Wikijunior:Engels/Weetjes/Antwoorden

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zinnen[bewerken]

Engels Nederlands
  1. I want to know what you think. What's your opinion?
  2. He's very strange. He wears a warm coat in the summer.
  3. Are you her mother? Yes, I am.
  4. I want to stay, but I must go home now.
  5. I'll be home within an hour. Please wait.
  6. The war is over. Now we have peace.
  7. Our friends are meeting us at the restaurant.
  8. Don't tell him or else it won't be a surprise.
  9. Let's look up this word in the dictionary.
  10. I earn £7,50 an hour as a cashier in a supermarket.
  11. It's starting to rain. Let's run home.
  12. My hair isn't wet anymore. It's dry.
  13. We have many pets. All these animals are ours.
  14. Are you calling from work? No, I'm at home.
  15. My baseball team is great. We won all games.
  16. He was born in New York, but he grew up in Chicago.
  17. Tell me if you need anything and I'll get it for you.
  18. Too many people died in the war. It's time for peace now.
  19. I can't use the computer. It is broken.
  20. Open the window. I need some fresh air.
  21. The mailman put the letter in the mailbox.
  22. I'd like some ice in my drink, please. I'd like it cold.
  23. He's a terrific athlete. He holds the record in running.
  24. What do you want to eat: soup or a sandwich?
  25. Do you know the answer, Michael?
  26. Are you cold? No, I'm very hot.
  1. Ik wil weten wat je denkt. Wat is je mening?
  2. Hij is erg raar. Hij draagt een warme jas in de zomer.
  3. Bent u haar moeder? Ja, dat ben ik.
  4. Ik wil blijven, maar ik moet nu naar huis.
  5. Ik zal binnen een uur thuis zijn. Wacht even.
  6. De oorlog is voorbij. We hebben nu vrede.
  7. Onze vrienden ontmoeten ons in het restaurant.
  8. Vertel het hem niet, want anders is het geen verrassing meer.
  9. Laten we dit woord in een woordenboek opzoeken.
  10. Ik verdien £7,50 per uur als kassabediende in een supermarkt.
  11. Het begint te regenen. Laten we naar huis rennen.
  12. Mijn haar is niet meer nat. Het is droog.
  13. We hebben veel huisdieren. Al deze dieren zijn van ons.
  14. Bel je vanaf je werk? Nee, ik ben thuis.
  15. Mijn honkbalteam is geweldig. We hebben alle spellen gewonnen.
  16. Hij is geboren in New York, maar hij groeide op in Chicago.
  17. Vertel het me als je iets nodig hebt en ik zal het voor je halen.
  18. Teveel mensen stierven in de oorlog. Het is nu tijd voor vrede.
  19. Ik kan de computer niet gebruiken. Hij is kapot.
  20. Open het raam. Ik heb wat frisse lucht nodig.
  21. De postbode stopt de brief in de brievenbus.
  22. Ik wil wat ijs in mijn drinken alstublieft. Ik wil het koud.
  23. Hij is een geweldige atleet. Hij heeft het record hardlopen.
  24. Wat wil je eten: soep of een sandwich?
  25. Weet je het antwoord, Michael?
  26. Heb je het koud? Nee, ik heb het erg warm.

Opdracht 1[bewerken]

Opdracht 1,1[bewerken]

Hoe zeg je het in het Engels?

  • Zeg dat je de computer niet kan gebruiken omdat hij kapot is.

I can't use the computer. It is broken.

  • Vraag of je vriend het antwoord weet.

Do you know the answer?

  • Vraag of je moeder het heet heeft.

Are you hot?

  • Zeg dat je binnen twee uur thuis zal zijn.

I'll be home within two hours.

  • Zeg dat je basketbalteam slecht is omdat ze alle spellen hebben verloren.

My basketball team is worse. We lost all games.

Opdracht 1,2[bewerken]

Vertaal de volgende zinnen naar het Nederlands.

  • I need some fresh air.

Ik heb wat frisse lucht nodig.

  • I earn £10,00 an hour as a cashier in a supermarket.

Ik verdien £10,00 per uur als kassabediende in een supermarkt.

  • Tell me if you need anything and I'll get it for you.

Vertel het me als je iets nodig hebt en ik zal het voor je halen.

  • Are you calling from your home?

Bel je vanaf thuis?

  • My hair isn't wet anymore. It's dry.

Mijn haar is niet meer nat. Het is droog.

Opdracht 2[bewerken]

Jij: Look, there's Tom! I think he is mad! (hij draagt een warme jas in de zomer!)

