Onderwijs in relatie tot P2P/Toetsing aan praktijk en theorie/Illich: institionalisering

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Ivan Illich: Onderwijs en institutionalisering[bewerken]

Institutionele wijsheden[bewerken]

Ivan Illich publiceerde in 1970 het spraakmakende boek De ontscholing van de samenleving. Hierin pleitte hij onomwonden voor het afschaffen van schoolse vormen van leren en het organiseren van open leernetwerken. Hij heeft met name kritiek op het dominante monopolie van de schoolse technologie in educatie. De school, zo argumenteert hij, doet ons geloven dat ‘echt’ leren enkel op school kan, en de school diskwalificeert daarmee onmiddellijk andere vormen van leren (buiten de school). Zijn kritiek op de institutie ‘school’ kadert binnen een breder project waarin hij de macht van (moderne) instituties in vraag stelt. Hij heeft het dan bijvoorbeeld over moderne transportmiddelen (‘de auto’), over ons energieverbruik (‘olie’, ‘electriciteit’), geneeskunde (‘het ziekenhuis’ en ‘de dokter) en arbeid (‘het fabriek’). Deze instituties, zo stelt Illich, zullen in een eerste fase tegemoet komen aan bestaande behoeften, maar ze gaan daarna heel snel het leven van de mens koloniseren. Dit wil zeggen dat ze de mens afhankelijk maken van die instituties, en meer bepaald dat ze menselijke noden en behoeften gaan institutionaliseren. De macht van instituties – en wat Illich de door hen verkondigde ‘institutionele wijsheid’ noemt – is dat ze doen geloven dat we niet meer zonder hen kunnen.

Denk aan de auto als het om mobiliteit gaat, of de dokter als het om ziekte gaat. Gezondheid en mobiliteit is haast synoniem met respectievelijk doktersbezoek en autovervoer. Probleem met deze institutionele logica is volgens Illich (1974) ook dat ze op den duur contraproductief is. Uiteindelijk blijkt vervoer per auto trager te verlopen: “The model American puts in 1600 hours to get 7500 miles: less than five miles per hour. In countries deprived of a transportation industry, people manage to do the same, walking wherever they want to go, and they allocate only 3 to 8 percent of their society's time budget to traffic instead of 28 percent. What distinguishes the traffic in rich countries from the traffic in poor countries is not more mileage per hour of lifetime for the majority, but more hours of compulsory consumption of high doses of energy, packaged and unequally distributed by the transportation industry.” (Illich, 1978, p.120) En Illich gaat verder: “Man, unaided by any tool, gets around quite efficiently. He carries one gram of his weight over a kilometer in ten minutes by expending 0.75 calories. Man on his feet is thermodynamically more efficient than any motorized vehicle and most animals. (…) Man on a bicycle can go three or four times faster than the pedestrian, but uses five times less energy in the process. He carries one gram of his weight over a kilometer of flat road at an expense of only 0.15 calories. The bicycle is the perfect transducer to match man's metabolic energy to the impedance of locomotion. Equipped with this tool, man outstrips the efficiency of not only all machines but all other animals as well.(…) The advantages of modern self-powered traffic are obvious, and ignored. That better traffic runs faster is asserted, but never proved. Before they ask people to pay for it, those who propose acceleration should try to display the evidence for their claim.” (Illich, 1978, p.135)

In dit kader zal hij ook zijn kritische pijlen richten op de experten en hun expertise die centraal staan in de moderne instituten: de dokter, maar ook sociale werkers, pedagogen, psychologen, advocaten, … . De experten of professionals hebben de neiging om zichzelf af te sluiten en de poortwachters te gaan spelen voor bepaalde expertise. Meer nog: ook zullen ze proberen te bepalen wie toegang krijgt tot die expertise en tot de beroepsgroep (bijvoorbeeld, via opleiding of erkenning). Op die manier controleren zij, aldus Illich, de kennisproductie. Zij monopoliseren het hele veld van bijvoorbeeld educatie, geneeskunde, welzijnswerk etc. En bovendien creëren ze de logica dat er nooit genoeg expertise of technologie is, en dat er dus voortdurend groei en innovatie moet zijn. Op die manier maken zij zichzelf weer opnieuw noodzakelijk. En voor zover er ook nog eens een marktlogica bij komt kijken, en de goederen dus schaars en duurder worden, zijn we nog meer afhankelijk van het aanbod. Denk aan de auto als vervoermiddel, maar ook aan geprivatiseerde vormen van medische hulp. De markt – en de logica van innovatie – praat ons op die manier ook steeds nieuwe behoeften aan (‘de nieuwste snufjes’). Deze vermarkting, en het omvormen van allerhande zaken in goederen die gekocht kunnen (en moeten) worden, ziet Illich op heel veel verschillende vlakken.

