Oudgrieks/Blok 2/3-Grammatica: lidwoorden

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

--Inleiding--


--Basiscursus--

  1. Inleiding
  2. Een korte geschiedenis
  3. Blok 1
  4. Blok 2
  5. Blok 3
  6. Blok 4
  7. Blok 5
  8. Blok 6
  9. Samenvatting
  10. Afsluiting


--Taaloverzicht--

  1. Klankleer
    1. Alfabet
  2. Vormleer
    1. Lidwoorden
    2. Zelfstandige naamwoorden
    3. Adjectieven
    4. Bijvoeglijke naamwoorden
    5. Werkwoorden
    6. Voornaamwoorden
    7. Bijwoorden
    8. Telwoorden
  3. Syntaxis
    1. De zin


--Woordenlijst--



WSBN nl-4-42-422-00001


Het Oudgriekse lidwoord komt ongeveer overeen met het Nederlandse bepaalde lidwoord (de, het). Oorspronkelijk was het, net als in het Nederlands, een aanwijzend voornaamwoord waarvan de betekenis verzwakt is.

Verbuiging[bewerken]

Net als de voornaamwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, wordt het Oudgriekse lidwoord verbogen volgens naamval, getal en geslacht. Hierin volgt het de eerste klasse van de adjectieven bijna volledig.


Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig
Enkelvoud Tweevoud Meervoud Enkelvoud Tweevoud Meervoud Enkelvoud Tweevoud Meervoud
Nominatief (ho) τώ (tṓ) οἱ (hoi) (hē) τά (tā́)
τώ (tṓ)
αἱ (hai) τό (tó) τώ (tṓ) τά (tá)
Genitief τοῦ (toû) τοῖν (toîn) τῶν (tôn) τῆς (tês) ταῖν (taîn)
τοῖν (toîn)
τῶν (toon) τοῦ (toû) τοῖν (toîn) τῶν (tôn)
Datief τῷ (tôi) τοῖν (toîn) τοῖς (toîs) τῇ (têi) ταῖν (taîn)
τοῖν (toîn)
ταῖς (taîs) τῷ (tôi) τοῖν (toîn) τοῖς (toîs)
Accusatief τόν (tón) τώ (tṓ) τούς (toús) τήν (tḗn) τά (tā́)
τώ (tṓ)
τάς (tás) τό (tó) τώ (tṓ) τά (tá)

OPMERKINGEN:

  1. Het Oudgrieks kent ook een vocatief (vocativus). Die is altijd ὦ (oo).
  2. De vormen zonder begin-τ (, , οἱ en αἱ) hebben geen accent. Zij zijn proclitica.

Syntaxis[bewerken]

De syntaxis van het lidwoord is tamelijk uitgebreid. Naargelang zijn plaatsing en omgeving kan een Oudgrieks lidwoord vele verschillende betekenissen aannemen.

Gebruik en weergave[bewerken]

Het Oudgriekse lidwoord kan vijf functies vervullen:

  1. bepalend;
  2. aanwijzend/verwijzend;
  3. bezittelijk;
  4. substantiverend;
  5. distributief.

Plaats[bewerken]

Het lidwoord kan in een woordgroep, bestaande uit een lidwoord, een bijvoeglijk (voor)naamwoord en een zelfstandig (voor)naamwoord, attributief/distinctief (vlak vóór de bijvoeglijke bepaling) of predicatief (vlak vóór het zelfstandige (voor)naamwoord) staan.

Etymologische noot[bewerken]

In het Proto-Indo-Europees, evenals in het vroege Grieks, was wat wij het lidwoord noemen een aanwijzend voornaamwoord. De vormen met begin-τ komen voort uit PIE vormen met als stam *to-. Zij zijn stamverwant met het Nederlandse "die, dat", "de" en "deze, dit". De vormen die beginnen met een spiritus asper komen voort uit PIE vormen met als stam *so-. Deze stam komt terug in het Nederlandse "zo" en in het tweede deel van "deze".

Zie ook[bewerken]

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.