Maatschappijleer/Rechtsstaat/Nederlandse Grondwet/De Grondwet toegelicht

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Inhoud

Hoofdstuk 1: Grondrechten[bewerken]

In hoofdstuk 1 zijn staan onze rechten beschreven. Het gaat vooral om mensenrechten en democratische rechten. Bijvoorbeeld het discriminatieverbod (art. 1), de vrijheden van godsdienst en meningsuiting, de onaantastbaarheid van het menselijk lichaam, het recht op privacy, rechtsbescherming en het recht op betoging opgenomen.

Ook sociale rechten zoals het recht op huisvesting, sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs en werk staan in hoofdstuk 1 beschreven.

Klassieke grondrechten[bewerken]

Art. 1: Gelijke behandeling en discriminatieverbod[bewerken]

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

In Nederland behandelen we iedereen op dezelfde manier. Natuurlijk alleen als de situaties hetzelfde zijn of heel veel op elkaar lijken. Discriminatie mag niet.
Iedereen in Nederland heeft dezelfde rechten. Er mag niet gediscrimineerd worden

Art. 2: Nederlanderschap; vreemdeling; uitlevering; recht tot verlaten van land[bewerken]

1. De wet regelt wie Nederlander is.
2. De wet regelt de toelating en de uitzetting van vreemdelingen.
3. Uitlevering kan slechts geschieden krachtens verdrag. Verdere voorschriften omtrent uitlevering worden bij de wet gegeven.
4. Ieder heeft het recht het land te verlaten, behoudens in de gevallen, bij de wet bepaald.
1. Wie Nederlander is, staat in de wet. In de wet kan ook staan dat iemand anders dit beslist.

2. Ook staat in de wet wie we in Nederland toelaten. En wie we wegsturen. In de wet kan ook staan dat iemand anders dit doet.

3. Het kan zijn dat we mensen sturen naar andere landen als die andere landen dat vragen. Dat uitleveren mag alleen als we dat doen zoals we dat hebben afgesproken in een verdrag.

4. Iedereen mag weggaan uit Nederland. Dat betekent dat iedereen recht heeft op een paspoort of ander reisdocument. Dit is alleen zo als er in de wet geen andere regels staan.

Art. 3: Gelijke benoembaarheid[bewerken]

Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar.

Iedere Nederlander kan een baan krijgen bij de overheid.

Art. 4: Kiesrecht[bewerken]

Iedere Nederlander heeft gelijkelijk recht de leden van algemeen vertegenwoordigende organen te verkiezen alsmede tot lid van deze organen te worden verkozen, behoudens bij de wet gestelde beperkingen en uitzonderingen.

Iedere Nederlander mag deelnemen aan verkiezingen. Hij mag zelf stemmen en hij mag gekozen worden. In de wet kunnen uitzonderingen staan.

Art. 5: Petitierecht[bewerken]

Ieder heeft het recht verzoeken schriftelijk bij het bevoegd gezag in te dienen.

Iedereen mag iets vragen aan de overheid. Ook mag iedereen klagen bij de overheid.

Art. 6: Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging[bewerken]

1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
In Nederland is iedereen vrij om zijn godsdienst of levensovertuiging te kiezen. En iedereen is vrij om te laten zien wat zijn godsdienst of levensovertuiging is. Dit mag je alleen doen of samen met anderen. Binnen de muren van een gebouw, maar ook daar buiten. Dit laatste mag alleen als je je houdt aan de andere artikelen van de Grondwet en aan andere wetten.

Art. 7: Vrijheid van meningsuiting; censuurverbod[bewerken]

1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio- of televisieuitzending.
3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar regelen ter bescherming van de goede zeden.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.
In Nederland mag je zeggen en schrijven wat je denkt zonder daar eerst toestemming voor te vragen. Maar de rechter kan je achteraf wel straffen, als je iets zegt of schrijft dat niet mag volgens een ander artikel van de Grondwet of een andere wet.
Je mag in Nederland - rekening houdend met de wet - zeggen wat je denkt en vindt.

