Heraclitus over de natuur/De fragmenten

Uit Wikibooks

Ga naar: navigatie, zoek
Hendrik ter Brugghen - Heraclitus.jpg
Heraclitus over de natuur

Van de vele overgeleverde citaten zijn er slechts 85 waarvan met enige zekerheid te zeggen is dat zij authentiek zijn. Zij zijn geordend en per hoofdstuk gerangschikt.

Inhoud

[bewerken] Alle authentieke fragmenten

[bewerken] Het woord, het ene wijze, het universele, het particuliere

1a. Heraclitus, zoon van Bloson, uit Efeze, deelt het volgende mede: van het woord dat hier werkelijk is, eeuwig, blijken zonder begrip te zijn: de mensen, en wel vóór zij daarvan horen, én eenmaal gehoord hebbende.

1b. Want hoewel alles (duidelijk) wordt volgens dit woord hier, lijken zij onervaren, daarbij strevende, en bij zulke woorden en werken, die ik volgens de natuur elk voor zich onderscheid, tonend wat het daarbij houdt.

1c. Maar de andere mensen ontgaat wat zij wakend zoal doen, zoals wat zij slapende vergeten.

2. Niet mij, maar het woord horend, is het wijs ermee in te stemmen dat alles één is.

3. Al wiens woorden ík ook gehoord heb, niet één komt zover als dit: namelijk te weten dat het wijze van alles onderscheiden is.

4. Eén is het wijze, alleen, het wil en wil niet met Zeus’ naam worden genoemd.

5. Eén is het wijze, vertrouwd te zijn met de besluitvaardigheid, die alles heeft bestierd.

6. Daarom is het nodig aan te sluiten bij het (verbindende). Van het woord dat hier werkelijk verbindend is leven de velen, alsof zij particulier verstand bezitten.

7. Voor hen die wakker zijn is de fraaie ordening één en alles verbindend, maar van de slapenden wendt ieder zich naar het particuliere toe.

[bewerken] De voorgangers en de onbekwaamheid

8. Zij weten niet te luisteren, noch te spreken.

9. Zonder begrip luisterenden lijken doven: het gezegde getuigt van hen: “bij het werkelijke afwezig”.

10. Want velen denken niet aan zulke dingen, waarop zij stuiten, ook kennen zij hun lessen niet, maar zij houden vast aan hun overtuigingen.

11a. Want aanvaard is wat de meest aanvaarde kent, bewaakt.

11b. Dikè zal de bouwers en getuigen van leugens overmeesteren.

12. Maar leermeester der meesten is Hesiodus: van hem denken zij dat hij het meeste wist, terwijl hij dag en nacht niet kende: want die zijn één.

13. Misleid worden de mensen bij dat van het zichtbare, bijna net zoals Homerus, die verworden is tot de meest wijze van alle Hellenen. Want hij liet zich ook door kinderen die luizen aan het doden waren misleiden, zij zeiden: “alles wat wij gezien en aangegrepen hebben, dat hebben wij achtergelaten, alles wat wij niet gezien en niet gevangen hebben, dat nemen wij mee”.

14. “Pythagoras, zoon van Mnesarchus, zal zich moeite getroosren om van alle mensen het meeste onderzoek te doen.” Hij vormde aldus zijn eigen wijsheid.

[bewerken] De methode en het de bekwaamheid

15. Van het zien, het horen: daaraan geef ik de voorrang.

16. Slechte getuigen zijn voor mensen ogen en oren wanneer zij barbaarse zielen hebben.

17. Als alles (duidelijk) rook zou worden, zouden de neuzen er nog zijn.

18. Ik ging op onderzoek bij mijzelf.

19. Het is alle mensen erbij gegeven zichzelf te kunnen leren kennen en verstandig te zijn.

20. Verstandig zijn in de grootste deugd, en wijsheid is het de waarheid te spreken en te handelen volgens de natuur met besef.

21. Moge wij niet lukraak wat het grootste betreft gevolgtrekkingen maken.

22. Want het is nodig zeer veel onderzoek te doen.

23. Want bij onvertrouwdheid ontsnapt het aan de aandacht en wordt dan niet gekend.

24. Hoe zou iemand wat nooit ondergaat kunnen ontgaan?

25. Natuur pleegt zich te verbergen.

[bewerken] De strijd, het zich afzonderende, het sturende en de rechtvaardigheid

26. Oorlog is van alles de vader, maar ook van alles de koning, en die hier heeft hij goden laten zij, maar die daar mensen, die heeft hij tot slaven gemaakt, maar deze tot vrijen.

