Naar inhoud springen

Gedichten uit de wereldliteratuur/Darkness

Uit Wikibooks
Gedichten uit de wereldliteratuur

Het gedicht van Byron met een Nederlandse vertaling

[bewerken]

Het sombere 82-regelige gedicht Darkness van Lord Byron ontstond in 1816, ook wel bekend als het "jaar zonder zomer". Dit was vanwege de uitbarsting van Mount Tambora in 1815 in het huidige Indonesië, die grote delen van Europa met as bedekte en koude en duisternis bracht. Sommigen dachten dat het einde van de wereld nabij was. De blijvende mist en aanhoudende regen leidden toen tot mislukte oogsten en wijdverspreide hongersnood.

Aan het begin van het gedicht zegt de spreker dat hij de gebeurtenissen zal beschrijven als een "droom" maar "niet allemaal een droom" (versregel 1). Dit toont de wijdverbreide reactie in Europa op de zomer die nooit kwam: mensen waren verbaasd omdat ze het gevoel hadden dat ze leefden in een soort vreemd alternatief universum waarin de zomer kil en guur was. Het gedicht beschrijft verder de koude, sombere aarde waar mensen aangewezen zijn op hun overlevingsinstinct in deze lange periode van duisternis en wanhoop. Vogels vallen uit de lucht, slangen verliezen hun gif, voedselvoorraden raken op, en mensen worden uiteindelijk kannibalen. Tegen het einde van het gedicht leidt dit tot het uitsterven van de mensheid en wordt de aarde een kale rots.

Engelse tekst

[bewerken]
DARKNESS
door Lord Byron (1816)


I had a dream, which was not all a dream. 
The bright sun was extinguish'd, and the stars 
Did wander darkling in the eternal space, 
Rayless, and pathless, and the icy earth 
Swung blind and blackening in the moonless air; 
Morn came and went—and came, and brought no day, 
And men forgot their passions in the dread 
Of this their desolation; and all hearts 
Were chill'd into a selfish prayer for light: 
And they did live by watchfires—and the thrones, 
The palaces of crowned kings—the huts, 
The habitations of all things which dwell, 
Were burnt for beacons; cities were consum'd, 
And men were gather'd round their blazing homes 
To look once more into each other's face; 
Happy were those who dwelt within the eye 
Of the volcanos, and their mountain-torch: 
A fearful hope was all the world contain'd; 
Forests were set on fire—but hour by hour 
They fell and faded—and the crackling trunks 
Extinguish'd with a crash—and all was black. 
The brows of men by the despairing light 
Wore an unearthly aspect, as by fits 
The flashes fell upon them; some lay down 
And hid their eyes and wept; and some did rest 
Their chins upon their clenched hands, and smil'd; 
And others hurried to and fro, and fed 
Their funeral piles with fuel, and look'd up 
With mad disquietude on the dull sky, 
The pall of a past world; and then again 
With curses cast them down upon the dust, 
And gnash'd their teeth and howl'd: the wild birds shriek'd 
And, terrified, did flutter on the ground, 
And flap their useless wings; the wildest brutes 
Came tame and tremulous; and vipers crawl'd 
And twin'd themselves among the multitude, 
Hissing, but stingless—they were slain for food. 
And War, which for a moment was no more, 
Did glut himself again: a meal was bought 
With blood, and each sate sullenly apart 
Gorging himself in gloom: no love was left; 
All earth was but one thought—and that was death 
Immediate and inglorious; and the pang 
Of famine fed upon all entrails—men 
Died, and their bones were tombless as their flesh; 
The meagre by the meagre were devour'd, 
Even dogs assail'd their masters, all save one, 
And he was faithful to a corpse, and kept 
The birds and beasts and famish'd men at bay, 
Till hunger clung them, or the dropping dead 
Lur'd their lank jaws; himself sought out no food, 
But with a piteous and perpetual moan, 
And a quick desolate cry, licking the hand 
Which answer'd not with a caress—he died. 
The crowd was famish'd by degrees; but two 
Of an enormous city did survive, 
And they were enemies: they met beside 
The dying embers of an altar-place 
Where had been heap'd a mass of holy things 
For an unholy usage; they rak'd up, 
And shivering scrap'd with their cold skeleton hands 
The feeble ashes, and their feeble breath 
Blew for a little life, and made a flame 
Which was a mockery; then they lifted up 
Their eyes as it grew lighter, and beheld 
Each other's aspects—saw, and shriek'd, and died— 
Even of their mutual hideousness they died, 
Unknowing who he was upon whose brow 
Famine had written Fiend. The world was void, 
The populous and the powerful was a lump, 
Seasonless, herbless, treeless, manless, lifeless— 
A lump of death—a chaos of hard clay. 
The rivers, lakes and ocean all stood still, 
And nothing stirr'd within their silent depths; 
Ships sailorless lay rotting on the sea, 
And their masts fell down piecemeal: as they dropp'd 
They slept on the abyss without a surge— 
The waves were dead; the tides were in their grave, 
The moon, their mistress, had expir'd before; 
The winds were wither'd in the stagnant air, 
And the clouds perish'd; Darkness had no need 
Of aid from them—She was the Universe.


