Ab Urbe Condita/Ab excessu metus Punici

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bronnen: Over Catilina's Complot
Titus Livius
Velleius Paterculus
Gaius Suetonius Tranquillus
Cassius Dio
Atlas: Kaart 1
Kaart 2

Met de verwoesting van Carthago in - 146 werd de meest geduchte concurrent van Rome uitgeschakeld. Op lange termijn had Cato's ceterum censeo Carthaginem esse delendam! gezegevierd en Publius Cornelius Scipio Aemilianus Africanus zag toe hoe zijn mannen zout strooiden op de grond waar eens het zo machtige Carthago was gelegen.

De eerste eeuw was een tijd van verandering, die op gang was getrokken door de tribuni plebis Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus. De Romeinse instellingen en maatschappij, oorspronkelijk bedoelt voor een stadstaat, kwamen onder druk te staan door de territoriale uitbreiding van Rome en de persoonlijke ambities van enkelen. De conservatieve krachten in de senatus zouden zich verzetten tegen de ideeën van de Gracchi: de leges agrariae en graanbedelingen die hen populair maakten bij het plebs, en de lex iudiciara, die equites toeliet te zetelen in de jury's die moesten oordelen over uitbuiting in de provinciae. De strijd zou uiteindelijk worden uitgevochten in belli civili die de politieke elite van Rome zouden uitputten.

Ambitieuze politici en burgeroorlogen[bewerken]

Excursie: De Gloria et Ambitione
Over Gloria en Ambitio

Er waren altijd al ambitieuze politici geweest in Rome, maar conflicten waren tot aan het eind van de tweede eeuw altijd binnen de grenzen van het wettelijk toelaatbare uitgevochten (namelijk in de senatus en de comitia). Door de uitbreiding van het rijk en de opkomst van de equites werden de conflicten meer ten top gedreven, want afkomst was niet langer meer een garantie voor politiek succes. Men begon dus van het geijkte pad af te wijken om buiten de instellingen om de macht te bereiken. Een methode die zijn vruchten zou afwerpen voor Marius, Sulla, Pompeius, Caesar, Marcus Antonius en tot slot de jonge Gaius Octavius (a.k.a. Augustus). Bovendien had de hervorming van het leger onder Marius ervoor gezorgd dat ambitieuze politici het leger konden inzetten in hun conflicten met de senatus.

Een nieuw Romeins leger[bewerken]

Het oude Republikeinse leger, gebaseerd op de aan Servius Tullius toegeschreven hervormingen, was “nationaal, op de census gebaseerd en niet permanent” (C. Nicolet). Het was de plicht van elk Romeins burger om zijn militia te verrichten afhankelijk van zijn inkomensklasse. Dit systeem kwam tijdens de tweede Punische oorlog onder druk te staan, want de grote verliezen die de Romeinen hadden geleden en de strijd ver van huis wisten de Romeinen niet echt te motiveren om hun militia te verrichten. Men had op crisismomenten zelfs legioenen gevormd bestaande uit proletarii en slaven.

Gaius Marius, een van Rome's grote generaals, zag in dat het leger moest worden hervormd en begon nu voor de eerste keer op grote schaal proletarii en slaven te rekruteren in plaats van de kapitaalkrachtigere burgers. Hoewel de militia nooit de iure werd afgeschaft (een typisch Romeins fenomeen) bestond het de facto niet meer. De legionairs kregen voortaan een loon, bovenop de buit en hadden het vooruitzicht op een stuk grond wanneer ze afzwaaiden. Dit laatste moest echter wel door hun generaal door een bijzondere wet worden vastgelegd, waardoor de legers van de Republiek legers van de generaal die het had opgericht zouden worden.

Gaius Marius[bewerken]

De zogenaamde Marius (Augusteïsche kopie van buste uit - 2e eeuw, Glyptothek München).

Gaius Marius, een eques uit Arpinum,1 begon zijn schitterende militaire en politieke loopbaan met de politieke steun van de Caecilii Metelli. Zij zouden hem helpen om in -115 praetor te worden.2 Nadat hij in Hispania had gediend als proconsul, trok hij met Quintus Caecilius Metellus, consul in - 109, mee als diens legatus in de oorlog tegen Iugurtha. Tegen het advies van zijn beschermheer in besloot hij zich kandidaat te stellen voor het consulaat in -107.3 Hij zou dit ere-ambt in totaal zeven maal bekleden.

