Naar inhoud springen

Schilderen/Olieverftechnieken

Uit Wikibooks

Olieverf kan op verschillende manieren worden aangebracht. Er is geen "juiste" manier. In dit hoofdstuk komen een aantal mogelijkheden aan de orde.

Penseelvoering of touche

[bewerken]

De manier waarin de penseel of kwast zich over het werk beweegt heeft invloed op het eindresultaat. De tijd dat er geschilderd werd met zulke gladde olieverf dat de penseelstreek niet zichtbaar was is voorbij, behalve bij speciale technieken zoals de glaceertechniek (zie hieronder). De meeste tegenwoordige schilders vinden het mooi als de penseelstreek zichtbaar blijft. Gebruik lange, vertikale streken bijvoorbeeld voor boomstammen, korte streekjes voor bladeren, of voor een bakstenen muur. Horizontale streken voor een vlak, stilstaand of stromend water. Maak de lucht interessanter door gebruik van woeste streken (als het een woeste wolkenlucht is) of gebruik zachte wollige streekjes bij schapenwolken. Gebruik in elk geval een afwisselende penseelstreek in je werk. Daardoor wordt het schilderij levendig en afwisselend. Gebruik ook verschillende maten penselen in één werk, die passen bij het deel waar je aan bezig bent, teneinde meer afwisseling te bereiken.

Alla prima

[bewerken]

Alla prima is een techniek waarmee snel wordt gewerkt op het witte doek. Het schilderij is in principe in één zitting klaar. De impressionisten propageerden deze techniek, omdat zij het veranderende licht buiten hiermee snel konden vastleggen.

Er wordt gewerkt in dikke lagen, direct op het witte doek, zonder onderschildering, maar als je wilt kan je wel een schets op het doek maken met houtskool. Veeg het houtskool daarna zover weg dat de schets nog nét zichtbaar is. Het alla prima schilderen kan met penseel of kwast, maar ook heel goed met paletmes, of een combinatie van deze. Het resultaat van alla prima schilderen is een spontaan werk. De penseelstreek, de sporen van het paletmes en alle andere bewerkingen zijn in het eindresultaat zichtbaar. Deze techniek is overigens niet makkelijk. De schilder moet eigenlijk alles tegelijk beheersen, compositie, kleur, lijnen, tonen, etc. Er is echter geen bezwaar tegen een alla prima schilderij later te verbeteren door er andere lagen op aan te brengen.

Drie versies van de Cathedraal van Rouen, door Claude Monet, allemaal geschilderd in 1894, met de alla prima techniek om het veranderende licht goed vast te leggen. Links: Zonsondergang, Midden in zonlicht, rechts in heel fel zonlicht.


Nat-in-nat

[bewerken]
Rembrandt, portret van Jan Six, 1654. Aan het eind van zijn leven durfde Rembrandt steeds meer spontaan te schilderen. Vooral aan de strepen op de jas is te duidelijk te zien dat Rembrandt hier nat-in-nat geschilderd heeft

Nat-in-nat is een variant op de alla prima techniek. De schilder gaat verder met het schilderij als de eerste laag nog nat is. Dit heeft als voordeel dat het schilderij er toch nog spontaan uit blijft zien. Als de verflagen dikker worden, is het lastig om te voorkomen dat de onderste lagen worden aangetast. De frisheid van het werk kan hierdoor verloren gaan.

Ook de oude meesters gebruikten deze techniek, zoals te zien is bij het voorbeeld van Rembrandt.

De term nat-in-nat wordt ook bij aquarelleren gebruikt.

Bij deze methode is het goed mogelijk om te mengen op het doek. Dit kan je doen met je vinger, of met een zachte kwast. Ook kan je tamponeren (beschreven in een apart hoofdstuk). Door te mengen op het doek kan je kleuren naadloos in elkaar over laten gaan.

Impasto

[bewerken]

Impasto, of pasteus schilderen wil zeggen dat de verf zeer dik wordt aangebracht, zodat de structuur zichtbaar wordt. Een schilder als Rembrandt gebruikte al de impasto techniek. Ook de modernere Cobra kunstenaars (zoals Karel Appel) gebruikten veel impasto.

