Manifest van de angst/Hoofdstuk2 Eeuw vol geweld

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
« Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. »
In de zestiende eeuw verschijnt in Europa een juridisch -theoretische consensus in de geschriften van Filips Wielant en Joost de Damhoudere en de steeds machtiger wordende Koninklijke justitie (maar daarom niet doeltreffender). De consensus is er één die men wenselijk acht en die men verfijnt. De praktijk is anders: recht en realiteit verschillen.
Antoni van Leeuwenhoek was landmeter, glasblazer en microbioloog bekend door zijn zelf gefabriceerde microscoop en zijn pionierswerk voor de celbiologie en de microbiologie.
Microscoop van Robert Hooke. Afbeelding uit Hooke's Micrographia, Londen, 1664.

De verstatelijking (zie hoofdstuk 1) gaat gepaard met een fysieke, religieuze en wetenschappelijke verbreding van het wereldbeeld.[1] In deze turbulente periode neemt de renaissancemens ruim de tijd om zich te bevrijden van de magische demonen die zijn leven eeuwenlang domineren. Die onttovering, om het met Weber te zeggen, is een bijzonder gewelddadig gebeuren die de Europeaan –van zwerver tot Keizer - door elkaar schudt met reconquista en conquistadores, met reformatie en contrareformatie, met heksenwaan en de herinvoering van de slavernij, vredevol ingeleid door de a-typische uitvinding van de boekdrukkunst.[2] Victor Hugo zou later het einde van de middeleeuwen prozaïsch omschrijven als de zon van de gotiek die ondergaat achter die enorme drukpers uit Mainz.[3] De Europeanisering van de wereld en de globalisatie beginnen met een lange, turbulente zestiende eeuw.[4] De eeuw is een laboratorium voor nieuwe ideeën en experimenten. Kennis verspreidt zich met een nooit geziene snelheid. Dat maakt de renaissancemens tot Renaissancemens, veelmeer dan de rinascità (wedergeboorte) van de kunsten en letteren sinds de ondergang van het Romeinse rijk, zoals Giorgio Vasari het in 1550 bombastisch formuleert. De renaissancemens zet geen punt achter de middeleeuwen. Hij is erfelijk belast. Hij erft een gewelddadige middeleeuwse mentaliteit, hij erft een denkwijze die fundamenteel anders is en hij erft een even versnipperde als gecompliceerde strafrechtspleging. Heerlijke, geestelijke, stedelijke en dorpsrechtbanken ruziën over bevoegdheden en strafwijzen tot een juridisch -theoretische consensus verschijnt in de geschriften van Philips Wielant en Joost de Damhoudere en de machtiger wordende Koninklijke justitie, die daarom niet doeltreffender is. De consensus is er één die men wenselijk acht en verfijnt. De praktijk is anders: recht en realiteit verschillen.

Angst voor armoede (2): strafrechtspleging[bewerken]

