Spinoza Ethica/Deel 3

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
<Spinoza Ethica - Deel 1 "God" - Deel 2 De menselijke geest - Deel 3 De gevoelens - Deel 4 De menselijke slavernij of de macht van de gevoelens - Deel 5 De macht van het verstand of de menselijke vrijheid>

Deel 3 De hartstochten (aandoeningen)

Schema[bewerken]

  • Voorwoord
  • Definities en postulaten (vereisten)
  • Inleiding: 1-3 Handelingen en aandoeningen. 4-8 Overlevingsdrang.
  • Aandoeningen: 9-11 Primaire aandoeningen. 12-57 Secondaire aandoeningen. 58-59 Aandoeningen die handelingen zijn.
  • Samenvatting. Definities van 48 aandoeningen.

Voorwoord[bewerken]

De meeste schrijvers over de emoties en de levenswijze van de mens schijnen te denken dat hij buiten de natuurlijke orde staat, zijn eigen daden volledig beheerst maar toch een machteloze geest heeft. Niemand heeft, voor zover ik weet, de aard en de macht van de gemoedsaandoeningen beschreven, en ook niet hoe de geest hen kan temperen. Descartes probeerde wel de menselijke gemoedsaandoeningen uit hun eerste oorzaak te verklaren en de weg gewezen hoe de geest hen helemaal zou kunnen beheersen, maar hij dacht ook dat de geest zijn daden volstrekt beheerst.

De mensen bespotten de emoties liever dan dat ze ze begrijpen. Ze vinden het vast vreemd, dat ik de gebreken en dwaasheden van de mens op meetkundige wijze (Latijn: more geometrico) probeer te bepreken en dat ik dingen wil bewijzen die volgens hen met het verstand in strijd en vreselijk zijn. Maar in de Natuur gebeurt niets dat aan een gebrek kan worden toegeschreven. De wetten en regels (Latijn: leges et regulae naturae universales) zijn steeds hetzelfde, de Natuur is steeds en overal hetzelfde, en daaruit moeten emoties net als al het andere verklaard worden met oorzaak en gevolg wat ons op zichzelf al genot schenkt.

Ik behandel menselijke daden en verlangens en de macht van de geest alsof het lijnen, vlakken en inhouden (lichamen) waren (Latijn: ac si Quaestio de lineis, planies aut de corporibus esset.)

Definities[bewerken]

  1. Ik noem een oorzaak adequaat (afdoende) als haar effect er helder en duidelijk mee verklaard wordt. Inadequaat of gedeeltelijk adequaat is een oorzaak, die gevolgen heeft die ook andere oorzaken? hebben.

Postulaten (Vereisten)[bewerken]

  1. Het menselijk lichaam kan op allerlei manieren beïnvloed worden, waardoor zijn vermogen om iets te doen vergroot of verkleind wordt, maar ook zonder dat het daarvoor iets uitmaakt.
  2. Het menselijk lichaam kan veel veranderingen ondergaan en toch de indrukken en sporen van voorwerpen en dus hun beelden behouden.

Stellingen[bewerken]

  1. Met sommige dingen treedt onze geest actief op, andere ondergaat onze geest. Voorzover de geest een adequate voorstelling heeft, moet de geest noodzakelijk handelen, met een inadequate voorstelling moet onze geest ondergaan.
  2. Het lichaam kan de geest niet tot denken dwingen en de geest het lichaam niet tot beweging, rust of wat dan ook.
  3. Handelingen van de geest ontstaan alleen uit adequate ideeën, gevoelens (Latijn: passiones) hangen alleen van niet-adequate ideeën af.
  4. Niets kan alleen door een uitwendige oorzaak worden vernietigd.
  5. Als een zaak een andere kan vernietigen, hebben ze een tegengestelde natuur, dat wil zeggen ze kunnen niet in één zaak voorkomen.
  6. Elke zaak, die op zichzelf bestaat streeft naar voortzetting van zijn bestaan.
  7. Het streven van elk ding naar voortzetting van zichzelf, is het echte wezen ervan.
  8. Het streven, waarmee elk ding naar zijn voortzetting streeft, houdt een onbepaalde, onbeperkte tijd in.
  9. Het maakt niet uit of de geest heldere en onderscheiden of verwarde ideeën heeft, de geest streeft voor een onbepaalde duur naar zijn voortzetting en is zich daarvan bewust.
  10. Een idee dat het bestaan van ons lichaam uitsluit, kan niet in onze geest voorkomen, maar is daarmee in tegenspraak. (commentaar: we kunnen ons niet voorstellen dat we geen lichaam zouden hebben.)

