Ontdekkingsreizen

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek

Doelen[bewerken]

Ontwikkelingsdoelen[bewerken]

Een beeld van de aarde en de cultuur ontstaat, dat veelomvattend, kleurrijk en enthousiasmerend is. Toch komt er ook steeds meer structuur en orde in de samenleving. Er ontstaat wetenschap, die nog geheel levend is en voortvloeiend uit verschijnselen die wel logisch en methodisch, maar niet abstract theoretisch worden verklaard.

Leerdoelen[bewerken]

  • Belangstelling wekken voor de feitelijke wereld.
  • Bewustwording dat men vanuit een bepaalde achtergrond/milieu/omgeving voortkomt.
  • Innerlijke beleving van de ontdekkingsreizen die de Europese mens in de 15/16e eeuw maakte.

Ontdekkingsreizigers[bewerken]

Een ontdekkingsreiziger was een leider of verantwoordelijke van een groep mensen die vaak in opdracht op zoek ging naar gebieden of plaatsen die voor de cultuur waar hij toe behoorde onbekend waren. Vaak hadden deze ontdekkingsreizigers de opdracht om deze nieuwe wereld in kaart te brengen, te kolonialiseren of te veroveren.

Bartolomeus Dias (1450-1500)[bewerken]

Bartolomeus Dias uitgebeeld op 'n posseël van Suidwes-Afrika

De Portugezen kwamen steeds verder op hun reizen langs de Afrikaanse kust. Bij elk nieuw veroverd stuk plaatsten ze een stenen kruis (padraõ) met daarop het wapen van Portugal, de datum en de naam van de zeevaarder. Het duurde tot 1471 voordat ze de evenaar passeerden. Hierdoor verdween de poolster, het oriëntatiepunt, onder de horizon. Nu leerden ze navigeren met de sterren van het zuidelijk halfrond, hier bood het Zuiderkruis hen houvast.

Toen koning Jan ll aan de macht kwam, liet hij weer expedities uitzenden. In 1487 zond hij Bartolomeus Dias met 3 karvelen, twee bewapende schepen en een bevoorradingsschip, op expeditie. Nog steeds was men op zoek naar de zeeroute naar India en Priesterkoning Johannes. Ze hadden de beste kaarten - die tot dan toe bestonden - tot hun beschikking. Na het passeren van de laatste padraõ voeren ze het onbekende tegemoet.

Op een gegeven moment kwamen ze in een hevige storm terecht die twee weken duurde. Toen de storm was gaan liggen, probeerde Dias met een noord oostelijke koers de kust te bereiken. Eindelijk kreeg de angstige bemanning land in zicht. Zonder het te weten waren ze om de zuidelijkste punt van Afrika heen gevaren. Ze waren uitgekomen bij de Mosselbaai (2 februari 1488). Ze voeren een stuk langs de kust, maar algauw durfde de bemanning niet verder. Ze plaatsten de laatste padraõ en zetten koers huiswaarts. Na 16 maanden en 17 dagen kwamen ze terug in de haven van Lissabon.

Bartolomeus Dias gaf deze kaap de naam Stormkaap. Koning Jan, die dit niet een bemoedigende naam vond, noemde het Kaap de Goede Hoop. Omdat hij de hoop had dat de zeeweg naar India spoedig gevonden zou zijn.

Ferdinand Magellaan (Portugees: Fernão de Magalhães) (1480-1521)[bewerken]

Een anoniem portret van Ferdinand Magellaan (Portugees: Fernão de Magalhães)

Als bemanningslid maakte Magelhaes reizen naar Indië. Door studie ontdekt hij dat er via het westen een doorgang is naar Indië. De Portugese koning wijst zijn plannen af, dus gaat hij naar het Spaanse hof. Van Karel V krijgt hij 5 schepen: Trinidad, San Antonio, Conception, Victoria en Santiago. Op 10 augustus 1519 vertrekt hij vanuit Sevilla, met ± 260 bemanningsleden.

Eind november bereiken ze de kust van Brazilië. Ze varen naar het zuiden, waar het steeds kouder wordt. De mannen worden ontevreden en er worden 3 schepen gemuit. Magelhaes weet dit te stoppen door de kapitein, de oprichter, te doden. Na een lange winter trekken ze verder. De Santiago gaat op verkenning, maar lijdt schipbreuk. Als ze bij een splitsing komen, weet de San Antonio er tussenuit te knijpen. Ze vinden een doorgang en komen op open zee. Ze zeilen 4 maanden over de onbekende oceaan. De mannen zijn zo uitgehongerd dat ze aan leren riemen knagen. Begin maart 1521 bereiken ze land. Daar kunnen ze weer op krachten komen. Om een ruzie op te lossen trekt Magelheas erop uit. Dit kost hem zijn leven, op 27 april 1521 wordt hij gedood.

De overgebleven mannen gaan met 2 schepen terug. Op de Specerijeneilanden laden ze de schepen vol. De staat van de Trinidad is te slecht. Dus varen ze, onder leiding van Sebastian del Cano, met de Victoria terug. Ze durven nergens meer aan land te gaan. Op 6 september 1522 komen ze met 18 uitgehongerde mannen aan in Sevilla. Zij hebben de eerste reis om de wereld gemaakt.

Marco Polo (1254 – 1324)[bewerken]

Mozaiek van Marco Polo in Villa Hanbury, Ventimiglia, Italië

Broers Matteo en Nicola Polo, handelslieden uit Venetië. Gingen naar Azië voor diamanten handel. Werden door mensen steeds verder Azië in uitgenodigd. Wanneer ze ergens langere tijd blijven leren ze te taal. Kwamen uiteindelijk bij Kublai Khan in Peking uit. Was zeer geïnteresseerd in deze Europeanen. Bleven daar geruime tijd. Reisden terug, Kublai wilde heilige olie uit Jeruzalem en priesters en geleerden om zijn volk te onderwijzen. Kregen vrijgeleide in de vorm van een goudstaf. Het was een gevaarlijke terugreis, deze duurde 3 jaar. De goudstaf bood ze bescherming.

