Heraclitus over de natuur/Het woord, het ene wijze, het universele, het particuliere
Uit Wikibooks
Aan het begin van zijn verhandeling spreekt Heraclitus over de van het woord verwijderde mensen (1a). Zij zijn de onervarenen die de uitleg (het woord, de logos) vernemen (1b) en kunnen worden vergeleken met de slapenden die alles ontgaat (1c). Het is wijs naar het woord te luisteren (2) en bekend te zijn met de besluitvaardigheid waarmee de wereld wordt bestuurd (5). Maar er is niet alleen sprake van menselijke wijsheid, ook echter van goddelijke wijsheid (4), die zo bijzonder is dat deze van alles afzonderlijk staat (3). Het woord en het ene wijze, dat uiteenvalt in menselijke en goddelijke wijsheid, zijn universeel en staan tegenover de particuliere opvattingen van de mensen (6). De wakkeren staan in verbinding met het universele, de slapenden met het particuliere (7).
Inhoud |
[bewerken] Fragment 1 - 7
[bewerken] Fragment 1a
- Ἡράκλειτος Βλόσωνος Ἐφέσιος τάδε λέγει• τοῦ δὲ λόγου τοῦδ' ἐόντος ἀεὶ ἀξύνετοι γίνονται ἄνθρωποι καὶ πρόσθεν ἢ ἀκοῦσαι καὶ ἀκούσαντες τὸ πρῶτον.
- Heraclitus, zoon van Bloson, uit Efeze, deelt het volgende mede: van het woord dat hier werkelijk is, eeuwig, blijken zonder begrip te zijn: de mensen, en wel vóór zij daarvan horen, én eenmaal gehoord hebbende. [1] [2] [3] [4]
[bewerken] Fragment 1b
- γινομένων γὰρ πάντων κατὰ τὸν λόγον τόνδε ἀπείροισιν ἐοίκασι, πειρώμενοι καὶ ἐπέων καὶ ἔργων τοιούτων, ὁκοίων ἐγὼ κατὰ φύσιν διαιρέομαι ἕκαστον καὶ φράζων ὅκως ἔχει.
- Want hoewel alles (duidelijk) wordt volgens dit woord hier, lijken zij onervaren, daarbij strevende, en bij zulke woorden en werken, die ik volgens de natuur elk voor zich onderscheid, tonend wat het daarbij houdt. [5] [6]
[bewerken] Annotatie
- Niet authentiek: ὁκοίων ἐγὼ διηγεῦμαι, “waarvan ik een uiteenzetting geef”.
[bewerken] Fragment 1c
- τοὺς δὲ ἄλλους ἀνθρώπους λανθάνει ὁκόσα ἐγερθέντες ποιοῦσιν, ὅκωσπερ ὁκόσα εὕδοντες ἐπιλανθάνονται. (Sextus Empiricus, Adversus Mathematicos, VII, 132) (na 1b).
- Maar de andere mensen ontgaat wat zij wakend zoal doen, zoals wat zij slapende vergeten.
[bewerken] Fragment 2
- οὐκ ἐμοῦ, ἀλλὰ τοῦ λόγου ἀκούσαντας, ὁμολογεῖν σοφόν ἐστιν ἓν πάντα εἶναί.
- Niet mij, maar het woord horend, is het wijs ermee in te stemmen dat alles één is. [7]
[bewerken] Fragment 3
- Ἡράκλειτου· ὁκόσων λόγους ἤκουσα, οὐδεὶς ἀφικνεῖται ἐς τοῦτο, ὥστε γινώσκειν ὅτι σοφόν ἐστι πάντων κεχωρισμένον. (Stobaeus, Anthologium, III, 1, 174, 3-4).
- Van Heraclitus: Al wiens woorden ík ook gehoord heb, niet één komt zover als dit: namelijk te weten dat het wijze van alles onderscheiden is.
[bewerken] Fragment 4
- ἓν τὸ σοφὸν μοῦνον λέγεσθαι οὐκ ἐθέλει καὶ ἐθέλει Ζηνὸς ὄνομα.
- Eén is het wijze, alleen, het wil en wil niet met Zeus’ naam worden genoemd. [8] [9]
[bewerken] Fragment 5
- ἓν τὸ σοφόν, ἐπίστασθαι γνώμην, ὁτέη ἐκυβέρνησε πάντα.
