Maatschappijleer/Verzorgingsstaat/Het land van beloften

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Inhoud

Samenvatting[bewerken]

Na de bevrijding groeide de Nederlandse economie zo sterk, dat we een verzorgingsstaat hebben kunnen opbouwen die onverwoestbaar leek. Door twee economische crises – die van de jaren tachtig en de recente kredietcrisis – is dat inmiddels minder zeker.

In dit boek maakt Flip de Kam de rekening op. Ons land is nog steeds steenrijk en ondanks alle versoberingen – zoals de verhoging van de aow-leeftijd, bezuinigingen op de zorguitgaven en bevriezing of zelfs verlaging van de pensioenen – is het fundament van onze verzorgingsstaat onaangetast gebleven. Dat is echter niet het eind van het verhaal. Bedriegen de voortekenen niet, dan blijft de economische groei in de toekomst achter bij wat we gewend zijn. Verdere aanpassingen van de verzorgingsstaat zijn dan ook onvermijdelijk. Dit boek belicht maatregelen die van Nederland weer een land van beloften kunnen maken.


Hoofdstuk 1 - Een steenrijk en verdeeld land 13[bewerken]

Het spookt in Europa: de economie van de eurozone is niet beter dan aan de vooravond van de crisis. Armoede neemt in bijna alle lidstaten toe. Politieke instabiliteit neemt toe. Europa wordt overspoeld door vluchtelingen.

Het spookt in Nederland: De nationale productie is terug op het niveau van voor de crisis, maar de werkeloosheid is verdubbeld. De verzorgingsstaat wordt verbouwd en in Den Haag regeert de totale versplintering. De groei van de economie moet omhoog om de verzorgingsstaat te blijven betalen en dat dit op langere termijn gebeurt is niet gegarandeerd.


De grote depressie[bewerken]

Alt

1929-1933: De productie in Duitsland daalt met 15%, in de VS met bijna 30%. Massawerkeloosheid. President Roosevelt belooft als reactie de 'New deal': de overheid gaat de gevolgen van de Crisis verzachten. Soortgelijke acties worden overal ter wereld door de regering gehouden.

Hitler komt aan de macht in Duitsland, met voorbereiding op de oorlog verdwijnt de werkeloosheid snel.

Het beeld van de overheid die zich met de economie bemoeit was een breuk met het verleden want eerst meende politici dat werkloosheid bestrijding geen zaak van de overheid was. Eerst werkten ze aan de hand van de Klassieke theorie. Maatschappijleer/Economie#D. 4 Economische theorieën.


Vraageconomie[bewerken]

Tijdens de Grote Depressie publiceert Keynes zijn boek, waarin hij betoogt dat de oorzaak van de crisis 'onderbesteding is.' Hierin legt hij uit dat door de loonsverlaging - door de klassieke theorie - de mensen minder te besteden hebben en de crisis alleen maar verergert. De overheid zou of door het opzetten van grootschalige projecten of door het verlagen van de belasting de economie moeten stimuleren.

Het duurt even voordat zijn inzichten gemeengoed zijn, maar in de jaren 50-60 zijn de meeste economen om en voeren de meeste regeringen in de naoorlogse periode een activistisch begrotingsbeleid. Als de economie dreigt te dalen dan geeft de overheid een 'impuls', dat dit voor een begrotingstekort zorgt is niet erg want door het Keynesiaanse beleid zou in andere jaren een overschot op de begroting ontstaan. Overbesteding betekent dat er te veel geld rond gaat, als dit gebeurt zou de overheid weer belastingen moeten verhogen.


Theorie en praktijk[bewerken]

In de praktijk is het lastig om een effectief economisch beleid te voeren.

  • Politici passen de inzichten van Keynes soms selectief toe.
  • Werkloosheid kan structureel van aard zijn, waardoor men ook wanneer er een simulerend begrotingsbeleid wordt gevoerd niet aan de slag komt.


Aanbodeconomie[bewerken]

Alt

Stagflatie in de jaren zeventig. Economen zoeken naar oorzaken aan de aanbodkant van de economie. Volgens hen moet de belastingdruk (en dus de overheidsuitgaven) omlaag: deregulering om ruimte te bieden voor marktkrachten. Vanaf de jaren tachtig vinden deze aanbevelingen gehoor. Terugkijkend kunnen we zeggen dat deregulering en privatisering immense schade heeft aangericht. Het beleid van de jaren tachtig en negentig heeft bijgedragen aan de Grote Financiële Crisis van 2007-2009.


De kleine depressie[bewerken]

In 2009 zakt de economie wereldwijd in. Overheden maken immense schulden om de grootbanken overeind te houden. Keynes' eerherstel blijkt o.a. uit een sterk stimulerend begrotingsbeleid van de VS en het VK, waardoor de economie tamelijk vlot bijkomt.

Het langzame(re) herstel van de landen uit de eurozone heeft ten minste drie oorzaken...

Strenge begrotingsregels

De begrotingsregels vanuit Brussel verhinderen eurolanden een voldoende stimulerend begrotingsbeleid te voeren tijdens een depressie. Alle eurolanden hebben vanaf 2010 anti-keynesiaans beleid gevoerd.

De schuldencrisis

Verlies aan vertrouwen in de overheidsfinanciën van de 'olijflanden' maakt dat beleggers zich terugtrekken. De uitweg van het devalueren van de nationale munt is met de invoering van de euro niet langer begaanbaar. Groeiende onrust op de financiële markten leidt tot het inzetten van hulp middels noodpakketten. Maar de begroting van de EU is eigenlijk veel te klein voor dusdanige overdrachten aan achterblijvers. De schuldencrisis en ook de voortdurende onzekerheid over het voortbestaan van de eurozone hebben het vertrouwen in de economie van Europa ondermijnd en het herstel vertraagd.

Versnipperd toezicht op de banken

In de VS dwingt de federale overheid grootbanken hun buffer voor het opvangen van tegenvallers te versterken bij het uitbreken van een financiële crisis. Pas in 2014 krijgt de ECB bevoegdheid om in de eurozone in te grijpen. De onzekerheid die het versnipperde toezicht met zich meebracht heeft het economisch herstel in de eurolanden ook vertraagd.


Ontluikend herstel (21)[bewerken]

Halverwege 2015 is de binnenlandse productie weer op het niveau van 2008. Maar lang nog niet alle schade is hersteld:

  • het duurt nog een paar jaar voordat de koopkrachtverliezen zijn goedgemaakt;
  • grote groepen zijn (waarschijnlijk blijvend) achterop geraakt (gepensioneerden bijvoorbeeld);
  • de huizenprijzen liggen gemiddeld 20% lager dan aan de vooravond van de crisis;
  • de werkloosheid is sinds 2008 verdubbeld tot meer dan 600.000 personen.


Een rijk land[bewerken]

Ondanks het feit dat Nederland één van de rijkste landen ter wereld is, heerst er grote ongelijkheid:

  • 1,2 miljoen mensen leven in armoede;
  • 10% van al het particuliere vermogen is in handen van de 500 rijkste Nederlanders;
  • 4,5 miljoen gezinnen hebben geen vermogen van betekenis, of zelfs een negatief vermogen.


De verzorgingsstaat[bewerken]

We leven in een verzorgingsstaat. De overheid probeert voor iedereen een redelijk bestaan te garanderen. Tegelijkertijd is de productie van goederen en diensten grotendeels in handen van private ondernemingen.


Een verdeeld land[bewerken]

Het SCP-onderscheid in het onderzoek Verschil in Nederland (2014) vier soorten kapitaal:

  • persoonskapitaal
  • economisch kapitaal
  • cultureel kapitaal
  • sociaal kapitaal

Wanneer deze typen kapitaal worden gescoord en opgeteld passen huishoudens in zes verschillende groepen van veel totaalkapitaal naar weinig totaalkapitaal:

  • gevestigde bovenlaag (15%)
  • kansrijke jongeren (13%)
  • wekende middengroep (27%)
  • comfortabel gepensioneerden (17%)
  • onzekere werkenden (14%)
  • precariaat (15%)


Het land van beloften[bewerken]

Vooral mensen die over weinig kapitaal beschikken maken zich zorgen over de snelle veranderingen om hen heen. Mede door de toestroom van buitenlanders en verplaatsing van werk baar lage lonen landen. De globalisering is voor de gevestigde bovenlaag geen bedreiging. Eerder omgekeerd.