Stilte als een common?[bewerken]

Een sprekend voorbeeld van hoe we stilaan afhankelijk worden van allerhande machines is dat van de computer, waar Illich al in de jaren tachtig van de vorige eeuw over schrijft. In een korte tekst met de sprekende titel “Silence is a Commons: Computers are doing to communication what fences did to pastures and cars did to streets” geeft Illich (1984) aan hoe computers en de communicatie die hierdoor mogelijk wordt een keerzijde heeft. Een managementslogica doet haar intrede en onze communicatie wordt meer en meer gecontroleerd: “Clearly you foresee that machines which ape people are tending to encroach on every aspect of people's lives, and that such machines force people to behave like machines. The new electronic devices do indeed have the power to force people to "communicate" with them and with each other on the terms of the machine. Whatever structurally does not fit the logic of machines is effectively filtered from a culture dominated by their use. (…) The machine-like behaviour of people chained to electronics constitutes a degradation of their well-being and of their dignity which, for most people in the long run, becomes intolerable. Observations of the sickening effect of programmed environments show that people in them become indolent, impotent, narcissistic and apolitical. The political process breaks down, because people cease to be able to govern themselves; they demand to be managed.”

Illich zal verder in de tekst verduidelijken dat de mens die machine wordt, ook anders omgaat met zijn of haar omgeving: “I shall distinguish the environment as commons from the environment as resource. (…) Enclosure has denied the people the right to that kind of environment on which - throughout all of history - the moral economy of survival had been based. (…) Enclosure, once accepted, redefines community. Enclosure underlines the local autonomy of community. Enclosure of the commons is thus as much in the interest of professionals and of state bureaucrats as it is in the interest of capitalists. (…) People become economic individuals that depend for their survival on commodities that are produced for them. (…)Just as the commons of space are vulnerable, and can be destroyed by the motorization of traffic, so the commons of speech are vulnerable, and can easily be destroyed by the encroachment of modem means of communication.(…)” Illich ziet dus in de modern communicatiemiddelen een risico, net zoals hij dat in het moderne gemotoriseerde vervoer ziet.

Maar hij stelt ook dat de nieuwe elektronische middelen ons nog meer afhankelijk maken dan dat we afhankelijk zijn (geworden) van de auto: “The issue which I propose for discussion should therefore be clear: how to counter the encroachment of new, electronic devices and systems upon commons that are more subtle and more intimate to our being than either grassland or roads - commons that are at least as valuable as silence. Silence, according to western and eastern tradition alike, is necessary for the emergence of persons. It is taken from us by machines that ape people. We could easily be made increasingly dependent on machines for speaking and for thinking, as we are already dependent on machines for moving.” Vanuit deze analyse van een dreigende afhankelijkheid – door de instititionele logica van de computer -, pleit hij in de jaren tachtig dan ook voor dringende politieke actie: “It needs to be recognized if we are to organize defense movements of what remains of the commons. This defense constitutes the crucial public task for political action during the eighties. The task must be undertaken urgently because commons can exist without police, but resources cannot. Just as traffic does, computers call for police, and for ever more of them, and in ever more subtle forms. By definition, resources call for defense by police. Once they are defended, their recovery as commons becomes increasingly difficult. This is a special reason for urgency.”

Institutionele logica van de school[bewerken]

