Wikijunior:Engels/Werk/Antwoorden

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zinnen[bewerken]

Engels Nederlands
  1. What did you learn at school today?
  2. I read a story in this book.
  3. The pot is on the stove.
  4. Did the play begin on time?
  5. They don't own their house. They're renting it.
  6. Does Mrs. Baker teach French at university?
  7. My new employer is going to train me for this job.
  8. Tomorrow is my day off. I don't have to go work.
  9. They don't want to hire students for this job.
  10. I'll ask my mother if I can go to your house.
  11. Please put some cucumber on my sandwich.
  12. Does Joe know the answer? No, he doesn't.
  13. Let's go to the movies tonight.
  14. Do you know the meaning of this word?
  15. I'm interested in art. I often go to museums.
  16. Did your football team win the game?
  17. He's so lazy. He doesn't do any work.
  18. My painting is too high on the wall. Move it down.
  19. Is this your coat?
  20. Turn off your computer when you finish your work.
  21. I have a very busy schedule today. I can't meet you.
  1. Wat heb je vandaag op school geleerd?
  2. Ik (lees, las) heb een verhaal in dit boek gelezen.
  3. De pot staat op het fornuis.
  4. Is het spel op tijd begonnen?
  5. Hun huis is niet hun eigendom. Ze huren het.
  6. Geeft mevrouw Baker Frans op de universiteit?
  7. Mijn nieuwe werkgever is van plan me voor deze baan te trainen.
  8. Morgen heb ik mijn vrije dag. Ik hoef niet te gaan werken.
  9. Ze willen geen studenten voor dit werk huren.
  10. Ik zal mijn moeder vragen of ik naar jouw huis kan gaan.
  11. Doe alsjeblieft wat komkommer op mijn sandwich.
  12. Weet Joe het antwoord? Nee, dat weet hij niet.
  13. Laten we vanavond naar de film gaan.
  14. Weet je de betekenis van dit woord?
  15. Ik ben geïnterreseerd in kunst. Ik ga vaak naar musea.
  16. Heeft je voetbalteam het spel gewonnen?
  17. Hij is zo lui. Hij werkt helemaal niet.
  18. Mijn schilderij hangt te hoog aan de muur. Hang hem lager.
  19. Is dit je jas?
  20. Zet je computer uit als je klaar bent met je werk.
  21. Ik heb het erg druk vandaag. Ik kan je niet ontmoeten.

Opdracht 1[bewerken]

Opdracht 1,1[bewerken]

Hoe moet je het in het Engels zeggen?

  • Morgen heb ik mijn dagje vrij. Ik hoef niet te gaan werken.

Tomorrow is my day off. I don't have to go work.

  • Is het spel op tijd begonnen.

Did the play begin on time?

  • Weet Pete het antwoord? Nee, die weet hij niet.

Does Pete know the answer? No, he doesn't.

  • Ze zullen mijn moeder vragen als ik naar je huis kan.

I'll ask my mother if I can go to your house.

  • Wat heb je vandaag op school geleerd?

What did you learn at school today?

Opdracht 1,2[bewerken]

Vertaal de volgende uitspraken naar het Nederlands?

  • Let's go to the movies tonight.

Laten we vanavond naar de film gaan.

  • Turn off your computer when you finish your work.

Zet je computer uit als je klaar bent met je werk.

  • Does Mr. Park teach English at university?

Geeft meneer Park Engels op de universiteit?

  • He's so lazy. He doesn't do any work.

Hij is zo lui. Hij werkt helemaal niet.

  • Did your basketball team win the game?

Heeft je basketbalteam het spel gewonnen?

Opdracht 2[bewerken]

Jij: Hi mum!
Moeder: Hi! (wat heb je vandaag op school geleerd?)

What did you learn at school today?

Jij: Geography, history, biology and we played football.
Moeder: (is het spel op tijd begonnen?)

Did the play begin on time?

Jij: Yes.
Moeder: Did you won?
Jij: Yes, we won with 4-0.
Moeder: Hey, I have made a sandwich for you.
Jij: (leg alsjeblieft wat komkommer op mijn dubbele broodje)

Please put some cucumber on my sandwich.

Moeder: I've done that already.
Jij: Okay, thanks. Hey, I lost my coat!
Moeder: (is dit je jas?)
Jij: YES! I forget it. Hey, I'm going to work on the computer now!
Moeder: Okay. (zet je computer uit als je klaar bent met je werk)

Turn off your computer when you finish your work.

Woordjes[bewerken]

Engels Nederlands
  • allow
  • apply
  • course
  • day off
  • education
  • employer
  • experience
  • extra
  • fire
  • full time
  • get paid
  • guess
  • high school
  • hire
  • interested in
  • interview
  • learn
  • meaning
  • on time
  • overtime
  • own
  • part time
  • refund
  • schedule
  • teach
  • train
  • toestaan
  • toepassen
  • verloop
  • dag vrij
  • opvoeding
  • werkgever
  • ervaring
  • extra
  • vuur/vuren/ontslaan
  • voltijds
  • betaald worden
  • raden
  • lyceum
  • huren
  • geïnteresseerd in
  • vraaggesprek
  • leren
  • mening
  • op tijd
  • overwerk
  • bezitten/eigen
  • deeltijds
  • terugbetalen
  • tabel
  • onderwijzen
  • trein/opleiden

Opdracht 3[bewerken]

Vul het schema in! Je mag een woordenboek gebruiken.

Opdracht 4[bewerken]

Vul de ontbrekende woorden in! Je kunt kiezen uit: teach, getting paid for, full time, teacher, planning, interested in, allow, answer, teaching en paying.

  • Let's go to San Fransisco for a few days.
  • I can't. My boss won't allow me to take a holiday this month.
  • Why are you interested in a job at the school?
  • Because I love teaching and working with children.
  • What is the answer of the third question?
  • I'm not sure. Ask Wayne.
  • No, I'm not interested in another blouse! I just want my money back!
  • Do you have any days off during the week?
  • No, I don't work part time anymore. No I have a full time job.

Grammatica[bewerken]

Het Engels heeft verschillende manieren om aan te geven dat een handeling in het verleden heeft plaatsgevonden. De onvoltooid verleden tijd wordt gebruikt voor een afgesloten handeling in het verleden. Het is de verplichte vorm als er in de zin een tijdsbepaling komt zoals 'yesterday', 'last week' en 'two years ago' voorkomt 'I hit my head yesterday'. Als de gebeurtenis in een recent verleden heeft plaatsgevonden en de gevolge nog merkbaar zijn, gebruikt men eerder de voltooid tegenwoordige tijd. Hiervoor wordt het hulpwerkwoord 'have' gebruikt, in het gesproken taalgebruik wordt het vaak samengetrokken tot ve' (s' voor de derde persoon enkelvoud): I've hit my head and it still hurts (Ik heb mijn hoofd gestoten en het doet nog steeds zeer). Een andere belangrijke constructie is die met 'have been'. Deze wordt gebruikt als een gebeurtenis in het verleden is begonnen en nu nog steeds bezig is. It's been (has been) raining raining for two days betekent dus dat het al twee dagen regent.

Opdracht 5[bewerken]

Vul de juiste vorm in!

  • Three years ago she (drive) drove her driving test, but she is still allowed to drive.
  • Yesterday the soldier have (destroy) destroyed the castle.
  • Two minutes ago the balloon (pop) has popped.
  • A penny was (drop) dropped into the car engine, but the engine still ran.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.