Veel mensen voelen zich inmiddels door de overheid in de steek gelaten of zelfs bestolen: de sociale bescherming is niet meer wat ze was. Twee diepe crises hebben mensen voorgoed uit de droom geholpen dat het ons alleen maar beter kon vergaan.


De opbouw van de verzorgingsstaat[bewerken]

Door de snel toenemende welvaart van de jaren zestig lukt het Nederland om binnen een kwarteeuw een volwaardige verzorgingsstaat uit de grond te stampen. De groeiende welvaart heeft twee bestemmingen:

  • alle huishoudportemonnees raken steeds beter gevuld;
  • de publieke voorzieningen worden sterk uitgebreid.

Daarnaast profiteren ondernemers en werknemers volop van de collectieve voorzieningen.

De eerst oliecrisis laat de motor van de motor van de economie sputteren. Maar de hoofdoorzaak is dat Nederlandse producten voor afnemers in het buitenland te duur worden.

De sociale uitgaven stijgen door werkloosheid en de regering voert de belasting- en premiedruk op. Aan het begin van de jaren tachtig breekt een lange periode van bezuinigingen aan om dit tij te keren.


De eerste crisis van de verzorgingsstaat (31)[bewerken]

De verzorgingsstaat brengt sterk stijgende uitgaven met zich mee. Politici kunnen dit verlagen door het volume of de prijs aan te pakken.

volume 
het aantal mensen met een uitkering
prijs 
het gemiddeld uitgekeerde bedrag

Inkomensbescherming

In de eerste helft van de jaren tachtig wordt vooral gekozen voor prijsbeleid. Hierdoor neemt de inkomensongelijkheid toe. Eind jaren tachtig worden plannen gemaakt om uitkeringsontvangers aan het werk te krijgen. Dit volumebeleid heeft twee kanten:

  • beperking van de instroom in de sociale zekerheid;
  • een versnelling van de uitstroom.

Tussen 1970 en 1990 moesten elke 100 werkenden 77 uitkeringsontvangers onderhouden. En door de gestegen werkeloosheid en de vergrijzing loopt de i/a-ratio op van 58 in 2008 tot 72 in 2015.

De i/a-ratio toont het aantal economisch inactieve uitkeringsontvangers ten opzichte van het aantal economisch actieven.

http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/methoden/begrippen/default.htm?ConceptID=336

Gezondheidszorg

Sinds 1970 leggen zorgkosten beslag op de economie. De helft van alle overheidsuitgaven is tegenwoordig bestemd voor inkomensbescherming en zorg.

De tweede crisis van de verzorgingsstaat[bewerken]

Op 15 september dient Wouter Bos de rijksbegroting voor 2009 in. Een dag later valt Lehmann Brothers om, wat de aanzet vormt voor een wereldwijde financiële crisis. Vanwege onze open economie zijn ook de gevolgen voor Nederland groot.

Door het stabiliteits- en groeipact kan Den Haag niet voor de receptuur van Keynes kiezen. Achteraf bekeken hadden de lidstaten bij het uitbreken van de crisis beter kunnen afspreken dit pact tijdelijk buiten werking te stellen.

De vergrijzing slaat harder toe dan werd voorzien. De kabinetten Rutte I en II voeren een serie bezuinigingsingrepen door. We moeten nog maar zien of deze allen worden gerealiseerd en of het gewenst effect bereikt wordt.

Het begrotingstekort

Het feitelijke begrotingstekort weerspiegelt schommelingen in de conjunctuur.

Het structurele tekort is het tekort in conjunctuurneutrale jaren. Waarschijnlijk wordt bij de huidige ramingen de kosten van de vergrijzing (ernstig) onderschat. De gemiddelde leeftijdsverwachting blijft toenemen (dubbele vergrijzing).


Vooruitzichten voor de verzorgingsstaat[bewerken]

Beleid maken voor de toekomst is veelal koffiedik kijken. Toekomstscenario's zijn een belangrijke leidraad bij de besluitvorming, maar deze scenario's leveren geen harde voorspellingen op.

Het groeitempo van de economie is belangrijk. Dit wordt bepaald door:

  • de beroepsbevolking (het aantal werkenden)
  • het aantal uren dat er gemiddeld gewerkt wordt
  • de waarde van wat zij gemiddeld per uur produceren

Aantal werkenden De beroepsbevolking is gelijk aan alle mensen uit de leeftijdsgroep van 20 tot 65 jaar. Maar lang niet iedereen in deze groep is actief:

  • Een aantal studeert of is door ziekte uitgeschakeld.
  • Door de crisis zitten ruim 600.000 mensen thuis.
  • Ettelijke honderdduizenden mensen bieden zich niet aan op de arbeidsmarkt (nuggers).

Het arbeidsaanbod neemt de komende vijftig jaar waarschijnlijk bijna niet toe.

Aantal arbeidsuren per werkende

Tegenwoordig werkt men vaak parttime. Het aantal arbeidsuren per werkende zal ook de komende tientallen jaren licht blijven dalen.

Productie per uur

In Nederland is sprake van een trendmatige daling van de arbeidsproductiviteit. Dit is ook het geval in de rest van Europa, Amerika en Japan.


Twee groeiscenario's[bewerken]

Voor de lange termijn laten zich twee groeiscenario's uittekenen: nauwelijks groei of een tamelijk bescheiden groei. In elk geval veel minder hard dan de periode waarin het gebouw van de verzorgingsstaat is neergezet.

Vragen voor de toekomst zijn:

  • Hoe kan de economie op een groene manier groeizamer worden gemaakt?
  • Hoe kan de verzorgingsstaat zo worden hervormd dat hij beter is opgewassen tegen de opwaartse druk op de collectieve uitgaven door onder andere de dubbele vergrijzing?


Hoofdstuk 2 - Een verzorgingsstaat in de verzorgingsstaat 50[bewerken]

Nederland telt rond de 5 miljoen uitkeringsontvangers:

  • ouderen met AOW
  • werklozen
  • mensen die arbeidsongeschikt zijn verklaard
  • bijstandsklanten

Deze economisch niet-actieven teren op de zak van de economisch actieven: ondernemers en werknemers. Vrijwilligerswerk, mantelzorger en het huishouden wordt niet als economisch gerekend.


De verborgen verzorgingsstaat[bewerken]

Hiermee wordt op het grote aantal subsidies in de vorm van belastingvoordelen gedoeld, bijvoorbeeld bezitters van een eigen woning.


Volksverzekeringen[bewerken]

Flickr - NewsPhoto! - Protest tegen AOW-plannen in Amsterdam (3).jpg

Er zijn vier volksverzekeringen:

  • AOW
  • Algemene nabestaandenwet
  • Wet langdurige zorg
  • Zorgverzekeringswet


Werknemersverzekeringen[bewerken]

Dit is een vorm van inkomensgarantie voor mensen die in loondienst zijn.

  • WW
  • WAO
  • WIA


Inkomenstoeslagen[bewerken]

Deze zijn inkomensafhankelijk en worden betaald door de Belastingdienst:

  • tegemoetkoming in woonlasten
  • vaste premie van de zorgverzekeraar
  • kosten van kinderen
  • uitgaven voor kinderopvang


Sociale voorzieningen[bewerken]

Worden betaald uit de schatkist:

  • bijstand
  • kinderbijslag
  • Wajong
  • sociale werkplaatsen


Aanvullende pensioenen[bewerken]

Ondernemingspensioenfondsen en bedrijfstakpensioenfondsen regelen de aanvullende pensioenen. Ze zijn onderdeel van de particuliere economische sector. Ook het ABP is dat tegenwoordig.


Collectieve sector[bewerken]

Dit zijn alle instellingen die hoofdzakelijk via belastingen en sociale premies worden gefinancierd:

  • sociale uitkeringen en de uitgaven voor collectief gefinancierde gezondheidszorg (grootste post)
  • ministeries
  • gemeenten
  • organisaties die de sociale verzekeringen uitvoeren
  • scholen
  • ziekenhuizen
  • openbaar bestuur
  • defensie
  • waterkeringen
  • politie
  • rechtspraak
  • enz.


De drie pijlers[bewerken]

Eerste pijler: overheidsregelingen die de hele bevolking of grote delen daarvan bestrijken.

  • staatspensioen (AOW)
  • sociale verzekeringen die dekking bieden tegen ziektekosten
  • Wet langdurige zorg
  • Zorgverzekeringswet
  • inkomenstoeslagen
  • bijstand

Tweede pijler: collectieve regelingen als aanvulling op de inkomensbescherming.

