hun gunsten zoveel mogelijk te weigeren.

  • 71. Alleen vrije mensen kunnen elkaar heel dankbaar zijn.
  • 72. Een vrij mens handelt nooit te kwader, maar steeds te goeder trouw.
  • 73. Wie verstandig leeft is vrijer in een gemeenschap waar hij zich aan algemene regels houdt, dan in de eenzaamheid waar hij eigen baas is.

Aanhangsel en Samenvatting[bewerken]

Capita (Hoofdstukken):

  1. Heel ons streven en onze begeerten zijn een gevolg van onze aard. Ze kunnen daaruit als directe oorzaak begrepen worden of meer gedeeltelijk (niet adequaat) omdat we een deel van de natuur zijn en er andere individuen (enkele dingen?) bij moeten betrokken moeten worden (?).
  2. De begeerten die we alleen uit onze aard kunnen begrijpen staan ...de eerstgenoemde begeerten heten terecht handelingen, want ze tonen onze kracht en de laatstgenoemde aandoeningen want ze tonen onze onmacht en gebrekkige kennis.
  3. Onze handelingen, dat is de begeerten bepaald door het vermogen van de mens of het verstand, zijn altijd goed, de andere begeerten kunnen zowel goed als slecht zijn.
  4. In dit leven is vervolmaking van het verstand (Latijn: intellectum perficere) het nuttigst en het grootste geluk van de mens. Gelukzaligheid is niets anders dan de gemoedsrust die uit de intuïtieve kennis van "God" voortkomt. Het vervolmaken van het verstand is niets anders dan het kennen van "God", zijn attributen en zijn daden, die uit zijn aard noodzakelijk voortvloeien. Daarom is het uiteindelijke doel van de mens die door het verstand geleid wordt (dat wil zeggen het voornaamste verlangen dat al de andere verlangens probeert te regelen) het verlangen om zichzelf en alles adequaat te kennen, wat het verstand kan bevatten.
  5. Zonder verstand is er geen redelijk leven en dingen zijn alleen goed voor zover ze de mens helpen een verstandig leven te leiden. Maar we noemen alleen slecht wat de mens belemmert om zijn verstand te vervolmaken.
  6. Omdat alles wat de mens veroorzaakt noodzakelijk goed moet zijn, kan de mens alleen iets slechts overkomen door uitwendige oorzaken, want de mens is een deel van de hele natuur. De menselijke natuur moet gehoorzamen aan haar wetten en zich op zowat oneindig veel manieren aanpassen.
  7. Het is onmogelijk dat de mens geen deel is van de natuur en de normale loop van de natuur niet volgt. Als de mens zich beweegt tussen individuele dingen (Latijn: individua, commentaar: ook mensen) die bij zijn aard passen, dan steunt en bevordert dat zijn vermogen tot handelen (Latijn: agendia potentia). Maar als hij zich integendeel tussen dingen bevindt waarmee hij niets gemeen heeft, kan hij zich niet aanpassen zonder grote verandering.
  8. We mogen alles verwijderen wat we in de werkelijkheid slecht vinden oftewel alles wat ons belemmert in ons verstandig leven. Maar integendeel wat we goed of nuttig voor ons zelfbehoud en een verstandig leven achten, mogen we toepassen en gebruiken. En iedereen mag absoluut doen wat hij in zijn belang acht volgens het hoogste natuurrecht (Latijn: naturae jus).
  9. Niets past beter bij de aard van iets anders, dan de andere individuen van dezelfde soort. Niets draagt meer bij tot het zelfbehoud dan iemand die zich door dhet verstand laat leiden. Het beste wat een mens kan doen, is ander zo op te voeden dat ze zich door eigen verstand laten leiden.
  10. Naarmate mensen zich met jaloezie of haat tegen elkaar gedragen, zijn ze elkaars tegenstanders en zijn ze dus meer te vrezen dan andere losse dingen (Latijn: individua) van de natuur.