Eventueel kan de verf nog worden vermengd met een vulmiddel, zoals zand, repen stof, etc. Dan gaat een impasto schilderij over in een materieschilderij.

Impasto kan worden aangebracht met een paletmes, of met een troffel (bij heel groot werk), maar ook met andere hulpmiddelen, zoals een kartonnetje of beter nog een oud betaalpasje. Je kan ook klodders verf direct uit de tube gebruiken. Als de kleur uit de tube je niet bevalt kan je de kleur mengen en die met een spuitzak aanbrengen, of met een plastic zakje waarvan je de hoek hebt opengeknipt. Bewerk de impasto nadat die op het doek is aangebracht niet meer, want daardoor gaat de frisheid verloren. Kijk dus eerst heel goed waar en hoe je de dikke verf wil aanbrengen.

Impasto kan gebruikt worden om bepaalde delen van het schilderij te accentueren. Zo kunnen de delen die moeten opvallen met dikke verf geschilderd worden, maar de schaduwen juist glad of zelfs met een glaceertechniek.

Het duurt erg lang voordat de impastolaag helemaal droog is. Pas dan kan de laag eventueel overgeschilderd worden en pas dan kunnen nieuwe impasto lagen worden aangebracht. Gebruik voor de volgende laag dan in elk geval een vettere verf (olieverf verdund met bijvoorbeeld wat lijnolie of standolie).

Max Liebermann - detail met zowel impasto als zeer dunne delen waar het schildersdoek doorheen te zien is Paarden op een schilderij van Jacob van Ruisdael - Het metalen beslag is impasto geschilderd (ca.1660) Roman Michalowski
Een aantal voorbeelden van impasto schilderen


Laag over laag

[bewerken]

Het mooie van olieverf is dat veel pigmenten transparant zijn (zie het hoofdstuk Transparantie). Dat maakt het mogelijk om "laag over laag" te schilderen, waarbij de onderlagen door de bovenliggende lagen heen schemeren. Dit is de techniek van de oude meesters. Zij maakten eerst een schetsmatige onderschildering in één kleur. Vervolgens werd het schilderij steeds verder ingevuld. Als een partij moest worden opgelicht, werd een laag wit opgebracht. Dit wordt aangeduid met "hogen", waarbij "hoogwit" wordt gebruikt. Voor dit wit kan je kiezen uit titaanwet (dekkend) of zinkwit (halftransparant). De gehoogde delen van het schilderij zien er eerst niet mooi uit, maar door er transpante lagen overeen te zetten kan het hoogwit een passende kleur en toon krijgen.

Als een deel van het schilderij je niet bevalt, kan je het wegschilderen door er een dekkende laag overheen te zetten. Op die dekkende laag kan je weer opnieuw beginnen en je werk verbeteren.

Vet over mager

[bewerken]

Een regel die bij deze techniek gehanteerd moet worden is "schilder vet over mager". De onderste lagen worden mager geschilderd. De verf uit de tube wordt alleen verdund met terpentijn. De hogere lagen worden steeds vetter, de verf wordt dan verdund met een mengsel van terpentijn en lijnolie, waarbij het percentage lijnolie steeds hoger wordt. Als de schilder dit niet doet, worden de bovenste lagen bros, en krijg je op termijn een lelijk craquelé. Magere verf over een vettere laag droogt snel, terwijl de vette onderlaag dan nog lang niet droog is, dat kan namelijk wel een half jaar tot een jaar duren. Drogende verf krimpt enigszins. Als de vette laag droogt onder de magere laag erboven, gaat de magere laag barsten of zelfs afbladderen.

De verhouding tussen olie en terpentijn dat gebruikt moet worden is geen exacte wetenschap, meng - hoe verder je komt met het werk - gewoon op gevoel wat extra lijnolie of standolie toe in je paletdop met terpentijn. De bedoeling van deze werkwijze is om de onderste lagen sneller te laten "drogen" (oxideren) dan de later opgebrachte verflagen. In plaats van met terpentijn verdunde olieverf kan voor de onderlaag acrylverf of temperaverf gebruikt worden.