De ijver voor een doelgerichte strafrechtspleging vindt zijn oorsprong bij de leidende minderheden. Hun angst voor verschoppelingen, invaliden, armen en bedelaars, ontwortelde plattelanders, gekken en ketters, struikrovers en heksen zet hen aan tot hun criminalisering en marginalisering. In deze tijd is er geen politiemacht om de groeiende massa landlopers, rovers en bandieten op te sporen en te vernietigen. De prille ‘politie’, de provoost van de maarschalken jaagt op marginalen en vervolgt mensen zonder woonplaats, sluit ze op, ruimt ze uit de weg en stelt hun lichamen tentoon.[5] Strenge straffen vragen weinig inspanning en hebben een groot afschrikkend effect: slot en grendel, verbanning, lijfstraffen, publieke tuchtiging, blok, boeien, de galeien, galg. De kerkers die Francisco Goya schildert, tonen de antipode van het panopticumparadigma: duister, onoverzichtelijk, een kronkelende mensenmassa van lijven die in elkaar overvloeien, moeilijk te bewaken. Ze tonen de macht in een agrarische samenleving. Tijdens het ancien regime vergroot de politiemacht maar bestaan er twee opvattingen van de openbare orde naast elkaar. Nieuw is dat de staat en de justitie willen misdaad vernietigen. Daartegenover staan de gemeenschappen die via het gewoonterecht kiezen voor conflictbeheersing. Stedelingen wennen snel aan de criminalisering van staat en justitie, in tegenstelling tot de plattelanders. Het nieuwe rechtstelsel botst met de traditie van de eigenrichting waarbij buitenstaanders pottenkijkers zijn. De criminalisering van geweld verloopt er langzaam, en het is wachten tot de achttiende eeuw voor de criminalisering van moord een feit is. Het vroegmoderne rechtsapparaat is niet altijd monstrueus. In 1565 wordt een boer in het Rijselse beschuldigd van vrijdenkerij. Zijn straf is opvoedkundig en conformeert de gestrafte aan de eredienst en justitie. Hij leert hem denken “zoals het hoort.” Autoriteiten tolereren bepaalde gedragingen niet langer, terwijl de bevolking zich niet altijd bewust is van het ‘goede’ of het ‘slechte’ van haar gewoontes. De veroordelingen dienen een dubbel doel: de schuldige corrigeert zijn gedrag en het openbare karakter van het vonnis moraliseert de omstanders. En het werkt: generatie na generatie daalt het aantal voorhuwelijkse zwangerschappen en onwettige geboorten. De moralisering is vaker opvoedend dan bestraffend, tenzij het om ketterij of hekserij gaat. Dat hardnekkige magische geloof is moeilijker te verdelgen.[6]

Angst voor ‘wyven’ en 'toverie'[bewerken]

Vier heksen van Durer.
« Natuurlijke verschijnselen zoals de echo, geschreeuw van trekvogels, dwaallichten of onweer doen naïevelingen geloven in spoken»

In de zeventiende eeuw – de eeuw van de fysica - geven Copernicus, Galilei, Kepler en van Leeuwenhoek het magische wereldbeeld de genadeslag. Op 23 oktober 1684 wordt Martha van Wetteren verbrand in Belsele. Ze is 38 en heeft net een kind gebaard. Beschuldiging? Hekserij. Ze genas schapen van de pokken, deed graan groeien en vond een gestolen koe terug. Voor zover we weten is dit de laatst verbrande heks in Vlaanderen.[7] In de meeste steden doven de brandstapels vroeger: in Brussel in 1595, in Antwerpen vond de laatste verbranding in 1603 plaats, in Leuven in 1612 en in Brugge in 1634. Magie beïnvloedt de vruchtbaarheid bij planten, dieren en mensen via schoonheidscrèmes en seksuele functies, magie helpt bij het genezen van planten, dieren en mensen, voorspelt de toekomst en poogt natuurelementen te beheersen. De hoeveelheid bronnen toont dat magie geen marginaal verschijnsel is, integendeel. De bevolking vindt de gebruiken normaal en gaat te rade bij de mannelijke en vrouwelijke magiërs. Een onderscheid tussen magie en wetenschap, tussen geloof en bijgeloof is er nauwelijks. Wiskunde, astrologie en handlezen vloeien tot de vijftiende eeuw probleemloos in elkaar over. Heksen of tovenaars en hun rituelen worden getolereerd. “Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje” schrijft Huizinga.[8] Vlaanderen bestraft hekserij aanvankelijk sporadisch. Zo betalen in 1412 een Brusselse prostituee en iemand in Leuven boetes voor het bezit van lichaamsdelen van een dief. In de loop van de eeuw verstrengt de bestraffing. In Antwerpen worden in 1491 drie vrouwen op pelgrimstocht gestuurd omdat ze een terechtgestelde ontdoen van handen en hoofd. Het hoofd begraven ze onder hun voordeur, de handen onder de achterdeur. Wat betekenen deze rituelen? In het volksgeloof houden overblijfselen van terechtgestelden kwade geesten tegen. Een bron om de heksenleer te bestuderen is de Heksenhamer of de Malleus Maleficarum uit 1486 van twee dominicanen. Hendrik Institoris en Jacob Sprenger schreven deze handleiding voor heksenprocessen. Het boek kende een snelle en massale verspreiding dankzij de boekdrukkunst. Het document maakt Satan tot hoofd van de antikerk en construeert de demonologische heks. In de zestiende eeuw wordt de persoonlijkheid van Satan bedreigend. Hogere groepen zien hierin het kwade, voor de lagere klassen blijft magie een overlevingssysteem. De heksenverbrandingen doorkruisen de zestiende en zeventiende eeuw. Een vraag waar historici hun tanden op breken is waarom deze gruwel net in de renaissance plaatsgrijpt. Bijgeloof, volksgeloof en magie bevinden zich van oudsher op het machtskruispunt waar ook de staat, de wetenschap en het geloof samenkomen. In de zestiende en zeventiende eeuw creëren de staatsvorming, de wetenschappelijke belangstelling, de reformatie en de contrareformatie een gemeenschappelijke vijand: de vrouw die magie bedrijft.[9] Het wederkerig belang van wetenschap, kerk en staat materialiseert zich in de vermannelijking van de wetenschap, in een herkerstening, en in het strafrecht.