He wears a warm coat in the summer.

Vriend: Yes, that is a coat from the army! He must know that (de oorlog is voorbij, we hebben nu vrede).

The war is over. Now we have peace.

Jij: Yes. That was dreadful. (teveel mensen stierven in die oorlog!)

Too many people died in the war.

You: What do you think about war? (wat is je mening?)

What's your opinion?

Jij: An international disaster!
Jij: Hey, do you know where Tom is born?
Vriend: Yes, (hij is geboren in Wijk bij Duurstede, maar opgegroeid in Hattem)

He was born in Wijk bij Duurstede, but he grew up in Hattem.

Jij: Okay. Hey, clouds! Oh no, it rains!
Vriend: (laten we naar huis rennen)

Let's run home.

Jij: Okay, bye!
Vriend: Bye-bye!

Woordjes[bewerken]

Engels Nederlands
  • air
  • although
  • at all
  • believe
  • born
  • change
  • decide
  • discover
  • dream
  • else
  • government
  • grow up
  • however
  • if
  • invent
  • look up
  • nevertheless
  • opinion
  • peace
  • politician
  • record
  • strange
  • subject
  • therefore
  • tired of
  • unusual
  • war
  • within
  • lucht
  • hoewel
  • in het geheel
  • geloven
  • geboren
  • veranderen
  • besluiten
  • ontdekken
  • droom
  • anders
  • regering
  • opgroeien
  • hoe dan ook
  • als
  • uitvinden
  • opzoeken
  • desalniettemin
  • mening
  • vrede
  • politicus
  • registreren
  • vreemd
  • onderwerp
  • daarom
  • beu
  • ongewoonlijk
  • oorlog
  • binnen

Opdracht 3[bewerken]

Maak het bovenstaande schema compleet! Je mag een woordenboek gebruiken.


Opdracht 4[bewerken]

Vul de ontbrekende woorden in! Je kunt kiezen uit nevertheless, therefore, unless, at all, tired of, broken, followed, changed, war en peace.

  • Hi mum! It's me, Wendy. Can you take care of little Nicky tonight?
  • Of course I can. It's no problem at all.
  • If there is no war, countries won't need armies or soldiers anymore.
  • That's sounds wonderful!
  • Are you still a salesperson at Lacy's Department Store?
  • No. I changed jobs last month. Now I'm working as a secretary.
  • What are you doing this weekend, Barbara?
  • I have a big test next week; therefore I'll be home all weekend, studying.
  • Hey, Pete. What's the answer to test question number two?
  • I'm tired of giving you the answers all the time. Try doing it yourself!

Grammatica[bewerken]

Als je in het Engels wil vragen of iets mogelijk is, gebruik je meestal het hulpwerkwoord 'can'. 'Kan ik hier zitten?' wordt in het Engels 'Can I sit here?'

Maar als de mogelijkheid afhankelijk is van de welwillendheid van de gesprekspartner, wordt uit beleefdheid eerder het hulpwerkwoord 'could' gebruikt. 'Kan ik even bellen', wordt dan 'Could I use your phone, please?'

Ook als je iemand wil verzoeken iets te doen, is het beleefd om 'could' te gebruiken. Bijvoorbeeld 'Kunt u het zout even aangeven?' wordt 'Could you pass the salt, please?'

Zoals je in de voorbeelden hebt kunnen zien, is het beleefd om verzoeken te eindigen met 'please', wat alstublieft betekent. Een andere manier om een verzoek uit te drukken is met 'I'd like ... please.' Dit is de korte versie van 'I would like ..., please'. Op de plaats van de puntjes kun je bijvoorbeeld een artikel noemen. Bijvoorbeeld 'I'd like a candy please', betekent dat je graag een snoepje wil. Tenslotte kun je tegen een ober of een winkelbediende gewoon het gewenste artikel noemen gevolgd door please. 'Twee boterhammen graag', wordt dus 'Two sandwiches please'.

Opdracht 5[bewerken]

Zet 'can' of 'could' voor een zin!

  • Could you help me?
  • Can I buy some tickets?
  • Can I hire a windbreak?
  • Could you tell me how to get to the hotel by bike?
  • Can I come in today?

Opdracht 6[bewerken]

Beantwoord deze vragen.

  • Het is beleefd om de verzoeken te eindigen met een bepaald woord. Welk woord is dat?

Please

  • Kort 'I would not' af!

I wouldn't

  • Vertaal de volgende uitspraak naar het Engels: 'Twee worstjes graag'. (sausages)

Two sausages please

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.