  • nabestaandenpensioen
  • ouderdomspensioen
  • suppletie op WW, WAO/WIA

Derde pijler: voorzieningen die mensen zelf treffen door vrijwillig geld opzij te leggen.

  • er vindt geen inkomensverdeling plaats
  • belastingvoordelen
  • pensioenregeling
  • lijfrente


Pijlers in de stijgers[bewerken]

Zonder aanpassingen dreigt de eerste pijlen onbetaalbaar te worden. De tweede pijler is toe aan grondige renovatie. Burgers raken steeds meer aangewezen op de derde pijler.


Hoofdstuk 3 - De zichtbare hand 67[bewerken]

AdamSmith.jpg

De overheid is nodig om het grondgebied te verdedigen. Daarnaast wordt de openbare orde gehandhaafd en het leven en eigendommen van burgers beschermd. Aan het einde van de 19e eeuw wordt dit in Nederland aangevuld met defensie, openbaar bestuur en waterstaat. De overheid kan een menswaardig bestaan garanderen. Maar als de belastingdruk te hoog wordt, verandert de visie en het beleid t.a.v. de verzorgingsstaat.


Een 'onzichtbare hand'[bewerken]

Prijzen (ook de prijs van arbeid) komen tot stand op markten onder invloed van vraag en aanbod. Adam Smith (1723-1790) gebruikte de metafoor van de onzichtbare hand om aan te geven dat ondernemers en consumenten vrij zijn bij het nemen van economische beslissingen. De onzichtbare hand wijst hen hierbij de weg.


Het rode experiment: de planeconomie[bewerken]

In de praktijk zien we dat staatssocialisme jammerlijk faalt. Het prijsmechanisme zorgt voor optimale uitkomsten. Maar ook hier blijkt de onzichbare hand gebrekkig te functioneren.


De zichtbare hand[bewerken]

De verzorgingsstaat gaat gepaard met veel regels. Dit om alle burgers een redelijk bestaan te kunnen garanderen. Overheidsinstanties werken lang niet altijd optimaal. Ambtenaren 'zijn net mensen' en worden gedreven door eigenbelang. Marktaanhangers hebben bezwaren bij het grondidee van de verzorgingsstaat: de overheid is geen geluksmachine.


Rechten in plaats van liefdadigheid[bewerken]

Particuliere liefdadigheid is vervangen door het juridisch afdwingbare recht op ten minste een bestaansminimum.


Marktsector en collectieve sector[bewerken]

Particuliere sector → bedrijven en gezinnen (marktsector van de economie).

Collectieve sector → alle instellingen die uit grotendeels uit belastingen en sociale premies worden gefinancierd (overheid).

  • centrale overheid
  • gemeenten, provincies en waterschappen
  • sociale verzekeringen
  • scholen
  • ziekenhuizen en verzorgings- en verpleeginstellingen

Alleen de overheid kan alle genieters van collectieve goederen verplichten om hiervoor belasting te betalen, zoals dijken en defensie. Maar ook grijp de overheid in bij slechte informatie verstrekking, hoge prijzen en (de kosten van) vervuiling. Verder beschermt zij burgers tegen anderen (Voedsel en Warenautoriteit) en zichzelf (veiligheidsgordels). Ten slotte wordt belasting naar draagkracht geheven.


Budgetmechanisme[bewerken]

De overheid en al haar onderdelen werken met jaarbegrotingen. In een democratische rechtsstaat zijn het de volksvertegenwoordigers die bepalen hoeveel geld voor welke doelen mag worden uitgegeven. Anders dan bij het prijsmechanisme wordt hier het principe van 'je betaald voor wat je krijgt' doorbroken. Belastingbetalers kunnen namelijk niet anders dan meebetalen aan collectieve goederen waar zij in veel gevallen persoonlijk helemaal geen gebruik van maken. Denk hierbij aan dijken of kinderbijslag.


Betalen voor anderen[bewerken]

Er zijn een aantal biologische en sociale mechanismen die maken dat mensen bereid zijn dingen voor elkaar te doen. Er is echter meer nodig om te verklaren dat mensen in een verzorgingsstaat bereid zijn voor elkaars sociale zekerheid te betalen.


Sociale zekerheid als eigenbelang[bewerken]

{caption}

Mensen wie het goed vergaat ontlenen er in veel gevallen plezier aan door een deel van hun inkomen te besteden aan het helpen van anderen. Een andere minder zelfzuchtige reden is het besef dat een gebrek aan welvaart tot diefstal en onveiligheid op straat kan leiden. Tenslotte realiseren veel mensen zich dat het goed mogelijk is dat ook zij in een minder welvarende positie terecht kunnen komen waarbij hulp van anderen hard nodig is.


Meer over de risico's van het leven[bewerken]

Om niet zonder inkomen te geraken door onvoorziene omstandigheden kunnen mensen:

  • geld sparen;
  • zich verzekeren.

Eenmaal in financiële problemen kan er:

  • geld geleend worden van familie of vrienden;
  • bijgesprongen worden door ouders.

Het CBS houdt geen gegevens bij over geldverkeer tussen ouders en hun kinderen.


Verzekeringsmarkt met tekortkomingen[bewerken]

Verzekeraars zijn net als andere ondernemers uit top winst. Er wordt soms onzorgvuldig omgegaan met informatieverstrekking waardoor de consument (veel) te veel betaald voor een polis.


Onverzekerbare risico's[bewerken]

Zaken als schade door oorlogsgeweld en koopkrachtverlies door inflatie zijn niet te verzekeren. In het laatste geval vanwege het feit dat er geen betrouwbare raming te maken is van toekomstige inflatie en er niet aan risicospreiding gedaan kan worden omdat het iedereen treft.


Risicoselectie door verzekeraars[bewerken]

Verzekeraars kunnen bepaalde mensen toegang tot de verzekering te ontzeggen. Omgekeerd verplicht risicosolidariteit mensen deel te nemen aan collectieve verzekeringen; iedereen betaalt premie, ook al is het risico voor de één groter dan de ander.


Zelfselectie door verzekerden[bewerken]

Gezonde mensen betalen over het algemeen het liefste zo min mogelijk premie voor hun ziektekostenverzekering. Het zou zomaar kunnen dat de verzekeraars hier actief op in gaan spelen waardoor het stelsel ondermijnd wordt. Maar iedereen in Nederland is verplicht om deel te nemen aan twee sociale ziektekostenverzekeringen die zijn geregeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Deze opzet maakt zelfselectie door gezonde mensen en risicoselectie door verzekeraars onmogelijk.


Het paternalisme van de overheid[bewerken]

Nederland kan zich een dure verzorgingsstaat permitteren dankzij de enorme economische groei na WOII. De overheid kan collectief georganiseerde bescherming voor iedereen verplicht stellen. Ze grijpt in waar het prijsmechanisme tekort schiet en corrigeert de verzekeringsmarkt waar nodig.


Hoofdstuk 4 - Beloften maken schuld 84[bewerken]

Lieftinck, dr. mr. P. - SFA001021015.jpg

Na de oorlog is de samenleving ontwricht door hoge inflatie. Bij inlevering van tien oude guldens ontvangt men vijf nieuwe guldenbiljetten en twee van een rijksdaalder tijdens de geldzuivering. De wederopbouw vergt grote offers:

  • de regering houdt de lonen laag;
  • de sociale uitkeringen stellen nog weinig voor.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Tientje_van_Lieftinck


Gouden jaren, 1950-1970[bewerken]

De economie groeit als kool. Vanaf 1957 kan iedere 65-plusser aanspraak maken op een staatspensioen. in 1974 is dit opgetrokken tot het netto minimumloon. Dit wordt ook de hoogte van een bijstandsuitkering. Steeds meer risico's worden in deze periode collectief verzekerd. Infrastructuur en onderwijs drukken op de kosten en er valt steeds minder te besparen op de landsverdediging.


Omvang van economie en overheid[bewerken]

Bij het bepalen van de omvang van de overheid wordt doorgaans gekeken naar de uitgaven. Momenteel is dat 305 miljard euro. 45,5 procent van de binnenlandse productie (672 miljard euro). Vanaf halverwege de jaren vijftig stijgt dit uitgavenpijl sterk door de opbouw van de verzorgingsstaat.

De waarde van de binnenlandse productie

Het bbp is gelijk aan de waarde van alle productie die plaatsvindt op het grondgebied van Nederland. Voor wat betreft de productiewaarde van de overheid is de internationale afspraak dat de verkoopwaarde van door de overheid voortgebrachte diensten gelijk is aan de salarissom van de ambtenaren.