  1. De prille wetenschap in de zeventiende eeuw verdrijft vrouwen uit de medische stand. De opkomende mannelijke geneeskunde tolereert niet langer het vrouwelijke bijgeloof en ziet zich hierin gerugsteund door de kerk. Die stelt de onprofessionele genezing gelijk aan ketterij. De kerk houdt bovendien toezicht op de beginnende medische wetenschap. Universitaire artsen oefenen geen praktijk uit zonder priester en behandelen geen patiënten die de biecht weigeren.
  2. Het onderscheid tussen "vrouwelijk" bijgeloof en "mannelijke" wetenschap kristalliseert zich uit, op hetzelfde moment dat de godsdiensttroebelen een hoogtepunt bereiken: de herkerstening gebeurt onder meer door het uitbannen van bijgeloof.
  3. Sinds het einde van de heksenprocessen overleeft hekserij als een marginaal fenomeen. In de achttiende eeuw verdwijnt het uit het strafrecht. Rechters bestempelen het als misbruik van vertrouwen.

Samengevat: “La nuit diabolisée” is een moderne uitvinding. In de zestiende en zeventiende eeuw slaan de kerk, de wetenschap en de staat de handen in elkaar om de scheiding tussen hun actieterreinen te voltrekken. Op dat actieterrein bevindt zich één gemeenschappelijke vijand, namelijk de magie, die zowel religieuze, wetenschappelijke als bestuurlijke aspiraties heeft.

Angst voor armoede (3): arbeidsethos[bewerken]

In de zestiende eeuw werken Amsterdam, Londen, Parijs en Wenen als magneten op armen. De overheid vertaalt armoede in termen van geschiktheid, nabijheid en meegaandheid. De drie dimensies onderscheiden rechthebbenden van gevaarlijke armen. Een geschikte kan in een ruilrelatie een tegenprestatie leveren. Een ongeschikte kan dat niet en bedankt zijn broodheer met respect, gebed, door af te zien van vervloekingen, betoveringen of geweld. Nabijheid bestaat uit verwantschap (familiehulp) en verblijf (burenhulp). Het staat tegenover de vreemde. Meegaandheid is de activiteit van de arme tot surplusherverdeling. Beschaamden verbergen hun ellende en zijn dus meegaand en passief, in tegenstelling tot assertieve bedelaars en dievenbendes. Ze bedreigen de staat in Europa en de Verenigde Staten tot diep in de negentiende eeuw.[10]

Bedelende kinderen, dieven, nette armen en luie armen, rondtrekkende heksen, zwervende rovers, venters en marskramers, zwervende idioten en melaatsen, één voor één krijgen ze een plaats in het schema dat armoede vertaalt in termen van geschiktheid, nabijheid en meegaandheid.

De oplossing voor het dilemma van uitsluiten of toelaten is de koppeling van bijstand en arbeid. Armenhuizen introduceren die idee en doen armen werken. Na de stichting van het eerste armenhuis, het Rasphuis in Amsterdam in 1596, wordt dit in de zeventiende eeuw de dominante oplossing voor het Europese armoedeprobleem. Staten helpen bij de financiering en het beheer. Armen, krankzinnigen, luiaards met nood aan tucht, invaliden, wezen, weduwen]], bejaarden, idioten, berooiden, gekken en hoeren, schurken, kruimeldieven en andere crimineeltjes worden opgesloten. Abraham de Swaan breidt zijn schema uit als volgt.