  11. De voorstelling (Latijn: idea) van alles wat het vermogen tot handelen van ons lichaam vergroot of verkleint, helpt of tegenhoudt, doet hetzelfde met het denkvermogen van onze geest.
  12. De geest tracht zich zoveel mogelijk voor te stellen wat het vermogen tot handelen van het lichaam vergroot of helpt.
  13. Wanneer de geest zich voorstelt wat het vermogen tot handelen van het lichaam vermindert of beperkt, probeert hij zoveel mogelijk zich aan dingen te denken (Latijn: recordari, ook toekomstige dingen!), die het bestaan ervan uitsluiten.
  14. Als de geest ooit twee gemoedsaandoeningen tegelijk doormaakte, dan zal hij later, als hij een van beide ervaart, ook de andere ervaren. (Commentaar: associatie.)
  15. Alles kan toevallig (bij gelegenheid) oorzaak zijn van blijdschap, droefheid of begeerte (verlangen).
  16. Alleen al omdat iets (Latijn: objectum) in onze verbeelding lijkt op iets anders wat de geest meestal blijdschap of verdriet bezorgt, zullen we ervan houden of er een hekel aan hebben, ook al is de overeenkomst niet de directe oorzaak (Latijn: causa efficiens) van deze emoties.
  17. Als in onze verbeelding iets wat ons meestal verdriet doet, lijkt op iets anders, dat ons meestal evenzeer blij maakt, zullen we het tegelijkertijd haten als liefhebben.
  18. Het beeld van iets uit het verleden of in de toekomst, kan een mens dezelfde vreugde of hetzelfde verdriet geven als het beeld van iets dat nu aanwezig is (in het heden).
  19. Wie zich voorstelt dat iets geliefds teniet gaat, wordt bedroefd, maar als het behouden blijft, is men blij.
  20. Wie zich voorstelt dat iets wat men haat, te niet gaat, is blij.

  21. Wie zich voortelt dat iets (of iemand) waar men van houdt blijdschap of droefheid ervaart, zal zelf blijdschap of droefheid voelen. Deze emotie is des te sterker of zwakker in wie liefheeft, naarmate de emotie groter of kleiner is in wat geliefd wordt.
  22. Als we ons voorstellen dat iemand iets waar wij van houden (Latijn: res quam amamus) blij maakt, voelen wij liefde voor hem. Maar als wij ons voorstellen dat iemand iets waar wij van houden verdrietig maakt, zullen we hem haten.
  23. Wie zich voorstelt dat wat wij haten bedroefd is, wordt blij. Maar als hij het zich blij voorstelt, zal hij bedroefd worden en deze emotie is groter of kleiner naarmate van de tegengestelde emotie in wat hij haat.
  24. Als we ons voorstellen dat iemand iets, wat wij haten vreugde bezorgt, dan haten we hem ook. Als we ons integendeel voorstellen dat iemand hetzelfde verdriet bezorgt, voelen wij liefde voor hem.
  25. Alles wat volgens ons onszelf of een geliefd iets vreugde bezorgt, proberen we te bevorderen (eigenlijk Latijn: affirmare, versterken, bevestigen). Omgekeerd proberen we alles wat volgens ons onszelf of een geliefde iets verdriet doet, tegen te werken (eigenlijk Latijn: negare, ontkennen, weigeren, ontzeggen).
  26. Alles wat iets, wat we haten, volgens ons verdriet doet, proberen we te bevestigen en integendeel dat te ontkennen, wat het volgens ons vreugde brengt.
  27. Doordat we ons voorstellen, dat iets wat op ons lijkt en wat in ons geen emotie opwekt, door iets beïnvloed wordt (Latijn:afficere, aangedaan worden), voelen wij diezelfde invloed (Latijn affectus, hartstocht?). (Commentaar: sympathie, empathie?)
  28. Alles, wat volgens ons tot vreugde leidt, proberen we te laten gebeuren. Wat volgens ons dat juist belemmert of tot verdriet leidt, (proberen we) weg te halen of te vernietigen.
    (Latijn: Id omne,quod ad Laetitiam conducere imaginamur, conamur promovere, ut fiat. Quod verò eidem repugnare, sive ad Tristitiam conducere imaginamur, amovere, vel destruere conamur.)
  29. Wij zullen alles proberen te doen, wat de mensen(*) volgens ons blij maakt, en omgekeerd vermijden te doen, waar ze volgens ons een hekel aan hebben. (*)Noot van Spinoza: Hier en verderop moet onder "mensen" verstaan worden diegenen die bij ons geen emotie hebben opgewekt.
  30. Als iemand iets deed, wat volgens hem anderen blij maakt, zal hij vreugde voelen samen met het idee van zichzelf als oorzaak, dus hij kijkt met vreugde naar zichzelf. Maar als hij iets deed, wat volgens hem anderen bedroefd maakt, bekijkt hij zichzelf met droefheid.