Een homo novus wordt consul[bewerken]

Toen Marius tot consul werd gekozen, ondanks de tegenstand van de “oude adel”, zag men in hem een man van de populares. Hoewel sommige van zijn maatregelen op die van een popularis lijken, nam hij ook maatregelen die een optimatis had kunnen nemen, zoals zijn verzet tegen graanbedelingen.

Nadat de comitia tributa, zonder hierin de senatus te kennen, het bevel in de oorlog tegen Iugurtha van Metellus had overgedragen op Marius, stak Marius over om nu als generaal de strijd aan te binden met de opstandige Numidische koning (- 107).4 Maar terwijl Marius zijn handen vol had in Africa, zwierven de Cimbri, Teutoni en Ambroni rond in de provincia (d.i. de Provence). Deze hadden de senatus verzocht om zich daar te mogen vestigen, maar hun verzoek werd afgewezen. Het draaide op 6 oktober - 105 dus uit op een confrontatie tussen de Romeinse legers olv. consul Gnaius Mallius Maximus én proconsul Quintus Servilius Caepio en de Germanen bij Arausio (Orange). De Romeinen werden verpletterend verslagen: slechts tien legionairs zouden de slag hebben overleefd.5

Uit vrees voor een Germaanse invasie sloten het plebs en de equites een coalitie om Marius in - 104 terug tot consul te laten verkiezen, hoewel hij zich niet in Rome bevond daar hij nog in de oorlog met Iugurtha was verwikkeld.6 Zijn luitenant Lucius Cornelius Sulla zou echter Bocchus, Iugurtha's schoonvader en medestander, kunnen overhalen om zijn schoonzoon uit te leveren aan de Romeinen, waardoor de oorlog werd beëindigd.7

Teruggekeerd in Rome hield Marius zijn triumphus voor het beëindigen van de oorlog in Africa een dag voor zijn aanstelling als consul en hij stond erop dat hij de ornamenta triumphalia mocht dragen in de senatus.8

Het is in dat jaar, of mogelijk zelfs al in - 107, dat Marius zijn militaire hervormingen zou doorvoeren. Door de verliezen geleden in de oorlogen tegen de Numidiërs en de Cimbri moesten de legers worden aangevuld en uit vrees voor een nieuwe nederlaag tegen de Cimbri werd Marius min of meer carte blanche gegeven: hij zou nu op grote schaal beroep doen op vrijwillige dienst van leden van de capite censi (d.i. het proletariaat) als aanvulling op de dienstplichtigen, hij zou zijn mannen gedurende de komende jaren onder de wapens houden en de indeling en bewapening van de legioenen standaardiseren (legioen van 6000 man opgedeeld in 10 cohortes voor een betere mobiliteit) en tot slot zou hij door middel van nieuwe wetten erin slagen zijn rekruten een stuk land als beloning voor hun dienst in het vooruitzicht te kunnen stellen.9

Doordat de Cimbri en Teutoni na hun overwinning bij Arausio naar Hispania uitweken, had Marius de tijd om zijn troepen te trainen om de confrontatie met hen aan te gaan.

Door deze hervorming kreeg men een sterker leger, moesten kleine grondbezitters niet langer meer legerdienst doen en werden vele armen van een vast inkomen voorzien. De keerzijde van de medaille was echter dat de legionairs nu meer afhankelijk werden van hun generaal, wat de kans op burgeroorlogen zou vergroten. Het zou voortaan moeilijk worden voor een generaal om zijn bevel over het leger over te laten aan een ander zoals dat vroeger het geval was geweest, omdat deze meer dan vroeger een band had met de legioenen die hij vaak zelf had opgericht, getraind en geleid.

Opdat Marius de oorlog tegen de Cimbri zou kunnen uitvechten werd hij tot - 100 elk jaar opnieuw verkozen tot consul.10 Deze strategie begon uiteindelijk zijn vruchten af te werpen in - 102 toen Marius bij Aquae Sextiae (huidige Aix-en-Provence) de Teutonen wist te verslaan.11 In - 101 zou hij, met de hulp van zijn luitenant Sulla, een beslissende overwinning behalen op de Cimbri bij Vercellae (Vercelli).12

Marius' auctoritas (“gezag”, “aanzien”) was enorm, want nog nooit had iemand het consulaat zes maal bekleed (en zeker geen homo novus!). Toch maakte Marius hier geen gebruik van, want een groot staatsman bleek de generaal toch niet te zijn. Hij zou zich voor de kar van de factiones laten spannen en zich laten verleiden om in een burgeroorlog verwikkeld te raken.

