Spinoza Ethica/Deel 1

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
<Spinoza Ethica - Deel 1 "God" - Deel 2 De menselijke geest - Deel 3 De gevoelens - Deel 4 De menselijke slavernij of de macht van de gevoelens - Deel 5 De macht van het verstand of de menselijke vrijheid>


Deel 1 "God" (Latijn: "De Deo")
Een recente analyse van de eerste 15 stellingen hieronder wijst uit, dat met aanvullende axioma's die stellingen inderdaad logisch bewezen kunnen worden.[1]

Schema[bewerken]

  • Definities en axioma's (grondwaarheden)
  • Wat "God" inhoudt: 1-6 Er is maar één substantie. 7-10 Oneindigheid en bestaan van de substantie. 11-15 "God" is een absoluut oneindige substantie.
  • Welke dingen uit "God" volgen en door "God" worden voortgebracht: 16-20 Hoe "God" werkt. 21-23 Eeuwige en oneindige dingen. 24-29 Scheppende en geschapen natuur. 30-36 Verstand, wil, kracht.
  • Aanhangsel: Vooroordeel over de noodzakelijkheid enzovoorts.

Definities[bewerken]

  1. Met zijn eigen oorzaak bedoel ik datgene, dat wel moet bestaan, dat wil zeggen datgene dat niet anders gedacht kan worden dan als bestaand.
  2. Eindig in zijn soort noem ik wat door iets soortgelijks kan worden beperkt. Bijvoorbeeld noemen we een voorwerp eindig, omdat we ons altijd een groter voorwerp kunnen voorstellen. Ook gedachten worden door andere gedachten beperkt. Maar een lichaam wordt niet beperkt door een gedachte, een een gedachte ook niet door een voorwerp.
  3. Met substantie bedoel ik dat, wat op zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen moet worden. Het vooronderstelt dus niet iets anders, waaruit het wordt afgeleid.
  4. Met attribuut bedoel ik wat volgens het verstand het wezen van een substantie is.
  5. Met bestaanswijze (modus) bedoel ik de vormen ("aandoeningen") die een substantie kan aannemen. De bestaanswijzen worden afgeleid van en begrepen uit de substantie.
(commentaar: vrij vertaald. Latijn: Per modum intelligo substantiae affectiones, sive id, quod in alio est, per quod etiam concipitur.)
  6. Met "God" bedoel ik het volstrekt oneindige wezen, een substantie, die uit oneindig veel attributen bestaat, die elk weer een eeuwig en oneindig wezen uitdrukken.
(Latijn:Per Deum intelligo ens absolutè infinitum, hoc est, substantiam constantem infinitis atributis, quorum unumquodque aeternam, et infinitam essentiam exprimit.)
  7. Iets wat alleen bestaat als gevolg van zijn eigen aard en alleen werkt op eigen initiatief, wordt vrij genoemd.
Wat vanwege iets anders bestaat of werkt noemen we noodzakelijk of gedwongen. (Latijn: (res) necessaria, coacta)
  8. Met eeuwigheid bedoel ik het bestaan zelf, voor zover het alleen al moet volgen uit de definitie van iets eeuwigs.

Axioma's[bewerken]

  1. Alles wat bestaat, is in zichzelf of in iets anders. (Alles wat bestaat, kan uit zichzelf of uit iets anders begrepen worden?)
  2. Wat niet door iets anders kan worden begrepen, moet uit zichzelf begrijpelijk zijn.
  3. Uit een oorzaak vloeit een gevolg (uitwerking, effect) voort. Omgekeerd kan er zonder oorzaak geen gevolg zijn.
  4. De kennis van een effect hangt af van de kennis van de oorzaak ervan en sluit die in.
  5. Wat niets met elkaar te maken heeft, kan ook niet met elkaar verklaard worden. Het begrip van het ene heeft niets te maken met het begrip van het andere.
  6. Een juiste voorstelling van iets moet ermee overeenstemmen.
  7. Het wezen van alles wat als onwerkelijk (niet echt, niet bestaand) kan worden voorgesteld, sluit geen bestaan in zich.

Stellingen[bewerken]

(Achter de stellingen worden de definities (d), axioma's (a) en de stellingen (s) aangegeven van dit deel 1, waarmee het bewijs geleverd wordt.)

