Duits/Grammatica/Der Dativ

Uit Wikibooks

Ga naar: navigatie, zoek

De datief (3e naamval) wordt gebruikt als:

  • het lidwoord in het meewerkend voorwerp staat
Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord
Er bringt dem Mann einen Löffel. (Hij brengt de man een lepel.) Er bringt einem Mann einen Löffel. (Hij brengt een man een lepel.)
Er gibt der Dame die Jacke. (Ze geeft de jas aan de vrouw.) Er gibt einer Dame die Jacke. (Ze geeft een jas aan de vrouw.)
Der Lehrer bringt dem Kind das Buch. (De leraar brengt het kind het boek.) Der Lehrer bringt einem Kind das Buch. (De leraar brengt een kind het boek.)
  • het lidwoord bij een van de voorzetsels uit onderstaande tabel staat
Voorzetsel Voorbeeld
aus Er kommt aus einer Kneipe. (Hij komt uit een café.)
bei Bei dem Bäcker kann man Brot kaufen. (Bij de bakker kan men brood kopen.)
mit Sie fährt mit dem Bus. (Ze gaat met de bus)
nach Er ging nach dem Mittag weg. (Hij ging na de middag weg.)
von Ich habe das von einem Mann bekommen . (Ik heb dat gekregen van een man.)
zu Kommst du zu der Party? (Kom je naar het feest?)
seit Seit diesem Morgen durfen wir gehen. (Sinds deze morgen mogen we gaan.)
gegenüber Er steht der Frau gegenüber. ()
außer Außer den Bananen isst er nichts. ()
  • het lidwoord volgt op een van de volgende werkwoorden
Werkwoord Voorbeeld
begegnen Ich begegne dem Mann. (Ik ontmoet de man.)
danken Er dankt der Frau. (Hij bedankt de vrouw.)
folgen Wir folgen einem Kind. (Wij volgen een kind.)
gelingen Es gelingt dem Junge nicht, es zu tun. (Het lukt de jongen niet om dat te doen.)
glauben Ich glaube der Lehrerin nicht. (Ik geloof de lerares niet.)
gratulieren Der Opa gratuliert einem Enkel. (De opa feliciteert een kleinkind.)
helfen Der Mann hilft der Frau. (De man helpt de vrouw.)
  • uitgang bij een tijdsbepaling met een voorzetsel

Voorbeeld: An dem Mittwoch besuche ich ihn. (Woensdag bezoek ik hem.)

  • bij een zin, met een veranderlijk voorzetsel, die een toestand uitdrukt
Voorzetsel Voorbeeld
an Ich wohne an der Küste. (Ik woon aan de kust.)
auf Das Kind steht auf dem Platz. (Het kind staat op het plein.)
hinter Er liegt hinter einem Baum. (Hij ligt achter een boom.)
in Ich bin in der Schule. (Ik ben in de school.)
neben Wir standen neben dem Hund. (Wij stonden naast de hond.)
über Ich fliege über den Wolken. ()
unter Ich sitze unter einer Brücke. (Ik zit onder een brug.)
vor Sie steht vor der Tür. (Ze staat voor de deur.)
zwischen Das liegt zwischen dem Buch und dem Bleistift. (Dat ligt tussen het boek en het potlood.)

Als het in een zin, met een veranderlijk voorzetsel, over een beweging gaat, dan wordt de accusatief gebruikt!

[bewerken] Adjectief

We gaan telkens uit van het adjectief jung (jong):

M V O Mv
Geen lidwoord jungem Mann junger Frau jungem Kind jungen Leuten
Onbepaald lidwoord einem jungen Mann einer jungen Frau einem jungen Kind keinen jungen Leuten
Bepaald lidwoord dem jungen Mann der jungen Frau dem jungen Kind den jungen Leuten

In het meervoud krijgt het woord een -n erbij!

[bewerken] Algemeen

Bepaald lidwoord Onbepaald lidwoord
M dem einem
V der einer
O dem einem
  • Gebruik zoals het bepaald lidwoord: dies- (deze), welch- (welk), jed- (ieder), ...
  • Gebruik zoals het onbepaald lidwoord: kein- (geen), mein- (mijn), sein- (zijn), ...
Heckert GNU.png Deze pagina is vrijgegeven onder de GNU Free Documentation License (GFDL) en nog niet onder CC-BY-SA. Klik hier voor meer informatie.

Wilt u deze tekst gebruiken onder de Creative Commons CC-BY-SA licentie?
Klik dan hier om te kijken van welke gebruikers u nog toestemming nodig heeft.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.
Persoonlijke instellingen