Marius' neergang[bewerken]

Nu hij de Cimbri had verslaan, genoot Marius van zijn verdiende soldatenrust in zijn huis in de buurt van het Forum. Maar hij werd niet met rust gelaten door zijn populares-vrienden onder leiding van Saturninus en Glaucia om zich in te zetten voor hun zaak.13

Om aan hen te ontsnappen wist hij in - 98 een missio libera (ambassade) naar Asia te ontvangen, waarbij hij er in slaagde om de koning van Pontus, Mithridates VI Eupator, te beledigen met de woorden “O koning, ofwel tracht u groter in macht te zijn dan de Romeinen, ofwel voer je stilzwijgend de bevelen uit.”14 Mithridates wist voorlopig zijn trots in te slikken en schikte zich naar de wensen van de Romeinen.

In - 90 brak de bellum sociorum (“bondgenotenoorlog”) uit, nadat de tribunus plebis Marcus Livius Drusus er niet was in geslaagd om de problemen op te lossen (hij had teveel ineens willen doen, waaronder het toekennen van het Romeinse burgerschap aan de bondgenoten) en was vermoord,15 maar Marius zou erin slagen om zich er grotendeels buiten te houden.

Een uitvloeisel van de bellum sociorum was dat Mithridates VI Cappodocia en Bithynia had veroverd en nu zijn blik had geworpen op de rijke provincia Asia, waar de inwoners leden onder hoge belastingen en tactloze gouverneurs. Op Mithridates' bevel werden alle Romeinen en Italici in Klein-Azië vermoord.16 Rome moest reageren.

Maar wie moest de senatus sturen? Hoewel men meende dat men maar weinig moeite zou hebben om die verwijfde oosterlingen te verslaan, was de in het vooruitzicht gestelde buit veel te aanlokkelijk om zomaar aan de eerste de beste toe te kennen. Sulla, die nog legioenen onder de wapens had in Campania waarmee hij in de bellum sociorum had gestreden, werd door de glans van zijn overwinning verkozen tot consul en werd enkele weken later het bevel over de oorlog tegen Mithridates toegewezen.17

Maar door de net beëindigde oorlog en de vreemde voortekens die men had waargenomen, meende het volk en de populares dat het beter was een ervaren, weliswaar oudere en zieke, man te sturen in plaats van Sulla: Gaius Marius. Met behulp van de tribunus plebis Publius Sulpicius Rufus wist Marius het commando van Sulla te laten overdragen op zijn persoon, terwijl deze nog in Nola was.18 Na straatgeweld toen Sulla was teruggekeerd naar Rome en ternauwernood aan de dood was ontsnapt door te vluchten in het huis van Marius, maakte deze laatste de ongelooflijke blunder om twee tribuni militum te sturen om de legioenen die onder Sulla's bevel stonden in zijn naam op te eisen. Dit was een regelrechte belediging voor Sulla en met vijf van zijn zes legioenen trok hij op tegen Rome (zijn officiers weigerden op één na met hem op te trekken).19 Terwijl Sulla Rome binnentrok nam Marius de vlucht naar Africa.20 Sulla slaagt zonder al te veel moeite de senatus ervan te overtuigen dat het in hun voordeel was om zijn commando terug te geven, dat hem door Rufus was ontnomen. Deze laatste werd geëxecuteerd nadat men hem had gevonden in een villa te Laurentum en zijn hoofd werd op het forum tentoongesteld, maar Marius wist te ontkomen.

Desalniettemin stak Sulla over naar Asia, terwijl de populares zich terug begonnen te hergroeperen. Toen in - 87 Lucius Cornelius Cinna tot consul werd verkozen, vatte deze het plan op Rufus' maatregelen terug in ere te herstellen en met dit doel stelde hij een leger samen uit ontevreden bondgenoten om op te trekken tegen Rome. Daarop verklaarde de senatus dat Cinna was afgezet - iets wat nog nooit eerder was voorgevallen in der Romeinse geschiedenis - en stelde een nieuwe consul aan. Intussen was Marius teruggekeerd uit Africa en aan land gegaan in Etrurië. Ze bundelden hun krachten, namen Ostia in, hielden de Ianiculum bezet en trokken eind 87 Rome binnen. Verscheidene tegenstanders werden omgebracht en terwijl Marius' verbanning werd opgeheven en Sulla tot staatsvijand uitgeroepen. En op 1 januari 86 werden Cinna en Marius aangesteld als consuls voor dat jaar. Maar Marius zou niet lang genieten van zijn zevende consulaat, want op 17 januari stierf hij aan een borstvliesontsteking.