Glaceren

[bewerken]

Het glaceren is een variant op laag over laag. Er worden bij het glaceren hele dunne kleurlagen op het schilderij aangebracht. Je krijgt hiermee een hele mooie glans, maar je kan ook de kleuren hiermee subtiel beïnvloeden. Als je bijvoorbeeld een deel van het rood in het schilderij te fel vindt, kan je er een laag sterk verdund groen overheen schilderen. Het rood zwakt dan een klein beetje af. Doe dat een aantal malen, totdat het rood je wel bevalt. Tussen de glaceerlagen moet je de verf wel laten drogen, dus hiervoor is veel geduld nodig.

Het mooiste glaceereffect wordt bereikt door de verf te verdunnen met standolie met wat terpentijn erdoor. Gebruik bij voorkeur de transparante kleuren. Of een kleur transparant is, is aangegeven op de betere soort tubes verf met een open vierkantje.

Bedenk wel dat door het glaceren het werk altijd donkerder wordt. Als een partij té donker is geworden, kan je deze weer ophogen met wit of een andere dekkende lichte kleur (zoals hemelsblauw of napelsgeel).

Detail van een stilleven van Jan Davidsz. de Heem Het gehele schilderij van De Heem
In dit voorbeeld is te zien hoe de schilder een glaceerlaag heeft toegepast. In bijvoorbeeld de peulen, het hart van de klaproos en de bladeren is te zien dat over een gedetailleerde ondergrond met lichte en donkere tonen, een glaceerlaag in groen of blauw is aangebracht. Mogelijk heeft de Heem dit ook gedaan met de oranje bloem aan de linkerzijde.


Je kan ook een schilderij geheel met de glaceertechniek opzetten. Het vergt geduld, maar is ook wel eenvoudiger dan direct schilderen, want met de glaceertechniek kan je twee zaken scheiden:

  1. De compositie en vormgeving kan je maken zonder op de kleuren te letten, als ware het een zwart-wit afbeelding.
  2. De kleur komt als tweede aan de beurt, als een op zichzelf staande fase in het proces en zorgt voor de afwerking van de voorstelling.

De aanpak is als volgt: Maak een zo goed mogelijke onderschildering in één neutrale kleurtoon (bijvoorbeeld grijs/wit, of sepia/wit). Dit wordt ook wel een grisaille genoemd. Gebruik weinig contrast, want met het glaceren kan je elk vlak ook donkerder maken. Na de eerste opzet kan je het schilderij eventueel nog "doodverven"; je brengt dan een transparante witte laag (bijvoorbeeld een dunne laag zinkwit) over de opzet heen. Hierdoor worden alle contrasten kleiner. Dit maakt het vooral mogelijk om ook de donkerste partijen een kleur te kunnen geven. Vervolgens breng je laagje over laagje de kleuren op je onderschildering aan. Corrigeren onderweg kan nog wel, dan breng je met wit een verbetering aan. Als dat wit helemaal opgedroog is, begint het glaceren opnieuw.

Halfdekkend

[bewerken]

Het halfdekkend schilderen wil zeggen dat dekkende verf vrij over een voorgaande laag wordt geschilderd. Dat kan ook op een alla prima laag, of over een impasto geschilderde laag. Onderliggende partijen blijven op een onregelmatige manier zichtbaar. Deze schilderwijze geeft een wat onvoorspelbaar resultaat. Het hout op een schilderij van Léonard Defrance in het hoofdstuk Ezel is halfdekkend geschilderd.

Sgraffitto

[bewerken]

Met de zijkant van het paletmes, of met de achterkant van je kwast, worden in de nog natte verf lijnen aangebracht, of wordt een oppervlak weggekrast. Zo worden de lagen eronder, of zelfs het kale doek, weer zichtbaar. Je kan hiermee ook een interessante structuur aanbrengen.

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.