Uitgavenmix[bewerken]

Al decennialang geeft de overheid 15/16 procent uit aan klassieke taken. De uitgaven voor politie en rechtspraak nemen van 1955 tot 1985 sterk toe en het aandeel defensie uitgaven is sterk gedaald.


Inkomensoverdrachten[bewerken]

Inkomensoverdrachten zijn:

  • sociale uitkeringen
  • subsidies aan bedrijven
  • betalingen aan het buitenland (EU en ontwikkelingssamenwerking)

Sociale uitkeringen vormen het belangrijkste type inkomensoverdrachten. Daarna de uitgaven voor de gezondheidszorg. De onderwijsuitgaven stijgen tot de jaren tachtig. Vanaf 1980 blijft deze stijging achter bij de economische groei.


Rentelasten[bewerken]

De overheidsschuld is sinds de Kleine Depressie sterk opgelopen maar tegelijkertijd kan ze tegenwoordig tegen een zeer lage rente terecht op de kapitaalmarkt.


De loonexplosie[bewerken]

Tot 1964 voerde de overheid een geleide loonpolitiek zodat de lonen van werknemers niet te snel stegen. In 1964 komt daar een einde aan en de lonen stijgen explosief. Tot na de oliecrisis blijft de vraag naar personeel groot en gastarbeiders worden aangetrokken.


Arbeid wordt duur[bewerken]

Geleidelijk aan wordt arbeid in Nederland te duur. Werkgever zoeken naar productietechnieken waarbij minder mensen nodig zijn. De werkgelegenheid staat op het spel.


Automatische prijscompensatie[bewerken]

Door het systeem van automatische prijscompensatie was de koopkracht beschermd. Bij prijsstijgingen stegen de bruto lonen mee met het levensonderhoud. Ook na de oliecrisis blijft de koopkracht intact.


Incidentele loonstijging[bewerken]

Hiermee wordt bedoeld dat de arbeidskosten ook toenemen door veranderingen in de samenstelling van het werknemersbestand.


Arbeidsproductiviteit[bewerken]

De winst van een bedrijf staat niet onder druk zolang de lonen niet harder stijgen dan de groei van de arbeidsproductiviteit plus de prijsstijging van de verkochte producten.

Touwtrekken om de toegevoegde waarde

Zie het cijfervoorbeeld in het tekstkader op bladzijde 94 en 95.

Producten uit Nederland worden te duur. Buitenlandse klanten wijken uit naar goedkopere leveranciers. Ingevoerde producten zijn in verhouding goedkoop en deze producten komen ook in de Nederlandse schappen. Ondernemingen hebben het zwaar. Temeer door de oliecrisissen.


Open en verborgen werkloosheid explodeert[bewerken]

De werkloosheid neemt toe en aan het begin van de jaren tachtig speelt een scenario waarbij wel een miljoen mensen arbeidsongeschikt verklaard een realiteit dreigt te worden. Voor werkgevers, werknemers en de vakbonden is de WAO de goedkoopste oplossing voor de overtollige arbeiders.


Crisisbeleid en economisch succes, 1982-2007[bewerken]

Aan het begin van de jaren tachtig wordt gevreesd dat de verzorgingsstaat door de druk op het sociale stelsel en het zware banenverlies op instorten staat. Er moet bezuinigd worden. Het duurt drie kabinetten voordat het beleid is bijgestuurd en de begrotingstekorten blijven vooreerst nog hoog. De groeicijfers uit de jaren vijftig en zestig komen niet meer terug.


De internetzeepbel[bewerken]

NASDAQ IXIC - dot-com bubble small.png

Tussen 1997 en 2000 stijgen de aandelenkoersen sterk. Veel internetbedrijven gaan naar de beurs. Het duurt niet lang en in 2002 en 2003 kent Nederland de laagste economische groei sinds de crisis uit de eerste helft van de jaren tachtig. Na bezuinigingen bloeit de economie weer op.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Internetzeepbel


De Kleine Depressie en daarna, 2008-2017[bewerken]

In deze periode loopt de schuld van de Nederlandse overheid op met meer dan 200 miljard euro tot 465 miljard. In 2015 telt Nederland meer werklozen dan tijdens de eerste grote crisis. De vergrijzing eist haar tol: naast dat het aantal 65-plussers toeneemt, zijn ouderen ook grootgebruikers van gezondheidszorg.

Lasten worden verzwaard en op alle fronten wordt bezuinigd:

  • openbaar bestuur
  • binnenlandse veiligheid
  • ambtenarenapparaat
  • sociale zekerheid
  • collectief gefinancierde zorg

http://www.wbs.nl/system/files/sd4-dekamweb-v2_1.pdf


Vooruitzichten voor de verzorgingsstaat na 2017[bewerken]

Toen de AOW in 1957 werd ingevoerd, was er één 65-plusser op acht werkers, nu is die verhouding één op vier en in 2040 en daarna zal zij één op twee zijn. In 2010 wordt besloten dat de AOW leeftijd omhoog moet. Ook voor de toekomst betekent dit vooralsnog dat als ouderen langer leven, de AOW-gerechtigde leeftijd automatisch verder stijgt.


Naar houdbare overheidsfinanciën[bewerken]

Het CPB stelt in 2010 dat overheidsfinanciën alleen houdbaar zijn als voorzieningen kunnen meegroeien met met de welvaart. Hierbij mogen de belasting en overheidsschuld niet omhoog gaan. Er zijn twee oplossingen voor de hoger oplopende begrotingstekorten:

  • de collectieve lasten gaan in de toekomst omhoog;
  • er moet worden bezuinigd op de bestaande voorzieningen.

Tussen 2010 en 2013 worden in Den Haag afspraken gemaakt over bezuinigingen en lastenverzwaring.


Houdbaarheidsoverschot[bewerken]

Voor de houdbaarheid van overheidsfinanciën moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • het ingezette beleid moet in voldoende mate worden gerealiseerd;
  • er kunnen extra (onvoorziene) overheidsuitgaven nodig zijn;
  • de voorziene stijging van de levensverwachting moet bekostigd worden;
  • de economie moet structureel doorgroeien;
  • economisch actieven moeten bereid zijn een flink deel van hun inkomsten af te staan.

Arbeidsproductiviteit en houdbaarheid van de overheidsfinanciën

Er ontstaat een belastingmeevaller wanneer doordat bij een geringere productiviteitsgroei de lonen minder stijgen. Werkgevers en werknemers hoeven hierdoor minder premie af te dragen.


Hoofdstuk 5: Prijzige prestaties 107[bewerken]

Pas halverwege 2015 is het bbp weer even groot als in 2008.

Verkeerde beeldvorming heeft tot het idee geleid dat Nederland er slecht voor staat. Echter:

  • binnen de EU zijn we na Duitsland de grootste exporteur van goederen en diensten;
  • Nederland heeft vrijwel de hoogste arbeidsparticipatie;
  • het gewerkte aantal uren per week is het laagste van heel Europa.


Nederland moet op zijn tellen passen[bewerken]

Nederland scoort internationaal goed op ranglijsten die gaan over welvaart en welzijn. Wel zakken we wat af op de Global Competitiveness Index. Uit studies blijkt de dat welvaart en het welzijn hoger is in Landen waar veel zaken collectief geregeld zijn en de overheid de inkomens herverdeeld. En in landen met een hoge belastingdruk is de arbeidsdeelname groter.

Grote inkomensverschillen binnen een land hangen samen met:

  • slechtere gezondheid bevolking;
  • minder goed onderwijs;
  • hogere misdaadcijfers.


De prijskaart[bewerken]

De verzorgingsstaat kost zo'n 300 miljard euro. De helft van de economie. Dit wordt vooral betaald uit de opbrengst van belastingen en premies voor de sociale verzekeringen. Andere inkomsten zijn:

  • het staatsaandeel in winst uit olie en gas;
  • de opbrengst van verkeersboetes;
  • eigen betalingen van gebruikers van collectief gefinancierde voorzieningen.


Collectieve lasten[bewerken]

Het stijgende lastenpeil van de jaren zestig, zeventig en begin jaren tachtig is onvoldoende om de uitbreiding van de verzorgingsstaat te bekostigen. De premielasten leggen een meer dan vier keer zo groot beslag op de economie dan 65 jaar geleden. Oorzaken zijn:

  • uitbreiding sociale bescherming;
  • toegenomen beroep op uitkeringsregelingen;
  • kostenstijging in de gezondheidszorg.


