Sociale geschiedenis van Europa 1795-1915/Franse Revolutie, volk en Kerk

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Schema geschiedenis van Frankrijk na de Revolutie
  3. Franse Revolutie, volk en Kerk
  4. Vrouw, huwelijk en kinderen in Frankrijk

3. Franse Revolutie, volk en Kerk

Het volk[bewerken]

Door de Revolutie was niet het volk maar de burgerij (de middenklasse van rechters, advocaten, hogere ambtenaren, kooplieden, industriëlen enzovoort) aan de macht gekomen. Deze middenklasse wilde haar idealen van een hoog, zedelijk peil aan de arbeidersklasse opleggen door de arbeidersvrouwen op te voeden tot een deugdzaam leven.

Het lot van het gewone volk, en zeker dat van de armen, verbeterde niet. Het sterftecijfer van de armen schijnt tijdens de jaren van de Revolutie zelfs te zijn toegenomen. Het aantal zelfmoorden door armen nam scherp toe, vooral tussen 1797 en 1800 en ook rond 1812 tijdens het Eerste Keizerrijk. Ongeveer honderd arme Parijzenaars per jaar verdronken zichzelf in de Seine omdat ze geen enkel toekomstperspectief hadden. Meestal lieten ze niet meer na dan de kleren die ze aan hadden.

Vaderlandsliefde[bewerken]

Guillotine

In de achttiende eeuw was in Frankrijk het persoonlijke leven tot ontwikkeling gekomen. Tijdens de Franse Revolutie echter werden mensen die zich met hun eigen belangen of met de belangen van de groep waartoe ze behoorden, bezighielden, als contrarevolutionaire verraders beschouwd en daarvoor konden ze onder de guillotine terecht komen. Het persoonlijke leven moest openbaar zijn en dienstbaar aan de Revolutie. Daarmee raakte het persoonlijke leven weer wat op de achtergrond. Men werd doorlopend beoordeeld op zijn vaderlandsliefde en die bleek onder andere uit het gebruik van versieringen, taal en kleding.

Versieringen en symbolen[bewerken]

Een waarachtig vaderlandslievend persoon versierde zijn huisraad en gebruiksvoorwerpen met revolutionaire spreuken of met gebeurtenissen uit de Revolutie. De bourgeoisie (burgerij) verfraaide haar huizen weliswaar met afbeeldingen van aantrekkelijke dames maar die moesten dan ook vrijheid, gelijkheid, voorspoed en overwinning uitdrukken. De eenvoudigere mensen hingen republikeinse vignetten en spreuken aan de muur. De afbeeldingen van Maria en de heiligen werden deels verdrongen door de portretten van de helden van de Revolutie.

Taal[bewerken]

Iedereen was gelijk, dus men begon elkaar te tutoyeren. Men deed zelfs pogingen om het tutoyeren verplicht te stellen, hetgeen echter mislukte.

Het taalgebruik mocht vooral niet elitair zijn. Men mocht gerust taal- en spelfouten maken: dit strekte zelfs tot aanbeveling, evenals het gebruiken van platte taal, zelfs in kranten en politieke betogen. Volkstaal en scheldwoorden werden steeds vaker gebezigd. Zo zette men zich af tegen het elitaire taalgebruik van de adel.

De staat wilde de dialecten afschaffen want dat veroorzaakte verschillen tussen de mensen. Zij introduceerde een eenheidsfrans dat op alle scholen geleerd moest worden. De dialecten mochten alleen nog maar binnenshuis gesproken worden en gingen daardoor tot de persoonlijke levenssfeer behoren. De soldaten van de in 1793 ingevoerde dienstplicht (de Levée en masse) spraken onder elkaar de soldatentaal.

