Wikijunior:Engels/Door het land/Antwoorden

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Zinnen[bewerken]

Engels Nederlands
  1. It's my birthday! Today I am twenty years old.
  2. I'm here in order to help you prepare for the party.
  3. My mother is at a neighbor's house right now.
  4. You can buy film at the photo shop.
  5. He doesn't work in industry. He is a farmer.
  6. I'm going to the seaside. I love the sea and the beach.
  7. We had a lot of fun at the party.
  8. It's getting dark. Turn on the light.
  9. The restaurant has three ovens for baking.
  10. Take this letter to the post office, please.
  11. Debbie and Susan are best friends.
  12. We ate at the restaurant yesterday.
  13. What kind of animal is that? It's a dog.
  14. He is rich. He has two million pounds.
  15. It's on top of the cupboard, not inside it.
  16. There are many trees in the forest.
  17. Why is your suitcase so heavy?
  18. Be careful! The water is very deep over here.
  19. The farmer works all the day in the field.
  20. The teacher asks questions and the students answer.
  21. I only play basketball. I like it the best.
  22. Let's go fishing by the river.
  23. Can you do your homework without help?
  24. Look to the left and right before you cross the street.
  25. I ate an apple after the meal.
  26. The restroom is for men, not women.
  27. I read the book from beginning to end.
  1. Ik ben jarig! Vandaag ben ik twintig jaar.
  2. Ik ben hier om je te helpen het feestje voor te bereiden.
  3. Mijn moeder is op het ogenblik in het huis van een van de buren.
  4. Je kunt film in de fotowinkel kopen.
  5. Hij werkt niet in de industrie. Hij is een boer.
  6. Ik ga naar de kust. Ik hou van de zee en het strand.
  7. We hadden veel lol bij het feestje.
  8. Het wordt donker. Doe het licht aan.
  9. Het restaurant heeft drie ovens om in te bakken.
  10. Breng deze brief naar het postkantoor, alsjeblieft.
  11. Debbie en Susan zijn goede vrienden.
  12. We aten gisteren in een restaurant.
  13. Wat is dat voor een soort dier? Het is een hond.
  14. Hij is rijk. Hij heeft twee miljoen pond.
  15. Het ligt bovenop de kast, niet erin.
  16. Er zijn veel bomen in het bos.
  17. Waarom is je koffer zo zwaar?
  18. Pas op! Het water is hier erg diep.
  19. De boer werkt de hele dag op het land.
  20. De leraar stelt vragen en de studenten antwoorden.
  21. Ik speel alleen basketbal. Ik vind dat het leukst.
  22. Laten we gaan vissen bij de rivier.
  23. Kun je je huiswerk zonder hulp maken?
  24. Kijk naar links en naar rechts voor je de straat oversteekt.
  25. Na de maaltijd heb ik een appel gegeten.
  26. De wc is voor mannen, niet voor vrouwen.
  27. Ik heb het boek van begin tot eind gelezen.

Opdracht 1[bewerken]

Opdracht 1,1[bewerken]

Hoe zeg je het in het Engels?

  • Vertel dat de wc voor vrouwen en niet voor mannen is.

The restroom is for women, not men.

  • Zeg dat hij arm is. Hij heeft 2 pond.

He is poor. He has two pounds.

  • Vraag aan je vriend waarom zijn koffer zo zwaar is.

Why is your suitcase so heavy?

  • Stel voor dat jullie gaan vissen bij de rivier.

Let's go fishing by the river.

  • Vertel dat hij niet in de industrie werkt, maar een boer is.

He doesn't work in industry. He is a farmer.

Opdracht 1,2[bewerken]

Vertaal de volgende uitspraken naar het Nederlands.

  • Take this cheque to the bank, please.

Breng deze cheque naar de bank, alsjeblieft.

  • Earl and Matt are best friends.

Earl en Matt zijn goede vrienden.

  • You can buy film at the photo shop.

Je kunt film in de fotowinkel kopen.

  • I'm here to in order to help you prepare for the party.

Ik ben hier om je te helpen het feestje voor te bereiden.

  • It's getting light. Turn off the light.

Het wordt licht. Doe het licht uit.