Sulla's opkomst[bewerken]

De zogenaamde Sulla (Augusteïsche kopie van buste uit - 2e eeuw, Glyptothek München).

Lucius Cornelius Sulla, afkomstig uit een oude patricische familie maar door zijn vader berooid achtergelaten, begon zijn politieke carrière betrekkelijk laat. Hij was een zeer goed militair leider, maar was ook - en dit gaf hem een voordeel op Marius - belezen, vrijgevig en een schrandere onderhandelaar die iedereen wist te charmeren. Nadat hij, dertig jaar oud, quaestor was geweest in 108, diende hij onder Marius in de oorlog tegen Iugurtha. Als praetor in 97 wist hij de Romeinen voor zich te winnen door zijn vrijgevigheid tijdens de ludi Apollinares. Toen hij in 96 als proconsul van Cilicia werd uitgezonden, kreeg hij als taak met Mithridates en de Parthen tot een overeenkomst te komen over Armenia. Hierbij wist hij de vriendschap te winnen van de Parthen met Rome. Hierdoor steeg Sulla's ster aan het politieke firmament als wijs diplomaat en Sulla meende dat niemand hem nu nog kon afhouden van de eer en glorie die hem door geboorterecht toekwam. Maar dit was buiten Marius gerekend, die niet genoeg kon krijgen van de eer en glorie. Aldus brak er in 87 een periode van onrust en burgeroorlog uit.

Onrust en burgeroorlog[bewerken]

Sulla, die tijdens zijn consulaat Caecilia Metella huwde en zich aldus verbond met de rijke en machtige Caecilii Metellii, werd - zoals gezegd - door Marius uitgedaagd. Zijn staatsgreep zou als inspiratie dienen voor ambitieuze mannen na hem.

Terwijl Sulla met Athene innam en begon met Mithridates terug te drijven, was in Rome Lucius Cornelius Cinna tot consul herkozen en deze wist verder te agiteren tegen Sulla's maatregelen door zichzelf de komende jaren opnieuw te laten herkiezen als consul. Intussen namen de aanhangers van de inmiddels overleden Marius en de afwezige Sulla hun posities in, klaar om in elkaars haren te vliegen. Toen Cinna de triomfantelijke terugkeer van Sulla vernam, begon hij een leger van Italische bondgenoten - dewelke hij het burgerrecht had verleend - uit te rustten om Sulla met tegemoet te treden. Uit angst voor represailles hielden beide partijen zich voor een korte periode in, maar toen landde in de lente van - 83 Sulla in Brindisi.

Hij zag zichzelf geconfronteerd met een senatoriaal leger onder leiding van de consuls die het senatus consultum van Sulla's vogelvrijverklaring ten uitvoer brachten. Na zware gevechten die een jaar duurden wist Sulla op 1 november - 82 met zware verliezen de stad Rome innemen. Van de 12000 gevangen die hij op het Campus Martius had verzameld, liet Sulla er 3000 executeren in de villa publica.

Proscripties[bewerken]

Sulla besloot dat het tijd was voor grote kuis te houden en nam de zaak in eigen hand: hij liet een edict van zijn hand uithangen op de gebruikelijke plaatsen (proscribere) waarin zijn maatregelen werden gerechtvaardigd en welke personen moesten worden “opgeruimd”, vaardigde een verbod uit om “geproscribeerde” personen onderdak te bieden of te helpen met de dood als straf, gaf een beloning van 40000 sestertii aan zijn die de in de lijst vermelde personen hadden verraden of vermoord en een lijst van 80 Mariaanse (ex-)magistraten van senatoriale rang. Deze lijst zou hij later nog aanvullen met twee nieuwe lijsten met de name van nog eens 440 anderen.

De “zuivering” richtte een bloedbad aan in Italia (o.a. in Praeneste) en gewiekste zakenlui wisten gouden zaken te doen, door de verbeurd verklaarde goederen aan een prikje op te kopen en met grote winst terug te verkopen. Het levert ook Sulla een enorm persoonlijk fortuin op. Hij werd voortaan ook vergezeld van een lijfwacht van ongeveer 10000 vrijgelatenen, die de voorloper van de cohortes praetoriae zou zijn.