- Eén is het wijze, vertrouwd te zijn met de besluitvaardigheid, die alles heeft bestierd. [10]
[bewerken] Fragment 6
- διὸ δεῖ ἕπεσθαι τῷ <ξυνῷ>. τοῦ λόγου δὲ ἐόντος ξυνοῦ ζώουσιν οἱ πολλοὶ ὡς ἰδίαν ἔχοντες φρόνησιν.
- Daarom is het nodig aan te sluiten bij het (verbindende). Van het woord dat hier werkelijk verbindend is leven de velen, alsof zij particulier verstand bezitten. [11]
[bewerken] Fragment 7
- τοῖς ἐγρηγορόσιν ἕνα καὶ <ξυνὸν> κόσμον εἶναι, τῶν δὲ κοιμωμένων ἕκαστον εἰς ἴδιον ἀναστρέφεσθαι.
- Voor hen die wakker zijn is de fraaie ordening één en alles verbindend, maar van de slapenden wendt ieder zich naar het particuliere toe. [12]
[bewerken] Commentaar
Fragment 1a heeft precies de kenmerken van aanhef, zoals die in de tijd van Heraclitus voor wetenschappelijke literatuur werd opgesteld. Eerst noemde men zijn naam, gevolgd door een algemene omschrijving en het geven van waarheidspretentie. Hecataeus laat zijn geschrift aanvangen met de volgende woorden: “Hecataeus van Milete spreekt aldus: ik schrijf het volgende (tade, ‘dit hier’) zoals het mij waar lijkt te zijn. De logoi van de Grieken zijn immers uiteenlopend en lachwekkend…”. Bij Heraclitus is echter de naamaanduiding door de overlevering weggevallen. Daarom is die in de bezorging alsnog toegevoegd. Als er in een dergelijke aanhef van het begrip logos wordt gesproken, wordt daarmee dus bedoeld ‘dat wat wordt verteld’. De vertaling met het begrip “woord” lijkt dus in het geval van Heraclitus inderdaad adequaat te zijn. De term logos wordt echter vaak vertaald als “Rede”, “Wetmatigheid”, of “Formule der dingen”. Dit zijn echter niet de betekenissen die in de tijd van Heraclitus aan het begrip logos werden toegekend. De vertaling “woord” dekt de meeste lading. Het woord is er werkelijk, letterlijk uit het Grieks “als zijnde”. Dat betekent in het Grieks ook: in waarheid. Het werkelijke woord is ook eeuwig. Het was altijd en zal altijd geldig zijn. Maar de mensen begrijpen tot in de eeuwigheid deze waarheid niet. Heraclitus lijkt dus zijn leer al tijdens zijn leven aan de mensen hebben voorgelegd, die de leer niet begrepen. Het lijkt erop dat hij op veel onbegrip is gestuit. Want waarom zou hij anders tot de slotsom komen dat de mensen zijn leer niet begrijpen, zowel voor zij hem horen als wanneer zij hem eenmaal gehoord hebben?
Fragment 1b is van groot belang voor het begrijpen van alle fragmenten. Want er wordt in elk geval in medegedeeld dat er door de gehele verhandeling heen uitsluitend woorden en werken worden besproken. Dit fragment moet dus worden betrokken op alle andere fragmenten, waarin naar verwachting bijzondere woorden naar voren worden gehaald. Deze woorden en werken worden volgens hun ware aard onderscheiden of geanalyseerd, terwijl de inhoud ervan aan den dag wordt gelegd. Er wordt dus op wetenschappelijke wijze tewerk gegaan. Maar de mensen hebben geen ervaring met deze wetenschappelijke werkwijze. Daarom lijken zij over het algemeen onervarenen. En toch vindt alles plaats overeenkomstig hetgeen wat als neerslag van wetenschappelijk onderzoek als woord of logos in de verhandeling wordt vastgelegd. Het wetenschappelijk karakter dat aan de verhandeling wordt toegekend blijkt dus ook uit het feit dat het de werkelijke gebeurtenissen of de stand van zaken weergeeft. Uitspraak en gebeurtenis staan aldus in een passende verhouding.