Art. 8: Vrijheid van vereniging[bewerken]

Het recht tot vereniging wordt erkend. Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde.

Iedereen heeft het recht om samen met anderen een groep te vormen. Maar de groep mag de openbare orde niet in gevaar brengen.

Art. 9: Vrijheid van vergadering en betoging[bewerken]

1. Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
2. De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
Iedereen en iedere groep heeft het recht om in het openbaar bij elkaar te komen, bijvoorbeeld voor een vergadering of een betoging of een demonstratie. Maar je mag geen andere wetten of regels overtreden. Ook mag je niet gevaarlijk zijn voor de gezondheid van de bevolking. En het mag ook niet gevaarlijk zijn voor het verkeer. En het mag ook niet leiden tot verstoring van de openbare orde.

Art. 10: Privacy[bewerken]

1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.
1. Iedereen heeft recht op rust en privacy. In de wet kunnen uitzonderingen staan. In de wet kan ook staan dat iemand anders uitzonderingen mag maken.

2. De overheid mag persoonlijke gegevens van iemand niet zomaar gebruiken.

3. Iedereen heeft er recht op te zien wat er over hem is vastgelegd. En kan gegevens laten veranderen als ze niet juist zijn.

Art. 11: Onaantastbaarheid lichaam[bewerken]

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Iedereen heeft het recht om zelf te bepalen wat er met zijn lichaam gebeurt. In de wet kunnen uitzonderingen staan. In de wet kan ook staan dat iemand anders uitzonderingen kan maken.

Art. 12: Huisrecht[bewerken]

1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.
2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen.
3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.
De overheid mag een woning niet binnengaan als de bewoner dat niet wil. In de wet staan uitzonderingen. In de wet kan ook staan dat iemand anders uitzonderingen mag maken. Alleen speciale ambtenaren die dat volgens de wet ook mogen, mogen een huis binnengaan.

Art. 13: Briefgeheim[bewerken]

1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter.
2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.
1. De overheid mag brieven van burgers niet openmaken. De overheid mag dit alleen als dit in de wet staat en als de rechter zegt dat het mag.

2. De overheid mag de telefoon niet afluisteren. De overheid mag dit alleen als dit in de wet staat.

Art. 14: Onteigening[bewerken]

1. Onteigening kan alleen geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen voorschriften.
2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn, wanneer in geval van nood onverwijld onteigening geboden is.
3. In de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het eigendomsrecht wordt beperkt.
De overheid mag soms eigendommen van burgers en organisaties afnemen. De overheid mag dit alleen doen als dit goed is voor het land of de gemeente. Ook moet de overheid de waarde van het eigendom terugbetalen. Dit moet de overheid vooraf regelen. In de wet staan de regels voor het afnemen van eigendommen. In de wet kan ook staan dat iemand anders hierover regels mag maken.

In noodsituaties kan worden afgeweken van het vereiste de schadeloosstelling van te voren vast te stellen.

Als sprake is van vernietiging of onbruikbaarmaking van eigendom, of bij de beperking van iemands eigendomsrecht, bestaat er een recht op schadevergoeding of tegemoetkoming in de schade, maar alleen voor in de wet genoemde gevallen.

Art. 15: Vrijheidsontneming[bewerken]

1. Buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald mag niemand zijn vrijheid worden ontnomen.
2. Hij aan wie anders dan op rechterlijk bevel zijn vrijheid is ontnomen, kan aan de rechter zijn invrijheidstelling verzoeken. Hij wordt in dat geval door de rechter gehoord binnen een bij de wet te bepalen termijn. De rechter gelast de onmiddellijke invrijheidstelling, indien hij de vrijheidsontneming onrechtmatig oordeelt.
3. De berechting van hem aan wie met het oog daarop zijn vrijheid is ontnomen, vindt binnen een redelijke termijn plaats.
4. Hij aan wie rechtmatig zijn vrijheid is ontnomen, kan worden beperkt in de uitoefening van grondrechten voor zover deze zich niet met de vrijheidsontneming verdraagt.
1. De overheid mag burgers alleen opsluiten als dit mag volgens de wet. In de wet kan ook staan dat iemand anders hierover regels mag maken.