  11. Maar liefde en edelmoedigheid en niet wapens veroveren de harten.
  12. Mensen zijn vooral gebaat bij samenleven en bij het streven naar eenheid en in het algemeen naar het onderhouden van vriendschap.
  13. Maar de meeste mensen zijn jaloers en wraakzuchtig, dus het vereist een sterk karakter om hun emoties niet na te doen. Wie anderen liever verwijten maakt dan ze iets goeds leert, is zichzelf en anderen tot last. Daarom leven velen uit onverdraagzaamheid of verkeerde godsdienstijver liever onder de dieren en gaan jongemannen in het leger onder een tyranniek bewind om aan vaderlijke vermaningen te ontsnappen.
  14. Hoewel de mensen meestal hun eigen zin willen doen, heeft de samenleving voor hen toch netto voordelen. Het is voor hen beter om onrecht te verdragen en te streven naar samenwerking (eendracht) en vriendschap.
  15. Eendracht komt voort uit alles wat rechtvaardig, eerlijk en fatsoenlijk is. De mensen kunnen niet tegen onrecht en ook niet tegen misstanden (schandalige zaken) zoals kritiek op de gangbare gebruiken van de samenleving (Latijn: civitas). Voor wederzijdse liefde is moreel gedrag en plichtsbesef nodig (Latijn: religio et pietas).
  16. Meestal komt eendracht uit vrees, maar daar kun je niet op bouwen. Want vrees en ook medelijden zijn niet verstandig.
  17. Verder kunnen we mensen voor ons winnen door vrijgevigheid, vooral de armen die niet in hun levensbehoeften kunnen voorzien. Maar een particulier mist de draagkracht om iedereen die dat nodig heeft te helpen. Ook is een enkel mens niet in staat om met iedereen bevriend te zijn. Daarom is de armenzorg een zaak voor de gehele maatschappij en van algemeen belang.
  18. Als we gunsten aannemen en dankbaar zijn, moeten we op andere dingen letten. Zie het commentaar bij deel 4 stelling 70 en 71.
  19. Sexuele liefde, dus geslachtsdrift, die berust op uiterlijke schoonheid en in het algemeen elke liefde die niet gebaseerd is op vrijheid van de ziel, kan makkelijk in haat omslaan, tenzij - dat is nog erger - die liefde een vorm van waanzin is, en meer door ruzie dan door samenwerking wordt aangewakkerd.
  20. Wat het huwelijk betreft: dit is zeker verstandig als het seksuele verlangen niet alleen door uiterlijk wordt opgewekt, maar ook door de behoefte om kinderen te krijgen en verstandig op te voeden. En verder als de liefde van man en vrouw niet alleen komt door het uiterlijk maar vooral door de vrijheid van de ziel.

