Shakespeares sonnetten/De sonnetten/Sonnet 116

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sonnet 116 van Shakespeare maakt deel uit van een groep sonnetten in de cyclus waarin de dichter zijn liefde uitspreekt voor een jongeman. De “true minds” zijn zielsgenoten: zulke liefde weerstaat alles, en overstijgt zelfs de dood. 

Sonnet 116 behoort tot de groep 109-121 waarin de dichter bekent ontrouw te zijn geweest en dan vergiffenis vraagt. Hij tracht met alle mogelijke middelen - vergezochte excuses, overdreven gevlei, zijn geliefde  voor zich terug te winnen.

De eerste versregels van het sonnet zijn een zinspeling op de huwelijksceremonie uit het Book of Common Prayer:

'”Therefore if any man can shew any just cause, why they may not lawfully be joined together, let him now speak."’’ 

Wie bezwaren had tegen een huwelijk kreeg dus de kans om zich uit te speken voor de plechtigheid werd voltrokken.


Sonnet 116 van Shakespeare


Let me not to the marriage of true minds
Admit impediments. Love is not love
Which alters when it alteration finds,
Or bends with the remover to remove.
O no, it is an ever fixèd mark
That looks on tempests and is never shaken;
It is the star to every wand'ring barque,
Whose worth's unknown although his height be taken.
Love's not time's fool, though rosy lips and cheeks
Within his bending sickle's compass come;
Love alters not with his brief hours and weeks,
But bears it out even to the edge of doom.
If this be error and upon me proved,
I never writ, nor no man ever loved.
Vertaling Sonnet 116
(Jules Grandgagnage, 2014)[1]


Waar ziel aan ziel zich in het huwelijk bindt
Zwijgt elk bezwaar; het mag geen liefde heten
Als zij verkeert waar zij verandering vindt
En willoos wijkt waar zij wordt heengedreven.
O nee, zij is de ster aan ‘t firmament
Die onbewogen neerziet op tempeesten.
De baak waarnaar ‘t verloren schip zich wendt;
Haar hoogte kenbaar, haar waarde ongemeten.
Zij duldt van tijd geen dwang, zelfs als zijn zeis
De jeugd en glans rooft van haar lippenrood: 
Tijd deert geen liefde op zijn korte reis 
En heeft geen vat op haar tot aan de dood.
Zo er bewijs is dat ik dwaal hierin
Dan schreef ik niets, en werd er nooit bemind.


Samenvatting

Als er een huwelijk van twee gelijkgestemde zielen is, laat er dan niets tussenkomen, zelfs als een van beiden verandert of afwezig is. 

Liefde is een vast baken, onbeweeglijk in de storm, de Poolster voor elk schip dat  de woeste zee trotseert.

Liefde is niet de nar van de Tijd: want ook al slijt de Tijd de schoonheid af, dan nog zal liefde blijven tot aan de oordeelsdag.

Ben ik in dit alles verkeerd, dat men me dit dan aantone, en dan schreef ik nooit iets en kende geen enkele mens de liefde.


Referenties[bewerken]

  1. Sonnet 116 op Shakespearevertalingen.com onder Commons licentie CC BY-SA 2.0
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.