  1. Een substantie gaat vooraf aan haar openbaringen. 1d3, 1d5
  2. Twee verschillende substanties met verschillende attributen hebben niets gemeen. 1d3
  3. Als dingen niets met elkaar gemeen hebben, kunnen ze niet de oorzaak van elkaar zijn. 1a5, 1a4
  4. Verschillende dingen onderscheiden zich van elkaar door andere attributen of door andere openbaringen van hun substanties. 1a1, 1d3, 1d5, 1d4
  5. In de werkelijkheid zijn twee of meer substanties met dezelfde aard of hetzelfde attribuut onmogelijk. 1s1, 1d3, 1a6
  6. Een substantie kan geen andere substantie voortbrengen. 1s5, 1s1, 1s3
  7. Een substantie moet wel bestaan vanwege zijn aard. 1s6 gevolg, 1d1
  8. Elke substantie moet oneindig zijn. 1s5, 1s7, 1d2, 1s7
  9. Hoe meer werkelijkheid een ding bezit, des te meer attributen het heeft. 1d4
  10. Elk attribuut van een substantie moet uit zichzelf begrepen worden. 1d4, 1d3

  11. "God", of de substantie die uit een oneindig aantal attributen bestaat, die ieder een eeuwig en oneindig wezen uitdrukken, moet noodzakelijkerwijs bestaan. 1a7, 1s7
  12. Het is ondenkbaar dat een substantie een attribuut zou hebben, waaruit de deelbaarheid van de substantie zou volgen. 1s8, 1s6, 1s5, 1s2, 1d4, 1s10, 1s7
  13. Een volstrekt oneindige substantie is ondeelbaar. 1s5, 1s11
  14. Naast "God" is er geen substantie denkbaar of bestaanbaar. 1d6, 1s11, 1s5
  15. Alles wat bestaat, is in "God" en niets is zonder "God" denkbaar of bestaanbaar. 1s14, 1d3, 1d5, 1a1
  16. Uit de noodzakelijke aard van "God" moeten oneindig veel bestaanswijzen (modi) volgen, dat wil zeggen alles wat een oneindig verstand kan bevatten. 1d6
  17. "God" handelt alleen volgens de wetten van zijn eigen aard en wordt nergens door gedwongen. 1s16, 1s15
  18. "God" is de inwendige, niet een uitwendige oorzaak van alle dingen. 1s15, 1s16 gevolg I, 1s14, 1d3
  19. "God", dat wil zeggen al zijn attributen, is eeuwig. 1d6, 1s11, 1s7, 1d8, 1d4, 1s7
  20. Het bestaan en het wezen van "God" zijn precies hetzelfde. 1d8, 1d4

  21. Alle dingen, die uit de absolute aard van een attribuut van "God" volgen, moeten altijd en oneindig hebben bestaan. Door dat attribuut zijn die dingen eeuwig en oneindig. 1s11, 1d2, 1s20 Gevolg 2
  22. Alles wat voortkomt uit een attribuut van "God", dat daardoor verschijnt in een noodzakelijke en eeuwige bestaanswijze, moet zelf ook noodzakelijk en eeuwig bestaan. (Zelfde bewijs als Stelling 21, dus) 1s11, 1d2, 1s20 Gevolg 2
  23. Elke modus (bestaanswijze), die noodzakelijk en oneindig? bestaat, moet voorkomen uit de eigen aard van een attribuut van "God" of uit een (ander?) attribuut veranderd door een modificatie (?, Latijn":modificatio) die noodzakelijk en oneindig(?) bestaat. 1d5, 1s15, 1d8, 1d6, 1s19, 1s21
  24. Wat door "God" is voortgebracht hoeft niet te bestaan (is niet zijn eigen oorzaak). 1d1
  25. "God" veroorzaakt niet alleen het bestaan van dingen, maar ook hun wezen. 1a4, 1s15
  26. Wat gedwongen wordt om iets te doen, doet dat noodzakelijk onder dwang van "God". Iets kan niet uit zichzelf iets doen. 1s25, 1s16
  27. Wat door "God" wordt aangezet om iets te doen, kan zich daar niet aan onttrekken. 1a3
  28. Elk afzonderlijk, eindig en afhankelijk ding kan alleen maar tot bestaan of werken gedwongen worden door iets anders wat eindig en afhankelijk is, enzovoorts (dus keten van oorzaak en gevolg). 1s26, 1s24 gevolg, 1s21, 1a1, 1d3, 1d5, 1s25 gevolg, 1s22
  29. In de werkelijkheid bestaat toeval niet, maar bestaat en werkt alles op een bepaalde manier volgens de noodzaak van de "goddelijke" natuur. (dus determinisme, Latijn: In rerum naturâ nullum datur contingens; sed omnia ex necessitate divinae naturae determinata sunt ad certo modo existendum, et operandum'.') 1s15, 1s11, 1s16, 1s21, 1s27, 1s24 gevolg, 1s26, 1s27
  30. Een verstand, eindig of oneindig in zijn werking(?), kan alleen maar de attributen en aandoeningen (Latijn: affectiones) van "God" kennen, en niets anders. 1a6, 1s14 gevolg 1, 1s15