27. Bij dit alles hier is bliksem en donder sturende.

28. Want op het slagveld gevallenen worden door goden en mensen geëerd.

29. Want groter doodslot verkrijgt groter aandeel.

30. Maar het is nodig te weten dat de oorlog werkelijk verbindend is, en recht twist, en dat alles geschiedt volgens twist en noodzaak.

31. De naam van Dikè zou niet bekend zijn, als dat er niet zou zijn.

32. Homerus zou het verdienen van de wedstrijden verdreven en afgeranseld te worden en Archilochus evenzo.

33. Het ontgaat Homerus, wensend “dat twist uit goden en mensen moge verdwijnen”, dat alles van de fraaie ordening dan te gronde zou gaan, uit strijd heeft het de geboorte.

34. Zij begrijpen niet hoe het zich afzonderende met zichzelf instemt: weerkerende fraaie ordening, zoals bij de boog en ook bij een lier.

[bewerken] De fraaie ordening van het veranderende vuur

35. De fraaie ordening hier, dezelfde voor gans alles, is noch door iemand der goden, noch door iemand der mensen gemaakt, maar was eeuwig en is en zal zijn: vuur, eeuwig levend, aangaand met mate en uitdovend met mate.

36. Vuur wordt geruild tegen alles, en tegen vuur alles tezamen, zoveel als tegen goud goederen en tegen goederen goud.

37. Wendingen van vuur: eerst zee, maar van zee de helft aarde, de helft echter gloeiende wervelwind. Zee stort zich uit en meet zich naar dezelfde verhouding, als er was voordat aarde ontstond.

38. Alles zal ooit vuur worden.

39. … gebrek en verzadiging (is het vuur).

40. Vuur zijn dood is lucht zijn geboorte, en lucht zijn dood is water zijn geboorte.

41. De weg op en neer is één en dezelfde.

[bewerken] De wet

42. Wet is ook: gehoor geven aan de wil van één.

43a. In begrip sprekend is het nodig kracht te putten uit het alles verbindende, zoveel als uit de wet van een stad en veel krachtiger.

43b. Want alle wetten der mensen worden gevoed door één, de goddelijke: deze heeft immers macht voor zover zij wil, en is volkomen sterk genoeg en overwint.

[bewerken] Het goddelijke

44. Want ook daar zijn goden.

45a. De god: dag—nacht, winter—zomer, oorlog—vrede, verzadiging—honger.

45b. Zoals wanneer het wordt vermengd met reukstoffen, wordt hij genoemd naar de smaak van elk.

46. Maar de Sibille met razende mond, die zonder lach woorden roept, overbrugt met haar stem duizenden jaren door de god, niet door het menselijke.

47. De heer van wie het orakel is, in Delphi, zegt niet, noch verbergt, maar beduidt.

[bewerken] De onmondigen en de volwassenen, de goden en de mensen

48a. De geesteshouding van een mens omsluit niet de besluitvaardigheid, maar de goddelijke heeft deze.

48b. Maar veeleer mag een man onmondig heten bij een demon, zoveel als een kind bij een man.

49. Het eeuwige leven is een kind, samenbrengend, in afzondering brengend: kind of koningschap.

[bewerken] De wisseling der seizoenen, de wisseling van dag en nacht

50. De natuur van alle dagen is één.

51. Dageraad en avond’s grenzen of de beer, en tegenover de beer de wachter van de stralende Zeus.

52. … van alles wat de seizoenen althans aanvoeren, maar op aarde groeit.

[bewerken] De zon als het levengevende

53. De zon is iedere dag jong.

54. Want de zon is volgens zijn natuur een voet van een mens in breedte, de grenzen zal hij niet te buiten gaan: als hij zijn grenzen overschrijdt, zullen de Erinyen hem achterhalen, de boden van Dikè.

55. Als de zon er niet was, zou het nacht zijn.

[bewerken] De voeding

56. Zee: het meest zuivere en meest bezoedelde water, voor vissen drinkbaar en heilzaam, maar voor mensen ondrinkbaar en schadelijk.

[bewerken] Ziekte en genezing

57. ... heilige of vallende ziekte.

