Naar inhoud springen

Oudgrieks/Woordenlijst

Uit Wikibooks
Α Β Γ Δ Ε Ζ Η Θ Ι Κ Λ Μ Ν Ξ Ο Π Ρ Σ Τ Υ Φ Χ Ψ Ω Legenda
ἀγαθος, -η, -ον adject. goed
ἀγγελλω verb. berichten, melden
ὁ ἀγγελος, -ου m. de bode/de gezant
ἀγω verb. voeren, brengen
ἀει adject. altijd
αἱ Ἀθηναι, -ων f. Athene (de stad)
ἀθλιος, -α, -ον adject. ongelukkig
αἰτεω verb. vragen (om) (+ 2x acc.)
ἀλλα, ἀλλ coniunc. maar
ἀλλος, -η, -ον adject. ander
ἁμα adverb. tegelijk, tegelijkertijd
ὁ ἀνεμος, -ου m. de wind
τό ἄνθος, -ους n. de bloem
ὁ ἅνθρωπος, -ου m. de mens, de man
ὁ ἀνηρ, ἀνδρος m. de man
ἀποβαινω verb. weggaan
ἀποθνῃσκω verb. sterven
ἀποκτεινω verb. doden
ἀποπεμπω verb. wegsturen
ἀποστερεω verb. beroven (van) (+gen.)
αὐτος, αὐτη, αὐτο adject. 1. zelf; 2. zijn/haar
Ἀχαιος, -ου m. 1. Griek; 2. Grieks (adject.)
βαλλω verb. werpen, gooien
ἡ βασιλεια, -ας f. de koningin
ὁ βίος, -ου m. het leven
βοηθεω verb. helpen +dat
γίγνομαι verb. worden
γαρ coniunc. want
γαμεω verb. trouwen
ἡ γυνη, γυναικος f. de vrouw, echtgenote
διδάσκω verb. 1. onderwijzen; 2. beleren, vermanen
το δακρυον, -ου n. de traan
δια adverb. door (+acc.)
διαφθειρω verb. vernietigen
το δωρον, -ου n. het geschenk
ἡ δορα, -ας f. de huid
ἡ δοξα f. de roem
ὁ δοῦλος, -ου m. de slaaf
εἰμί verb. zijn
ἐγγυς adverb. dichtbij (+gen.)
ἡ ἐλευθερια, -ας f. de vrijheid
ἐκ adverb. uit (+gen.)
εὐ adverb. goed
ἐθελω verb. willen
εἰς praep. naar +acc.
ἐν praep. in,bij, op +dat
ἐπι +acc. praep. naar
ἐπι +gen. praep. op
ἐπιθυμεω verb. verlangen te/om (+inf.), verlangen naar (+gen)
ἐνθαδε adverb hier(heen)
το ἐργον, -ου n. het werk
εὐνους, -ου adject. goedgezind, goedgezind aan (+dat).
εὑρισκω verb. vinden, ontdekken, aantreffen
ἐχθρός, -ου adject. gehaat (bij +dat).
ἐχω verb. hebben
ἡ ζωή, -ῆς f. het leven
ἡ ἡδονή, -ης f. de lust, het plezier
ἠδη adverb. al, reeds
ὁ ἡλιος, -ου m. zon
ὁ ἡρως, ἡρωος m. de held
ἡ θάλαττα, -ης f. de zee
ἡ θεος, -ου f. de godin
ὁ θεος, -ου m. de god
τό θηρίον, -ου n. het dier
ὁ θνητος, -ου m. mens, sterveling
ἡ θύρα, -ας f. de deur, de poort
ἴδιος, -α, -ον adject. eigen, zelf
ἱερος, -α, -ον adject. heilig/gewijd aan (+gen)
ἰσως adverb. misschien, waarschijnlijk
καί coniunc. en, ook, zelfs
καθευδω verb. slapen
κακος, -η, -ον adject. slecht
καλος, -η, -ον adject. mooi
κατεχω verb. in zijn macht hebben/beheersen
ὁ κινδυνος, -ου m. het gevaar
ἡ κορη f. de dochter, het meisje
κρατεω verb. overwinnen (+gen.), macht hebben over, zich meester maken
κωλυω verb. verhinderen
λαμβανω verb. nemen, vastpakken, vasthouden
λαμπρος, -α, -ον adject. schitterend