  31. Een verstand, eindig of oneindig in zijn werking(?), moet men net als de wil, begeerte of liefde enzovoorts tot de ontstane natuur (Latijn: natura naturata) rekenen en niet tot de scheppende natuur (Latijn: natura naturans). 1d5, 1s15, 1d6, 1s29 opmerking
  32. De wil kan geen vrije oorzaak genoemd worden, maar alleen een noodzakelijke. (wordt door iets anders aangezet.) 1s28, 1s23, 1d7
    :Gevolg 1: "God" werkt niet vrijwillig
    :Gevolg 2: Wil en verstand moeten net als beweging en rust door de natuur van "God" tot bestaan en werken worden aangezet. 1s29
  33. Alles kan door "God" maar op één manier en in geen andere ordening worden voortgebracht. 1s16, 1s29, 1s11, 1s14 gevolg 1
  34. De macht van "God" is zijn wezen zelf. 1s11, 1s16 en gevolg
  35. Alles wat volgens ons begrip onder "God"s macht valt, moet bestaan. 1s34
  36. Alles in de natuur veroorzaakt iets (heeft een gevolg). 1s25 gevolg, 1s34, 1s16

Aanhangsel: Vooroordeel over de noodzakelijkheid[bewerken]

(Commentaar: dit is een samenvatting.)
Hier heb ik de aard en eigenschappen van "God" (commentaar: 1d6) uitgelegd. Hij moet wel bestaan, is uniek en handelt alleen vanwege de noodzakelijkheid van zijn aard. Hij is de vrije oorzaak van alle dingen, alles is in "God" en zonder hem onbestaanbaar. Alles is door "God" voorbeschikt, maar niet uit vrije wil, maar door zijn absolute aard oftewel zijn oneindige macht. Verder heb ik vooroordelen proberen weg te nemen, die alle afhangen van het onjuiste idee, dat alles in de Natuur, ook de mensen zelf, met een bedoeling handelt. Mensen weten de oorzaak van de dingen en van hun eigen verlangens niet maar ze weten wel dat ze geneigd zijn hun eigen voordeel te zoeken.

Ze beschouwen alles in de Natuur als middel om te bereiken wat nuttig voor hen is, en denken dat de Natuur voor hen is ingericht door een of meer goddelijke wezens met een menselijke wilsvrijheid. Iedereen heeft een God verzonnen om hem te dienen, zodat hij hem bemint boven alles en de mens helpt met zijn begeerten en onverzadelijke hebzucht. Zo is het vooroordeel tot bijgeloof geworden en heeft het diep wortel geschoten in de geest van mens. (Latijn: Atque ità hoc praejudicium in superstitionem versum, et altas in mentibus egit radices.) Daarom wil iedereen de doeloorzaken van de dingen achterhalen.

Ze willen aantonen dat de Natuur altijd voor de mens werkt, maar zij hebben volgens mij alleen laten zien dat de Natuur, de goden en mensen allemaal krankzinnig zijn. Want naast nuttige zaken levert de Natuur ons vele ongemakken als stormen, aardbevingen, ziektes enzovoorts, die door de mensen verklaard worden als woede van de goden vanwege beledigingen door de mensen en zonden bij de eredienst. Dit vooroordeel blijft, ook al laat de ervaring ons dagelijks zien dat voor- en tegenspoed zowel de goeden als de kwaden treffen. Om geen nieuw verzinsel te hoeven bedenken beweren ze dat de daden van de goden het menselijk begrip verre te boven gaan. Dat had er inderdaad voor kunnen zorgen de de mensen nooit achter de waarheid zouden kunnen komen, als er geen wiskunde (Latijn: Mathesis) was, die niet over de doelen maar alleen over het wezen en de eigenschappen van figuren gaat, en een andere norm voor de waarheid toont. Naast de wiskunde wijzen nog andere zaken op de vooroordelen en leiden tot het juiste inzicht in de dingen.

Ik heb wel voldoende bewezen dat de Natuur geen doel heeft maar volgens een eeuwige noodzakelijkheid werkt (1s16 en de gevolgen van 1s32). De leer van de doeloorzaken keert oorzaak en gevolg om. Uit stelling 21, 22 en 23 blijkt dat de effecten die door God direct veroorzaakt worden het volmaaktst zijn. Hoe meer oorzaken er tussen komen, des te minder volmaakt zijn de gevolgen.

De leer van de doeloorzaken maakt God onvolmaakt, want als God met een doel handelt moet hij iets begeren wat hem ontbreekt. De aanhangers van die leer doen een beroep niet op het onmogelijke, maar op de onwetendheid, waaruit blijkt dat ze geen enkel ander bewijs kunnen vinden. Als iemand gedood wordt door een vallende steen, zullen ze bewijzen dat God dat gewild heeft, want hoe hadden de omstandigheden (bijvoorbeeld de wind door de woelige zee, of de weg van de man enzovoorts) anders kunnen samenkomen? Ze zoeken hun toevlucht bij de wil Gods, dat wil zeggen in de onwetendheid. (Latijn: ad Dei voluntatatem, hoc est, ignorantiae asylum).