  31. Als we ons voorstellen dat iemand ergens van houdt, het wil hebben of het haat waar we zelf van houden, het willen hebben of haten, zullen we er daardoor des te volhardender zelf van houden, enzovoorts.
  32. Als we ons voorstellen dat iemand zich verheugt op iets wat maar één persoon kan bezitten, zullen we proberen te verhinderen dat hij het krijgt.
  33. Als we van iets (Latijn: res, zaak) houden dat op ons lijkt, proberen zoveel we kunnen voor elkaar te krijgen dat het ook van ons houdt.
  34. Hoe groter de genegenheid die de beminde zaak in onze verbeelding voor ons heeft, des te meer zullen we ons erop beroemen.
  35. Als iemand zich inbeeldt, dat een geliefde zaak zich met een ander met eenzelfde of nauwere vriendschapsband verbindt, dan die hij zelf had, zal hij een hekel krijgen aan de geliefde zaak en op de ander jaloers worden.
  36. Wie zich iets herinnert waarvan hij ooit heeft genoten, verlangt het weer te bezitten onder dezelfde omstandigheden, als waaronder hij er eerder van heeft genoten.
  37. De begeerte (het verlangen) die voortkomt uit verdriet, blijdschap of haat of liefde is des te groter naarmate de emotie sterker is.
  38. Als iemand zo'n hekel gaat krijgen aan iets waarvan hij hield, dat de liefde helemaal verdwijnt, zal hij bij een soortgelijke aanleiding er des te meer een hekel aan krijgen dan wanneer hij er nooit van gehouden had, en des te meer naarmate de liefde vroeger groter was.
  39. Wie een hekel heeft aan iemand, probeert hem kwaad te doen, tenzij hij vreest dat dat leidt tot een grotere ramp voor hem. En omgekeerd, wie van iemand houdt probeert hem volgens dezelfde wet diensten te bewijzen (wel te doen, Latijn: beneficere).
  40. Wie zich voorstelt dat hij door iemand zonder reden gehaat wordt, zal hem van zijn kant haten.

  41. Wie zich voorstelt dat iemand zonder reden van hem houdt (wat volgens stelling 15 bijkomende stelling en stelling 16 kan voorkomen), zal van zijn kant van hem houden.
  42. Wie iemand een dienst bewijst, uit liefde of uit hoop op roem, wordt bedroefd als hij ziet als de dienst hem niet in dank wordt afgenomen.
  43. Haat neemt toe door beantwoorde haat, maar kan door liefde vernietigd worden.
  44. Haat die door liefde totaal wordt overwonnen, gaat over in liefde en deze liefde is daardoor groter, dan als er niet eerst haat was geweest.
  45. Wie zich inbeeldt dat iemand (anders) die op hem lijkt, iets anders wat ook op hem lijkt en waarvan hij houdt, haat, zal die ander haten.
  46. Als iemand door een ander verblijd wordt of verdrietig gemaakt wordt, die van een andere stand of een ander volk is, samen met het idee dat in het algemeen die stand of dat volk de oorzaak is, zal hij niet alleen die ander maar allen van die stand of dat volk liefhebben of haten.
  47. De vreugde als we ons voorstellen dat iets wat wij haten vernietigd wordt of door een ander kwadd wordt getroffen, ontstaat niet zonder enige droefheid.
  48. Liefde en haat, bijvoorbeeld voor Petrus, verdwijnen als de vreugde die de eerste emotie en de droefheid die de tweede emotie met zich meebrengt, worden verbonden met het idee van een andere oorzaak. En beide verminderen naarmate we ons voorstellen dat niet alleen Petrus van een van beide de oorzaak is.
  49. De liefde voor en de haat tegen iets, dat volgens ons vrij is, moet groter zijn dan als het om iets gaat, dat noodzakelijk is, als de oorzaak gelijk blijft.
  50. Alles kan toevallig de oorzaak van hoop of vrees zijn.