Fragment 1c geeft aan dat slechts de onderhavige verhandeling de ware gebeurtenissen goed weergeeft, en dat zelfs algemeen erkende onderzoekers in alles misgrepen. Want ‘ik, Heraclitus’ analyseer, toon en onderscheid alles naar behoren, maar ‘de andere mensen’ niet. Hierbij wordt verwezen naar de slapenden, die alles ontgaat, omdat zij niet in verbinding staan met de buitenwereld. Op dergelijke wijze staan ‘de andere mensen’, ook wanneer zij wakker zijn, niet in verbinding met de buitenwereld, zodat alles daarin hen zal ontgaan. Zelfs hun eigen handelingen zullen zij niet in hun ware aard doorgronden.
Fragment 2 - 5: hier is het begrip van ‘het wijze’ het kernbegrip. Er wordt nog niet medegedeeld wat dit begrip precies inhoudt, maar in elk geval betekende het in het oude Griekenland zoveel als ‘kundigheid’ of ‘bekwaamheid’. Er is sprake van goddelijke en menselijke kundigheid. Wat de goddelijke kundigheid inhoudt wordt nog niet medegedeeld, dat zal verderop in de verhandeling worden medegedeeld. De ene goddelijke wijsheid is zo bijzonder dat zij zich van alles onderscheid. Zij wil daarom de goddelijke naam van Zeus krijgen, maar toch ook weer niet, waarschijnlijk omdat aan de naam van Zeus valse, door mensen verzonnen mythologische voorstellingen verbonden zijn. Wat de ene menselijke wijsheid betreft is het verstandig naar het woord in de onderhavige verhandeling te luisteren, niet omdat Heraclitus dit woord heeft geformuleerd, maar omdat zij eeuwig en algemeen geldig is (fg. 1a). Het is zaak te beseffen dat de persoon van Heraclitus en het woord in de verhandeling afzonderlijk staan. Deze ene menselijke wijsheid houdt in dat men moet beseffen dat alles één is en dat men vertrouwd moet zijn met de besluitvaardigheid die alles heeft bestierd. Mogelijk is dit juist van belang omdat zij die de eenheid te midden van de veelheid onderkennen, het overzicht van en het verband tussen alles vatten. Er is dus sprake van een eenheid in de veelheid. Daarbij is het zaak vertrouwd te zijn met de besluitvaardigheid waarmee de wereldordening wordt geregeerd, omdat deze besluitvaardigheid de juiste is en dat brengt wat voor goden en mensen goed is, zodat het passend is deze besluitvaardigheid na te volgen en ernaar te handelen, opdat men ook zelf met besluitvaardigheid handelt. Aldus wordt de wereld met zorgvuldigheid geregeerd, zoals ook de wijze zijn leven met zorgvuldigheid moet inrichten en de heerser met zorgvuldigheid de polis moet besturen. Hierdoor wordt duidelijk hoezeer de politieke filosofie voor Heraclitus van belang is.
Fragment 6 - 7: het woord (de logos), alsook de ene goddelijke wijsheid en de ene menselijke wijsheid hebben een universeel waarheidskarakter, waarbij de wijze zich, zoals vanzelf spreekt, heeft aan te sluiten. Zij die besef hebben van het universele zijn de wakkeren en oplettenden, die niets ontgaat. Zij die dat besef niet hebben hebben sluiten zich slechts aan bij de particuliere schijn, die louter mening is en niet overeenstemt met de werkelijke gang van zaken. Voor hen is er slechts een kleine en particuliere wereld die betekenisloos is en niet overeen stemt met de ene, grote wereldordening die allen en alles met elkaar verbindt. Alleen de grote wereldordening is van gewicht. Immers, deze wordt met besluitvaardigheid geleid (fg. 5). Maar het is een kenmerk van de slapenden en onoplettenden, dat zij afgescheiden zijn van de grote wereldordening, zodat deze hen ontgaat. En nagenoeg alle mensen zijn onoplettend. In fragment 7 wordt wederom herhaald dat de fraaie en allesverbindende ordening één is, dit in overeenstemming met fragment 2.
[bewerken] Noten
- ↑ Sextus Empiricus, Adversus Mathematicos, VII, 132: ἐναρχόμενος γοῦν τῶν Περὶ φύσεως ὁ προειρημένος ἀνὴρ καὶ τρόπον τινὰ δεικνῦς τὸ περιέχον φησί• λόγου τοῦδ᾿ ἐόντος κ. τ. λ. “Aan het begin van Over de natuur toont de tevoorschijn komende man aldus ook iets van zijn karakter, terwijl hij zijn uitleg erbij geeft, hij zegt: van het woord dat hier werkelijk is etc.”