λανθάνω verb. verborgen zijn
λειβω verb. vergieten
λειπω verb. verlaten, achterlaten
λευκος, -η, -ον adject. wit
ὁ λογος, -ου m. woord, leer, kennis
ἡ λυπη, -ης f. het verdriet
λύω verb. losmaken
μαλα adverb. erg, zeer
μανθανω verb. leren
ἡ μάχη, -ης f. de strijd
μενω verb. wachten, blijven
μετα +gen. praep. (samen) met
μετα +acc. praep. door
μελλω verb. zullen
μετεχω verb. deelnemen aan (+gen.)
ὁ νόμος, -ου m. de wet
ὁ νεκρος, -ου m. lijk, dode
ἡ νησος, -ου f. het eiland
ὁ ναυτης, -ου m. de matroos
ἡ νικη f. de overwinning
νομιζω verb. 1. beschouwen (+2x acc.) 2. menen
ὁ νους, -ου m. de geest, het verstand
νυν adverb. nu
ἡ νυξ, νυκτος f. nacht
ὁ ξένος, -ου m. vreemde
ξένος, -η, -ον adject. buitenlands; vreemd
lidwoord de, het (mnl.)
οἰκεω verb. wonen
οἰκαδε adverb. naar huis
ἡ οἰκια f. het huis
ὁτι coniunc. 1. omdat 2. dat
οὐν coniunc. dan, dus
οὐκετι adverb. niet meer
πασχω verb. verdragen
παν praep. veel
παλιν adverb. weer, terug
παντες, -ων adject. alle(n)
ἡ παρθενος, -ου f. het meisje
παρεχω verb. geven, verschaffen
παυω verb. (doen) stoppen, (doen) ophouden, laten stoppen, beëindigen
πεμπω verb. sturen, zenden
περι praep. om, over (+gen.)
ἡ πετρα, -ας f. de rots
πιπτω verb. vallen
πιστευω verb. vertrouwen (+dat.)
ὁ πολίτης, -ου m. de burger
ποιέω verb. maken, doen
πολεμεω verb. oorlog voeren
ὁ πολεμος, -ου m. de oorlog
ὁ ποντος, -ου m. zee
προμαχος, -ου m. voorvechter
ὁ ῥήτωρ, ῥητορος m. de redenaar
ῥιπτω verb. werpen, gooien
τό σῶμα, σωματος n. het lichaam
ἡ στρατια, -ας f. het leger
ὁ στρατιωτης, -ου m. de soldaat
ὁ τόπος, -ου m. de plaats
ταχα adverb snel
τε...και adverb. én
το τεκνον, -ου n. het kind
τί; interrog. 1. wat? 2. waarom?
ἡ τιμη, -ης f. eerbewijs
τουτο demonstr. dit, dat (onzijdig nom./acc.)
τρεις numer. drie
τρεχω verb. rennen
ἡ τυχη, -ης f. het lot, het lotgeval
φαινω verb. tonen, laten zien
φερω verb. dragen, voeren
το φος, φοτος n. licht
φροντιζω verb. zich bekommeren om
χαιρω verb. blij zijn met, zich verheugen +dat.
ἡ χθων, χθονος f. de aarde
ὁ χρονος, -ου m. de tijd

Legenda

[bewerken]

-

Afkorting Latijnse naam Nederlandse naam
m. masculinum mannelijk
f. femininum vrouwelijk
n. neutrum onzijdig
adject. nomen adiectivum bijvoeglijk naamwoord
verb. verbum werkwoord
adverb. adverbium bijwoord
coniunc. coniunctio voegwoord
praep. praeposito voorzetsel
interrog. pronomen interrogativum vragend voornaamwoord
demonstr. pronomen demonstrativum aanwijzend voornaamwoord
numer. nomen numerale telwoord
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.