Categorie:Gebruik van de opdrachtprompt - inhoud

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

H

Gebruik van Help.

Type na de opdrachtprompt het woord 'help' in en druk op Enter. Een lijst van commando's.


C:\>help

Typ HELP en de naam van de opdracht als u meer informatie over een specifieke opdracht wilt.

ASSOC Bestandsassociaties weergeven of wijzigen ATTRIB Bestandskenmerken weergeven of wijzigen. BREAK Uitgebreide Ctrl+C-controle in- of uitschakelen. BCDEDIT Eigenschappen instellen in de opstartdatabase voor het

              beheren van het opstarten.

CACLS Toegangsbeheerlijsten voor bestanden weergeven of wijzigen. CALL Batchprogramma vanuit een ander batchprogramma aanroepen. CD Naam van huidige map weergeven of map wijzigen. CHCP Nummer van actieve codetabel weergeven of instellen. CHDIR Naam van de huidige map weergeven of map wijzigen. CHKDSK Schijf controleren en statusrapport weergeven. CHKNTFS Schijfcontrole bij opstarten weergeven of aanpassen. CLS Scherm wissen. CMD Een nieuwe instantie van de Windows-opdrachtprompt starten. COLOR Standaardkleuren van voor- en achtergrond instellen. COMP Inhoud van twee bestanden of verzamelingen van bestanden

              vergelijken.

COMPACT Compressie van bestanden op NTFS-partities weergeven of

              wijzigen.

CONVERT FAT-volumes omzetten naar NTFS. U kunt het huidige

              station niet omzetten.

COPY Eén of meer bestanden naar een andere locatie kopiëren. DATE Datum instellen of weergeven. DEL Eén of meer bestanden verwijderen. DIR Een lijst met bestanden en onderliggende mappen weergeven. DISKCOMP Inhoud van twee diskettes vergelijken. DISKCOPY Inhoud van een diskette naar een andere kopiëren. DISKPART De eigenschappen van een schijfpartitie weergeven of

              configureren.

DOSKEY Opdrachtregel bewerken, Windows-opdrachten ongedaan maken en

              macros maken.

DRIVERQUERY De huidige status en eigenschappen van het

              appararaatstuurprogramma weergeven.

ECHO Berichten weergeven of opdrachtecho's in-of uitschakelen. ENDLOCAL Lokalisatie van wijzigingen in de systeemomgeving in een

              batchbestand beëindigen.

ERASE Eén of meer bestanden verwijderen. EXIT Het programma CMD.EXE (opdrachtregel) afsluiten. FC Twee bestanden of twee bestandensets, en de verschillen

              tussen de bestanden weergeven.

FIND Naar een tekenreeks in een bestand of bestanden zoeken. FINDSTR Naar tekenreeksen in bestanden zoeken. FOR Een opgegeven opdracht uitvoeren voor elk bestand in een

              verzameling bestanden.

FORMAT Een schijf voor gebruik met Windows formatteren. FSUTIL De eigenschappen van het bestandssysteem weergeven of deze

              configureren.

FTYPE Bestandstypen die worden gebruikt in koppelingen van

              bestandsextensies, weergeven of wijzigen.

GOTO De opdracht-interpreter van Windows naar een gemarkeerde

              regel in een batchprogramma laten springen.

GPRESULT De groepsbeleidinformatie voor de computer en gebruiker

              weergeven.

GRAFTABL Een uitgebreide tekenset in grafische modus weergeven. HELP Help-informatie voor Windows-opdrachten weergeven. ICACLS ACL's voor bestanden en mappen weergeven, aanpassen en

              terugzetten, of er een back-up maken.

IF Voorwaardelijke verwerking in batchprogramma's uitvoeren. LABEL De volumenaam van een schijf instellen, wijzigen of

              verwijderen.

MD Een map maken. MKDIR Een map maken. MKLINK Symbolische koppelingen en harde koppelingen maken MODE Een systeemapparaat configureren. MORE Uitvoer scherm voor scherm weergeven. MOVE Eén of meer bestanden van een map naar een andere map

              verplaatsen.

OPENFILES De bestanden weergeven die door externe gebruikers worden

              gebruikt tijdens het delen van bestanden.

PATH Het zoekpad voor uitvoerbare bestanden weergeven of instellen. PAUSE De verwerking van een batchbestand onderbreken en een bericht

              weergeven.

POPD De vorige waarde van de huidige map terugzetten die is

              opgeslagen met PUSHD.

PRINT Een tekstbestand afdrukken. PROMPT De opdrachtprompt van Windows wijzigen. PUSHD De huidige map opslaan en vervolgens wijzigen. RD Een map verwijderen. RECOVER Leesbare informatie op een slecht-leesbare of defecte schijf

              herstellen.

REM Opmerkingen in batchbestanden of CONFIG.SYS opnemen. REN De naam van een bestand of bestanden wijzigen. RENAME De naam van een bestand of bestanden wijzigen. REPLACE Bestanden vervangen. RMDIR Een map verwijderen. ROBOCOPY Geavanceerd hulpprogramma voor het kopiëren van bestanden

              en mapstructuren

SET Omgevingsvariabelen van Windows weergeven, instellen of

              verwijderen.

SETLOCAL Lokalisatie van wijzigingen in de systeemomgeving in een

              batchbestand starten.

SC Services (achtergrondprocessen) weergeven of configureren. SCHTASKS Het uitvoeren van opdrachten en programma's op een computer

              plannen.

SHIFT De positie van vervangbare parameters in batchbestanden

              wijzigen.

SHUTDOWN Een computer op een juiste manier lokaal of extern afsluiten. SORT Invoer sorteren. START Een apart venster voor het uitvoeren van een opgegeven

              programma of opdracht openen.

SUBST Een pad aan een stationsletter koppelen. SYSTEMINFO Computerspecifieke eigenschappen en configuratie weergeven. TASKLIST De actieve taken, inclusief services, weergeven. TASKKILL Een toepassing of proces afbreken of stoppen. TIME De systeemtijd weergeven of instellen. TITLE De titel van het venster voor een CMD.EXE-sessie instellen. TREE De mapstructuur van een station of een pad grafisch weergeven. TYPE De inhoud van een tekstbestand weergeven. VER De versie van Windows weergeven. VERIFY Windows zodanig instellen dat het schrijven van bestanden

              naar schijf wordt gecontroleerd.

VOL De volumenaam en serienummer van een schijf weergeven. XCOPY Bestanden en mapstructuren kopiëren. WMIC WMI-informatie op de opdrachtregel weergeven.


Een andere optie om specifieker informatie is in de opdrachtprompt het commando typen , gevolgt door een FFslash en een vraagteken. Enter.

Bijvoorbeeld: C:\>vol/? C:\>vol /? De volumenaam en het volumenummer van een schijf weergeven, indien aanwezig.

VOL [station:]

CMD type eens na de prompt'C:\>cmd/? Nu verschijnt een pagina vol uitleg. Onder de laatst regel druk toet om door te gaan.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.