- ↑ Hippolytus, Refutatio in omnium haeresium, IX, 9, 1: ὅτι δὲ λόγος ἐστιν ἀεὶ τὸ πᾶν καὶ διὰ παντὸς ὤν, οὕτως λέγει• τοῦ δὲ λόγου τοῦδ' ἐόντος ἀκοῦσαι καὶ ἀκούσαντες τὸ πρῶτον. “dat echter het woord eeuwig het al is en door alles het zijn, hij verklaart zelf: van het woord dat hier werkelijk is hebben zij gehoord en horen zij voor het eerst.”
- ↑ Aristoteles, Rethorica, Γ5. 1407b 11-18: τὰ γὰρ ῾Ηρακλείτου διαστίξαι ἔργον διὰ τὸ ἄδηλον εἶναι ποτέρῳ πρόσκειται, τῷ ὕστερον ἢ τῷ πρότερον, οἷον ἐν τῇ ἀρχῇ αὐτῇ τοῦ συγγράμματος• φησὶ γὰρ τοῦ λόγου τοῦδ᾿ ἐόντος ἀεὶ ἀξύνετοι ἄνθρωποι γίγνονται• ἄδηλον γὰρ τὸ ἀεί, πρὸς ποτέρῳ <δεῖ> διαστίξαι. “Want het werk van Heraclitus is niet goed te ontleden, daardoor is het onduidelijk bij welk [zinsdeel] een woord gesitueerd moet worden, bij wat ervoor komt of bij wat erna komt. En dit geldt voor bij het begin van zijn opstel; want hij zegt: van het woord dat hier werkelijk is, eeuwig, blijken de mensen zonder begrip te zijn: het is immers onduidelijk bij welke twee [zinsdelen] ‘eeuwig’ gesitueerd <moet> worden.”
- ↑ Clemens van Alexandrië, Stromata, V, 111, 7 (1—3): ἄντικρυς δὲ ὁ μὲν Ἡράκλειτος• τοῦ λόγου τοῦδ έοντος αἰεί, φησίν, ἀξύνετοι γίγνονται ἄνθρωποι, καὶ πρόσθεν ἢ ἀκοῦσαι καὶ ἀκούσαντες τὸ πρῶτον. “Maar daartegenover staat Heraclitus: van het woord dat hier werkelijk is, eeuwig, zegt hij, blijken zonder begrip te zijn: de mensen, en wel vóór zij daarvan horen én eenmaal gehoord hebbende.”
- ↑ Sextus Empiricus, Adversus Mathematicos, VII, 132 (na 1a): κ. τ. λ. ὁκοίων ἐγὼ διηγεῦμαι κατὰ φύσιν διαιρέον ἕκαστον κ. τ. λ. “waarvan ik een uiteenzetting geef, volgens de natuur elk voor zich onderscheidend etc.”
- ↑ Hippolytus, Refutatio in omnium haeresium, IX, 9, 1 (na 1a): γινομένων γὰρ πάντων κατὰ τὸν λόγον τόνδε ἀπείροισιν ἐοίκασι, πειρώμενοι καὶ ἐπέων καὶ ἔργων τοιούτων, τὰ ὁποῖα ἐγὼ διηγεῦμαι, διαιρέον κατὰ φύσιν καὶ φράζων ὅκως ἔχει. “Want hoewel alles (duidelijk) wordt volgens dit woord hier, lijken zij onervaren, daarbij strevende, en bij zulke woorden en werken, waarvan ik een uiteenzetting geef, onderscheidend volgens de natuur en tonend wat het daarbij houdt.”