2. Iedere burger mag de rechter vragen om hem vrij te laten. De rechter moet altijd luisteren naar de burger. Als de rechter vindt dat de burger gelijk heeft, zal hij de burger direct vrijlaten.

3. Als de overheid iemand gevangen heeft genomen, moet er een rechtszaak komen. De rechtszaak moet zo snel mogelijk beginnen.

4. De overheid kan -als dat nodig is- beslissen dat gevangenen sommige grondrechten niet kunnen gebruiken.

Art. 16: Geen straf zonder wet; Nulla poena-beginsel[bewerken]

Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling.

De overheid mag een burger alleen straffen voor zaken die in de wet staan.

Art. 17: Ius de non evocando; Wettelijke toekenning rechter[bewerken]

Niemand kan tegen zijn wil worden afgehouden van de rechter die de wet hem toekent.

Niemand kan je tegenhouden als je naar de rechter wilt. In de wet staat wanneer je naar de rechter mag.

Art. 18: Rechtsbijstand[bewerken]

1. Ieder kan zich in rechte en in administratief beroep doen bijstaan.
2. De wet stelt regels omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.
Iedereen heeft recht op rechtsbijstand.

Burgers die de rechtsbijstand niet zelf kunnen betalen, krijgen deze rechtsbijstand toch. De regels hiervoor staan in de wet.

Sociale grondrechten[bewerken]

Art. 19: Werkgelegenheid; rechtspositie werknemers; arbeid[bewerken]

1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
2. De wet stelt regels omtrent de rechtspositie van hen die arbeid verrichten en omtrent hun bescherming daarbij, alsmede omtrent medezeggenschap.
3. Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.
1. De overheid probeert te zorgen voor genoeg werk voor iedereen die kan werken.

2. In de wet staan de rechten en plichten van werknemers. Deze regels gaan ook over de bescherming van mensen tijdens hun werk. In de wet staat ook waarover zij mogen meepraten en meebeslissen.

3. Iedere Nederlander mag zelf kiezen wat voor werk hij wil doen. In de wet staan de uitzonderingen. In de wet kan ook staan dat iemand anders uitzonderingen mag maken.

Art. 20: Bestaanszekerheid; welvaart; sociale zekerheid[bewerken]

1. De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
2. De wet stelt regels omtrent de aanspraken op sociale zekerheid.
3. Nederlanders hier te lande, die niet in het bestaan kunnen voorzien, hebben een bij de wet te regelen recht op bijstand van overheidswege.
De overheid probeert te zorgen dat iedereen genoeg geld heeft om van te leven. Ook probeert de overheid ervoor te zorgen dat de verschillen tussen arm en rijk niet te groot worden.

In de wet staat wie recht heeft op een sociale uitkering.

In de wet staat ook hoe hoog die uitkeringen zijn en hoe lang ze duren. Nederlanders die in Nederland wonen en te weinig inkomen hebben, kunnen een bijstandsuitkering krijgen. In de wet staat wie een bijstandsuitkering kan krijgen en waaraan zij zich moeten houden. In de wet kan ook staan dat iemand anders hierover beslist.

Art. 21: Milieu[bewerken]

De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu.

De overheid probeert te zorgen dat alle inwoners van Nederland hier goed en veilig kunnen wonen. Ook probeert de overheid te zorgen voor een schoon milieu.

Art. 22: Volksgezondheid; woongelegenheid; ontplooiing[bewerken]

1. De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
2. Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
3. Zij schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.
De overheid probeert ervoor te zorgen dat iedereen gezond is en blijft.

De overheid probeert ervoor te zorgen dat iedereen een woning heeft.

De overheid probeert ervoor te zorgen dat iedereen zich kan ontwikkelen en van zijn vrije tijd kan genieten.