Sulla's dictatuur[bewerken]

Op vraag van Sulla stelde de senatus Lucius Valerius Flaccus aan als interrex om een dictator legibus scribundis et rei publicae constituendae aan te stellen (lees: Sulla aan te stellen als dictator, en deze mocht zijn ambt behouden tot dat hij vond dat zijn opdracht was vervuld. De interrex bracht een lex Valeria de Sulla dictatore voor in de comitia en liet deze vervolgens goedkeuren door de senatus. Deze wet legaliseerde Sulla's eerder daden, gaf hem recht over leven en dood, om land van de ager publicus uit te delen (cf. Marius) alsook coloniae te stichten (vooral in Italia: colonia Cornelia Veneria in Pompeii) en om over de veroverde koninkrijken te beschikken (cf. Tiberius Sempronius Gracchus en Pergamon). A. Piganiol noemt het “het eerste voorbeeld van een wet die de soevereine autoriteit delegeerde (lex de imperio), waarop later de “imperiale” macht zou worden gebaseerd.”21

In de periode 81-80 hield Sulla zich zowel intensief met politiek als met zijn imago bezig. Hij zou vooral de macht van de tribunes plebis (de “aanstichters” van het conflict met Marius) inperken, door hen te verplichten hun plebiscita terug ter goedkeuring voor te leggen aan de senatus en hun veto in te perken, ten voordele van de senatus. Hij schafte tevens het verbod tegen senatores als iudices af, zodat de equites hun invloed in de rechtspraak terug zagen afnemen. Anderzijds was de senatus door de prosciptiones van Sulla uitgedund en de voordien driehonderd leden tellende senatus zou door Sulla worden aangevuld tot zeshonderd, waarvan praktische alle nieuwelingen vertrouwelingen van Sulla waren. Maar hij deed ook aan stadsvernieuwing, zowel in Rome als daarbuiten (en dan vooral in Italia). In zijn propaganda trachtte hij zijn tegenstanders zwart te maken, maar door de propaganda die na hem door de dictator Caesar zou worden gevoerd, werd het beeld dat Sulla van zichzelf had gecreëerd in de schaduw gesteld door dat van Caesar.

In 81 had hij een rijkelijke triumphus gehouden waarbij hem ook het recht op 24 lictores werd verleend, door sommigen een “koninklijk” aantal genoemd, om aan te tonen dat Sulla het imperium van de twee consules in één persoon verenigde. Zijn Griekse bijnaam Epaphrodites (“Aphrodite's lieveling”) zou hij in Rome als Felix aan zijn naam toevoegen. Dit was de eerste keer dat een godin werd verbonden met een imperator. In 80 (of 79?) tenslotte legde de zieke Sulla “de macht neer”22 om aan zijn memoires te beginnen schrijven. Hij zou in 78 overlijden, waarop hij als eerste van de Cornelii werd gecremeerd, mogelijk uit vrees dat men met hem hetzelfde zou doen als hij had gedaan met Marius' lijk (namelijk zijn lichaam opgraven en in de Tiber gooien).

Gnaius Pompeius[bewerken]

Buste van Gnaius Pompeius (ca. - 50, Ny Carlsberg Glyptotek).

Gnaius Pompeius werd geboren in - 106 of - 105 als zoon van de eques Gnaius Pompeius Strabo, die tijdens de bellum sociorum Picenum beheerste en zich had kunnen verrijken. Hij erfde niet alleen de immense rijkdommen van zijn vader, maar ook diens uitgebreide kring aan clientes. Zo kon de prille twintiger met zijn uit eigen tas betaald leger Sulla in - 83 ter hulp komen. Hij zou vervolgens ingezet worden tegen de Mariaanse strijdkrachten in Africa, waar zijn troepen hem in 81 de bijnaam Magnus zouden geven. Een minder vleiende bijnaam die hij in deze periode kreeg was die van adulescentulus carnifex (“tiener-beul”).23

Pompeius' opkomst[bewerken]