Kleding[bewerken]

Iedereen was gelijk, dus het uitdrukken van maatschappelijke verschillen via kleding was taboe en daarom droeg men sobere kleding. Men probeerde zelfs om alle mannelijke burgers een uniform te laten dragen, hetgeen mislukte. Na 1793 was iedereen verplicht een kokarde te dragen. Tijdens de Franse Revolutie werd de kleding over het algemeen wat lichter en losser dan daarvoor en gingen de vrouwen wat schaarser gekleed. Voor vrouwen vond men de kledingsvoorschriften niet zo belangrijk, omdat zij immers geacht werden zich alleen met het privéleven en het huishouden bezig te houden.

Katholieke Kerk[bewerken]

De Revolutie keerde zich niet alleen tegen de adel maar ook tegen de katholieke Kerk[1]. Veel burgers keerden de Kerk de rug toe. De katholieke Kerk was een machtig instituut met heel veel leden, met een samenhangend geheel van godsdienst en morele waarden, met veel plechtigheden en met veel controle op het persoonlijke leven van haar leden. Aanvankelijk wilden de liberale revolutionairen nog dat iedereen zelf mocht beslissen of hij al dan niet enige godsdienst zou belijden. Maar de Revolutie had gebrek aan geld en de Assemblée besloot op 2 november 1789 om veel kerkelijke bezittingen te confisqueren.

Er ontbrandde een bittere strijd tussen staat en Kerk. De overheid wilde dat de bisschoppen gekozen zouden worden, net als gewone overheidsdienaren, en dat alle geestelijken de eed op de grondwet zouden afleggen, net als alle gewone burgers. Katholieke rituelen werden belachelijk gemaakt, geestelijke mochten hun liturgische gewaden niet meer dragen, de kloostergeloften werden afgeschaft. Kerken werden gebruikt als schuren, stallen, kruithuizen, vishallen en vergaderruimtes. Geestelijken die protesteerden werden voor contrarevolutionair uitgemaakt.

Veel priesters traden uit het ambt of emigreerden, anderen werden gevangengezet of gedeporteerd en sommigen zelfs geëxecuteerd. Op een gegeven moment waren er haast geen priesters meer in Frankrijk. De katholieken oefenden hun godsdienst min of meer in het geheim thuis uit.

Er kwam zelfs een nieuwe jaartelling die niet langer op de vermeende geboortedag van Christus was gebaseerd maar in het jaar 1791 begon, het jaar waarin de Franse Revolutie begonnen was. De maand was verdeeld in drie maal tien dagen en de zondag werd afgeschaft en vervangen door de décadie (de tiende dag).

Vooral vrouwen en kinderen bleven de Kerk verdedigen. Zij verstopten priesters en hielpen hen bij het uitvoeren van clandestiene missen. Zij lieten hun kinderen niet dopen bij priesters die de eed op de grondwet hadden afgelegd en ze demonstreerden soms tegen de overheid.

In 1801 trok Napoleon de meest tirannieke maatregelen tegen de Kerk weer in, in ruil voor het recht van de staat om zich met de godsdienstige aangelegenheden van de Kerk te mogen bemoeien. De kerkgebouwen werden opnieuw gewijd en in gebruik genomen. Omdat er vrijwel geen priesters meer waren, droegen schoolmeesters of ex-priesters de mis op. Men ging de zondag weer vieren en weigerde op die dag te werken.

De vrouwen, die de Kerk zo verwoed verdedigd hadden, werden de nieuwe steunpilaren van de Kerk. De mannen bezochten de kerk alleen nog maar op feestdagen want zij gingen liever naar het koffiehuis of de kroeg.

Bron[bewerken]

Geschiedenis van het persoonlijk leven. Van de Franse Revolutie tot de Eerste Wereldoorlog.
Onder redactie van Philippe Ariès, Georges Duby en Michelle Perrot.
ISBN 90-5157-052-x
1987 Editions du Seuil, Paris
1989 Agon, Amsterdam

  • Betreffende hoofdstuk geschreven door: Lynn Hunt, hoogleraar aan de universiteit van Californië, Berkeley en door Michelle Perrot, hoogleraar aan de universiteit van Parijs.

Noten[bewerken]

  1. En zelfs tegen de gilden, de dorpsgemeenschappen en de familieclans.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.