Spaans/Spontaan Spaans leren/El verbo ir — het werkwoord gaan

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De meeste werkwoorden in het Spaans zijn makkelijk omdat de vervoeging ervan regelmatig is. Het werkwoord ir — gaan is half regelmatig.

el verbo ir [el berboh ier] — het werkwoord gaan[bewerken]

  • yo voy [joh boj] — ik ga
  • tú vas [toe baas] — jij gaat
  • él, ella va [il, ihjaa baa] — hij, zij gaat
  • nosotros vamos [nohzohtros baamos] — wij gaan
  • vosotros vais [bohzohtros baaies] — jullie gaan
  • ellos, ellas van [ihjos, ihjaas baan] — zij gaan

Het woord ellas — zij gebruik je als die zij een groep van alleen maar vrouwen is. Voor een groepje mannen gebruik je ellos — zij. Bij een groep van vrouwen en mannen gebruik je ook ellos, zelfs bij een groep van duizend vrouwen en maar één man!


Tegen iemand die je niet goed kent zeg je in het Spaans usted — u. En ook tegen el rey — de koning zeg je uiteraard usted — u. Bij usted vervoegt het werkwoord zoals bij él, ella. Dat is precies zoals het in het Nederlands ook werkt. Dus:

  • usted va [oestit baa] — u gaat

Maar ook tegen een groep mensen die je niet kent zeg je in het Spaans iets anders, en wel ustedes. Bij ustedes vervoegt het werkwoord zoals bij ellos, ellas. In het Nederlands kun je tegen een groep mensen die je niet goed kent gewoon jullie zeggen, het klinkt in het Nederlands meestal vreemd om u te zeggen tegen een groep mensen.

  • usted van [oestihdis baan] — jullie gaan (u gaat)
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.