Terug in Venetië bleek vrouw Matteo overleden, zijn 15 jarige zoon was alleen. Toen hij 17 was namen zij hem mee op reis. Met een karavaan met paarden en bepakte muilezels gingen ze weer naar Azië. Ze gingen over land en over zee. Was nog geen paus om gezanten te vragen. Ze reisden over de steppen en hoogvlakten, over Tibet, door woestijnen etc. Kwamen na 3,5 jaar weer bij Kublai Khan. Die ontving ze weer vriendelijk. Hij had vier vrouwen en vele bijvrouwen, zoals Marco Polo in zijn boek beschreef. Marco werd gezant van Kublai en moest voor missies heel Azië doorreizen. Hij maakte aantekeningen en beschrijvingen van alles wat hij tegen kwam. Zoals de hoogvlakten bij Mongolië, het hoge gebergte van de Himalaya, de monniken in Tibet, gekleed en doeken en gewaden, verschillende volkeren, rivieren, woestijnen. Ook reisde hij naar het zuiden en naar India, waar hij zag hoe mensen parels uit de zee haalden. Deed veel waardevolle waarnemingen waar hij verslag van maakte. Peking was een prachtige stad, met paleizen gehangen met goud en zilver. Zijden kleding bedekt met bladgoud. Specerijen, zoals kaneel, kruidnagel etc. Bleven 17 jaar in dienst. Toen met tegenzin van Kublai Khan terug naar Europa. Reisden terug met al hun rijkdommen met een vloot van 14 schepen. Moesten prinses overbrengen, gingen een stuk via zee. Het was een zware reis, waar zo’n 600 man overleed aan cholera of scheurbeuk. Verloofde bleek dood, trouwde met zijn zoon. Kublai, die al in de 70 was, bleek overleden. Vrijgeleide die ze jaren terug hadden gekregen gold nog steeds. Zo konden ze zonder gevaar voor hun leven langs de gewelddadige stammen. Over zee en door land.

Marco gaf een boek uit met hierin zijn waarnemingen en beschrijvingen. Toch waren er veel mensen die hem niet geloofden of dachten dat hij zijn verhalen aanvulde met zijn fantasie. Meest waardevolle document voor die tijd over ontdekkingsreizigers. Werd gezien als de belangrijkste ontdekkingsreiziger van de Middeleeuwen.

Specerijen[bewerken]

Verse gemberwortel
Kaneelstokjes
Kruidnagel
Nootmuskaat met rasp
Kurkumawortel doorgesneden
Verschillende kleuren peperkorrels
Gedroogde pimentkorrels

Tijdens de Gouden Eeuw was er in Europa een grote vraag naar specerijen. Specerijen zijn gemaakt van tropische planten uit Azië en worden gebruikt om smaak en geur toe te voegen aan allerlei gerechten. De handelaren uit de republiek hadden een monopolie op de specerijen uit Indonesië. Een monopolie betekend in dit geval dat alleen de handelaren uit de republiek deze specerijen mochten verhandelen. Andere landen die dit probeerden werden met geweld weggejaagd. Zo kon men de specerijen duur verkopen en veel geld verdienen.

Lijst van bekende specerijen[bewerken]


Gember
Gember is afkomstig uit de wortelstok van de gemberplant. Het is vandaag de dag een van de meest gebruikte specerijen ter wereld. Gember heeft een scherpe geur en smaak en een lichte kleur. Gember wordt gebruikt in verschillende drankjes en gerechten. In Nederland wordt gember ook gebruikt in koek en gebak. Gemberplanten kwamen oorspronkelijk naar Europa vanuit China en India. Het woord gember komt van het Franse woord gingembre wat levendigheid betekend.


Kaneel
Kaneel wordt gemaakt uit de binnenbast van jonge stengels van de kaneelboom. Deze kaneelstokjes worden vaak tot een poeder gemalen. Het poeder is bruin tot lichtbruin van kleur. Kaneel heeft een zoete smaak en geur en wordt vaak gebruikt in nagerechten en gebak. Van kaneel kan ook parfum gemaakt worden. Kaneel komt van het latijnse woord ‘cannella’ wat stokje betekend. Oorspronkelijk groeide kaneel vooral op Shri Lanka. Toen Shri Lanka veroverd werd door de Engelsen gingen de Nederlanders kaneel ook in Indonesië verbouwen.


Kruidnagel
Kruidnagel wordt gemaakt door de bloemknoppen van de kruidnagelboom te drogen. De hele kruidnagels worden vaak meegekookt met bijvoorbeeld rode kool maar worden niet gegeten. Van kruidnagel wordt ook speculaas gemaakt. Kruidnagels hebben een erg sterke en doordringende zoete en pikante smaak en geur. Oorspronkelijk groeide de kruidnagelbomen op de Molukken in Indonesië. Door de Nederlanders zijn kruidnagelbomen door heel Indonesië geplant. De naam kruidnagel is ontstaan door de vorm van de specerij die lijkt op een spijker.


Nootmuskaat
Nootmuskaat is afkomstig van de noten van muskaatboom. De noten zijn erg hard en worden daarom vermalen tot een poeder. Nootmuskaat smaakt bitter en wordt gebruikt bij gekookte bonen, bloemkool en andere groenten. In speculaas wordt ook nootmuskaat gebruikt. Muskaatbomen komen oorspronkelijk van de Banda eilanden in Indonesië. De naam Nootmuskaat komt van de muskusachtige geur.


Kurkuma
Kurkuma is afkomstig uit de wortel van de Curcuma longa of geelwortel. De wortels van de plant worden gemalen om het poeder te maken. De specerij is mild bitter van smaak en wordt gebruikt in veel currygerechten. Kurkuma wordt ook veel gebruikt als kleurstof vanwege zijn felle kleur. Naast smaakmaker en kleurstof kan Kurkuma ook gebruikt worden als medicijn. De Curcuma longa grooit in India. De naam van de plant komt van het Maleise woord Kunyit.


Peper
De meest bekende specerij is peper. Peper is afkomstig van de bessen van de peperplant. Peper kan zwart, wit of rood zijn. Door de onrijpe bessen te drogen ontstaan peperkorrels. Witte peperkorrels zijn eerst geweekt in water en rode peperkorrels zijn een heel ander soort. Peper kan in vrijwel ieder gerecht gebruikt worden om de smaak te versterken. Omdat peper in de Gouden Eeuw erg duur was is het woord peperduur ontstaan. De peperplant kwam oorspronkelijk uit India maar werd door de Nederlanders ook in Indonesië geteeld.