Totale kost als Zij toelaten Zij uitsluiten Zij tewerkstellen
Wij toelaten Situatie 1: -5 + -5 Situatie 4: -15 + -11 Situatie 5: 0 + -5
Wij uitsluiten Situatie 2: -1 + -5 Situatie 3: -11 + - 11 Situatie 7: -1 + 0
Wij tewerkstellen Situatie 5: 0 + -5 Situatie 6: -10 + - 11 Situatie 8: 0 + 0

De voordelen lijken legio. Armenhuizen onderhouden ter zijde geschoven arbeiders, vermijden dat ze overgaan tot diefstal en voorkomen dat ze wegtrekken met de fabrieksgeheimen. Het armenhuis moraliseert deze vlottende groep, het komt de openbare orde ten goede en het bekostigt zichzelf. Het armenhuis kan naargelang de omstandigheden aantrekkelijk of afschrikwekkend zijn en is overal inzetbaar. De verwachtingen zijn hooggespannen. Desalniettemin lukt het niet om de armenhuizen zakelijk gezond te krijgen. Wel duidelijk is dat de armenhuizen de openbare veiligheid vergroten en aldus een politiezaak zijn, in de brede zin van het woord. Pas als de industriële revolutie zich op gang trekt, lukt de opsluiting van de armen en leeglopers om hen arbeidsdiscipline bij te brengen. Het armenhuis specialiseert zich tot kraaminrichting, weeshuis, ziekenhuis, tuchtschool, een gesticht voor krankzinnigen en bejaarden.

In de achttiende eeuw is er geen politiemacht om de groeiende massa landlopers, rovers en bandieten op te sporen en te vernietigen. Strenge straffen vragen weinig inspanning en hebben een groot afschrikkend effect. Slot en grendel, verbanning, lijfstraffen, publieke tuchtiging, blok, boeien, galeien, galg. Als nationale regeringen in de negentiende eeuw in staat zijn om effectief toezicht te houden op de verbindingswegen en criminelen, bedelaars en vagebonden nauwkeurig kunnen registreren, is dat mede dankzij de het bestaan van een goed georganiseerde politie. De kerkers die Goya schildert ten tijde van Bentham, zijn de antipode van het panopticum: duister, onoverzichtelijk, een kronkelende mensenmassa van lijven die in elkaar overvloeien, moeilijk te bewaken. Ze tonen de macht in een agrarische samenleving.
Jeremy Bentham beschrijft een architectonisch principe dat mensen vormt en socialiseert, verbetert en ordent, bestudeert en vergelijkt, beheerst en bewaakt, controleert en disciplineert. Permanente bewaking is onnodig.
Jeremy Bentham geschilderd door Henry William Pickersgill.

Industriële machtsmachines[bewerken]