In - 79, toen Sulla nog maar net de macht had neergelegd, stelde de ambitieuze Marcus Aemilius Lepidus (ooit nog een medestander van Sulla) zich kandidaat voor het consulaat van 78 met de belofte het merendeel van Sulla's beslissingen terug te draaien. Hij kreeg hierbij de steun van Pompeius, maar Sulla meende dat zijn “herstelde” republiek sterk genoeg was om een Lepidus te weerstaan. Lepidus programma omvatte onder meer het (terug) invoeren van gesubsidieerde graanuitdelingen, teruggave van door Sulla geconfisqueerd land en het herstel van de macht van de tribunes plebis. Verkozen met een grote meerderheid van de stemmen kwam hij in conflict met zijn collega Quintus Lutatius Catulus, waarop Lepidus een opstand begon in Etruria die zich zou uitbreiden naar Gallia. Begin 77 riep de senatus hem dan ook uit tot staatsvijand en zijn ex-collega Catulus werd samen met Gnaius Pompeius (!) aangesteld om Lepidus aan te pakken. Nadat hij was verslagen door Catulus, werd hem de absolute nederlaag toegediend door Pompeius te Cosa.

Omdat Pompeius weigerde zijn leger te ontbinden en daarom besloot de senatus de jonge generaal zijn geluk te laten beproeven op de opstandeling Quintus Sertorius in Hispania, die als praetor in 83 reeds tegen Sulla had gestreden en in 80de gouverneur van Hispania Citerior had verslagen. Hij had daarop een alliantie gesloten met de piraten die de kusten van Hispania afschuimden. In 76 vertrok Pompeius dus naar Hispania, waar Sertorius in de winter van 76/75 een alliantie was aangegaan met Mithridates om in ruil voor geld en schepen zijn claim op Bithynia en Cappadocia te erkennen. De strijd ging met wisselend succes door totdat Sertorius in 72 werd vermoord door een van zijn eigen mannen, Marcus Veiento Perperna. Deze bleek een veel minder bekwaam leider te zijn en nadat hij hem in - 71 had verslagen en gedood, kon Pompeius met trots meedelen dat hij de opstand had neergeslagen. Bovendien wist hij zich in Hispania een groot aantal nieuwe clientes te verwerven. Intussen was in Italia een slavenopstand onder leiding van Spartacus uitgebrokken en de senatus besloot nog een tandje bij te stekken door ook Pompeius in te zetten. Hij kwam nog net op tijd aan in Etruria om de laatste opstandelingen over de kling te jagen, want Marcus Licinius Crassus had intussen het leger van Spartacus verpletterend verslagen. Desalniettemin wist Pompeius zijn optreden tegen de laatste restanten van Spartacus' leger voor te stellen alsof hij verantwoordelijk was voor het beëindigen van de slavenopstand.

Het consulaat van - 70[bewerken]

Zowel Pompeius als Crassus wensten zich kandidaat te stellen als consul voor - 70, hoewel deze eerste nog geen enkel officieel ambt had bekleed. Maar door zijn leger in de buurt van Rome te houden, wist hij van de senatus toestemming te krijgen om mee te dingen naar dit hoogste ambt. Beiden werden daarop verkozen en ontmantelen wat restte van Sulla's besluiten. Vervolgens trokken beiden zich - tot ieders verbazing - terug!

Campagnes in het oosten[bewerken]

Wanneer drie jaar later (- 67) de tribunus plebis stelde dat er iets moest gedaan worden aan de piraterij die de graantoevoer naar Rome bedreigde en dat men een man van consulaire rang met een bijzonder imperium van drie jaar moest uitsturen, kortom Gnaius Pompeius Magnus. Zijn gezag zou zich uitstrekken over heel de Middellandse Zee en 80 kilometer het binnenland in. Hoewel de senatus protesteerde, werd dit voorstel goedgekeurd door het volk. Pompeius verdeelde eerst het gebied in twee delen en begon dan met een vloot van zestig schepen het westelijk deel schoon te vegen in slechts veertig dagen. Vervolgens richtte hij zijn aandacht op het oostelijk deel waar hij de piraten voor de kust van Cilicia versloeg nabij Coracesium, waar hun bolwerk lag dat hij innam. In nog geen drie maand tijd had Pompeius de hele Middellandse Zee schoongeveegd. Aangezien hij toch bezig was, werd hem het bevel gegeven over de oorlog tegen Mithridates (oorspronkelijk onder leiding van Lucullus, maar vervolgens overgenomen door Acilius Glabrio), waarop hij zonder aarzelen Pontus binnenviel en de koning versloeg bij Dasteira.

