Wikijunior:Afval/Stoffen in de natuur

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Vleeseters[bewerken]

Vleeseters zijn dieren die vooral vlees eten. Alleseters eten andere organismen. Vleeseters eten planteneters. Dankzij dat voedsel kunnen ze leven. Voorbeelden zijn wezels, vossen, snoeken, spinnen, katten en reigers.

Planteneters[bewerken]

Planteneters zijn dieren die vooral delen van planten eten. Alleseters eten andere organismen. Planteneters eten het voedsel dat planten maken. Dankzij dat voedsel kunnen ze leven. Voorbeelden zijn konijnen, elanden, koeien, herten en bladluizen.

Planteneters en vleeseters[bewerken]

Planten zijn voedsel voor planteneters. Daardoor blijven planteneters in leven en kunnen planteneters groeien.

Vleeseters eten planteneters. Daardoor blijven de vleeseters in leven en kunnen ze groeien. Planten leveren het voedsel voor alle andere organismen.

Voedselketen[bewerken]

Paardebloemen, konijnen en wezels vormen een voedselketen. Een voedselketen is een reeks soorten organismen, waarbij elke soort een voedselbron is voor de volgende soort.

We noemen elk deel van een voedselketen een schakel. De voedselketen van de afbeelding bestaat uit drie schakels. Elke voedselketen heeft een plantensoort als eerste schakel.

Voedselweb[bewerken]

In de natuur is nooit sprake van één voedselketen. De voedselketens lopen kriskras door elkaar. Een groep voedselketens die door elkaar lopen, noemen we een voedselweb. Een voedselweb bestaat uit heel veel voedselketens.

Alleseters[bewerken]

Er zijn veel meer soorten planteneters dan alleen konijnen. Er zijn ook veel meer vleeseters dan alleen wezels. En er zijn ook veel soorten dieren die zowel planten als dieren eten. We noemen deze soorten dieren alleseters. Twee voorbeelden van alleseters: Huismuis en everzwijn,

Natuurlijke voedselkringloop[bewerken]

Niet alle planten en dieren worden gegeten. Ze kunnen ook gewoon doodgaan. De dode resten van planten en dieren komen op de grond terecht.

Ook andere resten van planten en dieren kunnen op de grond terechtkomen, bijvoorbeeld bladeren van bomen en uitwerpselen van dieren.

Bacteriën en schimmels gebruiken deze (dode) resten als voedsel. Ze ruimen deze (dode) resten op. Hierbij komen voedingsstoffen vrij in de bodem. Planten nemen via de wortels op. Planten hebben voedingsstoffen nodig om goed te kunnen groeien.

Stoffen in de natuur worden dus steeds weer opnieuw gebruikt. Stoffen van planten komen via dieren, bacteriën en schimmels uiteindelijk weer bij planten terecht. Stoffen maken in de natuur een kringetje. Zo’n kringetje noemen we een kringloop.

Producenten, consumenten en reducenten[bewerken]

Bij de kringloop van stoffen onderscheiden we producenten, consumenten en reducenten. Planten noemen we producenten. In planten kan fotosynthese plaatsvinden.

Bij fotosynthese wordt glucose gemaakt. Planten maken van glucose allerlei andere stoffen, onder andere de stoffen waaruit de plant bestaat. Hiervoor zijn ook voedingsstoffen uit de bodem nodig. Alle andere organismen leven van de stoffen die planten maken. Planten produceren het voedsel voor alle andere organismen.

Dieren noemen we consumenten. Dieren eten (consumeren) andere organismen. Planteneters eten delen van planten. Vleeseters eten delen van dieren. Alleseters eten zowel delen van planten als delen van dieren. De stoffen die consumenten binnenkrijgen met hun voedsel, zijn uiteindelijk afkomstig van producenten (planten).

Bacteriën en schimmels noemen we reducenten. Alle planten en dieren sterven. Bacteriën en schimmels ruimen dode resten van planten en dieren op. Hierbij komen voedingsstoffen vrij die door planten kunnen worden gebruikt. Reducenten maken de kringloop van stoffen rond.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.