Art. 23: Het openbaar en bijzonder onderwijs[bewerken]

1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.
2. Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs geven, een en ander bij de wet te regelen.
3. Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienst of levensovertuiging, bij de wet geregeld.
4. In elke gemeente wordt van overheidswege voldoend openbaar algemeen vormend lager onderwijs gegeven in een genoegzaam aantal openbare scholen. Volgens bij de wet te stellen regels kan afwijking van deze bepaling worden toegelaten, mits tot het ontvangen van zodanig onderwijs gelegenheid wordt gegeven, al dan niet in een openbare school.
5. De eisen van deugdelijkheid, aan het geheel of ten dele uit de openbare kas te bekostigen onderwijs te stellen, worden bij de wet geregeld, met inachtneming, voor zover het bijzonder onderwijs betreft, van de vrijheid van richting.
6. Deze eisen worden voor het algemeen vormend lager onderwijs zodanig geregeld, dat de deugdelijkheid van het geheel uit de openbare kas bekostigd bijzonder onderwijs en van het openbaar onderwijs even afdoende wordt gewaarborgd. Bij die regeling wordt met name de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de keuze der leermiddelen en de aanstelling der onderwijzers geëerbiedigd.
7. Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.
8. De regering doet jaarlijks van de staat van het onderwijs verslag aan de Staten-Generaal.
1. De regering zorgt voor het onderwijs.

2. Iedereen mag onderwijs geven. Maar de overheid houdt toezicht op het onderwijs. En de overeid moet ook onderzoeken of de mensen die onderwijs geven dat ook goed kunnen. In de wet staat hoe de overheid dit doet.

3. De overheid zorgt voor openbaar onderwijs. Openbaar onderwijs is onderwijs voor iedereen. Ook voor mensen met een godsdienst of levensovertuiging. Om de wet staat hoe de overheid zorgt voor het openbaar onderwijs.

4. In elke gemeente moeten genoeg openbare basisscholen zijn. Als dit niet zo is, moet de overheid ervoor zorgen dat kinderen op een andere manier openbaar onderwijs krijgen. Dit staat in de wet.

5. In de wet staan de eisen die de overheid moet stellen aan de kwaliteit van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs. Het bijzonder onderwijs eruit ziet.

6. De eisen voor de kwaliteit van het basisonderwijs zijn zo opgeschreven, dat de kwaliteit van het bijzonder onderwijs en het openbaar onderwijs hetzelfde kan zijn. Het bijzonder onderwijs mag wel zelf bepalen welke boeken en andere leermiddelen het gebruikt. Ook mag het bijzonder onderwijs zelf bepalen welke onderwijzers lesgeven.

7. Bijzondere basisscholen krijgen van de overheid evenveel geld als openbare basisscholen. In de wet staat hoeveel geld het bijzonder voortgezet onderwijs van de overheid krijgt.

8. De regering stuurt ieder jaar een verslag aan de Eerste en Tweede Kamer. Daarin staat hoe het gaat met de kwaliteit van het onderwijs.

Hoofdstuk 2: Regering[bewerken]

In hoofdstuk II is de positie van de Koning en het kabinet (ministers en staatssecretarissen) vastgelegd. Samen vormen zij de regering. De Grondwet bepaalt dat de ministers verantwoordelijk zijn en dat de Koning onschendbaar is. Dit noemen we de ministeriële verantwoordelijkheid. Verder worden onder andere zaken geregeld met betrekking tot de troonopvolging, het regentschap, het huwelijk van een troonopvolger en over ministeries en de ministerraad.

Koning[bewerken]

Art. 24[bewerken]

Het koningschap wordt erfelijk vervuld door de wettige opvolgers van Koning Willem I, Prins van Oranje-Nassau.