Piment
Piment wordt gemaakt uit de zaden van de Pimentplant. De zaden ruiken naar een combinatie van kruidnagel, nootmuskaat en kaneel. De smaak is scherp peperachtig. Piment komt oorspronkelijk uit midden Amerika en werd daar ontdekt door Columbus. Tegenwoordig wordt piment veel gebruikt in de caribische keuken.

Wereldbeeld en navigatie[bewerken]

Door de ontdekkingstochten veranderde het tot dan toe heersende wereldbeeld. Veel continenten en kustlijnen werden nu pas in kaart gebracht. Het binennland werd toen nog niet verkend. Men beperkte zich tot het opzetten van handelsposten of bevoorradingspunten. Met een uitzondering. In Amerika werden grote stukken land door de conquistadorus veroverd.

Meteen ontstond er een strijd rondom de vraag van wie dat nieuw ontdekte land nu eigenlijk was. Spanje en Portugal raakten daarover in conflict. Het was paus Alexander VI die er via het verdrag van Tordisillas in 1494 erin slaagde een compromis te laten aanvaarden. Al het land ten westen van de denkbeeldige lijn op 1770 kilometer ten westen van de Kaapverdische eilanden werd toegewezen aan Spanje, de rest aan Portugal.

Beeld van de wereld[bewerken]

De middeleeuwse mens vormde zich een beeld van de wereld uit bijbelse en klassieke geschriften, aangevuld met kennis door eigen waarneming. In dat beeld stond de aarde in het centrum, met boven de hemel en onder de hel.

Ptolemeïsch systeem

Het middeleeuwse wereldbeeld was heel wat minder primitief dan vaak gedacht wordt. Dit zogenaamde Ptolemeïsche wereldbeeld was gevormd door kennis uit klassieke geschriften, de bijbel en door eigen waarneming van de wereld. Middeleeuwse geleerden wisten dat de aarde rond was en geen platte pannenkoek. In hun optiek was de aarde het centrum van de wereld waar alle hemellichamen - zon, maan en sterren - omheen draaien. Boven de aarde strekt de hemel zich uit, waar God op zijn troon zit omringd door engelen en heiligen, en onder de aarde bevindt zich de hel. Het is een wereld waarin alles met alles samenhangt.

Middeleeuwers hadden een duidelijk beeld van hun eigen wereld. Europa, Noord-Afrika en het Nabije Oosten waren bekend, zoals we op verschillende landkaarten zien. Op de uiterst schematische wereldkaarten zijn die gebieden ingetekend. Jeruzalem ligt altijd in het midden: dat was de stad van God en dus het centrum van de wereld. Van Europa en de gebieden rond de Middellandse zee bestonden kaarten en routebeschrijvingen, zowel voor pelgrims als voor kooplieden. Maar ook buiten de bekende wereld werd gereisd. Sommigen reisden naar het oosten en kwamen tot in China. Marco Polo uit Venetië is wel de bekendste. Zijn reisverhaal, vol fantastische avonturen, was heel geliefd. Het verhaal van Jan van Mandeville was nog populairder. Mandeville was een Engelse ridder, die in het begin van zijn reisverslag uitgebreid uitlegt wat hij te vertellen heeft:

«  Ik, Jan van Mandeville, ridder (hoewel ik dat niet waardig ben) en geboren en opgevoed in Engeland, in een stad die Saint Albans heet, ondernam deze tocht over zee in het jaar ons Heren 1322 op Sint Michielsdag. Ik ben lange tijd op zee geweest en ik heb rondgekeken en rondgereisd in vele landen, vele provincies, vele koninkrijken en diverse eilanden. Ik ben door Turkije getrokken, door groot en klein Armenië, door Tartarije, door Perzië, Syrië, Arabië, door boven en beneden Egypte, door Libië, door het grootste deel van Ethiopië, door Chaldea, Amazonië, door voor- midden- en achter-Indië. En ik ben bij allerlei volkeren geweest, met allerlei wetten, verschillend van wijsheid, van geloof en verschillend van lichaamsbouw en uiterlijk.  »
Een blad uit een Engelse vertaling van het werk Voyages uit 1696

De wereld die Mandeville beschreef, was vreemd en opwindend, en zijn verslag werd in alle Europese talen vertaald. Pas eeuwen later bleek dat Mandeville een eersteklas bedrieger was. Hij had niet geschreven wat hij gezien had, maar een mooi verhaal gemaakt uit wat hij in allerlei geschriften was tegengekomen. Toch geeft hij juist daardoor een mooi beeld van de wereld zoals veel middeleeuwers die zelf zagen. Hoewel Mandeville zelf niet zo ver had gereisd als hij beweerde, blijkt uit de belangstelling voor zijn werk dat mensen nieuwsgierig waren naar de wereld buiten hun eigen omgeving. Telkens werd geprobeerd daarvan iets te ontdekken. Columbus was de eerste die de oceaan overstak, maar dat was niet omdat eerdere zeevaarders bang waren van de aarde af te vallen, maar omdat hun schepen en navigatiemiddelen technisch nog tekort schoten. De technische vooruitgang maakte uiteindelijk de kennis van de wereld groter, en zo gaat het ook nu nog steeds.

Oude Navigatie Methoden[bewerken]

Als een schip het zicht op de kust kwijt raakt, moet de kapitein nog wel weten welke richting hij op moet zeilen, want hij of zij wil zo snel mogelijk op de plaats van bestemming aankomen. Er is niets ergers dan een schip vol met zieke zeelieden die te lang op zee hebben gezeten. 

Wereldkaart uit 1689 van Gerard van Schagen.

Een van de eeste zeelieden die op zijn reis navigatie methoden gebruikte was Farao Neco, een Phoenicische zeiler. Door zijn observaties van de zon kunnen wij concluderen dat hij om Afrika heen is gevaren. Tijdens zijn drie jaar lange reis was de zon aan zijn rechter hand (in het noorden) voor een paar maanden, waaruit wij kunnen concluderen dat hij op het zuidelijk halfrond heeft gevaren.  Natuurlijk is dit geen goede indicatie van je positie op de aarde, maar je kan de zon wel voor navigatie gebruiken: we weten namelijk allemaal dat de zon opkomt in het oosten en ondergaat in het westen. Een opkomende zon aan de linkerkant van je schip betekent dus dat je naar het zuiden aan het varen bent. 