Collectieve lasten, arbeidsaanbod en economische groei[bewerken]

De animo om te (blijven) werken bepaalt de omvang van het arbeidsaanbod. Dit arbeidsaanbod is ook onderhevig aan de belastingdruk.

Urenbeslissing en participatiebeslissing

De hoeveelheid tijd die iemand aan werk besluit te besteden wordt de urenbeslissing genoemd. De urenbeslissing van tweeverdieners blijkt in verhouding gevoelig te zijn voor de ervaren marginale lastendruk. Die van de hoofdverdieners niet.

De beslissing om al dan niet aan het arbeidsproces deel te nemen, noemen we de participatiebeslissing. Een hoge gemiddelde lastendruk ontmoedigt deelname aan het arbeidsproces.


Valkuilen[bewerken]

Uitkeringen en inkomenstoeslagen kunnen een negatief effect hebben op de bereidheid van mensen om te gaan werken. Voor bijstandontvangers kan dit bijvoorbeeld financieel onaantrekkelijk zijn. Inkomensheffingen en inkomensafhankelijke regelingen drukken veel huishoudens in de armoedeval. Zij gaan er ondanks het feit dat ze hard werken om het wat beter te krijgen, financieel weinig op vooruit.

Ruim tien jaar geleden is om deze reden de arbeidskorting ingevoerd. Een korting op de inkomensheffing die alleen werkenden kunnen claimen.


Biefstuksocialisme[bewerken]

Volgens Stevers zijn stijgende collectieve lasten een aanslag op de particuliere koopkracht. Van den Doel verzet zich tegen het idee dat maatschappelijke vooruitgang wordt bereikt door meer massaconsumptie (biefstuksocialisme).

Hij stelt dat als er maar voldoende waardering is voor wat de overheid aan sociale zekerheid biedt, men ook bereid is de benodigde lasten hiervoor af te dragen.


Het gelijk van Theo Stevers[bewerken]

De verlaging van cde collectieve lasten hebben veel bijgedragen aan het economisch herstel tussen 1985-2000. Hans van den Doel was veel te optimistisch.

Collectieve financiering drukt het arbeidsaanbod

In landen waar burgers de zorgkosten ui eigen zak moeten betalen, is de stimulans om te werken groter dan wanneer dit collectief geregeld is. Private financiering heeft wel twee belangrijke nadelen:

  • er is veel minder risicosolidariteit mogelijk;
  • het verdraagt zich niet met inkomenssolidariteit.

Ruis in de politieke besluitvorming

In het geval van private financiering liggen de keuzes over de dekking tegen risico's bij de burger zelf. Bij collectieve financiering maakt de overheid keuzes voor de burger en krijgt de laatste met een verlicht aanbod terwijl de voorkeuren verschillen (welvaartsverlies).

Collectieve uitgaven voor sociale bescherming hebben de neiging om sneller te groeien dan private. En op het moment dat hoger betaalden in vergelijking met lager betaalden veel meer moeten betalen, wordt de inkomenssolidariteit op de proef gesteld.


Overheidsfalen[bewerken]

Het prijsmechanisme kan falen waardoor de overheid moet ingrijpen. Maar ook de overheid zelf schiet regelmatig tekort.

Besluitvorming

In de besluitvorming heeft de overheid te maken met de volgende obstakels:

  • gebrek aan informatie;
  • (grote) invloed van belangengroepen;
  • beperkt inzicht in de gevolgen van mogelijke keuzes;
  • spanning tussen gestelde doelen onderling;
  • de bij de besluitvorming betrokken partijen hebben tegenstrijdige ideeën/belangen.

Ondoelmatige productie

Wanneer de overheid de enige producent is van een product/dienst, kan dit de doelmatigheid verminderen. De arbeidskosten van overheidsbanen liggen vaak hoger dan vergelijkbare functies in de private sector. Een aantal zaken kan niet aan de private sector over worden gelaten. Hier is het de taak van de politiek om maatregelen te treffen die de doelmatigheid bevorderen.

Onoplosbare problemen

Veel maatschappelijke problemen zijn niet gemakkelijk op te lossen, of misschien zelfs onoplosbaar. Burgers genieten grote vrijheid bij de inrichting van hun leven. In veel gevallen leidt gedrag direct of indirect tot schade aan aan het eigen welzijn. De overheid probeert bijvoorbeeld drankgebruik onder jongeren te verminderen, maar de maatregelen lijken tot op heden weinig succes te boeken.


De januskop van de verzorgingsstaat[bewerken]

Janus-Vatican.JPG

Voordelen van de verzorgingsstaat:

  • er wordt economisch niet slechter gepresteerd;
  • inwoners voelen zich over het algemeen prettiger;
  • de arbeidsparticipatie in verhouding hoog.

Nadelen van de verzorgingsstaat:

  • hoge of snel stijgende belastingen richten economische schade aan;
  • onder burgers kan het idee leven dat de overheid alle problemen behoort op te lossen;
  • overheidsbemoeienis is lang niet altijd effectief.

Politici zijn onmachtig om langs collectieve weg alles wat mis is recht te zetten. Het is onvermijdelijk dat de verzorgingsstaat twee gezichten heeft waartussen geschipperd moet worden.



Hoofdstuk 6: Een herverdelingsmachine met hoog toerental 125[bewerken]

Toeval en geluk zijn belangrijke factoren voor succes. Dit wordt door mensen die succes hebben, gemakkelijk vergeten. Veel eigenschappen zijn erfelijk en wat je van huis meekrijgt kan ook veel uitmaken.

De verzorgingsstaat is erop gericht iedereen zoveel mogelijk gelijke kansen te geven. Leerplicht heeft ervoor gezorgd dat bijna al het verborgen talent onder de bevolking is ontgonnen.

De keerzijde is dat er te gemakkelijk vanuit wordt gegaan dat als je het niet redt in onze verzorgingsmaatschappij, dat dit wel je eigen schuld zal zijn.

Door de stijging van de welvaart na de oorlog, is zowel de arbeidsparticipatie als de arbeidsproductiviteit toegenomen. De arbeidsdeelname van vrouwen is fors toegenomen. Met name in de zorgsector en het (basis)onderwijs.

En doordat iedereen tegenwoordig meer per uur produceert dan vroeger is ook de welvaart gestegen en hebben we meer vrije tijd.


Inkomensherverdeling[bewerken]

Aan de éne kant is het de bedoeling dat niemand door de nationale inkomensvloer zakt. Aan de andere kant hebben veelverdieners te maken met een hoger belastingtarief en soms een maximum salaris.


Laffer-Curve.svg

Redelijke inkomensverdeling[bewerken]

Rechts redeneert dat als de hogere inkomens zwaarder belast worden, de prikkel om hard te werken en te investeren (voor een deel) wegvalt. Dit is maar zeer de vraag.

In Nederland mogen topfunctionarissen in de collectieve sector vanaf 2016 niet meer verdienen dan een ministerssalaris.

De Laffercurve

De Laffercurve of Lafferkromme geeft het theoretische verband weer tussen de belastingtarieven en de belastingontvangsten. De curve is genoemd naar de Amerikaans supply-side econoom Arthur Laffer, die betoogde dat hoge belastingtarieven er in het algemeen toe leiden dat er minder gewerkt wordt.


Een emotioneel debat[bewerken]

In de 20e eeuw is de inkomensongelijkheid sterk afgenomen. Tot halverwege de jaren 70 stijgen de laagste uitkeringen sneller dan de verdiende inkomens. Vanaf de jaren 80 neemt de inkomensongelijkheid weer wat toe; het toptarief van de inkomstenbelasting bedraagt in 2001 nog slechts 52%.

De sociale zekerheid is versoberd en de uitkeringen blijven achter bij de coa-lonen waardoor de inkomensongelijkheid verder toeneemt.

In het bedrijfsleven nemen beloningsverschillen ook al jaren toe.

Inkomensongelijkheid zal groter worden

Gezien de verwachting dat de vraag naar hoogopgeleiden toe blijft nemen, zullen ook de inkomensverschillen tussen economisch actieven de komender tientallen jaren verder toenemen.


Instrumenten voor verdelingsbeleid[bewerken]

Beleidsmakers kunnen inkomensverschillen kleiner maken.

Inkomensheffing

Voor iemand met een inkomen van 25.000 euro per jaar is de druk van de inkomensheffing 20%. Voor de hogere inkomens ligt deze een druk hoger.