We schrijven 1791. Na veertig jaarpamflettenstrijd met terechte beschuldigingen, pijnlijke beledigingen en laster aan het adres van Lodewijk XVI, kan die niet anders dat vluchten uit het revolutionaire Parijs. Met zijn echtgenote uit Oostenrijk, Marie Antoinette en de vier kinderen wil hij de w:Franse RevolutieFranse Revolutie achter zich laten. Aan de grens van de Oostenrijkse Nederlanden houden de revolutionairen het gezin aan en enige tijd later onthoofden ze hen. Aan de andere kant van de wereld voegt de Bill of Rights tien amendementen toe aan de prille Amerikaanse grondwet en in de hoofdstad van het machtigste keizerrijk ter wereld overlijdt Wolfgang Amadeus Mozart.[11] Hij is 35. Wenen weent. In deze turbulente periode denkt en schrijft de progressief verlichte Jeremy Bentham in Londen aan een werk dat de geschiedenis in zal gaan als Het panopticum. Bentham is pleitbezorger van individuele en economische vrijheden, voorstander van de scheiding tussen kerk en staat, komt op voor de vrijheid van meningsuiting, bepleit gelijke rechten voor vrouwen en het recht op echtscheiding, de afschaffing van de slavernij en de fysieke straffen. In het boek beschrijft hij een architectonisch principe dat mensen vormt en socialiseert, verbetert en ordent, bestudeert en vergelijkt, beheerst en bewaakt, controleert en disciplineert. Het gebouw bestaat uit een centrale toren met daar rond een ring cellen. Die cellen hebben twee ramen, één naar buiten en één naar de toren toe. Eén torenopzichter volstaat om elke celbewoner te beheersen. Het panopticum is nuttig voor bestuurders “om belangrijke doeleinden” te bereiken. Het individualiseert de bewaakte en realiseert volledige zichtbaarheid voor de bewaker. Het individu zelf ziet niets en vermoedt de controle waardoor permanente bewaking onnodig is. De gedachte gecontroleerd te worden, verzekert orde en rust. Het panopticum begeleidt van de wieg tot aan het graf: van het hospitaal, naar de school, via de kazerne, naar de fabriek. Alternatieve routes verlopen via de (psychiatrische) kliniek en de gevangenis. Het panopticum garandeert efficiëntie. Gevangenen ontsnappen niet, scholieren spieken niet, arbeiders kletsen niet, zieken besmetten elkaar niet en gekken steken elkaar niet aan. Het verbond van wetenschap en macht resulteert in een geniale machtsmachine die niet onderdrukkend aanvoelt en kennis produceert.[12] Het moderne gevormde, gesocialiseerde en verbeterde individu dat de wetenschap beschrijft, meet en vergelijkt valt samen met het genormaliseerde, gecorrigeerde en gedresseerde lichaam. Het individu is effect en object van macht én wetenschap die onontwarbaar verstrengeld zijn. Zwakke groepen zijn geliefde doelwitten: kinderen, zieken, waanzinnigen, gevangenen en arbeiders. Om de panoptische utopie te realiseren, zijn disciplines en normering nodig. Disciplines zijn niet alleen de onopvallende technieken die mensen kneedbaar, beheersbaar en kenbaar maken zoals de bel, de dril, het rooster maar de menswetenschappen zelf: de geneeskunde, de pedagogie, de arbeidssociologie, de psychologie en de criminologie.[13]De verbinding van macht en kennis komt tot uiting in de test en het examen die iedereen op een normaalverdeling plaatsen.[14] In de negentiende eeuw begeleidt het panoptisme de industrialisatie. Nationale regeringen zijn nu in staat om effectief toezicht te houden op de criminelen, bedelaars en vagebonden door ze nauwkeurig te registreren via de goed georganiseerde politie. Carl Friedrich Gauss is een generatie jonger dan Bentham. Als prins van de wiskunde ontwikkelt hij de normaalverdeling, de Gausscurve. De wetenschap van de staat – letterlijk de statistiek - ontpopt zich tot een “instrument de surveillance et de controle, dans les diverses branches des services publiques” en maakt mensen en groepen klasseer-, observeer- en berekenbaar. Die populatiecontrole onderscheidt ‘de samenleving’ van wat erbuiten valt.

Het Realisme van de tweede helft van de negentiende eeuw rekent af met de Romantiek uit de eerste helft. Dit werk is van de Fin Eero Järnefelt uit 1893.

Voetnoten[bewerken]