Opdracht 2[bewerken]

Vul de ontbrekende uitspraken in!

Jij: Hey! Do you want to go out with me?
Vriend(in): Ooohhh, yes! Let's go to the restaurant. Could you wear my suitcase?
Jij: Yes, of course. Hey, (waarom is je koffer zo zwaar?)

Why is your suitcase so heavy?

Vriend(in): I've bought some clothes. (hey, t'Is mijn verjaardag! Vandaag ben ik twaalf jaar oud)

It's my birthday! Today I am twelve years old.

Jij: Congratulations!
Vriend(in): Thank you. And I'll treat you!
Jij: Okay! I think (we zijn beste vrienden)

We are best friends.

Jullie hebben lekker gegeten. Het is inmiddels avond.
Vriend(in): (het wordt donker). Fortunately I have a pocket lamp.

It's getting dark.

Vader: Hey, where were you?
Jij: (we hebben op restaurant gegeten)

We ate at the restaurant.

Vader: WHAT!? Why didn't you tell me about that before? COME ALONE WITH ME RIGHT NOW!
Jij: Okay... bye!
Vriend(in): Bye.

Woordjes[bewerken]

Engels Nederlands
  • animal
  • bird
  • bottom
  • camp
  • climb
  • coast
  • cow
  • dark
  • deep
  • farm
  • field
  • forest
  • high
  • hike
  • hill
  • horse
  • in order to
  • industry
  • insect
  • island
  • lake
  • light
  • low
  • mountain
  • river
  • seaside
  • top
  • valley
  • dier
  • vogel
  • bodem
  • kamp(eren)
  • klimmen
  • kust
  • koe
  • donder
  • diep
  • boerderij
  • veld
  • bos
  • hoog
  • trektocht
  • heuvel
  • paard
  • teneinde te
  • industrie
  • insect
  • eiland
  • meer
  • licht
  • laag
  • berg
  • rivier
  • aan zee
  • top
  • vallei

Opdracht 3[bewerken]

Vul het schema in! Je mag een woordenboek gebruiken.

Opdracht 4[bewerken]

Vul de ontbrekende woorden in! Je kunt kiezen uit: shortest, camping, cows, river, lower than, tomatoes, cooking, restroom, highest en on top of.

  • Why do you keep the cookies on the highest shelf?
  • So that my children can't reach them.
  • Where did you put the newspaper?
  • I put it on top of, lower than the magazine.
  • Benjamin, how did you get so wet?
  • I went swimming in the river with Cousin Jed.
  • Do you have any cows on your farm?
  • No, we don't have any animals. We only grow vegetables on our farm.
  • Camping is fun. Let's go this summer.
  • But I hate sleeping outside.

Grammatica[bewerken]

Je kunt op twee manieren uitdrukken wat er gaat gebeuren. De eerste maakt gebruik van het hulpwerkwoord will (afgekort 'll). Het hulpwerkwoord shall kwam in het verleden ook veel voor, maar wordt nu alleen nog gebruikt voor de vragende vorm en dan nog alleen in combinatie met de eerste persoon (enkelvoud en meervoud). De constructie met will is neutraal. 'The train will leave at 11 o'clock' (De trein vertrekt om 11 uur) maar kan ook een belofte uitdrukken: 'I'll call you tomorrow' (ik bel je morgen). De tweede manier is die met 'be going to'. Hiermee geef je aan dat je van plan bent iets te gaan doen: I'm going to write a book (Ik ga een boek schrijven) of dat de toekomstige situatie of gebeurtenis: 'You're going to miss your train if you don't hurry up' (je mist je trein nog als je niet opschiet).

Opdracht 5[bewerken]

Vertaal de volgende zinnen! Je mag een woordenboek gebruiken!

  • Ik ben van plan om naar Engeland te gaan.

I'm going to go to England.

  • Ik zal de brief straks naar het postkantoor brengen.

I will take this letter to the post office soon.

  • Het vliegtuig zal straks aankomen.

The airplane will arrive soon.

  • In november zal de Pakjesboot 12 van de Sint aankomen.

In November the Pakjesboot 12 from the Sint will arrive.

  • Je zult de show missen.

You will miss the show.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.