Gotisch/Les 2

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek

Woordsoorten[bewerken]

Iedere taal bestaat uit verschillende soorten woorden. In het Nederlands heb je bijvoorbeeld:

  1. Zelfstandige naamwoorden: man, vrouw, kat, zwaard, radio
  2. Lidwoorden: de (school), het (huis), een (schild)
  3. Werkwoorden: slapen, hebben, bijten, zijn, huilen

Zelfstandige naamwoorden duiden altijd een mens, dier, begrip of zaak aan. Lidwoorden horen altijd bij een zelfstandig naamwoord. Werkwoorden duiden een handeling, gebeurtenis of toestand aan.

Werkwoord[bewerken]

Werkwoorden in het Gotisch zijn in te delen in 2 groepen, de sterke en de zwakke werkwoorden. Daarnaast bestaan er nog onregelmatige werkwoorden. Werkwoorden in het Gotisch worden vervoegd. Vervoegen houdt (bij werkwoorden) in dat, hoewel de woorden in de meeste gevallen hetzelfde begin hebben (dezelfde stam), de uitgang verschilt, afhankelijk van onder andere de persoon (1e persoon, 2e persoon, 3e persoon), het getal of de tijd.

Een belangrijk verschil met het Nederlands is dat er in het Gotisch een dualis bestaat voor de werkwoorden, deze bestond ook in het Oud Engels. Deze wordt vertaald als bijvoorbeeld "zij twee lopen", en duidt altijd iets aan dat door 2 mensen tegelijk wordt gedaan. Daarnaast is er ook een gewoon meervoud voor 3 of meer personen. Hoewel je deze vorm pas later zult leren, zul je het woord "dualis" al eerder tegenkomen. Ook duiken al vroeg termen als subjunctief, preterite en participium op. Ook deze hoef je voorlopig nog niet te kennen. De term indicatief moet je wel kennen, dit is de aantonende wijs, bijvoorbeeld "Ik doe". Dit in tegenstelling tot de gebiedende wijs "Doe!" en de subjunctief "Moge ik doen" (andere voorbeelden: "Men neme een ei", "Lang leve de koningin".

Sterke werkwoorden[bewerken]

Sterke werkwoorden hebben 4 mogelijke stamvormen:
A. De praesens (tegenwoordige tijd). Hiervan worden gemaakt:

  • De infinitief (hele werkwoord: lopen)
  • Het participium praesens (een tegenwoordig deelwoord: lopend)
  • De indicatief praesens (de huidige tijd van de aantonende wijs: ik loop, jij loopt etc.)
  • De subjunctief praesens (de coniunctivus in het Latijn, met vele vertalingen, bijvoorbeeld: moge hij lopen)
  • De imperatief (gebiedende wijs: loop!, loopt!)
  • Alle passive vormen (iets wordt ge...: de passieve vorm van zien is gezien worden)

B. Het preterite singularis (verleden tijd enkelvoud). Hiervan worden gemaakt:

  • De 1e, 2e en 3e persoon enkelvoud van het preterite indicatief (verleden tijd: ik liep, jij liep, hij liep)

C. Het Preterite Pluralis

  • De 1e en 2e persoon tweevoud van het preterite indicatief (wij twee liepen, jullie twee liepen, zij twee liepen)
  • De 1e, 2e en 3e persoon meervoud van het preterite indicatief (wij liepen, jullie liepen, zij liepen)
  • Het preterite subjunctief (bijvoorbeeld: moge hij gelopen hebben)

D. Het participium preterite (een bijwoord: gelopen)

Er bestaan 7 groepen werkwoorden, die worden aangegeven met Latijnse cijfers. Deze verschillen alleen in de manier waarop de 4 stamvormen worden gemaakt. De verdere vervoeging is identiek.

De meest voorkomende werkwoorden in het Gotisch zijn -an en -jan werkwoorden, verder komen er nog -on werkwoord voor, zoals karon (zorgen, zorgen maken om).

3e persoon[bewerken]

We beginnen nu met de eerste groep. Hiervan behandelen we om te beginnen slechts enkele vormen.

3e persoon
𐌱𐌴𐌹𐍄𐌰𐌽
3e persoon ev. 𐌱𐌴𐌹𐍄-𐌹𐌸 (beit)
3e persoon mv. 𐌱𐌴𐌹𐍄-𐌰𐌽𐌳 (beitand)
Infinitief 𐌱𐌴𐌹𐍄-𐌰𐌽 (beitan)
bijten

Zoals je ziet, blijft het werkwoord duidelijk herkenbaar aan de stam, en verschilt alleen het laatste deel. Aan dit laatste deel kun je weer gemakkelijk herkennen welke vorm het is. Het laatste deel is ook bij andere werkwoorden voor dezelfde vorm gelijk:

3e persoon
𐍅𐌰𐌹𐍂𐍀𐌰𐌽
3e persoon ev. 𐍅𐌰𐌹𐍂𐍀-𐌹𐌸 (wairp)
3e persoon mv. 𐍅𐌰𐌹𐍂𐍀-𐌰𐌽𐌳 (wairpand)
Infinitief 𐍅𐌰𐌹𐍂𐍀-𐌰𐌽 (wairpan)
werpen

Vocabulair[bewerken]

𐌲𐍂𐌴𐌹𐍀𐌰𐌽 Grijpen
𐌱𐍂𐌹𐌽𐌽𐌰𐌽 Branden
𐍃𐍄𐌹𐌻𐌰𐌽 Stelen
𐍃𐌻𐌰𐍀𐌰𐌽 Slapen

Lidwoord en zelfstandig naamwoord[bewerken]