- ↑ Hippolytus, Refutatio in omnium haeresium, IX, 9, 1: Ἡράκλειτος μὲν οὖν φησιν εἶναι τὸ πᾶν διαιρετὸν ἀδιαίρετον, γενητὸν ἀγένητον, θνητὸν ἀθάνατον, λόγον αἰῶνα, πατέρα υἱόν, θεὸν δίκαιον· οὐκ ἐμοῦ, ἀλλὰ τοῦ δόγματος ἀκούσαντας, ὁμολογεῖν σοφόν ἐστιν ἓν πάντα εἰδέναι, ὁ Ἡράκλειτος φησι. “Hecraclitus zegt althans dat het al is: ontbindend—niet ontbindend, verwekkend—niet verwekkend, sterfelijk—onsterfelijk, woord—eeuwig leven, vader—zoon, goddelijk recht: niet mij, maar de leer horend, is het wijs ermee in te stemmen dat alles in het weten is, zegt Heraclitus.”
- ↑ Clemens van Alexandrië, Stromata, V, 115, 1: οῒδα ἐγὼ καὶ Πλάτωνα προσμαρτυροῦντα Ἡρακλείτῳ γράφοντι· ἓν τὸ σοφὸν κ. τ. λ. “Ik weet het en Plato is de bevestiger door getuigenis aangaande het opschrift van Heraclitus: één is het wijze etc.”
- ↑ Eusebius, Praeparatio evangelica, XIII, 13, 42.
- ↑ Diogenes Laërtius, IX, 1: εἶναι γὰρ ἓν τὸ σοφόν, ἐπίστασθαι γνώμην, ὁτέη ἐκυβέρνησε πάντα διὰ πάντων. “Want er is het ene wijze, vertrouwd zijn met de besluitvaardigheid, die overal alles heeft bestierd.”
- ↑ Sextus Empiricus, Adversus mathematicos, VII, 133: διὰ τούτων γὰρ ῥητῶς παραστήσας ὅτι κατὰ μετοχὴν τοῦ θείου λόγου πάντα πράττομέν τε καὶ νοοῦμεν ὀλίγα προσδιελθὼν ἐπιφέρει· διὸ δεῖ ἕπεσθαι τῷ <ξυνῷ᾿, τουτέστι τῷ> κοινῷ, ξυνὸς γὰρ ὁ κοινός. τοῦ λόγου δ᾿ ἐόντος ξυνοῦ ζώουσιν οἱ πολλοὶ ὡς ἰδίαν ἔχοντες φρόνησιν. ἡ δ᾿ ἔστιν οὐκ ἄλλο τι ἀλλ᾿ ἐξήγησις τοῦ τρόπου τῆς τοῦ παντὸς διοικήσεως. διὸ καθ᾿ ὅ τι ἂν αὐτοῦ τῆς μνήμης κοινωνήσωμεν, ἀληθεύομεν, ἃ δὲ ἂν ἰδιάσωμεν, ψευδόμεθα. “want daardoor laat de pronkredenaar zien dat wij volgens de goddelijke logos waaraan wij deelhebben alles doen en denken, weinig brengen wij daarvan in de praktijk, hij voert aan: daarom is het nodig aan te sluiten bij het (verbindende, dat is het) gemeenschappelijke, want het verbindende is het gemeenschappelijke. Van het woord dat hier werkelijk verbindend is leven de velen, alsof zij particulier verstand bezitten. Maar zo is het toch niet, echter wel een uitleg met betrekking tot de manier waarop alles wordt bestuurd. Daarom zou in zoverre als zijn melding voor ons gemeenschappelijk is, voor ons waarachtig zijn, maar wij zouden voor onszelf wat het particuliere betreft leugenachtig zijn.”
- ↑ Plutarchus, De superstitione, 3, p. 166c: ὁ Ἡράκλειτός φησι τοῖς ἐγρηγορόσιν ἕνα καὶ κοινὸν κόσμον εἶναι, τῶν δὲ κοιμωμένων ἕκαστον εἰς ἴδιον ἀναστρέφεσθαι. τῷ δὲ δεισιδαίμονι κοινὸς οὐδείς ἐστι κόσμος· οὔτε γὰρ ἐγρηγορὼς τῷ φρονοῦντι χρῆται οὔτε κοιμώμενος ἀπαλλάττεται τοῦ ταράττοντος. “Heraclitus zegt: voor hen die wakker zijn is de fraaie ordening één en gemeenschappelijk, maar van de slapenden wendt ieder zich naar het particuliere toe. Maar bijgelovig is er zelfs nooit een gemeenschappelijke wereld. Want bij het wakker worden acht hij het verstand niet nodig, noch wordt hij, slapend, bevrijd van de verwarring.”