Consumptiebelastingen

De drukverdeling van btw, accijnzen en milieubelastingen is degressief. Een groot deel van de progressieve drukverdeling van de heffingen op het inkomen wordt geneutraliseerd door de degressieve drukverdeling op consumptie en vervuiling.


Resultaten van het verdelingsbeleid[bewerken]

Het verdiende inkomen bestaat uit:

  • loon of salaris
  • winst
  • opbrengst van vermogensbezit

Overheidsbeleid heeft invloed op deze verdiende inkomens, bijvoorbeeld door het stellen van een maximum inkomen of regels voor huurprijzen.

Huishoudens worden qua inkomen verdeeld in tien groepen. De groep met de hoogste inkomens harkt ruim 30 procent van al het verdiende inkomen naar zich toe.

Huishoudens hebben ook inkomsten uit:

  • kinderbijslag
  • ww-uitkering
  • aanvullend pensioen
  • etc.

Het netto inkomen is het resultaat van het loon plus de ontvangen uitkeringen en minus de gedwongen betalingen.

De inkomstenbelasting en het stelsel van sociale zekerheid verkleinen de inkomensongelijkheid aanzienlijk.

In profijtstudies kijkt het SCP naar gegevens van gesubsidieerde voorzieningen en welke invloed dit heeft op het netto-inkomen. Het blijkt dat overheidssubsidies en consumptiebelastingen het inkomensdeel van elke 10-procentgroep weinig veranderen.

Inmiddels staat het onderzoek naar de inkomensverdeling vanwege bezuinigingen op een laag pitje.


Tassaert Old Age.jpg

Herverdeling tussen generaties[bewerken]

Door veranderingen in het belastingstelsel en stelsel van sociale zekerheid pakt de verzorgingsstaat voor opeenvolgende generaties vaak heel anders uit.

Ons omslagstelsel voor AOW is in meerdere opzichten kwetsbaar en onderhevig aan verandering.

Ontkoppeling

Regelmatig is de AOW losgekoppeld van de CAO lonen. Zo kon in de afgelopen 50 jaar de ingediende AOW-rekening voor een stukje worden afgelost.

Fiscalisering

Wanneer de bijvoorbeeld de AOW voor een deel uit de schatkist wordt gefinancierd, hebben we het over fiscalisering. Inmiddels is dit ongeveer een derde.

Houdbaarheidsbijdrage

Bij het schijventarief voor de inkomstenbelasting wordt in het kader van de zogenaamde houdbaarheidsbijdrage onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen die zijn geboren vóór 1946 (voor hen geldt de maatregel niet) en belastingplichtigen die zijn geboren na 1945.

Verhoging AOW-gerechtigde leeftijd

In 2013 is een begin gemaakt met het verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd. Ook om de generatierekening een stuk te vereffenen.


Generatierekeningen[bewerken]

Het netto profijt varieert sterk met de leeftijd en heet en U-vorm. De verdeling verschilt per dus per leeftijdsgroep maar ook per generatie en is afhankelijk van de leeftijdsopbouw.



Hoofdstuk 7: Inkomensbescherming: een doolhof 147[bewerken]

De opbrengsten uit collectieve lasten bedragen bijna 38% van de economie. Een verband tussen afdrachten en wat men daarvoor terug krijgt ontbreekt: er is geen één op één relatie zoals dat bij de prijs van een product of dienst het geval is. Dit kan bij burgers wrevel oproepen.

Behalve in natura zorgt de overheid ook voor overdrachten in geld (bijvoorbeeld huurtoeslag). Dit noemen we een gebonden overdracht. Hierna volgt een aantal kanalen van ongebonden overdrachten.

Sociale inkomensverzekeringen

Sociale premies zijn in wezen belastingen. Enkele sociale inkomensverzekeringen schieten tekort om alle uitgaven te bekostigen. Dit wordt aangevuld vanuit de schatkist.

Sociale voorzieningen

Gemeenten draaien voor een deel van de kosten voor bijstand. Opbrengsten van de gemeenten zijn bijvoorbeeld gemeentebelastingen en de winst op grondverkopen.

Inkomenstoelagen

Inkomenstoeslagen worden maandelijks uitgekeerd door de belastingdienst.


Motieven voor overheidsingrijpen[bewerken]

Er zijn vier motieven voor de overheid om in te grijpen.

Tekortkomingen van de verzekeringsmarkt

Niet alle risico's zijn via de markt te verzekeren. En het werkloosheidsrisico is vanwege het belang daarvan collectief verzekerd. Daarnaast loopt een overheidsinstelling geen risico failliet te gaan.

Herverdeling

Door inkomensafhankelijke premies dwingt de overheid bemiddelde burgers om mee te betalen voor de minder bedeelden.

Paternalisme

Het verplicht stellen van verzekeringen beschermt mensen tegen hun eigen kortzichtigheid, en vergroot de geloofwaardigheid van het stelsel.

Kosten

Een eenvormige collectieve regeling brengt de uitvoeringskosten omlaag. En door af te zien van particuliere verzekeraars maat de overheid het leven van verzekerden overzichtelijker.

De Sociale Verzekeringsbank en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen gaan over de sociale inkomensverzekeringen.


Bezwaren van collectieve risicodekking[bewerken]

Een belangrijk nadeel is dat de collectieve verzekeringen geen (of weinig) ruimte bieden voor persoonlijke voorkeuren waardoor er sprake is van welvaartsverlies.

Daarnaast is er onzekerheid over de polisvoorwaarden: via wetswijzigingen kunnen er veranderingen (beperkingen) optreden.


Sociale inkomstenverzekeringen[bewerken]

Dit zijn de volksverzekeringen en werknemersverzekeringen.

Verzekerings- en solidariteitsbeginsel

Het verzekeringsbeginsel houdt in dat de hoogte van de premie en uitkering afhangt van het verzekerde loon. De premie weerspiegelt ook de kans dat moet worden uitgekeerd.

Bij het solidariteitsbeginsel is de band tussen premie en uitkering verbroken.


Volksverzekeringen[bewerken]

In Nederland zijn vier volksverzekeringen.

Premies

Over het belastbaar inkomen worden de premies voor de AOW en ANW betaald.

AOW-uitkering

Het staatspensioen wordt in vijftig jaar opgebouwd. De laatste jaren en ook de komende jaren wordt een en ander weer afgebroken.

ANW-uitkering

De nabestaandenuitkering is gebaseerd op 70 procent van het wettelijk minimumloon.


Werknemersverzekeringen[bewerken]

De drie werknemersverzekeringen zijn geregeld in:

  • de Werkeloosheidswet (WW);
  • de Ziektewwet (ZW);
  • de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

De WIA bestaat uit:

  • IVA (volledig en duurzaam arbeidsongeschikt);
  • WGA (gedeeltelijk arbeidsongeschikt).

Premies

De ww heeft twee componenten:

  • sectorfonds (eerste zes maanden)
  • Algemeen werkloosheidsfonds (na zes maanden)

De premies voor de werknemersverzekeringen worden betaald door de werkgever; zijn echter niet terug te vinden op het salarisoverzicht.

Uitkeringen

Na twee maanden daalt de werkloosheidsuitkering tot 70% van het verzekerde loon. Ambtenaren en onderwijsgevenden zitten in een vergelijkbare situatie als werknemers van bedrijven.


Armenkerk. Peperstraat 128 in Gouda.jpg

Directe betalingen van werkgevers[bewerken]

Tot 1996 was sprake van een uniforme Ziektewetpremie. Door een wetswijziging waarbij elk bedrijf de kosten van het ziekteverzuim van de eigen werknemers draagt, is het ziekteverzuim fors gedaald. De keerzijde is dat de baankansen voor mensen met een ziektegeschiedenis kleiner zijn.


Sociale voorzieningen[bewerken]

Deze zijn voor rekening van het rijk en de gemeenten:

  • bijstand
  • kinderbijslag
  • AOI
  • Toeslagenwet

Bijstand

Het sociaal minimum is voor mensen die regelmatig in Nederland verblijven en onvoldoende middelen van bestaan hebben. Een alleenstaande ontvangt 960 euro in de maand netto. Een stel 1373 euro.

Op de bijstandsuitkering is een inkomenstoets, kostendelersnorm en vermogenstoets van toepassing.

De gemeenten ontvangen van het Rijk een bepaald bedrag voor de bijstandsuitkeringen.

Wajong

Ons land telt een kwart miljoen Wajongers. Middels wetswijzigingen en herbeoordelingen spant het kabinet zich in om meer gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan het werk te krijgen.