's Nachts was er geen zon. Daarom gebruikten de vroege ontdekkingsreizigers de poolster. Als je naar het noorden vaart komt de poolster steeds hoger aan de hemel. Maar als je over de evenaar naar het zuiden vaart is de poolster verdwenen en moet je naar andere sterren kijken. Op het zuidelijk halfrond gebruikte men het zuiderkruis voor de navigatie. Deze methodes werken niet als het bewolkt is. 

Zuiderkruis constellatie

Je locatie tussen noord en zuid, hoogtegraad, was eenvoudig te vinden. Vroeger waren de Vikingen bekend om de tabellen die ze voor de hoogtegraad maakten. Het meest gebruikte instrument was de quadrant, een kwart cirkel van 90 graden. Om een quadrant te gebruiken houd je hem vertikaal en richt je de ene "arm" op de horizon en de andere op de poolster. De hoek tussen beide armen is de hoogtegraad. Als je op de Noordpool bent is de hoogtgraad 90 graden en op de evenaar is hij 0 graden. 

De breedtegraad, de positie tussen oost en west, was moeilijker. Kapitein James Cook was de eerste die dat correct kon vaststellen, maar dat was pas in de 18de eeuw. De zeelieden voor Cook, zoals Columbus, gebruikten een combinatie van de richting en de snelheid van het schip. 

Azimuthaal-kompas uit de 18e eeuw
Jacobsstaf
Ptolemeus die een kwadrant gebruikt (1564)
Pierre Le Roy chronometer uit 1766

Met het kompas, ontdekt in 1183, kon men de richting vaststellen. In Columbus z'n tijd maten ze de snelheid door een stuk hout vooraan het schip in het water te gooien en de seconden te tellen totdat het stuk hout de achterzijde van het schip bereikte. Deze methode was niet betrouwbaar, omdat het tellen de ene keer sneller dan de andere keer ging. Later gebruikte men een lijn met daaraan veel knopen. De afstand tussen iedere knoop was dezelfde. Als een knoop door hun handen ging konden ze de snelheid vaststellen. Tegenwoordig wordt de snelheid op het water nog steeds gegeven in knopen. 

Deze snelheid moest je weer vermenigvuldigen met de gevaren tijd (zandloper). Door deze gegevens, richting en snelheid te combineren, kon men bij benadering de breedtepositie beplaen. Men noemde deze techniek deadreckoning. Voorwaarde is wel dat je een goed kaart hebt. 

De Engelsman John Harrison ontdekte in 1735 een instrument dat volledig weerstand bood tegen het weer op zee. Het gaf altijd de juiste tijd aan. Het instrument heette de chronometer en Kapitein James Cook was de eerste die het gebruikte op zijn reis. Daardoor was kon hij de tijd nauwkeuriger meten en zodoende zijn locatie nauwkeuriger bepalen. 

Toen Neil Armstrong op de maan landde in 1969, wijdde hij zijn reis aan John Harrison, die het mogelijk maakte de aarde te ontdekken en daarmee de moderne navigatie inleidde. Daardoor was Neil Armstrong in staat een reis naar de maan te maken. De chronometer was de start van de moderne navigatie.  Intrumenten in de Navigatie

Zeelieden willen altijd op de snelste manier naar hun bestemming varen. Dat zou je ook willen als je wist dat je beschimmeld brood moet eten indien je niet op tijd in de volgende haven aankomt.

Om naar je bestemming te zeilen heb je een paar dingen nodig: een kaart, de afstand die je reist en de hoek tussen je oude en nieuwe bestemming. Als men in onbekende wateren voer, wat betekende dat men geen kaart had, maakte men zelf een kaart. De afstand die je reist kan berekend worden door de snelheid maal de tijd. Als je 5 uur vaart met 20 km per uur, heb je 100 km gevaren. Snelheid was niet moeilijk om vast te stellen, maar de tijd op zee geeft problemen. Pas in de 18de eeuw kon de exacte tijd worden vastgesteld.

Om de goede richting op te zeilen heb je een kompas nodig. Met een St. Jacobsstaf, een quadrant of een sextant kun je, je afstand met de Noordpool vaststellen.

Kompas
Een kompas is een instrument met een magnetische naald. De naald heeft twee polen: een Noord- en een Zuidpool. Omdat de Zuidpool van de naald altijd naar het noorden wijst, kun je de exacte richting waar je heen reist bepalen. De richting was ook nodig om kaarten te maken. De Chinezen zeggen dat ze het eerste kompas meer dan 2000 jaar geleden gemaakt hebben. 

Jacobsstaf

Een Jacobsstaf is een vroeg zestiende eeuws instrument on de hoogtegraad vast te stellen. Het instument bestaat uit twee latten: een hoofdlat en een daaraan verbonden, schijfbare dwarslat. Op de hoofdlat staan graden aangegeven. Je richt de dwarslat op de poolster en beweegt de dwarslat net zolang totdat deze op de horizon wijst. Nu kun je de hoek op het instrument zelf lezen. Op de Noordpool is dat 90 graden en op de evenaar 0 graden.

Quadrant - Sextant
Een quadrant is ook een simpel instrument om de hoek vast te stellen. De sextant is een uitgebreider apperaat en de resultaten zijn iets beter dan die van de quadrant en de kruis staaf. Bij alle intrumenten is de hoek tussen de horizon en de poolster belangrijk. Een sextant heeft lenzen zodat je nauwkeuriger op de horizon en de poolster kunt richten. 

Chronometer
In de 18de eeuw werd de chronometer, een instrument waarmee de tijd kon worden bepaald, uitgevonden. Omdat men nu en de tijd en de snelheid van de boot wist kon met de afgelegde afstand berekenen. 

