Zeilen met een open kielboot op Gooi- en Eemmeer/Kennis schip en toebehoren

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

BENAMINGEN TUIGONDERDELEN[bewerken]

Voor elk onderdeel van een zeilschip bestaat een term. Niets heet zomaar “houtje” of “touwtje”. Zelfs elk lijntje in de mast heeft zijn eigen benaming!

Sommige termen zijn algemeen zoals helmstok, buikdenning, roerkoning, lummel, grootzeilval.... andere termen worden alleen op moderne- of open zeilboten gebruikt, bijvoorbeeld rolfok, hangband, bierstrekker,....

Voor wie het nu al duizelt: lang niet al deze kreten zijn van belang om als bemanningslid je werk te kunnen doen. Eigenlijk hoef je alleen datgene bij naam te kennen waar je aan moet trekken of iets anders mee moet doen.

NB: de schuingedrukte zaken zijn niet in de tekeningen weergegeven.


Zeilen algemeen[bewerken]

onderdelen van een zeil


algemene benamingen rond het zeil
1 lijketouwen touwen die langs de randen van de zeilen zijn genaaid
2 klauwhoek of rak bij een gaffelzeil: de hoek van het zeil bij de gaffelklauw.
3 tophoek bovenste hoek van zeil. Bij een gaffelzeil: ook wel "nokhoek".
4 halshoek voorste onderhoek van het zeil, die vast op het schip wordt bevestigd
5 schoothoek achterste onderhoek van het zeil, waar de schoot aan zit.
6 voorlijk lijketouw langs de voorkant van het zeil, tussen halshoek en tophoek
7 achterlijk lijketouw langs de achterkant van het zeil, tussen schoothoek en tophoek/nokhoek
8 onderlijk lijketouw langs de onderrand van het zeil, tussen schoothoek en halshoek
9 leuvers, ook wel: kousen lusje aan het lijk, of gaatje in het zeil, om een lijn door te halen, stok in te steken of haak/sluiting aan te bevestigen.
10 kousleuver lus of gat in het zeil, waar ter versteviging een metalen rondje (kous) is ingenaaid.

Grootzeil[bewerken]

grootzeil

Fok[bewerken]

fok
benamingen rond het grootzeil
13 kraanlijn Loopt van de mast (randmeer) of nagelbank (valk) via blok in de masttop, naar een sluiting op het eind van de giek. Bedoeld om de giek mee op te hijsen.
16 grootzeilval (randmeer) of piekeval en klauwval (valk) val(len) waaraan de gaffel (valk), en daarmee het grootzeil, of het grootzeil direct (randmeer) wordt gehesen. Het halend part wordt belegd op .......
17 gaffel licht gebogen essenhouten rondhout, waar het grootzeil aan hangt
18 giek rondhout, dat de schoothoek van het grootzeil uithoudt. Scharnierend aan de mast bevestigd met een lummel.
19 lummel de draaibare verbinding tussen mast en de voorkant van de giek.
20 grootschoot schoot waarmee de stand van giek en grootzeil t.o.v. het schip wordt bepaald. Loopt over vier schijven. Het .... hangt aan de giek, het voetblok is een ... dat op de buikdenning is gemonteerd.
23 rijglijn lijn die zigzag door een serie kousjes ter hoogte van het 1e rif is geregen. Bij het reven wordt deze strak getrokken, zodat de overtollige buik van het zeil bij elkaar gebonden wordt. Het doorgetrokken eind wordt belegd op de zwanehals.
24 rifkousen set kousleuvers aan het achterlijk en het voorlijk. Bij het reven laat je het zeil zakken. De achterste rifkous (1e of 2e) wordt met de smeerreep op de giek getrokken en wordt schoothoek. De voorste rifkous wordt met de halstalie naar de giek getrokken wordt halshoek. Er zijn kousleuvers voor het eerste en verder omhoog voor het tweede rif.
25 smeerreep lijn vanaf het eind van de giek door de 1e rifkous in achterlijk, en vandaar terug naar een schijf op de giek en verder naar de smeerreeptalie. Door eraan te trekken met de talie, trek je de rifkous naar de giek. De rifkous fungeert dan als nieuwe schoothoek; de lengte van het achterlijk is verkleind.
26 reeftouw of steekbout als er dubbel gereefd moet worden, moet de smeerreep uit de 1e rifkous worden gehaald en omgezet naar de 2e. Met een stevig eind touw wordt de 1e rifkous van tevoren geborgd op de giek. Dat eind touw noem je dan steekbout.
27 smeerreeptalie drieschijfstakel, tussen een vast oog op de giek en het eind van de smeerreep. Het halend part wordt belegd op een kruisklamp op de giek.
29 huik afdekkleed om opgedoekte fok of grootzeil mee af te dekken.
30 bindtouwen als het zeil gestreken is, wordt het bij elkaar gebonden op de giek met 2 bindtouwen, die rondom zeil en giek worden geslagen. Het voorste bindtouw gaat ook over de gaffel, zodat die ook vastgebonden is.
benamingen rond de fok
39 fokkeschoot schoot, waarmee de stand van de fok t.o.v. het schip wordt bepaald. Loopt vanaf de schoothoek met een lus rond achterste kruisklamp in de zij. Dan via een kousleuver of stropblok in de schoothoek, weer terug naar diezelfde kruisklamp, daarop belegd. Het losgooien van het geheel bij overstag gaan is een handigheidje.
40 fokkeval val in de vorm van een tweeschijfstakel, waaraan de fok wordt gehesen. Het halend part wordt belegd op de halve klamp aan BB op de mast. Het eind van het halend part is weer aan de tophoek van de fok geknoopt en gaat bij het hijsen dus mee omhoog.
42 fokkeboom of fokkeloet hiermee wordt de boom aangeduid, waarmee de fok te loevert]]" kan worden gezet op voordewindse koersen.