Art. 25[bewerken]

Het koningschap gaat bij overlijden van de Koning krachtens erfopvolging over op zijn wettige nakomelingen, waarbij het oudste kind voorrang heeft, met plaatsvervulling volgens dezelfde regel. Bij gebreke van eigen nakomelingen gaat het koningschap op gelijke wijze over op de wettige nakomelingen eerst van zijn ouder, dan van zijn grootouder, in de lijn van erfopvolging, voor zover de overleden Koning niet verder bestaand dan in de derde graad van bloedverwantschap.

Art. 26[bewerken]

Het kind, waarvan een vrouw zwanger is op het ogenblik van het overlijden van de Koning, wordt voor de erfopvolging als reeds geboren aangemerkt. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan.

Art. 27[bewerken]

Afstand van het koningschap leidt tot erfopvolging overeenkomstig de regels in de voorgaande artikelen gesteld. Na de afstand geboren kinderen en hun nakomelingen zijn van de erfopvolging uitgesloten.

Art. 28[bewerken]

1. De Koning, een huwelijk aangaande buiten bij de wet verleende toestemming, doet daardoor afstand van het koningschap.
2. Gaat iemand die het koningschap van de Koning kan beërven een zodanig huwelijk aan, dan is hij met de uit dit huwelijk geboren kinderen en hun nakomelingen van de erfopvolging uitgesloten.
3. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake van een voorstel van wet, strekkende tot het verlenen van toestemming, in verenigde vergadering.

Art. 29[bewerken]

1. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden daartoe nopen, kunnen bij een wet een of meer personen van de erfopvolging worden uitgesloten.
2. Het voorstel daartoe wordt door of vanwege de Koning ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Art. 30[bewerken]

1. Wanneer vooruitzicht bestaat dat een opvolger zal ontbreken, kan deze worden benoemd bij een wet. Het voorstel wordt door of vanwege de Koning ingediend. Na de indiening van het voorstel worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Zij kunnen het voorstel alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.
2. Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, worden de kamers ontbonden. De nieuwe kamers komen binnen vier maanden na het overlijden of de afstand in verenigde vergadering bijeen ten einde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning. Zij kunnen een opvolger alleen benoemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Art. 31[bewerken]

1. Een benoemde Koning kan krachtens erfopvolging alleen worden opgevolgd door zijn wettige nakomelingen.
2. De bepalingen omtrent de erfopvolging en het eerste lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op een benoemde opvolger, zolang deze nog geen Koning is.

Art. 32[bewerken]

Nadat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag heeft aangevangen, wordt hij zodra mogelijk beëdigd en ingehuldigd in de hoofdstad Amsterdam in een openbare verenigde vergadering van de Staten-Generaal. Hij zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt. De wet stelt nadere regels vast.

Art. 33[bewerken]

De Koning oefent het koninklijk gezag eerst uit, nadat hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Art. 34[bewerken]

De wet regelt het ouderlijk gezag en de voogdij over de minderjarige Koning en het toezicht daarop. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Art. 35[bewerken]

1. Wanneer de ministerraad van oordeel is dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, bericht hij dit onder overlegging van het daartoe gevraagde advies van de Raad van State aan de Staten-Generaal, die daarop in verenigde vergadering bijeenkomen.
2. Delen de Staten-Generaal dit oordeel, dan verklaren zij dat de Koning buiten staat is het koninklijk gezag uit te oefenen. Deze verklaring wordt bekend gemaakt op last van de voorzitter der vergadering en treedt terstond in werking.
3. Zodra de Koning weer in staat is het koninklijk gezag uit te oefenen, wordt dit bij de wet verklaard. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. Terstond na de bekendmaking van deze wet hervat de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag.
4. De wet regelt zo nodig het toezicht over de persoon van de Koning indien hij buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Art. 36[bewerken]

De Koning kan de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk neerleggen en die uitoefening hervatten krachtens een wet, waarvan het voorstel door of vanwege hem wordt ingediend. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.