Daarop begon hij met de herindeling van de hele Romeinse grensregio in het oosten: Bithynia et Pontus werd één provincia, Paphlagonia werd een cliens koninkrijk, Cappadocia werd verdeeld in 12 cliens koninkrijkjes (beiden moesten dienen als buffer tegen het Parthische rijk), Galatia werd bestuurd door vier “dynastieën”, in Cilicia liet hij de ex-piraten (Griekse) steden stichten, Syria werd een provincia en het Bosporusrijk van Mithridates werd gerust gelaten als “socius et amicus populi Romani”. De steden die hij stichtte in Bithynia, Pontus, Asia en Syria werden ingericht als hellenistische poleis.

Terugkeer naar Rome[bewerken]

Aan het eind van 62 keerde terug naar Italia en nadat hij in Brundisium was geland, ontbond hij tot ieders verbazing zijn troepen en trok zich terug. Hij zou slechts in 61 even terugkeren op het Romeins schouwtoneel toen hij zijn derde triumphus hield.

Catilina's complot[bewerken]

Lucius Sergius Catilina, een verarmde edele, die in 64 had meegedingd naar het consulaat van 63 met de belofte van schulddelging (mogelijk gesteund door Caesar en Crassus), maar de duimen had moeten leggen voor de homo novus Marcus Tullius Cicero en de louche Gaius Antonius, geraakte, nadat hij het jaar daarop opnieuw niet in slaagde te worden verkozen, gefrustreerd en besloot met geweld te nemen wat hij dacht dat hem rechtens zijn geboorte toekwam. Er zou een opstand zijn gepland tegen 28 oktober, maar Cicero kwam erachter en overhaalde de senatus een senatus consultum de re publica defendenda uit te vaardigen. Catilina haastte zich daarop naar de troepen die zijn mede-samenzweerder Lucius Manlius had verzameld in Etruria om de ultieme confrontatie aan te gaan, terwijl zijn aanhangers in Rome werden opgepakt en na een heftig debat in de senatus op bevel van Cicero werden geëxecuteerd. Na moedig te hebben gestreden, sneuvelde Catilina in de slag tegen de consulaire legioenen. Deze gebeurtenis zou het hoogtepunt vormen van Cicero's carrière, die van de senatus de titel pater patriae kreeg. Maar de bruuske manier waarop de medestanders van Catilana waren omgebracht - zonder enige vorm van proces - zou Cicero blijven achtervolgen.

Hoewel Catilina's complot faalde, is het buiten proportie opgeblazen door Cicero en Sallustius, die het als een teken aan de wand zagen. Als men een ambt niet op legale wijze kon krijgen, dan vocht men er maar voor.

Caesar's opkomst[bewerken]

Bronnen: Velleius Paterculus
Gaius Suetonius Tranquillus
Cassius Dio

Gaius Iulius Caesar maakte niet echt een blitzcarrière in de politiek, maar slaagde er toch in, dankzij de toestand van de staat in die tijd, zich in de politiek in te nestelen en zijn eigen weg te gaan.

Het eerste triumviraat[bewerken]

Terwijl Pompeius in het oosten zat, kwam het tot conflicten tussen ambitieuze politici zoals Gaius Iulius Caesar en Marcus Licinius Crassus Dives, Cicero en Catilina, die vaak pasten in de strijd tussen populares en optimates.

Wanneer Caesar in 60 terugkeerde van Hispania en wenste zowel een triumphus te krijgen als het consulaat (naar het voorbeeld van zijn oudoom Marius), werd hem botweg geweigerd door de senatus zich in absentia kandidaat te stellen voor het consulaat (hij moest dus kiezen: triumphus of consulaat). Ook Pompeius kwam in aanvaring met de senatus die nog altijd zijn regelingen in het oosten niet hadden goedgekeurd en ook weigerden hem toe te staan land te geven aan zijn veterani. En ook Crassus ving bot bij de senatus toen hij in naam van de publicani vroeg om het contract voor de belastingspacht van de provincia Asia te herzien. Door deze koppige houding van de senatus wisten deze drie rivalen elkaar te vinden in een private overeenkomst, die bekend zou staan als het eerste triumviraat, waarbij ze elkaar beloofden dat er in de staat niets zou gebeuren dat een van de triumviri tegenstond. Om het verbond te bezegelen huwde Pompeius Caesars dochter Iulia, terwijl Caesar in - 59 zelf Calpurnia Pisonis, de dochter van Lucius Calpurnius Piso Caesoninus die tot consul voor het volgende jaar was gekozen, huwde. Met de steun van zijn nieuwe bondgenoten wist Caesar verkozen te worden en begon eigengereid wetten door te drukken om aan de wensen van deze tegemoet te komen. Men vond bovendien een bondgenoot in Publius Cornelius Pulcher die als tribunus plebis voor - 58 zou worden verkozen en de belangen van de triumviri beloofde te behartigen. Deze drukte verscheidene wetten erdoor, waaronder een voor gratis graanbedelingen en een die ieder die een Romeins burger zonder proces had terechtgesteld buiten de wet werd gesteld. Door deze laatste wet moest Clodius' aartsvijand Cicero in ballingschap gaan.