Ivan Illich bestudeert dus ook de institutie ‘school’ en de gevolgen van haar institutionele macht. Hij definieert in zijn fenomologische benadering de school als volgt: “op een bepaalde leeftijd betrokken, aan leerkrachten gebonden proces, waarbij de leerling gedurende de gehele tijd, aan een verplicht leerprogramma moet deelnemen.” (Illich, 1970, p. 47) Volgens Illich betekent dit dat er drie premissen over leren verbonden zijn aan de school: dat kinderen thuishoren op school (en problematisch is dus het kind dat niet op school vertoeft), dat kinderen op school leren en dat men alleen op school kinderen iets kan bijbrengen (en leren buiten school eigenlijk geen ‘echt’ leren is). Het gevolg van deze institutionele logica is ook dat we gaan geloven in ‘institutionele wijsheden’ zoals: dat leren enkel het resultaat is van lesgeven door een professionele leerkracht, dat leerkrachten dus essentieel zijn, dat de toekomst van jonge mensen afhankelijk is van de school (want geen leren zonder school, en geen toekomst zonder leren), en dat ‘hoe meer school, hoe beter’. De school creëert, aldus Illich, ook een markt voor leerkrachten, en die leerkrachten zullen er alles aan doen die markt te laten bestaan en zo groot mogelijk te maken. In de school heeft de leerkracht bovendien een autoriteit die gebaseerd is op drie functies: de leerkracht is een ‘oppasser/rechter’ (hij disciplineert, dresseert), een ‘moralist/prediker/ideoloog’ (hij oordeelt over goed/kwaad, hij is de plaatsvervanger van ouders, handelt in naam van de staat) en hij is ‘therapeut/arts: zielenleven’ (op basis van dresseren en moraliseren zal hij jongeren begeleiden een aansturen) (Illich, 1970, pp. 53-54). Dit betekent dus ook dat iedere leerling op school wordt opgesloten en overgeleverd aan een drievoudige macht, en in zekere zin zonder enige bescherming. Leerlingen die iets ‘fout’ doen op school, maken steeds een drieledige overtreding: ze handelen in strijd met de orde, ze zijn immoreel, en ze zijn zichzelf ontrouw. Het zal duidelijk zijn dat Illich hier radicale vragen bij stelt. Hij pleit voor het ontscholen van de maatschappij. Hervorming is voor hem dus niet voldoende, het is de school (en haar institutionele logica) die uitgeroeid moet worden.

Naar een alternatief[bewerken]

Ivan Illich zal ook een alternatief voorstellen voor de school als ‘manipulerende institutie’. Het gaat om een alternatief systeem dat volgende karakteristieken moet hebben: dienstbaar zijn tov samenleving, spontaan gebruik toelaten en vrijwillige deelname door iedereen. Dus voor Illich: “(…) een goed onderwijssysteem behoort drie doelstellingen te hebben: het behoort allen die willen leren te allen tijd toegang te verlenen tot de beschikbare mogelijkheden; het behoort allen die wat zij weten met anderen willen delen in staat te stellen diegenen die het van hen willen leren te vinden; en tenslotte behoort het allen die het publiek een kwestie willen voorleggen de gelegenheid te geven hun probleem naar voren te brengen.” (Illich, 197O, p.108) Meer concreet denkt hij aan een netwerk of web van onderwijsmogelijkheden, en dus niet een aanbod dat georganiseerd wordt vanuit concrete doelstellingen. De volgende elementen moeten volgens hem deel uitmaken van dit web: zogenaamde ‘informatiediensten onderwijsobjecten’ (dit wil zeggen toegang tot allerhande objecten die leren vergemakkelijken), ‘vaardigheidscentra’ (dit wil zeggen centra waar iedereen contact kan opnemen met vaardigheidsmodellen van wie men iets wil leren), een ‘communicatie-netwerk’ (om partners met dezelfde interesse te vinden) en ‘informatiediensten vakmensen in het algemeen’ (het gaat dan om beroepsleerkrachten die de eerste drie componenten oprichten en ondersteunen, en die leiding geven bij gebruik van die netwerken en die functioneren als de ‘primus inter pares’ in moeilijke verkenningstochten).

Reflecties over institutionalisering[bewerken]

De kernproblematiek die Ivan Illich aan de orde stelt in de relatie tussen educatie en samenleving is de zogenaamde ‘institutionalisering’. Waar het Foucault te doen is om de (microfysische) macht in de instituties, gaat het Illich om de macht van de instituties: instituties, zoals de school, praten ons behoeften aan en institutionaliseren de logica ‘leerkracht-leren-leerresultaten’. Van zodra die logica zich heeft verspreid, is het nog heel moeilijk om over leren en educatie te denken los van de centrale rol van de leerkracht, en los van cijfers en beloningen. Illich hanteert hiervoor een fenomenologische benadering, maar gekoppeld aan een radicale kritiek. In zijn kritiek zal hij pleiten voor een andere organisatie van leren, voor het rekening houden met reële behoeften (en niet behoeften die ons aangepraat zijn) en het samenbrengen van vraag en aanbod in educatieve netwerken (in de plaats van monopolie-vorming door scholen en hun experten).

Referenties[bewerken]

Illich, I. (1970/1974). Ontscholing van de samenleving. Het einde van een illusie? Baarn: Het wereldvenster.

Illich, I. (1974). Towards a History of Needs. New York: Panteon Books.

Illich, I. (1983). Silence is a Commons. The CoEvolution Quarterly, 4-22. Retrieved from: http://www.preservenet.com/theory/Illich/Silence.html

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.