Kinderbijslag

Deze regeling is voor kinderen tot 16 en evt. 18 jaar. Het gaat om 192 tot 274 euro per kwartaal. De regeling vergt jaarlijks ruim 3 miljard euro.

Sociale werkvoorziening

De rijksbegroting hiervoor bedraagt ruim 2 miljard euro.


Inkomenstoelagen[bewerken]

Huurtoeslag

Zorgtoeslag

Kindgebonden Budget

Kinderopvangtoeslag

Armoedeval[bewerken]

Fraude met toeslagen[bewerken]

Financieel totaalbeeld[bewerken]

Terugblik[bewerken]


Inkomensbescherming na de Kleine Depressie 172[bewerken]

Begrotingsakkoord 2013[bewerken]

Regeerakkoord tweede kabinet-Rutte[bewerken]

AOW-gerechtigde leeftijd verder omhoog

Werkloosheidsuitkering: korter en lager

Geld voor kinderen

Participatiewet

Sociaal akkoord[bewerken]

Ingreep werkloosheidsuitkering verzacht

125000 banen voor arbeidsgehandicapten

Begrotingsafspraken 2014[bewerken]

Decentralisatie als wonderolie[bewerken]

Bezuinigingen met gevolgen

Maakbaarheid overschat[bewerken]


Blauwdrukken voor alle zekerheid 185[bewerken]

Volumebeleid[bewerken]

Sociale wetten op de schop

Werknemersverzekering: ziekte en arbeidsongeschiktheid

Internationale ervaringen met een quotum voor arbeidsgehandicapten

Loondoorbetalingsplicht

Ziekteverzuim: wachtdagen

Werknemersverzekering: werkloosheid

Volksverzekering: Algemene Ouderdomswet

Volksverzekering: Algemene nabestaandenwet

Sociale voorzieningen

Inkomenstoelagen

Prijsbeleid

Ontkoppeling[bewerken]

Gerichte verlaging van uitkeringen/toeslagen

Werknemersverzekeringen

Volksverzekeringen

Sociale voorzieningen

Inkomenstoeslagen

Alternatieven voor de financiering[bewerken]

Werkloosheidsverzekering

Arbeidsongeschiktheidsverzekering

Kapitaaldekking voor de AOW?


De zorg van Nederland 203[bewerken]

Een grote post op de begroting[bewerken]

Toegang tot zorg garanderen[bewerken]

Wet langdurige zorg[bewerken]

Zorgverzekeringswet[bewerken]

Twee premies voor één verzekering

De vaste premie en de zorgtoeslag

Eigen risico

Drie soorten polissen

De wondere wereld van de ziektekostenpremies

Polis-shoppen

De inkomensafhankelijke bijdrage

Een volksverzekering die niet zo mag heten

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015[bewerken]

Het persoonsgebonden budget[bewerken]

De aanvullende ziektekostenverzekering[bewerken]

Drie vormen van solidariteit[bewerken]

Solidariteit maakt 'risicoverevening'nodig[bewerken]

De winsten van de zorgverzekering[bewerken]

Zorgverzekeraars geven winsten vooral terug aan de verzekerden

Tekortkomingen van markten voor zorgproducten[bewerken]

Financieel totaalbeleid[bewerken]


Een koekoeksjong in het begrotingsnest 223[bewerken]

Zorgvraag[bewerken]

Inkomensgroei en vergrijzing

De medicalisering van het bestaan

Kwaliteitsverbetering

Geringe rol van eigen betalingen

Aanbod van zorg[bewerken]

Innovatie en de definitie van 'zorg'

Informatievoorsprong van zorgverleners

Prestatiebekostiging maakt de zorg duurder

Het Baumol-effect

Budgettair kader zorg[bewerken]

Budgettair kader voor de zorguitgaven: keurslijf, geen dwangbuis

Welvaart en wachtlijsten

De 'rekenmeesters' slaan alarm[bewerken]

Zorguitgaven, 2013-2017[bewerken]

Zorg in het regeerakkoord[bewerken]

Twee zorgakkoorden[bewerken]

Mantelzorgers worden populair[bewerken]

Maakt decentralisatie de zorg goedkoper?[bewerken]

De decentralisatieparadox[bewerken]

Keerpunt 2013?[bewerken]


Zorg voor elkaar 245[bewerken]

Toekomstige ontwikkeling van de zorguitgaven[bewerken]

Toekomst economische groei[bewerken]

Zorgstelsel financieel houdbaar[bewerken]

Zorguitgaven in procenten van de economie

Twee toekomstbeelden[bewerken]

Meer eigen risico

Zuinig op zorg[bewerken]

Moskou aan Zee[bewerken]

Kostprijs van zorgproducten omlaag

Kleiner verzekerd pakket

Meer en hogere eigen betalingen

Doelmatiger zorg

Gereguleerde concurrentie[bewerken]

Het gevecht om artikel 13[bewerken]

Doodgaan met budgetpolis is duur

De winst van meer marktwerking[bewerken]

Sleutelen aan de inkomenssolidariteit[bewerken]

Vaste premie en zorgtoeslag

Inkomensafhankelijke premie/bijdrage

Fiscalisering

Alternatieve financiering van langdurige zorg

Zorgsparen en eigen betalingen[bewerken]


De groene kaart 269[bewerken]

Een inkoopsom voor de verzorgingsstaat[bewerken]

Uitgeprocedeerde asielzoekers[bewerken]

Drie toegangspoorten[bewerken]

Een exitbetaling aan emigranten?[bewerken]

Uitkeringstoerisme[bewerken]

Vrij personenverkeer in de Europese Unie

Heft de verzorgingsstaat zich op?[bewerken]

De tek naar Europa[bewerken]


Iedereen een moestuin 281[bewerken]

De pensioencrisis[bewerken]

Herstelplannen van pensioenfondsen[bewerken]

Korting op pensioen treft gepensioneerden en actieve deelnemers

De strijd om de rekenrente[bewerken]

Waardering van pensioenverplichtingen

De dans om de pensioenpot

Een demografische tijdbom[bewerken]

Het gelijk van Klijnsma[bewerken]

Versteend vermogen[bewerken]

Appels voor de dorst zijn ongelijk verdeeld[bewerken]

Belastingsteun voor eigen stenen[bewerken]

10 miljard euro subsidie voor mensen met een eigen huis[bewerken]

Nieuwe hypotheken: aflossen verplicht[bewerken]

Versteend vermogen verzilveren[bewerken]

Stenen voor zorg[bewerken]

Verplicht betalen

Vrijwillig betalen

Betalen voor het verzorgings- of verpleeghuis

Een grote meevaller voor bemiddelde ouderen[bewerken]

Het gelijk van de moestuin[bewerken]


Alle hens aan dek 302[bewerken]

De dubbele vloek van het succes[bewerken]

Het is de economie, domoor![bewerken]

De groeiformule: u + p[bewerken]

Arbeidsproductiviteit extra omhoog[bewerken]

Arbeidsdeelname opvoeren[bewerken]

Pensioenleeftijd omhoog

Niet werkenden activeren

Prikkels voor ww-ontvangers

Prikkels voor moeders en arme mensen

Prikkels voor nabestaanden

Prikkels voor werkgevers

Op de bodem van de arbeidsmarkt[bewerken]

Niet-uitkeringsgerechtigden[bewerken]

Prikkels voor deeltijdwerkgevers[bewerken]

Alle hens aan dek[bewerken]


De lengte en de breedte 318[bewerken]

Geen zorgen om de dag van morgen?[bewerken]

Andere uitgavenmix[bewerken]

Overheidsapparaat

Defensie-uitgaven

Overheidsinvesteringen

Onderwijsuitgaven

Inkomensoverdrachten aan het buitenland

Rentelasten

Collectieve lasten verzwaren[bewerken]

Hoger begrotingstekort?[bewerken]

Belastingverlaging in 2016[bewerken]


Het land van beloften 332[bewerken]

Nogmaals de uitgavenformule: volume x prijs[bewerken]

Inkomensbescherming: volumebeleid[bewerken]

Wachtdagen

Loondoorbetaling bij ziekte

Kortere duur van de werkloosheidsuitkering

Minder snelle opbouw van het recht op ww

Sociale risico's niet langer verzekeren

Wajong afschaffen

Afschaffen van de inkomensvoorziening AOW-gerechtigden

Algemene nabestaandenwet afschaffen

Fusie van kinderbijslag en kindgebonden budget

Zorgtoeslag afschaffen

Inkomenstoeslagen

Het basisinkomen: gratis geld voor iedereen

Inkomensbescherming: prijsbeleid[bewerken]

Verlaging van het ziekengeld

Verlaging van het uitkeringspercentage bij arbeidsongeschiktheid

AOW-uitkering voor een deel inkomensafhankelijk

Privatisering van de werkloosheidsuitkering

Ministelsel van sociale zekerheid

Inkomensbescherming: fiscalisering van de volksverzekeringen[bewerken]

Inkomensbescherming: een andere opzet voor de AOW?