Bron: http://www.literatuurgeschiedenis.nl/lg/middeleeuwen/literatuurgeschiedenis/lgme044.html

De wereld vóór de grote ontdekkingsreizen[bewerken]

In de tijd van de Middeleeuwen hadden de mensen een heel ander leven dan nu. Hun leefwereld was veel kleiner. Ze leefden in hun dorp en kwamen daar vaak niet buiten. Er was een heel hechte gemeenschap, men kende het hele dorp en familie bleven bij elkaar. Wanneer de mensen ergens heen gingen, moesten ze vaak met de benenwagen gaan. Hierdoor waren afstanden die wij nu makkelijk afleggen te ver en de reis duurde te lang. Sommige mensen hadden ook een paard of paard en wagen, die konden al wat verder reizen. Voor het vervoer van spullen naar verschillende plaatsen bestonden er trekschuiten. Dit waren een soort drijvende vlotten. Aan beide kanten van het water trok een paard dit vlot voort. Ook door het maken van een zeiltje op zo’n vlot of boot, konden ze zich over water verplaatsen. Het reizen naar andere plaatsen was niet zonder risico’s (gevaarlijk). In bossen konden struikrovers zitten. Ook konden er ongelukken gebeuren en was niemand hiervan op de hoogte. Omdat het reizen alleen of met kleine gezelschappen gevaarlijk was, had je pleisterplaatsen. Dit waren plaatsen waar je kon overnachten of rusten tijdens een reis. Hier verzamelde dan meerdere mensen, waar je gezamenlijk mee verder kon reizen.

Waarom ging men toch op reis?
Maar waarom gingen de mensen dan toch op reis? Vroeger verplaatsten de mensen zich omdat het voedsel in hun gebied op was of omdat het land in de winter bedekt was met een laag sneeuw. Dit was noodzakelijk en werd bepaald door externe factoren.

Maar de drang om te reizen ging niet weg toen mensen zich eenmaal veilig in steden hadden gevestigd. Er waren nog altijd mensen die hun leven riskeerden op zoek naar het onbekende. Een belangrijk motief om op ontdekkingstocht te gaan was bijvoorbeeld de zucht naar rijkdom. Dit kon zijn om goud of zilver te zoeken, maar ook stoffen als zijde en ongekende specerijen, die het eten meer smaak gaven. Ook kon het zijn dat mensen andere gebieden opzochten omdat ze moesten vluchten voor een gewelddadige stam. In de tijd dat het Christendom heel belangrijk was, gingen de mensen op zoek naar andere volkeren om deze te bekeren tot het Christendom. Een verschrikkelijke reden om om ontdekkingstocht te gaan, was de slavenhandel. In andere landen roofden ze mensen weg om voor zich te laten werken. Maar het allerbelangrijkste motief zal toch zijn geweest de nieuwsgierigheid naar andere werelden.

Wat al deze mensen met elkaar gemeen hadden was de moed/ het lef om het op weg te gaan naar het onbekende, ver van hun eigen, bekende wereld. (koloniën stichten om daar mensen te kunnen vestigen (tegen overbevolking), bondgenootschappen smeden, heidenen bekeren en daarmee de macht vergroten, kennis opdoen van andere gebieden, begeerte naar kostbare waar, zoals goud, nieuwe routes om handel te drijven, slavenhandel...)

Wat voor gebieden zijn er ontdekt?
Ontdekkingen werden heel vroeger al gedaan en nog steeds ontdekt met nieuwe gebieden. Nadat de mens op Antarctica en de Noord- en Zuidpool was geweest, waren alle landen op de wereld ontdekt. Ook hadden ze toen vrijwel alle zeeën bevaren. Daarna ging met op het land op ontdekken, hoge bergen werden beklommen, continenten werden doorkruist. Toen waren de zeeën aan de beurt, steeds dieper daalde de mens af in deze onbekende wereld. De mens heeft een reis door de ruimte gemaakt naar de maan en nu ontdekken ze steeds meer sterren, planeten en sterrenstelsels in het heelal. En nog steeds worden er nieuwe ontdekkingen gedaan.

Wat houdt dat in, gebieden ontdekt? Vaak woonden er al mensen. Weinig écht nieuw gebied. Antarctica. Vaak kwamen ze hele beschavingen tegen, ver ontwikkelde volken die al handel met elkaar dreven. Europeanen waren vooral gericht geweest op eigen continent. Troffen vaak prachtige bouwwerken aan en gebruik van onbekende materialen.

Omstandigheden van de reis en op het schip. Aankomst in een onbekend land. Verbaasd, vriendelijk, vijandig. Honger, dorst. Geel water. Scheepsbeschuit (bedorven), ratten, zaagsel, dierenhuiden... Ziektes, scheurbuik, ontstoken tandvlees...

Spiegelretourschip[bewerken]

Doorsnede van een spiegelretourschip

De term spiegelschip werd ontleend aan de boven- en onderspiegel aan de achterzijde (achtersteven) van het vaartuig. Deze schepen hadden een gemiddelde lengte van 40 meter en waren driemasters. De grote mast (13) in het midden van het schip en de fokkemast (12) voor op het bakdek waren vierkant getuigd, de bezaansmast (14) op het bovenkampanjedek was langscheeps getuigd. De boegspriet (11) kon, indien noodzakelijk, voorzien worden van twee extra zeilen. Onderin het schip bevond zich het vrachtruim (1). Hierin kon een koebrugdek (2) aangebracht worden. Het koebrugdek, dat niet in ieder schip aanwezig was, kon gebruikt worden om manschappen en/of specerijen te bergen. Op dit dek kon men nauwelijks rechtop staan; de afstand tot de balken en planken erboven bedroeg hooguit anderhalve meter. Het overloopdek (3) sloot het vrachtruim van boven af. Hier bevonden zich het kombuis en de bottelarij. Het overloopdek gold als belangrijkste verblijfplaats voor de bemanning en diende ook als geschutsdek voor de zwaardere kanons.

East Indiaman Section Numbered.png

Aan de achterzijde van het schip was een verhoogd gedeelte: het bovenkampanjedek (8). Hieronder kon men de kapiteinshut, de officiershutten en de kajuit (6) vinden. Het bovenkampanjedek liep over in het half- of kampanjedek (7). In de tropen werd dit overspannen met doek om bescherming tegen de zon te geven. Het schip werd bestuurd vanaf de stuurplecht (5), aanvankelijk met behulp van een kolderstok en later met behulp van een stuurrad. De stuurplecht vormde de achterste begrenzing van het verdek (4). Aan de voorzijde werd het verdek begrensd door het bakdek (9). Dit verhoogde gedeelte van het schip werd eveneens als verblijfplaats voor de bemanning gebruikt. Het galjoen (10), het verstevigde uitgestoken gedeelte aan de boeg van het schip, dat meestal voorzien was van een prachtig ornament, bepaalde het karakteristieke vooraanzicht van een Oostindiëvaarder.

