Naar inhoud springen

Shakespeares sonnetten/De sonnetten/Sonnet 2

Uit Wikibooks

Originele tekst

When forty winters shall besiege thy brow
And dig deep trenches in thy beauty's field,
Thy youth's proud livery, so gazed on now,
Will be a tattered weed of small worth held.
Then being asked where all thy beauty lies,
Where all the treasure of thy lusty days,
To say within thine own deep sunken eyes
Were an all-eating shame and thriftless praise.
How much more praise deserved thy beauty's use,
If thou couldst answer: 'This fair child of mine
Shall sum my count and make my old excuse',
Proving his beauty by succession thine.

This were to be new made when thou art old,
And see thy blood warm when thou feel'st it cold.

Vertaling (Zie Wikipedia: Sonnet 2)

Wanneer veertig jaar jou tekenen,
En je gelaat doorploegd van rimpels is,
De trots van je jeugd, zoveel bewonderd nu,
Niets meer waard is dan een versleten gewaad:
Wat zeg je dan, als men je vraagt: "Waar is je schoonheid nu?"
En: "Waar is de schat van je dagen van vrolijkheid?"
Je eigen diepverzonken ogen zullen getuigen,
van verterende schaamte en verkwisting.
Hoeveel meer had je uit je schoonheid kunnen halen
Indien je kon zeggen: "Dit mooie kind is van mij
En dat, als ik de rekening maak, gaf zin aan mijn leven."
Aldus toont zich zijn schoonheid als erfgenaam van de jouwe
Zo word je nieuw gemaakt als je al oud bent
En vloeit je bloed weer warm als het al koud is.


Samengevat

Ouderdom en aftakeling treft ons allen, en zelfs jouw schoonheid zal met de tijd verdwijnen. Je uiterlijk is als een mooie jas die zal verslijten, en dan draait niemand zich nog om om je te bewonderen. Zorg dus voor een kind, waarvan de schoonheid op je oude dag en na je dood een herinnering aan die van jou zal zijn.

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.