Kikkers[bewerken]

Meest bedoeld om een lijn aan vast te maken.


Ankergerei[bewerken]

74 ankerlijn aan het anker is de ankerlijn gestoken. Het eind moet gezekerd zijn aan een vast punt om te voorkomen dat de hele ankerkabel overboord kan vliegen..

Roer[bewerken]

BOORDINVENTARIS: VINDEN ZONDER ZOEKEN[bewerken]

Er zijn veel spullen in de boordinventaris, die je op een onverwacht moment snel nodig kunt hebben. Dan is het belangrijk, dat ze altijd op dezelfde plek liggen, zodat je niet hoeft te zoeken. De plek van sommige spullen is per schip verschillend, je zult je dus aan boord moeten laten voorlichten. Hieronder een selectie van spullen die je snel moet kunnen vinden. Materiaal, dat niet direct op het varen zelf betrekking hebben, blijft hier buiten beschouwing (zoals de kombuisinventaris).


Altijd bij de hand houden[bewerken]

Gereedschap[bewerken]

  • boordgereedschap


Reservemateriaal[bewerken]

  • reserveharpjes
  • reservejerrycan benzine
  • reservedelen motor: geen


Veiligheidsmiddelen[bewerken]

  • EHBO doos


Allerhande[bewerken]

  • pikhaak en/of peddel
  • dweil, borstel en schoonmaakmiddel


OMGAAN MET LIJNEN[bewerken]

Inleiding[bewerken]

Praktijkoefeningen zijn hier veel nuttiger dan een theorietekst. We volstaan daarom met een opsomming van de belangrijkste “touwsituaties” aan boord. Het beleggen van lijnen op een vast punt komt heel vaak voor. Knopen en steken leggen is minder vaak nodig, maar een beperkt aantal steken moet je vlot kunnen maken. Voor de uitleg van paalsteek, mastworp en meer van dat fraais: raadpleeg de vele boekjes en websites die hierover bestaan, of een behulpzame medebotteraar.


Lijnen beleggen op een vast punt[bewerken]

Op de voorbolder (landvast en kluiverschoot)

Een landvast (of meerlijn) kun je met de lus om een meerpaal leggen. Beter is ‘dubbel nemen’: de lus om de bolder, dan de landvast om de paal aan wal en weer terug naar het schip, daar beleggen. Dan kun je de landvast losgooien, zonder dat de lus van de meerpaal hoeft. Het beleggen gaat zo:

  • één hele slag rondom de bolder, onder de pennen door.
  • enkele kruislagen aan binnenkant of buitenkant van de bolder.
  • tot slot één halve steek op een van de pennen.

Op deze manier trekt het touw aan de onderkant van de bolder, waar die het sterkst is.



Op een kikker of korvijnagel (fokkeschoot, gordijn, zwaardval, halstalie, landvast)

  • neem één hele slag om de klamp heen, zodat de trekkracht op de voet van de klamp komt.
  • dan twee kruisslagen.
  • dan één halve steek tot slot.

Bij de kruisklampen in de zij sla je de kruisslagen steeds van boven naar beneden, dan komt het vrije eind aan de onderkant uit de halve steek (valt beter)


Knopen en steken[bewerken]

Voor de uitvoering van de knopen hieronder geldt ook: vraag om een praktijkdemonstratie, of bekijk een de vele knopenboeken waarin dit wordt behandeld.

  • lus aan een lijn maken: paalsteek.
  • twee lijnen aan elkaar knopen: schootsteken of twee zoeteliefjes.
  • om te voorkomen dat een schoot met het einde door het blok heen gaat: de achtknoop.


Ander werk met lijnen[bewerken]

Opschieten en klaren

De meeste geslagen lijnen moet je “met de klok mee” opschieten. Anders heb je last van kinken. Bij gevlochten lijnen speelt dit geen rol. De grootschoot wordt meestal .......

Het oprollen van touwen tot ronde “matjes” ziet er leuk uit, maar is niet best voor het touw: de onderkant van de mat blijft vochtig, de bovenkant is aan de zon blootgesteld

Takelingen

Uiteinden van lijnen moet je tegen uitrafelen beschermen. Daar zijn verschillende manieren voor:

  • dichtsmelten: bij dunne kunstvezel lijnen gaat dit met een aansteker. Bij dik touw is een elektrisch touwsmeltapparaat nodig. Kan na verloop van tijd toch weer gaan uitrafelen.
  • tape: werkt altijd, maar houdt niet lang en is lelijk.
  • eindsplits: mooie oplossing, maar kost wat tijd en geeft een verdikking.
  • takeling: een omwikkeling met speciaal “takelgaren”. Mooie, duurzame oplossing. Bij kunstvezel: combineren met dichtsmelten. Na een paar keer oefenen kost een takeling nog maar weinig tijd.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.