Het leven aan boord van een VOC-schip[bewerken]

De Noord-Nieuwland in de Tafelbaai, 1762)

En dan zijn de schepen gereed en staat de bemanning klaar voor een maandenlange reis richting het Oosten. Een reis die voor velen werd ondernomen met de hoop om als een rijk man terug te keren naar Holland. Maar de moeilijke tijden die hem stonden te wachten ontnamen aan velen die hoop.

Zo schreef een boekhouder uit Enkhuizen aan zijn moeder:

«  “Waarde moeder, als die jonge maatjes in het vaderland eens wisten hoe het hier in Indië toeging, dan zouden ze wel beter hun best doen en niet zo makkelijk zeggen: ‘Ik ga naar Oostinje, als boekhouder.’ Nou, het zijn grote heren zolang hun geldje dat ze meegenomen hebben nog toereikend is, voor een maand of zes of acht, maar helaas, raakt dat geld op, dan worden het slechte zijden of lakens kleedjes, zo sjofel dat men eerder een verlopen kwakzalver dan een boekhouder van de Compagnie lijk”. »

(Roeper & van Gelder, 2002; p. 133)

Echter het leven van de avonturiers stond al lange tijd voor de aankomst in Oost-Indië op zijn kop, geteisterd door de gevaarlijke reis en de erbarmelijke omstandigheden op de schepen. Het leven aan boord van een VOC schip was namelijk voor de meeste opvarenden geen pretje. En er zat een groot verschil tussen het leven voor de mast en het leven daarachter.

Het leven achter de mast[bewerken]

Achter de mast leefden de hoge heren zoals de opperstuurmeester, opperkoopman, de predikant, de chirurgijn en de gasten die aan boord waren. Onder de gasten bevonden zich zo nu en dan ook vrouwen. Echtgenotes of zusters van hoge bemanningsleden die in Oost-Indië de huishoudens gingen leiden of huwelijken gingen sluiten met de daar aanwezige Hollandse elite.

Comfortabele hutten
Het leven achter de mast was in vergelijking met dat van voor de mast ontzettend luxe. Deze passagiers woonden in kleine, doch zeer comfortabele hutten. De hutten waren voorzien van onder andere een tafel met stoelen, een bed, een kast en soms zelfs een bank. Hoewel de hutten gesloten waren en de overige passagiers dus niet konden zien wat er zich binnen de hut afspeelde was de privacy van deze passagiers toch niet veel groter dan dat van de overige passagiers. De dunne houten tussenschotten hielden geen geluid tegen en dus kon men wel degelijk horen wat er binnen aan de hand was.

Vermaak
Overdag vermaakten de opvarenden achter de mast zichzelf in de grote kajuit gelegen op het ondergelegen verdek. Er was in overvloed eten beschikbaar: verse groente, vele soorten vlees en vers gevangen vis, poffertjes en pannenkoeken of rijst met krenten. Ook tijdens de middagthee ontbrak er niets: confiture, noten en amandelgebak, alles was beschikbaar. Men vermaakte zich met toneel- of muziekavonden, schreef in hun dagboek of deed een poging om vis te vangen.

Lading
De reizigers die achter de mast verbleven waren vrij om naast de benodigde levensmiddelen wat eigen lading mee te nemen die zij vaak verkochten in Indië. Deze goederen konden uiteen lopen van glaswerk, boeken en hoedenkisten tot tabak, koffie en chocola.

Huwelijken en begrafenissen
Achter de mast werd het gewone leven zo goed en zo kwaad als het kon voortgezet. Missen, huwelijken en begrafenissen vonden dan ook gewoon plaats op de schepen. In geval van overlijden werden, indien mogelijk, de lichamen van de edelere reizigers aan land begraven. Echter wanneer dit te lang ging duren werden deze lichamen, net als die van de minder bevoorrechten, gewoon overboord gezet.

Het leven voor de mast[bewerken]

Voor de mast was het leven compleet anders. Hier verbleven de onder andere de zeelieden, soldaten. Zij leefden op het overloopdek tussen plunjekisten en hangmatten, kanonnen en handelsgoederen. Door het lage plafond moesten zij zich voorover gebogen door het ruim verplaatsen. Waar de edele lieden nog op matrassen konden slapen moest deze lui het zich zo comfortabel mogelijk zien te maken op een strozak met een haren deken of in een hangmat.

De matroos
Scheepskist VOC met deel van de inhoud De kist van de zeeman was gevuld met een stel extra kleren (een jas, een of twee broeken, een aantal hemden en onderbroeken, een slaapmuts en soms een paar schoenen). Verder stopte de zeeman in zijn kist een tabaksdoos, pijpen en een tondeldoos om vuur te maken, een stuk zeep, een spiegeltje en enkele kammen, een bord, messen, lepels, een kan en een kroes, alles met zijn initialen gemerkt, en enig naaigerei. Diegenen die konden lezen en schrijven namen papier en inkt mee, een bijbel of navigatiehandboek. Iedereen nam enige kazen, hammen, stroop en flessen jenever mee voor de eerste weken aan boord.

De dagelijkse werkzaamheden van de zeelieden waren o.a. op de uitkijk staan en het bedienen van de zeilen en lenspompen. Verder teerden de matrozen het schip, verrichten zij allerlei reparaties onder leiding van de ambachtslieden en moesten zij elke dag ‘schoonschip’ maken. In hun schaarse tijd luierden de mannen in hun hangmatten benedendeks. Bij goed weer zaten zij aan dek, voor de grote mast, op en onder het bakdek dat hun domein was. Zij verstelden hun kleding, maakten muziek of speelden een stuk schertstoneel.