Vertaling van Jules Grandgagnage (2020)

[bewerken]

[1] (Deze vertaling werd opgenomen in Geoffrey Parker: Wereldcrisis - Oorlog, klimaatverandering en catastrofe in de zeventiende eeuw (Uitg. Omniboek, februari 2022)


HET DUISTER


Ik had een droom, maar niet geheel een droom.
De zon was uitgedoofd en de stervende sterren
Zwierven in d' eeuwige ruimte, van stralen beroofd, 
En zonder doel; en de donkere ijzige aarde
Hing blind en zwart in de maanverlaten lucht;
De morgen kwam en ging - en bracht geen dag,
En de mensen, uit angst om verlaten te worden,
Vergaten hun passies en alle harten verkoelden
En baden om de terugkeer van het licht:
En zij leefden van vuurhaarden - en de tronen,
De paleizen van gekroonde koningen - de hutten,
Verblijven van alles wat beschutting zocht,
Offerden zij aan het vuur; zelfs hele steden,
En mensen stonden rond hun brandend huis
Voor nog een laatste blik op elkaars gezicht;
't Fortuinlijkst waren zij nabij de kraters
Van vulkanen en hun bergtoorts:
Angstig hopen hield de wereld samen;
Bossen werden brandstof voor nieuw licht - 
Maar elk uur weken de wouden terug 
Krakende stammen doofden na hun val
Waarna weer alles dreigend donker werd.
Het aanschijn van die mensen was onaards
Onder het laatste moedeloze vuur 
Dat flitsen op hen wierp; sommigen lagen,
Bedekten hun ogen en weenden; en sommigen rustten
Hun kin op hun gebalde vuisten, en glimlachten;
En anderen haastten zich heen en weer en voedden
Hun begrafenisstapels met brandstof en speurden
Buiten zinnen de donkere hemel af,
Dat doodskleed van een voorbije wereld; en andermaal 
Wierpen ze zich vloekend neer in het stof,
Tandenknarsend en schreeuwend: wilde vogels 
Krijsten en fladderden doodsbang op de grond,
Met nutteloze vleugels; de wildste dieren
Naderden tam en trillend; en adders kropen
Naderbij tot in de menigte,
Sissend maar mak werden ze tot voedsel.
En oorlog, die er even niet meer was,
Hief weer zijn gulzig hoofd: een maaltijd werd
Met bloed gekocht, en ieder apart somber 
Kluivend bleef er van liefde niets meer over; 
Alles op aarde werd één gedachte - de dood
Onmiddellijk en zonder roem; en de pijn
Van hongersnood sneed door de ingewanden - 
Hun dode vlees en beenderen kregen geen graf;
Mageren verslonden de mageren,
Zelfs honden vielen hun meesters aan, behalve één:
Hij bleef trouw aan 't dode lichaam, en joeg 
De beesten en uitgehongerde mannen weg,
Tot uitputting hen bedwong of ze dood
Neervielen; Zelf zocht hij geen voedsel,
Maar na een ellendig en herhaald gekreun,
En een desolate kreet, de dode hand
Likkend die geen streling meer gaf, stierf hij.
De menigte werd geleidelijk uitgehongerd; 
Maar twee uit een grote stad overleefden het
En werden vijanden: zij ontmoetten elkaar 
Naast de stervende sintels van een altaar.
Waar al wat sacraal was ooit werd aanbeden
Werd nu heiligschennend gebruikt en verbrand
En bevend bijeen geschraapt met knokige handen.
De zwakke as en adem brachten even nog
Wat leven in wat een kleine vlam geleek, 
En bij dat licht keken ze omhoog,
En slaagden erin elkaars gezicht te zien,
De aanblik was te afschuwelijk: ze gilden en stierven,
Onwetend wie hij was op wiens voorhoofd
De honger Vijand had geschreven. De wereld, 
Eens zo machtig en dichtbevolkt, was leeg.
Seizoenloos, kruidloos, boomloos, manloos, levenloos -
Een dode klomp - een chaos van harde klei.
Rivieren, meren, zeeën lagen roerloos,
Niets meer bewoog nog in hun stille diepten;
Verlaten schepen rotten weg op zee,
En een voor een vielen hun masten neer.
Ze sliepen in een afgrond zonder stroming -
De golven en getijden waren dood,
De maan, hun minnares, was er niet meer;
De wind beroofd van kracht in stille lucht,
En de wolken vergingen; Het Duister had geen behoefte
Aan hulp van hen - Hij was het universum.


Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.