  1. Zie bijvoorbeeld: DASSEN P. De onttovering van de wereld. Max Weber en het probleem van de moderniteit in Duitsland, 1890-1920, Van Oorschot, Amsterdam, 1999.
  2. Een geestelijke en fysieke verruiming van de horizon? 1. Nadat Maarten Luther zijn 95 stellingen in 1517 formuleert en aan de slotkerk in Wittenberg timmert als reactie op de aflaathandel breken Menno Simons, Johannes Calvijn en Huldrych Zwingli met de dominante religie en verruimen de geestelijke horizon van de Europeaan. De strijd om de waarheid gaat in Vlaanderen gepaard met godsdiensttroebelen, het bloedig vervolgen van ketters en de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). 2. De ontdekkingsreizen zorgen voor een fysieke verbreding van de horizon. De continentale geschiedschrijving zou 1492 herleiden tot een toevalligheid, niettegenstaande het avontuur het gevolg is van een situatie (de bezetting van de specerijenroute door de Turken), een visie (de wil om een nieuwe route te vinden) en het project om rond Afrika te varen. ATTALI J. 1492. Schuyt & Co, Haarlem, 1992, pp. 109-110.
  3. TUCHMAN B. De waanzinnige veertiende eeuw. Agon, Amsterdam, 1990, pp. 661-662.
  4. Het begrip ‘de lange zestiende eeuw’ is afkomstig van Fernand Braudel. BRAUDEL F. De Middellandse zee. Het landschap en de mens, Contact, Antwerpen, 1992, 3 dln.
  5. De functie is niet nieuw, maar trekt zich los van de militaire politie. ‘Police’ valt niet samen met politie als ordehandhaving, het gaat om een regulerend en disciplinerend optreden op alle vlakken. Willem Schinkel en Robert Muchembled parafraseren Michel Foucault. SCHINKEL W. De nieuwe preventie. Actuariële archiefsystemen en de nieuwe technologie van de veiligheid. In: Krisis. Tijdschrift voor actuele filosofie, 2009, p. 9; MUCHEMBLED R. De uitvinding van de moderne mens. Collectief gedrag, zeden, gewoonten en gevoelswereld van de middeleeuwen tot de Franse Revolutie, Contact, Amsterdam, 1988, p. 129-131.
  6. MUCHEMBLED R. De uitvinding van de moderne mens. Collectief gedrag, zeden, gewoonten en gevoelswereld van de middeleeuwen tot de Franse Revolutie, Contact, Amsterdam, 1988, p.146-147.
  7. Deze paragraaf is gebaseerd op VANHEMELRYCK F. Het gevecht met de duivel. Heksen in Vlaanderen, Davidsfonds, Leuven, 1999; GINZBURG C. De Benandanti. Hekserij en vruchtbaarheidsriten in de 16de en 17de eeuw, Bert Bakker, Amsterdam, 1986; ROOIJAKKERS G., DRESEN-COENDERS L. & GEERDES M. Duivelsbeelden. Een cultuurhistorische speurtocht door de lage landen, Ambo, Baarn, 1994.
  8. HUIZINGA J. Herfsttij der middeleeuwen. Studie over levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden, H.D Tjeenk Willink & zoon, Haarlem, 1952, p. 13.
  9. Uiteraard zijn er mannelijke heksen. Toch blijkt in tachtig procent van alle beschuldigingen om vrouwen te gaan. In alle West-Europese landen uitgezonderd Italië, Spanje en Portugal zijn er vervolgingen. De terechtstellingen zijn het felst in het Duitsland, in Zwitserland, Frankrijk en Schotland. Het is onmogelijk vast te stellen hoeveel heksen ter dood worden gebracht. Realistische schattingen ramen het cijfer op zestigduizend ter dood veroordelingen tussen 1500 en 1800.
  10. DE SWAAN A. Zorg en de staat. Welzijn, onderwijs en gezondheidszorg in Europa en de Verenigde Staten in de nieuwe tijd. Bert Bakker, Amsterdam, 1996.
  11. The Constitution of the United States is van kracht sinds 1789. De oudste gecodificeerde nationale grondwet is model voor vele grondwetten. Amendementen vullen de grondwet sinds 1791 aan. De eerste tien kregen de verzamelnaam ‘The bill of rights’. Het betreft amendementen aangaande de religieuze en politieke vrijheid, het recht om wapens te dragen, de legerregulering voor de veiligheid van de vrije staat, het recht om veilig te zijn in persoon en huis, rechten voor rechtspraak voor ernstige misdaden, de Miranda Warning, de juryrechtspraak, borgtocht, wrede en ongebruikelijke straffen en de verantwoordelijkheid van de staten.
  12. Macht zou uitsluiten, censureren en versluieren. Wetenschap zou gedijen in belangeloosheid, weg van de negatieve macht. Beide voorstellingen zijn onjuist, stelt Foucault. Macht produceert kennis en waarheid. Het moderne individu en de menswetenschappen worden tegelijkertijd voortgebracht. Kennis is macht.
  13. Panoptische instellingen verbinden tijd en ruimte via de dril en het rooster: het individu schikt zich in het regime van het instituut.
  14. SCHINKEL W. De nieuwe preventie. Actuariële archiefsystemen en de nieuwe technologie van de veiligheid. In: Krisis. Tijdschrift voor actuele filosofie, 2009, p. 10.

Navigatie[bewerken]

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.