Art. 37[bewerken]

1. Het koninklijk gezag wordt uitgeoefend door een regent:
- a. zolang de Koning de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
- b. indien een nog niet geboren kind tot het koningschap geroepen kan zijn;
- c. indien de Koning buiten staat is verklaard het koninklijk gezag uit te oefenen;
- d. indien de Koning de uitoefening van het koninklijk gezag tijdelijk heeft neergelegd;
- e. zolang na het overlijden van de Koning of na diens afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt.
2. De regent wordt benoemd bij de wet. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering.
3. In de gevallen, genoemd in het eerste lid onder c en d, is de nakomeling van de Koning die zijn vermoedelijke opvolger is, van rechtswege regent indien hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.
4. De regent zweert of belooft trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van zijn ambt, in een verenigde vergadering van de Staten-Generaal. De wet geeft nadere regels omtrent het regentschap en kan voorzien in de opvolging en de vervanging daarin. De Staten-Generaal beraadslagen en besluiten ter zake in verenigde vergadering. - 5. Op de regent zijn de artikelen 35 en 36 van overeenkomstige toepassing.

Art. 38[bewerken]

Zolang niet in de uitoefening van het koninklijk gezag is voorzien, wordt dit uitgeoefend door de Raad van State.

Art. 39[bewerken]

De wet regelt, wie lid is van het koninklijk huis.

Art. 40[bewerken]

1. De Koning ontvangt jaarlijks ten laste van het Rijk uitkeringen naar regels bij de wet te stellen. Deze wet bepaalt aan welke andere leden van het koninklijk huis uitkeringen ten laste van het Rijk worden toegekend en regelt deze uitkeringen.
2. De door hen ontvangen uitkeringen ten laste van het Rijk, alsmede de vermogensbestanddelen welke dienstbaar zijn aan de uitoefening van hun functie, zijn vrij van persoonlijke belastingen. Voorts is hetgeen de Koning of zijn vermoedelijke opvolger krachtens erfrecht of door schenking verkrijgt van een lid van het koninklijk huis vrij van de rechten van successie, overgang en schenking. Verdere vrijdom van belasting kan bij de wet worden verleend.
3. De kamers der Staten-Generaal kunnen voorstellen van in de vorige leden bedoelde wetten alleen aannemen met ten minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen.

Art. 41[bewerken]

De Koning richt, met inachtneming van het openbaar belang, zijn Huis in. Koning en ministers

Art. 42[bewerken]

1. De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers.
2. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.

Art. 43[bewerken]

De minister-president en de overige ministers worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen.

Art. 44[bewerken]

1. Bij koninklijk besluit worden ministeries ingesteld. Zij staan onder leiding van een minister.
2. Ook kunnen ministers worden benoemd die niet belast zijn met de leiding van een ministerie.

Art. 45[bewerken]

1. De ministers vormen te zamen de ministerraad.
2. De minister-president is voorzitter van de ministerraad.
3. De ministerraad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid.

Art. 46[bewerken]

1. Bij koninklijk besluit kunnen staatssecretarissen worden benoemd en ontslagen.
2. Een staatssecretaris treedt in de gevallen waarin de minister het nodig acht en met inachtneming van diens aanwijzingen, in zijn plaats als minister op. De staatssecretaris is uit dien hoofde verantwoordelijk, onverminderd de verantwoordelijkheid van de minister.

Art. 47[bewerken]

Alle wetten en koninklijke besluiten worden door de Koning en door een of meer ministers of staatssecretarissen ondertekend.

Art. 48[bewerken]

Het koninklijk besluit waarbij de minister-president wordt benoemd, wordt mede door hem ondertekend. De koninklijke besluiten waarbij de overige ministers en de staatssecretarissen worden benoemd of ontslagen, worden mede door de minister-president ondertekend.

Art. 49[bewerken]

Op de wijze bij de wet voorgeschreven leggen de ministers en de staatssecretarissen bij de aanvaarding van hun ambt ten overstaan van de Koning een eed, dan wel verklaring en belofte, van zuivering af en zweren of beloven zij trouw aan de Grondwet en een getrouwe vervulling van hun ambt.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.