De soldaat
Omstreeks 1700 beschreef Nicolaas de Graaff dat de VOC een toevluchtsoord was voor armoedzaaiers waaronder ‘Polakke, Sweeden, Deenen, Noord-luyde, Jutte, Hamborgers, Bremers, Lubekkers, Dantsikers, Konixbergers, Hoogduytse, Oosterlingen, Wesfaalders, Bergse, Gulikse, Kleefse, en voorts allerhande Moffen, Poepe, Knoete, Hannekemaijers en andere kassoepers, die ’t gras nog tussen de tanden steekt…’

Om de uitgestrekte Nederlandse bezittingen tegen indringers te beschermen, had de VOC zo’n 15.000 soldaten in dienst. Zestig tot zeventig procent van het VOC-personeel in Azië bestond uit soldaten. Zij waren afkomstig uit dezelfde eenvoudige sociale milieus als het scheepsvolk. Door een groot tekort aan soldaten uit eigen land werden veel militairen en soms zelfs hele regimenten in het buitenland geronseld. Het militaire voetvolk vormde de laagste rang in de VOC-hiërarchie. Hun werkzaamheden bestonden voornamelijk uit wachtlopen voor de Nederlandse bezittingen.

De scheepsjongen
De VOC maakte dankbaar gebruik van weesjongens uit het armen- en het burgerweeshuis. Het bestuur van zo’n weeshuis kreeg een behoorlijke vergoeding voor het ‘leveren’ van een scheepsjongen. Het was bovendien een uitkomst om lastige jongens naar zee te sturen. Overigens wilden veel jongens maar al te graag naar zee. Tussen 1720 en 1773 voeren maar liefst 63 jongens uit het Armen- en Burgerweeshuis in dienst van de VOC naar de Oost. Ze mochten aan het werk gaan als (hulpje van de) matroos, kuiper, timmerman, chirurg of ziekentrooster. Dikwijls was zo’n jongen nog maar net twaalf jaar oud.

De jongens kregen als uitrusting mee: Drie dozijn pijpen, zes pond peperkoek, twee stoop sterke drank, drie pond tabak, twee pond tamarinde (een laxeermiddel), twee pond suiker, twee paar kousen en twee paar wanten, twee slaapmutsen, een half dozijn messen, vier grove en vier fijne kammen, een kannetje inkt, een pennemes, pennen, papier en een stukje rode lak. Verder ontbrak ook niet het bijbeltje, een pistool, kleding, een hangmat, dekens, een kussen, een bord en 3 lepels. Hun uitrusting verschilde van keer tot keer. Dat was afhankelijk van leeftijd, de rang die ze gingen bekleden en de bestemming van de reis.

Na de reis
Een reis naar China duurde zo’n anderhalf jaar. Als ze weer veilig de thuishaven bereikten werden de jongens uit huis geplaatst. Volgens het bestuur van het weeshuis konden ze met hun ervaring echt niet meer bij de onschuldige kinderen in de weeshuizen verblijven. Als ze geluk hadden, kwamen de jongens in loondienst bij een of ander gezin. Als ze pech hadden, kwamen ze terecht bij een ‘zieleverkoper’ die hen ‘opsloot’ in een volkslogement tot er weer een schip naar de Oost vertrok.

Barre omstandigheden
Naarmate de reis langer duurde werden de omstandigheden op het dichtbevolkte dek steeds slechter. De stank van het kielwater onderin het schip vermengde zich met de sterke lichaamsgeuren van de bemanningsleden en de onaangename lucht van uitwerpselen van ratten, de scheepskat en soms ook menselijke ontlasting. Als de stank ondragelijk werd of er veel zieken waren, dan ging men over tot het sprenkelen van azijn of het branden van buskruit met jeneverbessen en andere kruiden, om de lucht te zuiveren. Echter wanneer er een storm uitbrak verslechterden de omstandigheden nog meer aangezien dan de luiken dicht moesten om te voorkomen dat al het water naar binnen spoelde.

Ongedierte
Via gaten tussen de balken onder in het ruim kon het kielwater weg worden gepompt. Via deze weg echter wist ongedierte zich naar binnen te werken. Duizendpoten, schorpioenen, ratten, muizen, vlooien, luizen en schadelijke mieren wisten allemaal naar binnen te komen. De steken van de duizendpoten en schorpioenen waren zeer giftig en veroorzaakten hevige pijnen en dus moest men constant oplettend zijn.

De maaltijd
De maaltijden van de lieden voor de mast verschilde ook enorm van dat van andere opvarenden. Al was de hoeveelheid eten voor de zeelieden en soldaten wel vaak voldoende, de maaltijden waren wel zeer eenzijdig, te zout en veel te vet. Er werd gezorgd voor voldoende calorieën maar er was een groot tekort aan vitaminen. Zo kreeg een man 5 kazen per reis, ½ pond boter en 5 pond scheepsbeschuit per week en per dag ruim een liter bier en een mutsje (1 dl.) wijn of jenever.

De bemanning kreeg driemaal daags te eten: het ontbijt bestond uit gort met pruimen en boter, ’s middags en ’s avonds erwten, bonen of rijst met boter en enorme hoeveelheden mosterd. Zondags en donderdags 5 pond gepekeld rundvlees, dinsdags 3 ½ pond gepekeld varkensvlees en vrijdags en zaterdags 2 pond stokvis. In warme streken werd het rantsoen verminderd, maar werd meer bier verstrekt. Met drinkwater was men zeer zuinig en de kwaliteit was, na enige maanden in kuipen, slecht. Het gewone scheepsvolk at in groepen van zes of zeven man gezamenlijk uit één bak. Ondervoeding en uitdrogingsverschijnselen waren niet zeldzaam op de VOC schepen.

Scheepsspelletjes
In de vrije uren vermaakte het scheepsvolk zich door elkaar verhalen te vertellen, te stoeien en spelletjes te spelen. Deze spelletjes liepen uiteen van bord- en kaartspellen tot zelf verzonnen spellen. De laatste genoemde konden er soms erg grof aan toe gaan. Neem als voorbeeld het molenaarsspel dat een Duitse soldaat in een brief naar huis heeft beschreven. In dit spel zijn er een stuk of twaalf mannen die zich voor doen als graanzakken. De molenaar zingt een lied en rammelt met een vat met daarin een kanonskogel. Dan komt de boer die zijn levende graanzakken aan de molenaar aanbiedt. Deze worden vervolgens in een kring gezet, waarbij één ongelukkige graanzak in het midden wordt geplaatst. De ‘molen’ gaat draaien waarbij alle mannen in de kring met hun voeten tegen de middelste graanzak aanschoppen. Wanneer de levende graanzak omvalt wordt deze weer overeind geduwd en zo gaat het malen van de molen door.