  51. Verschillende mensen op verschillende manieren de inwerking van één en hetzelfde voorwerp (Latijn: objectum) ondergaan, en één en dezelfde mens kan op verschillende tijden de inwerking van één en hetzelfde voorwerp op verschillende manieren ondergaan.
  52. Een voorwerp, dat we samen met andere voorwerpen eerder gezien hebben of dat volgens ons alleen eigenschappen heeft, die het met veel andere (voorwerpen) gemeen heeft, zullen we niet zo lang bekijken (Latijn: contemplare), als iets wat volgens ons iets bijzonders heeft. (Commentaar: we schenken het liefst aandacht aan iets unieks.)
  53. Wanneer de geest zichzelf en zijn vermogen tot handelen beschouwt, is hij blij, en des te meer, naarmate hij zichzelf en zijn vermogen tot handelen als meer bijzonder/duidelijker (Latijn: distinctius) voorstelt.
  54. De geest probeert zich alleen voor te stellen wat zijn vermogen tot handelen bevordert.
  55. Als de geest denkt aan zijn onmacht, doet dat hem verdriet.
  56. Blijdschap, droefheid, begeerte en de daaruit gecombineerde emoties, bijvoorbeeld aarzeling, of (de emoties) die daaruit zijn afgeleid, zoals liefde, haat, hoop, vrees enzovoort, leveren zoveel soorten (emoties) op, als er soorten voorwerpen zijn die op ons inwerken. (Commentaar: onze verschillende emoties weerspiegelen onze veelzijdige buitenwereld.)
  57. De emoties van twee mensen verschillen evenveel als hun aard (Latijn: essentia).
  58. Behalve de blijdschap en het verlangen, die allebei gemoedsaandoeningen (Latijn: passiones) zijn, komen andere emoties (Latijn: affectus) van blijdschap en verlangen voor, die we hebben als we iets doen.
  • 59. Een handelende geest heeft alleen emoties van blijdschap of begeerte.

Definities van de gevoelens[bewerken]

  1. Begeerte is het wezen zelf van de mens, voor zover een gevoel (Latijn: affectio) dat wezen aanzet om iets te doen.
    (Latijn hele stelling: Cupiditas est ipsa hominis essentia, quatenus ex data quâcunque ejus affectione determinata concipitur ad aliquid agendum.)
  2. Blijdschap (Latijn: Laetitia) is de overgang van een mens van een kleinere naar een grotere volmaaktheid.
    (Latijn:Laetitia est hominis transitio à minore ad majorem perfectionem, commentaar: dus blijdschap treedt op als iemand in een opzicht beter wordt.)
  3. Droefheid (Latijn: Tristitia, verdriet, droefenis) is de overgang van een mens van een grotere naar een kleinere volmaaktheid.
    (Latijn:Tristitia est hominis transitio à majore ad minorem perfectionem, commentaar: dus droefheid treedt op als iemand in een opzicht slechter wordt.)
  4. Verwondering is een idee dat de geest boeit, omdat deze voorstelling niet aan een andere verbonden is (commentaar: dus nieuw is). Ik onderken drie kernemoties: blijdschap, droefheid en begeerte.
  5. Minachting is het idee van iets wat de geest zo weinig interesseert, dat de geest het eigenschappen toedicht die het niet heeft.
  6. Liefde is de blijdschap die samengaat met het idee van een uitwendige oorzaak. (Latijn:Amor est laetitia, concomitante idea causae externae.)
  7. Haat is droefheid gekoppeld aan het idee van een uitwendige oorzaak.
  8. Voorliefde (Latijn: propensio) is de blijdschap die samengaat met het idee van iets dat de toevallige (accidentele) oorzaak is van die blijdschap.
  9. Afkeer is droefheid samen met een idee van een toevallige (Latijn: per accidens) oorzaak daarvan.
  10. Toewijding is liefde voor iemand die we bewonderen.

  11. Bespotting is blijdschap als we ons voorstellen dat iets wat we haten iets verachtelijks heeft.
  12. Hoop is de onzekere (Latijn:inconstans) blijdschap, die voortkomt uit de voorstelling van iets uit het verleden of toekomst met een onbekende uitkomst.
  13. Vrees is de onzekere droefheid, die voortkomt uit de voorstelling van iets uit het verleden of toekomst met een onbekende uitkomst.
  14. Zorgeloosheid is de blijdschap, die voortkomt uit de voorstelling van iets uit het verleden of toekomst wat zeker is.
  15. Wanhoop is de droefheid, die voortkomt uit de voorstelling van iets uit het verleden of toekomst wat zeker is.
  16. Vreugde is blijdschap gekoppeld aan het idee van een voorval uit het verleden dat anders dan gehoopt afliep.
  17. Teleurstelling (spijt?) is de droefheid gekoppeld aan het idee van een voorval uit het verleden dat anders dan gehoopt afliep.
  18. Medelijden is de droefheid die samengaat met het idee van iets slechts dat onze gelijke overkomt.
  19. Genegenheid is de liefde voor iemand die iemand anders heeft geholpen.
  20. Verontwaardiging is de haat tegen iemand die iemand anders kwaad heeft gedaan.