Ook verbazen ze zich over het menselijk lichaam (Latijn: corporis humanae fabricam) dat ze uit onbegrip verklaren met goddelijke en bovennatuurlijke kunst. Wie de ware oorzaken van de wonderen onderzoekt en wil begrijpen als denkend wezen wordt versleten voor ketter en goddeloze (Latijn: haereticus, impius) door diegenen, die door het volk vereerd worden als uitleggers van de Natuur en van de goden. Want die begrijpen wel, dat ze hun gezag verliezen, als de onwetendheid en de verbazing woren opgeheven, de enige middelen waarmee ze zich kunnen handhaven.

Omdat de mensen zichzelf hadden wijsgemaakt, dat alles voor hen gebeurt, moesten ze wel dat het belangrijkst vinden dat voor hen het nuttigst en aangenaamst is. Vandaar begrippen als het goede en het kwade, orde en verwarring, warmte en kou, schoon- en lelijkheid. En omdat ze dachten dat ze vrij waren begrippen als lof, blaam, zonde en verdienste. Alles wat tot godsdienst en welzijn leidt noemden ze goed, al het tegengestelde slecht. Ze begrijpen de oorzaken niet, maar fantaseren dat er orde heerst in de Natuur. Als de dingen zoals onze zintuigen ze tonen, makkelijk te verbeelden zijn, noemen we ze goed geordend, anders slecht geordend of chaotisch. Ze denken dat God alles geschapen heeft zodat mensen het het makkelijkst kunnen verbeelden.

De andere begrippen zijn voorstellingen door de verbeelding. Als de beweging in de zenuwen in de ogen door een voorwerp de mensen prettig aandoet, noemen ze het mooi enzovoorts. Er zijn zelfs geleerden die denken dat de beweging in de hemel een harmonisch geluid voortbrengt. Iedereen ziet zijn verbeelding voor de dingen zelf aan. Daarom is er zoveel verschil van mening en scepticisme. Hoewel de menselijke lichamen sterk op elkaar lijken, zijn er toch ook verschillen, zodat de een iets goed vindt wat de ander slecht vindt enzovoorts, naar de toestand van hun hersenen. De mensen fantaseren liever dan dat ze willen begrijpen. Want als zij de dingen zouden begrijpen, zouden deze allemaal hen aanlokken of tenminste overtuigen, vergelijk de wiskunde ("getuige de wiskunde"). (Latijn: Res enim si intellexissent, illae omnes, teste Mathesi, si non allicerent, ad minimum convincerent.)

We zien dus dat alle oorzaken waarmee de massa zonder opleiding de Natuur verklaart, alleen maar fantasie zijn, die alleen de verbeelding, niet de aard der dingen laat kennen. Velen redeneren: hoe kan de Natuur onvolmaakt zijn, als alles uit God is voortgekomen? Maar alles moet naar eigen aard beoordeeld worden, niet naar de mate waarin dingen de mensen minder goed uitkomen. Wie vraagt, waarom God de mensen niet zo geschapen heeft, dat zij volgens het verstand leven, antwoord ik: omdat "God" materiaal had om alles van de laagste tot de hoogste graad van volmaaktheid te scheppen, alles wat een oneindig verstand kan bedenken, kan hij ook voortbrengen (1s16). Als er nog vooroordelen over zijn, kan iedereen die makkelijk door wat na te denken weerleggen.

Matrix van het gebruik voor de bewijzen van de stellingen[bewerken]

Matrix met 36 rijen voor de stellingen x 51 kolommen (8 definities + 7 axioma's + 36 stellingen).
Omdat een stelling voor zijn bewijs alleen mag teruggrijpen op eerdere beweringen, krijgen we een driehoeksmatrix.
Horizontaal: de genummerde teksten uit dit deel 1: 8 definities (d), 7 axioma's (a) en 36 stellingen (s).
Verticaal: de genummerde stellingen (s) in de rijen met in de kolommen de voor het bewijs gebruikte teksten uit dit deel 1 (definities (d), axioma's (a), stellingen (s)

Voorbeeld: het bewijs van stelling 12 (s12) gebruikt definitie 4 (d4) en de stellingen s2, s5-s8 en s10.

Referentie[bewerken]

  1. Jan Hladik: Spinoza's Ontology, in Gregor Büchel, Bertin Klein, Thomas Roth-Berghofer (eds.): Proceedings of the First International Workshop on Philosophy and Informatics WSPI '04, Cologne (Germany), March 31 - April 1, 2004.


<Spinoza Ethica - Deel 1 "God" - Deel 2 De menselijke geest - Deel 3 De gevoelens - Deel 4 De menselijke slavernij of de macht van de gevoelens - Deel 5 De macht van het verstand of de menselijke vrijheid>
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.