Duits/Les 2
Uit Wikibooks
In deze tweede les ga je leren hoe je je moet voorstellen. In de vorige les heb je geleerd over het alfabet. Als je nog weet wat je hebt geleerd, (of eventueel terugkijkt) is deze oefening een fluitje van een cent.
|
Stel je voor: je bent aan het wandelen door Duitsland en komt onderweg een vriendelijk jongetje tegen, die zegt dan tegen jou: "Hallo, ich bin Jens. Wie heißt du?" Dat betekent: hallo, ik ben Jens. Hoe heet jij? Dan moet jij zeggen: "Ich heiße (hier jouw naam)". Misschien wil Jens dan ook wel weten waar jij woont. Stel, je woont in Amsterdam en hij vraagt waar je woont. Hieronder staat dan een mogelijk gesprekje met de vertaling erbij: Jens: Wo wohnst du? (waar woon jij?) Jij: Ich wohne in Amsterdam. Das liegt in Holland. Und du? (ik woon in Amsterdam. Dat ligt in Nederland. En jij?) Jens: Ich bin aus München. (ik kom van München) |
{{tekstblok| En dan heb je hier nog een rijtje woorden die eventueel gebruikt kunnen worden:
- Ja (ja)
- Nein (nee)
- Wie geht es? (hoe gaat het)
- Mädchen (meisje)
- Frau (Mevrouw, vrouw)
- Herr (Meneer)
- Junge (jongen)
- Guten Tag (goededag)
- Tschüss! (Tschüß) (doei)
- Auf Wiedersehen (dag)
- Bis bald (tot later)
- Wie (hoe)
- Was (wat)
- Wer (wie)
- Wenn (wanneer)
- Wo (waar)
- Welche (welke)
| Deze pagina is vrijgegeven onder de GNU Free Documentation License (GFDL) en nog niet onder CC-BY-SA. Klik hier voor meer informatie.
Wilt u deze tekst gebruiken onder de Creative Commons CC-BY-SA licentie? |