  21. Overschatting is uit liefde iemand hoger inschatten dan gerechtvaardigd is.
  22. Onderschatting (gering achten) is uit haat iemand lager inschatten dan gerechtvaardigd is.
  23. Jaloezie (nijd, afgunst, leedvermaak) is de haat, als het geluk van iemand anders verdrietig maakt en men zich verheugt is andermans ongeluk
  24. Empathie (Latijn: misericordia) is de liefde, als het geluk van iemand anders blij maakt en andermans ongeluk verdrietig.
  25. Zelfvoldaanheid is de blijdschap als de mens zichzelf en zijn vermogen tot handelen (Latijn: agendi potentia) beziet.
  26. Neerslachtigheid is de droefheid als de mens zijn onvermogen onder ogen ziet.
  27. Berouw is de droefheid samen met het idee van iets dat we uit vrije wil denken gedaan te hebben.
  28. Trots (hoogmoed, verwaandheid) is zichzelf uit (eigen)liefde ten onrechte hoger inschatten.
  29. Zelfverachting (zelfonderschatting) is zichzelf uit droefheid ten onrechte lager inschatten.
  30. Zelfverheerlijking' (trots) is [Spinoza_Ethica/Deel_3#3g2|blijdschap]] gekoppeld met de gedachte aan iets wat we deden, wat volgens ons door anderen geprezen wordt.

  31. Schaamte is verdriet gekoppeld met de gedachte aan iets wat we deden, wat volgens ons door anderen afgekeurd wordt.
  32. Verlangen is de begeerte of drang om iets te bezitten aangewakkerd door de herinnering eraan en belemmerd door de herinnering aan andere zaken die het bestaan van de verlangde zaak uitsluiten.
  33. Wedijver (concurrentie, navolging) is het verlangen naar iets, dat volgens ons ook anderen begeerd wordt.
  34. Dankbaarheid is de begeerte om iemand die ons een gunst heeft bewezen, goed te doen.
  35. Welwillendheid (edelmoedigheid) is de begeerte om iets goeds te doen voor iemand met wie we medelijden hebben (Latijn:cuius nos miseret).
  36. Woede is de begeerte om iemand die we haten kwaad te doen.
  37. Wraaklust is de begeerte om iemand kwaad te doen uit wederzijdse haat, die ons uit haat heeft kwaad gedaan.
  38. Wreedheid (hardvochtigheid) is de begeerte van iemand om iemand anders kwaad te doen, van wie we houden of met wie we medelijden hebben
  39. Angst is de begeerte een gevreesd groter kwaad te vermijden met een kleiner kwaad.
  40. Moed is de begeerte die iemand ertoe aanzet iets te doen waarvoor zijn gelijken bang zijn.

  41. Lafheid schrijft men toe aan iemand, wiens begeerte wordt bedwongen door de angst voor een gevaar waarvoor zijn gelijken niet bang zijn.
  42. Verbijstering schrijft men toe aan iemand bij wie de begeerte om een kwade zaak te vermijden geremd wordt door verwondering.
  43. Vriendelijkheid (minzaamheid, bescheidenheid) is de begeerte om te doen wat de mensen aanstaat en niet te doen wat ze vervelend vinden.
  44. Eerzucht (ambitie) is de onmatige begeerte naar roem.
  45. Gulzigheid is de onmatige begeerte of ook wel liefde voor eten.
  46. Drankzucht (dranklust) is de overdreven begeerte en liefde voor drank.
  47. Hebzucht is de overdreven begeerte en de zucht naar rijkdom.
  48. Wellust is de begeerte en zucht naar geslachtsgemeenschap.

(Commentaar: alle emoties behalve 4. Verwondering en 5. Minachting zijn terug te voeren op 2. Blijdschap (6..30), 3. Droefheid (7..31) en 1. Begeerte (32-48).)

Algemene definitie van de emotie[bewerken]

Een emotie die de geest lijdelijk ondergaat (Latijn: animi pathema), is een verward idee waardoor men denkt dat het lichaam of een deel ervan een grotere of kleinere levenskracht (?, Latijn: vis existendi) heeft dan tevoren en waardoor de geest gedwongen wordt vooral aan één ding te denken. (Commentaar: dus een emotie is een verward, obsederend idee over vergroting of verkleining van lichamelijke vitaliteit.)

<Spinoza Ethica - Deel 1 "God" - Deel 2 De menselijke geest - Deel 3 De gevoelens - Deel 4 De menselijke slavernij of de macht van de gevoelens - Deel 5 De macht van het verstand of de menselijke vrijheid>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.