Feest
Naast het spelen van spelletjes vermaakten de zeelieden zich door te dansen en muziek te maken. Normaliter werd dit slechts gedaan door de rijkere opvarenden. Er werd dan veel gedronken en gedanst. Maar was de kapitein in een goed humeur dan werd het ook aan het volk voor de mast toegestaan om muziek te maken. Zij sloegen dan op de trommels van de tamboer, de trompetter speelde een lied en een ieder die een instrument wist te bespelen deed dit ook. Het kon dan groot feest zijn op het schip.

Ziekte, dood en verderf
Deze mooie momenten stonden echter in groot contrast met vele zeer gevaarlijke en zeer droevige tijden die men mee maakte op het schip. Hoewel er zo nu en dan aan boord van de schepen een kind werd geboren waren ziekte, dood en verderf vele male vaker en duidelijker aanwezig. Hoe verder de reis vorderde hoe meer zieken er aan boord waren. De scheepschirurgijn had er zijn handen vol aan.

http://www.zeeuwsarchief.nl/zeeuwse-verhalen/het-leven-aan-boord-van-een-voc-schip/

Bron: Ketting, H., Leven, werk en rebellie aan boord van Oost-Indiëvaarders (1595-±1650), (Amsterdam 2002)

Lijst van belangrijke jaartallen[bewerken]

1300 → (1300-1450) Renaissance
1483 → Maarten Luther, te Eisleben, 10 november
1500 → Karel V, te Gent, 24 februari
1509 → Johannes Calvijn, te Noyon, 10 juli
1517 → Luther spijkert 95 stellingen op deur slotkapel Wittenberg.
1521 → (3 januari) banvloek van paus over Luther.
1521 → (20-21 april) Rijksdag te Worms Karel V tegenover Luther. Luther in de rijksban.
1529 → (1529-1543) Bourgondische Kreits
1533 → Willem van Nassau, Dillenburg, 24 april
1536 → Calvijn te Geneve, reformatie van de kerk uitvoeren.
1555 → Afstand troon Karel V, opvolger Filips II
1558 → Karel V sterft
1559 → Vredesverdrag met Frankrijk, geheim besluit uitroeiing ketterij. Filips II vertrekt naar Madrid. Margaretha van Parma landvoogdes.
1565 → Smeekschrift lagere adel. les gueux
1566 → begin Beeldenstorm
1567 → hertog van Alva door Filips II gestuurd, orde handhaven.
1568 → Bloedraad van Alva veroordeelt stadhouders Egmond en Hoorne.
1570 → ontstaan lied Wilhelmus
1572 → Elisabeth van Engeland sluit haar havens voor de watergeuzen. Zij nemen Den Briel in. Opstand in Holland en Zeeland tegen het Spaanse gezag. Negentien martelaren van Gorcum. Staten van Holland erkennen Willem van Oranje als stadhouder.
1573 → Val van Haarlem. Spaans beleg van Alkmaar mislukt.
1574 → Spaans beleg van Leiden mislukt. De stad wordt ontzet.
1575 → Leidse universiteit geopend.
1576 → Pacificatie van Gent. Filips II benoemt Don Guan van Oostenrijk tot landvoogd.
1577 → Haarlem en Amsterdam kiezen voor de opstand.
1578 → Unies van Utrecht en Atrecht.
1581 → Afzwering van Filips II, Plakkaat van Verlatinghe
1584 → WilLem van Oranje door Balthazar Gerards vermoord. Zijn zoon Maurits volgt hem op.
1585 → Leicester als landvoogd naar het noorden.
1586 → Leicester vertrekt weer.
1587 → Onafhankelijke Vrije Republiek der Zeven Provinciën, 4 december.
1588 → Spaanse Armada verslagen op Noordzee.
1590 → Het turfschip van Breda.
1591 → Coevorden en Steenwijk genomen.
1594 → Maurits neemt Groningen.
1595 → Overwintering op Nova Zembla. Eerste vloot vaart naar Java, Bali en de Molukken.
1598 → Het hele gebied ten noorden van de grote rivieren in handen van Maurits.
1599 → Van Neck onderneemt zeer succesvolle expeditie naar Java.
1600 → Slag bij Nieuwpoort, Olivier van Noort vaart de wereld rond en keert in 1601 terug.
1601 → Oprichting VOC.
1609 → (1609-1621) Twaalfjarig Bestand. Begin twisten tussen arminianen en gomaristen.
1617 → Maurits ontslaat de Utrechtse waardgelders en verzet vervolgens in een groot aantal steden de wet.
1618 → Oldenbarnevelt voor het gerecht gebracht. Ledenberg pleegt zelfmoord.
1619 → Oldenbarnevelt onthoofd. Jan Pieterszoon Coen sticht Batavia.
1620 → Hugo de Groot ontsnapt in een boekenkist uit het slot Loevestein. West-Indische Compagnie opgericht.
1625 → Val van Breda. Overlijden prins Maurits. Zijn broer Frederik Hendrik volgt hem op.
1628 → Piet Hein maakt zich meester van de zilvervloot.
1629 → Frederik Hendrik verovert Den Bosch.
1632 → Frederik Hendrik neemt Maastricht.
1633 → Een WIC-contingent verovert Curacao, Aruba en Bonaire.
1636 → Johan Maurits van Nassau benoemd tot gouverneur van Pernambuco.
1637 → Het slavenfort Elmina op de Ghanese kust valt in handen van de WIC.
1638 → De Tweede Armada in de baai van Duins verslagen door een Staatse vloot onder Tromp.
1644 → Johan Maurits neemt ontslag als gouverneur.
1645 → De val van Hulst is het sluitstuk van de laatste grote militaire operatie uit de Tachtigjarige Oorlog.
1646 → Frederik Hendrik overlijdt.
1648 → Vrede van Munster.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.