Ab Urbe Condita/Magia et religio in Roma

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
< Ab excessu divi Remi

Magie en religie zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar in het oude Rome. Al van in de vroegste tijden was de Romeinse godsdienst magisch getint.

Hoewel we slechts zeer weinig over de oudste magie bij de Romeinen, zou Numa Pompilius, de tweede, overigens legendaire koning van Rome, zich volgens Augustinus hebben toegelegd op magie om de gestalten van de goden in het weerspiegelende water te aanschouwen (hydromantie, d.i. waterwichelarij)1. Zijn evenzeer legendaire opvolger, Tullus Hostilius, zou door een geheim offer Iuppiter, de hoogste god, getracht hebben op te roepen, maar omdat hij de juiste rituele handelingen niet in acht nam door de vertoornde god door bliksem zijn getroffen2.

Het is in ieder geval zeker dat de lex Duodecim Tabularum (wet van de twaalf tafelen) (ca. -450) straf oplegde aan Qui malum carmen incantassit (wie een slecht lied (spreuk) zou zingen (uitspreken), Tabula VIII) en Qui fruges excantassit (wie de veldvruchten zou toezingen (betoveren), Tabula VIII), wat wijst op het diep in de Romeinse geest geworteld geloof in magie die zowel ten goede als ten kwade kon worden aangewend.

Door de grote tegenslagen die de Romeinen kenden tijdens de tweede Punische oorlog, bracht het Romeinse volk ertoe zijn toevlucht te zoeken in allerlei vreemde riten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat magiërs en profeten een grote invloed verkregen op het volk. Daarop gelaste de senaat, verontrust over de toenemende verwaarloozing van de Romeinse eredienst, in -213 om geschriften over magische en soortgelijke onderwerpen aan de overheid uit te leveren3. In -181 zou ze zelfs overgaan tot verbranding van deze "verdachte" geschriften.

Het kwam zelfs voor dat een landbouwer die een opvallend goede oogst kende, ervan beschuldigd werd magie te hebben gebruikt om dit te bereiken, zoals blijkt uit een anekdote die Plinius maior ons ophaalt over een voorval in -157:

"Toen C. Furius Chresimus, een vrijgelatene, van een zeer kleine akker meer vruchten had geoogst, dan de naburen van de meest uitgestrekte velden, ontstond er een grote afgunst tegen hem, en beschuldigde men hem, dat hij andermans vruchten door boze toverij verlokte [d.w.z. naar zich toe lokte]. Om die reden door een magistraat, Spurius Albinus, aangeklaagd, vreesde hij te worden veroordeeld en bracht, toen de volksvergadering [waarbij hij in beroep was gegaan] tot de stemming moest overgaan, al zijn akkergereedschap naar het forum [de vergaderplaats] en haalde zijne krachtige, welgevoede en goed geklede slaven erbij, alsmede zijn voortreffelijk gesmede ijzeren werktuigen, zware houwelen, geweldige ploeg en doorvoedde runderen. Daarop zei hij: "Dit zijn mijn boze tovermiddelen, medeburgers! En al mijn zwoegen, mijn nachtwaken en zweet kan ik U niet eens vertonen noch naar het forum brengen". Hij werd met algemene stemmen vrijgesproken."4

Een huisaltaar in Herculaneum.

In hun domus hadden de Romeinen vaak een huisaltaar waar ze plengoffers brachten aan de Lares en Penates, de zogenaamde huisgoden, die instonden voor de veiligheid en gezondheid van de gezinsleden.

Voetnoten[bewerken]

1 Augustinus, De Civ. Dei VII 35.
2 Livius, I, 31.
3 Livius XXV, 1.
4 Plinius, Hist. Nat. XVIII 6.41; overgenomen en hertaalde vertaling van K.H.E. de Jong.

Verder lezen[bewerken]

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.