De zelfstandige naamwoorden in het Gotisch zijn op te delen in 3 geslachten (mannelijk, vrouwelijk en onzijdig) en in 2 groepen (sterk en zwak). De sterke zelfstandige naamwoorden worden weer verder opgedeeld in verschillende stammen. Net als werkwoorden, worden zelfstandige naamwoorden in het Gotisch vervoegd. De stam is kenmerkend voor ieder woord, net als bij de werkwoorden, en de stam hangt hier af van het aantal (enkelvoud of meervoud) en de naamval. De naamvallen werken vergelijkbaar met die in bijvoorbeeld het Latijn of in het Duits. Ook het Nederlands had vroeger naamvallen (dit is nog terug te vinden in oude namen met bijvoorbeeld "(van) der" en "(aan) den"). Naamvallen duiden de functie van het woord in de zin aan. Ze kunnen aangeven dat iets bijvoorbeeld het onderwerp of bepaling is, of dat een woord als bezitter terugslaat op een ander woord. Het Gotisch kent 4 naamvallen, waarvan we met alleen de nominatief (de "basisnaamval"), en de accusatief (de lijdende vorm) zullen beginnen:

  • Nominatief (wordt gebruikt voor het onderwerp van de zin)
  • Accusatief (wordt gebruikt voor het lijdend voorwerp van de zin)

Sterke A-stam / O-stam[bewerken]

Sterke A-stam / O-stam, nominatief
Vrouwelijk O-stam Mannelijk A-stam Onzijdig A-stam
nom. ev. 𐍃𐍉 𐌷𐌰𐌹𐍂𐌳-𐌰 𐍃𐌰 𐍅𐌿𐌻𐍆-𐍃 𐌸𐌰𐍄𐌰 𐌱𐌰𐍂𐌽
acc. ev. 𐌸𐍉 𐌷𐌰𐌹𐍂𐌳-𐌰 𐌸𐌰𐌽𐌰 𐍅𐌿𐌻𐍆 𐌸𐌰𐍄𐌰 𐌱𐌰𐍂𐌽
nom. mv. 𐌸𐍉𐍃 𐌷𐌰𐌹𐍂𐌳-𐍉𐍃 𐌸𐌰𐌹 𐍅𐌿𐌻𐍆-𐍉𐍃 𐌸𐍉 𐌱𐌰𐍂𐌽-𐌰
acc. mv. 𐌸𐍉𐍃 𐌷𐌰𐌹𐍂𐌳-𐍉𐍃 𐌸𐌰𐌽𐍃 𐍅𐌿𐌻𐍆-𐌰𐌽𐍃 𐌸𐍉 𐌱𐌰𐍂𐌽-𐌰
de kudde (de horde) de wolf het kind

Zoals je ziet, lijken de nominatief en de accusatief in veel gevallen op elkaar. Bij de onzijdige woorden zijn ze zelfs compleet hetzelfde (dat is bij alle onzijdige zelfstandige naamwoorden het geval in het Gotisch). In het geval van de vrouwelijke o-stam komen de uitgangen (maar niet alle lidwoorden) ook overeen.

Vocabulair[bewerken]

Nog enkele sterke A-stammen: Vrouwelijk:

𐍃𐍉 𐌸𐌹𐌿𐌳𐌰 Het volk
𐍃𐍉 𐍃𐍄𐌹𐌱𐌽𐌰 De stem
𐍃𐍉 𐌽𐌴𐌸𐌻𐌰 De naald

Mannelijk:

𐍃𐌰 𐌷𐌿𐌽𐌳𐍃 De hond
𐍃𐌰 𐍆𐌿𐌲𐌻𐍃 De vogel
𐍃𐌰 𐍃𐌺𐌰𐌻𐌺𐍃 De dienaar (de schalk)
𐍃𐌰 𐌸𐌹𐌿𐌳𐌰𐌽𐍃 De koning
𐍃𐌰 𐌰𐌺𐍂𐍃 Het veld

Onzijdig:

𐌸𐌰𐍄𐌰 𐌳𐌹𐌿𐍃 Het beest
𐌸𐌰𐍄𐌰 𐌲𐍂𐌰𐍃 Het gras
𐌸𐌰𐍄𐌰 𐌺𐌰𐌿𐍂𐌽 Het graan
𐌸𐌰𐍄𐌰 𐌳𐌰𐌿𐍂 De deur

Eigennamen[bewerken]

Eigennamen worden in het Gotisch net zo vervoegd als andere zelfstandige naamwoorden, met als enig verschil dat bij een eigennaam geen lidwoord gebruikt wordt, en dat een eigennaam geen meervoud heeft.

De naam 𐌸𐌹𐌿𐌳𐌰𐍂𐌴𐌹𐌺𐍃 (Theodorik) bijvoorbeeld, is een sterke mannelijke A-stam, en wordt vervoegd als 𐌸𐌹𐌿𐌳𐌰𐍂𐌴𐌹𐌺-𐍃.

Overige woorden[bewerken]

𐌾𐌰𐌷 en (NB: Een zin met 2 of meer onderwerpen verbonden met 𐌾𐌰𐌷 staat in het meervoud)
𐌽𐌹 niet

Het woord ni (𐌽𐌹) wordt in het Gotisch net als in het modern Engels altijd vóór het woord waar het betrekking op heeft gezet. In oudere Germaanse talen was het gebruikelijk om het woord niet vóór het woord te zetten, maar in talen als het Duits en Nederlands wordt niet ook bijvoorbeeld na een werkwoord gezet.

Oefeningen[bewerken]

Met behulp van deze grammatica en het vocabulair uit deze les, zou je in staat moeten zijn de oefeningen te maken.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.