58. De geneesheren, snijdend, brandend, eisen daarbij, wat zij niet eens zouden verdienen, loon te ontvangen; dezelfde werkzaamheid: het goede en de ziekte.

[bewerken] Leven en dood, waken en slapen, de levensloop

59. Geboren streven willen zij leven en het doodslot bezitten, maar eerder uitrusten, en zij laten kinderen na: het doodslot wordt geboren.

60. Dertig jaren voor een generatie.

61. Een mens in de nacht steekt een licht aan voor zichzelf, stervend, levend echter raakt hij aan de dode, slapend, ontwaakt raakt hij aan de slaper.

62. Dood is wat wij wakend in beweging zetten, maar wat wij slapend in beweging zetten slaap.

63. Onsterfelijken zijn sterfelijk, sterfelijken onsterfelijk, levend van deze dood, maar in dit leven dood.

64. Wat de uiteenlopende menselijke meningen betreft wacht de mensen, gestorven, wat zij niet hopen, noch menen.

[bewerken] De ziel, het gemoed, de verandeing in ons

65. Want de zielen hun dood: water wordt geboren, maar water haar dood: aarde wordt geboren, uit aarde wordt echter water, maar uit water ziel.

66. Voor zielen is het verkwikking of dood vochtig te worden.

67. De zielen ruiken in Hades.

68. Een man wanneer dronken, wordt geleid door een onvolwassen kind, wankelend, niet beseffend waarheen hij gaat, vocht in de ziel heeft hij.

69. Droge ziel: de meest wijze en de beste.

70a. Als mensen overkomt waar zij naar streven is dat nog niet het betere.

70b. Ziekte maakt gezondheid aangenaam en goed, honger verzadiging, vermoeidheid het uitrusten.

71. Tegen het gemoed vechten is een lastigheid: want dat waarnaar zij mocht streven, is een koop voor de ziel.

72a. Want het is onmogelijk tweemaal in dezelfde rivier te treden.

72b. Immers steeds ander water stroomt ons toe.

73. In dezelfde rivieren treden wij en treden wij niet, wij zijn en ook zijn wij niet.

[bewerken] De mensen en de dieren; de landbouw

74. Ezels zouden eerder strooisel nemen dan goud.

[bewerken] De arbeid en het menselijke kunstproduct

75. Want zij die goud zoeken graven veel aarde op en vinden weinig.

76. De weg van de kaarde is één en dezelfde.

77. De boog heet leven, maar zijn werk is de dood.

[bewerken] De godsdienstige mensen

78. Als zij immers niet voor Dionysus een optocht hielden en zongen ter ere van de schaamdelen, zouden het schaamteloze praktijken zijn; maar Hades en Dionysus zijn dezelfde voor wie zij razen.

79. En tot godenbeelden die daar zijn, bidden zij, zodanig alsof iemand van hen tegen huizen aan het babbelen was, niet wetend wat goden en ook niet wat heroën voor wezens zijn.

[bewerken] Het onjuiste handelen

80. De volwassen Efeziërs verdienen het zich allen te verhangen, zij, lieden die Hermodorus, een man die van henzelf de meest bekwame was, verdreven, zeggende: “van ons mag nooit één de beste zijn, maar zo niet, dan elders en te midden van anderen”.

81. Pittacus, zoon van Hyrrhadius, uit Mytilene, hij die Alcaeus in zijn macht had en vrijgelaten heeft, (handelde onjuist), zeggende: “iets begrijpelijk vinden is beter dan wraakneming”.

82a. Het is nodig overmoed eerder te blussen dan een laaiend vuur.

82b. En vechten is nodig voor het volk, ten bate van de wet, ten bate van de geborenen, alsook ten bate van de wal.

[bewerken] Het juiste handelen

83a. Want waar zit hun verstand of besef? Zij vertrouwen de volkszangers en hebben de menigte nodig als leermeester, niet inziend dat de velen slecht zijn, maar weinigen zijn goed.

83b. Want één ding verkiezen tegenover gans alles de besten, eeuwigdurende roem boven wat sterfelijk is, maar de velen zijn verzadigd, zoveel als vee.

84. In Priëne werd Bias geboren, de zoon van Teutames, wiens woord van meer gewicht is dan die van de anderen.

85. Zij worden wakers, wakker zijnd, van levenden en doden.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.
Persoonlijke instellingen