Gerustgesteld door het feit dat zijn schoonvader consul was, trok Caesar als proconsul naar Gallia Transalpina.

Verovering van Gallia[bewerken]

Bronnen: Commentarii de bello Gallico
Velleius Paterculus
Gaius Suetonius Tranquillus
Cassius Dio
Excursie: De bello Gallico
Over de Gallische oorlog

De verovering van Gallia was een belangrijk keerpunt in de Romeinse geschiedenis: niet enkel werd de metus Gallici - de vrees voor de Galliërs die erin zat sinds de tijd dat ze voor de poorten van Rome stonden - opgeheven, maar werd tevens de achterban van één van Rome's grootste generaals steeds groter en zijn kapitaal steeds krachtiger.

Noten[bewerken]

1 Sallustius, Bellum Iugurthinum 63, cfr. Valerius Maximus, Facta et dicta memorabilia VI 9.14. Plutarchus (Marius 3.1.) spreekt van het stadje Cirrhaeaton, maar dit is zeer waarschijnlijk een corrupte vorm van Cereatae.
2 Plutarchus, Marius 5.2. Men dateert zijn praetorschap op basis van een passage uit een werk van Marcus Tullius Cicero (De Officio III 20 § 79.).
3 Sallustius, Bellum Iugurthinum 64-65, 73, Plutarchus, Marius 8-9.
4 Plutarchus, Marius 9, Eutropius, Breviarium IV 11, Velleius Paterculus, II 11, Sallustius, Bellum Iugurthinum 84.
5 Sallustius, Bellum Iugurthinum 114, Eutropius, Breviarium V 1, Titus Livius, Periochae LXVII 1, Granius Licinianus, XXXIII.
6 Eutropius, Breviarium V 1, Plutarchus, Marius 14.
7 Plutarchus, Sulla 3, Sallustius, Bellum Iugurthinum 102ff.
8 Eutropius, Breviarium V 1.
9 Plutarchus, Marius 9.1.
10 Eutropius, Breviarium V 1, Plutarchus, Marius 28.
11 Plutarchus, Marius 18-22, Titus Livius, Periochae 68, Orosius, V 16.10-13, Florus, I 38.7-10.
12 Plutarchus, Marius 25.
13 Plutarchus, Marius 28.5.
14 Plutarchus, Marius 31.5.
15 Velleius Paterculus, II 14.
16 Valerius Maximus, Facta et dicta memorabilia IX 2 (80.000), Plutarchus, Sulla 24.4 (150.000 doden).
17 Plutarchus, Sulla 6.
18 Plutarchus, Sulla 8.
19 Plutarchus, Sulla 8, Appianus, Bellum Civile I 57.
20 Plutarchus, Sulla 9ff, Marius 35.6.
21 A. Piganiol, La conquête romaine, Parijs, 1974, p. 461.
22 Plutarchus, Sulla 34.3.
23 Valerius Maximus, Facta et dicta memorabilia VI 2 § 8.

Referenties[bewerken]

  • T. Holland, Rubicon: het einde van de Romeinse republiek, Amsterdam, 2006, pp. 67-223.
  • M. Le Glay - J-L Voisin - Y. Le Bohec - introd. D. Cherry - D.G. Kyle, A History of Rome, Oxford, 20043, pp. 123-133.
  • J. Lendering, Stad in marmer. Gids voor het antieke Rome aan de hand van tijdgenoten, Amsterdam, 2002, pp. 50-57.
  • F. Meijer, Macht zonder grenzen. Rome en zijn imperium, Amsterdam, 2005, pp. 124-141.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.