  21. Verder geeft vleierij ook eendracht, maar alleen door slaafsheid of trouweloosheid. Niemand is gevoeliger voor gevlei dan verwaande mensen die ten onrechte de eersten willen zijn.
  22. In neerslachtigheid (zelfonderschatting?, Latijn: abiectio) schuilt een valse soort plichtsbesef en godsdienstigheid (Latijn: pietas, religio). En hoewel zelfonderschatting het tegendeel is van trots, is wie zichzelf onderschat toch verwant aan wie trots is.
  23. Schaamt leidt tot eendracht, maar alleen in gevallen die niet verborgen kunnen worden. Omdat schaamte een soort verdriet is, heeft ze met het toepassen van het verstand niet te maken.
  24. De overige gevoelens van verdriet om mensen staan lijnrecht tegenover rechtvaardigheid, billijkheid, eerlijkheid, plichtsbesef en vroomheid. Hoewel de verontwaardiging billijk lijkt te zijn, wordt toch wetteloos geleefd waar iedereen de andermans daden mag beoordelen en zijn eigen of andermans recht mag verdedigen.
  25. Bescheidenheid (Latijn: Modestia), dus het verlangen anderen een plezier te doen, is verstandig en hoort tot het plichtsbesef (Latijn: Pietas). Maar komt ze uit een emotie voort, dan is zij eerzucht oftewel een verlangen waarmee de mensen onder het mom van plichtsbesef tweedracht zaaien en opstanden uitlokken. Want wie anderen met raad en daad wil helpen, zodat zij tegelijkertijd het hoogste goed genieten, wil vooral dat ze van hem houden, maar niet dat ze hem bewonderen om de leer naar hem te laten vernoemen (?, Latijn: ut disciplina ex ipso habeat vocabulum) en wil geen aanleiding tot jaloezie geven. In het gesprek zal hij ervoor oppassen om over de zwakheden van mensen te praten en hij zal ervoor zorgen maar spaarzaam het menselijk tekort (onmacht, Latijn: impotentia) aan te roeren, maar hij zal uitweiden over de menselijke deugd of diens vermogen en hoe die te verbeteren zodat de mensen niet uit vrees of afkeer, maar alleen uit een gevoel van vreugde, naar het voorschrift van het verstand proberen te leven zoveel ze kunnen.
  26. Behalve de mensen kennen we niets in de natuur met een geest waarom we blij kunnen zijn en waarmee we vriendschap of omgang kunnen beginnen. Ons eigenbelang (Latijn: nostrae utilitatis ratio) vereist niet dat we wat in de werkelijkheid buiten de mens voorkomt, in stand houden. Maar het leert ons om dat voor eigen gevarieerde gebruik te bewaren, te vernietigen of op een of andere manier voor ons gebruik geschikt te maken.
  27. Het nut dat dingen buiten ons voor ons hebben, is vooral voor het lijfsbehoud. Verder dienen ze voor ervaring en kennis, die we ontlenen aan datgene, wat we waarnemen en van vorm laten veranderen. Daarom is voeding vooral nuttig en alle lichaamsdelen hun werk goed laten doen. Want naarmate het lichaam gevoeliger is voor indrukken en uitwendige voorwerpen het op verschillende manieren kunnen beïnvloeden, kan de geest beter denken (zie deel 4 stellingen 38 en 39). Maar het schijnt dat zulke dingen (?, Latijn: huius notae perpauca) in de natuur heel zeldzaam zijn, omdat om het lichaam te voeden veel voedingsmiddelen van uiteenlopende aard nodig zijn. Het menselijk lichaam is samengesteld uit verscheidene delen van diverse aard, die voortdurende en verschillende voeding vereisen, zodat het gehele lichaam voorr alles, wat uit zijn aard volgt, even aangepast is, en zodat ook de geest even geschikt is om van alles te begrijpen.
  28. Als de mensen niet samenwerkten, zouden de krachten van wie dan ook nauwelijks voldoende zijn om die middelen te verkrijgen. Geld is zodat het volk daar vooral aan denkt en zich bijna geen andere vreugde kan voorstellen, zonder aan sommen geld als oorzaak te denken.
  29. Maar dit is alleen maar een ondeugd van die mensen die niet uit behoefte of noodzaak streven naar geldstukken, maar zich toeleggen op de kunsten van het winst maken waar ze trots op zijn. Verder voeden ze het lichaam normaal maar spaarzaam, omdat ze het geldverspilling vinden. Maar wie het echte nut van geld kent en de rijkdom naar behoefte regelt, leeft tevreden met weinig.
  30. Omdat dus die dingen goed zijn, die delen van het lichaam helpen om hun functie vervullen en de vreugde daarin gelegen is, dat ze het vermogen van de mens naar geest en lichaam helpt en vermeerdert, zijn dus al die dingen die vreugde geven goed. Maar omdat aan de andere kant dingen optreden, die ons geluk niet dienen en hun vermogen tot handelen (?) niet op ons belang afgestemd is, en de vreugde meestal één deel van het lichaam het sterkst raakt, zijn gevoelens van vreugde dus meestal overdreven (tenzij verstand en voorzichtigheid helpen) en de verlangens die uit ze ontstaan. Daar komt bij dat we door een gevoel dat het belangrijkst vinden wat nu prettig is, en iets in de toekomst niet met hetzelfde gevoel kunnen waarderen. Zie de opmerkingen bij stelling 44 (hier) en deel 3 stelling 60.

  31. Maar het bijgeloof wil dat goed is wat verdriet brengt, en slecht wat blij maakt. Maar niemand wordt blij van mijn onmacht of pech, behalve uit jaloezie. Want we worden des te blijer, als we volmaakter worden, en daardoor dus meer deelnemen aan de "goddelijke" natuur. Blijdschap die ons eigenbelang met verstand regelt, kan nooit slecht zijn. Maar wie zich laat leiden door angst, en het goede doet om het kwaad te vermijden, wordt niet door het verstand geleid.
  32. Maar de menselijke vermogens zijn beperkt en worden oneindig overtroffen door de macht van uitwendige oorzaken. We verdragen de omstandigheden in het besef onze plicht te hebben gedaan en deel te zijn van de gehele natuur, waarvan we de ordening volgen. Door dit heldere en onderscheiden (Latijn: clarè et distinctè) inzicht legt onze beste deel (ons verstand) zich neer bij deze orde en streven we naar berusting. Want als we meer begrijpen, kunnen we alleen maar nastreven wat noodzakelijk is en alleen maar in de waarheid berusten.


<Spinoza Ethica - Deel 1 "God" - Deel 2 De menselijke geest - Deel 3 De gevoelens - Deel 4 De menselijke slavernij of de macht van de gevoelens - Deel 5 De macht van het verstand of de menselijke vrijheid>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.