Collectief gefinancierde zorg[bewerken]

Hoeveel mag gezondheid kosten?[bewerken]

Zorgkeuzes in kaart

Volumebeleid[bewerken]

Prijsbeleid[bewerken]

Meer private financiering[bewerken]

Moet alles wat kan?[bewerken]

De 'pil van Drion'[bewerken]

Collectief gefinancierde zorg: financiering[bewerken]

Het land van beloften[bewerken]


Samenvatting Flip de Kam: Het land van Beloften (BJ editie)[bewerken]

Vormgeving inkomensbescherming en collectief gefinancierde zorg

Inkomensbescherming[bewerken]

Belastingen en sociale premies vormen samen de collectieve lasten. Bestaande uit:

  • volksverzekeringen voor het behoud van AOW en ANW (Algemene nabestaande wet),
  • werknemersverzekeringen zorgen voor de Werkloosheidwet, Ziekte Wet, De wet werk en inkomen naar vermogen.

De uitgave van de sociale voorzieningen komen ten laste van de rijksoverheid en de gemeenten. Denk aan:

  • Bijstand,
  • Wajong (wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten),
  • kinderbijslag.

Collectief gefinancierde zorg[bewerken]

De uitgaven van de zorg worden zowel privaat als collectief gefinancierd. Private financiering betekent dat mensen zorgkosten uit eigen zak betalen. Collectieve financiering wil zeggen dat zorguitgaven worden goedgemaakt door opbrengst van de sociale premies en belastingen.

In Nederland wordt bijna 90 procent van de totale zorguitgaven collectief gefinancierd.

Financiële toegangsdrempels voor zorg zijn gesloopt om door zorg grotendeels collectief te financieren. Hoe lager het inkomen, hoe minder zorgpremie burgers hoeven te betalen. Het zorgstelsel is bovendien zo opgezet dat het belangrijke tekortkomingen van de particuliere verzekeringsmarkt corrigeert. Daarnaast probeert de overheid te voorkomen dat zorgaanbieders en zorgverzekeraars te veel macht krijgen.

Drie wetten vormen de kern van ons collectief georganiseerde zorgstelsel:

  1. De wet langdurige zorg (Deze volksverzekering dekt de kosten van langdurig verblijf in een verpleegtehuis, verzorgingstehuis of instelling voor gehandicaptenzorg, zorg wat niet door particulieren te financieren valt, je hebt indicatie voor nodig)
  2. De zorgverzekeringswet (Zorg in pakketten, hoe hoger je premie, hoe meer zorg) (1 vaste premie rechtstreeks betalen aan zorgverzekeraar, 2 belastingdienst inkomst afhankelijke bijdrage)
  3. De wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de voorzieningen van ouderen en gehandicapten, denk aan hulp in huishouden, busvervoer ect.)

Zorg en sociale zekerheid volgens Flip de Kam[bewerken]

De helft totale uitgave overheid sociale zekerheid naar zorg. Ouderen zijn grote netto ontvangers, veel vrouwen zitten ertussen die geen premie aow betaalden. En beperkt bijdrage van babyboomers. 100 werkenden onderhouden 70 niet werkenden: vergrijzing, ontgroening (kinderen), verkleuring (instroom bevolkingsgroepen vooral Afrika).

Is er nog ruimte voor een VZS? Dit is een politieke vraag?

Wenselijk JA, wie betaalt dan?

De crisis van de VZS rond 1980 -2010 en de gekozen oplossingen[bewerken]

De opkomst van de verzorgingsstaat heeft geleid tot sterke en stijgende uitgaven en de collectief gefinancierde gezondheidszorg. Het aantal werkende is minder dan de hoeveelheid mensen die zij moeten onderhouden. Daarom is het onvermijdelijk dat bezuinigingsmaatregelen deels in de zelfde sfeer liggen. Politici kunnen de overheidsuitgaven verlagen door de volume of de prijs vanuit de belastingen gefinancierde voorzieningen aan te pakken.

Bij collectief gefinancierde zorguitgaven bestaat de volume uit het aantal mensen dat naar de huisarts gaat, de hoeveelheid geslikte medicijnen, het aantal operaties en ligdagen. De prijs van de zorg is opgebouwd uit het tarief van de huisarts, de kosten van de operatie en zo verder. ( pagina 31)

1980 inkomensbescherming[bewerken]

In de eerste helft van de jaren 80 kiest Den Haag bij de inkomensbescherming vooral het prijs beleid. De uitkeringen raken steeds verder bij de cao lonen. (pagina 32)

AOW, Bijstand, WW achteruit[bewerken]

Tegen het einde van de jaren 80 wint het Haagse inzicht veld dat voortgaande verlaging van de uitkeringen niet de aangewezen weg is om het stelsel van de sociale zekerheid op de been te houden. De inkomensongelijkheid neemt toe en een toenemend deel van de huishoudens komt beneden de armoede grens. Daarom wordt het beleid werk, werk, werk. Daardoor dalen de collectieve uitgaven van inkomens bescherming en gaan de nieuwe werkenden bijdrage aan de financiering van de verzorgingsstaat. Koopkracht gaat ook vooruit. (p 33).

Gezondheidszorg[bewerken]

In de jaren 80 en 90 zijn de meeste zorgvoorzieningen gebudgetteerd. De uitgaven moesten beneden een door de overheid opgelegd plafond blijven. Hierdoor namen wel de wachtlijsten toe.

Tweede crisis van de verzorgingsstaat[bewerken]

Wereldwijde financiële crisis. Beleid van Keynes; Belastingen verlagen en uitgaven tijdelijk opvoeren past Den Haag niet toe. Dit komt door EU. Nederland wil juist begrotingstekort verminderen. Bezuinigen. Daarnaast probleem van de vergrijzing. Collectief gefinancierde zorguitgaven en inkomensbescherming zal daarom toenemen. Oplossing bezuinigen (54 miljard), Verhoging AOW, Verhoging eigen risico, beknibbeling op ouderen zorg. Mantelzorg en participatie samenleving. Werkloosheidsuitkering lager.

Decentralisatie als wonderolie[bewerken]

De participatiewet geeft gemeenten een veel grotere rol. De thuiszorg en de begeleiding van ouderen en gehandicapten. Nieuwe cliënten met een lichtere zorgvraag worden niet langer tot verzorgingstehuizen en verpleegtehuizen toegelaten. Ook de jeugdzorg valt onder de gemeente. De Overheid komt alleen in actie als burgers het niet op eigen houtje redden. Daarnaast marktwerking in de zorg. Zorg moet in de toekomst goedkoper worden ingekocht.

Het land van beloften en de toekomst van VZS. (pagina 363)[bewerken]

De in de periode 1955-1975 opgebouwde VZS heeft twee zware crises overleefd (1980 en 2010). Het bestaande stelsel van inkomensbescherming en collectief gefinancierde zorg draagt de littekens van tal van ingrijpende maatregelen die getroffen zijn om het stelsel levensvatbaar te houden. Daarmee zijn de overheidsfinanciën nu tot in de lengte van de jaren houdbaar gemaakt... Het structurele groeitempo van de economie leidt dat kabinetten in de toekomst moeilijk ontkomen aan nieuwe bezuinigingen op de collectieve uitgaven. Sociale uitkeringen en zorg zullen niet buiten schot blijven.

Als we hier nu al rekening mee houden wordt Nederland een land van beloften met een hoger realiteitsgehalte. Door na te denken welke maatregelen (bezuinigen en lastenverzwaringen) de minste sociale en economische schade aanrichten, ontstaat een toekomstbeeld dat uitmunt tot beter houdbare beloften aan mensen die de overheid voor hun redelijk bestaan het hardst nodig hebben.

Basisinkomen[bewerken]

Iedereen krijgt een uitkering die hoog genoeg is om van te leven (netto 960 euro). Aan de uitkering wordt geen enkele voorwaarde gesteld. Invoering van een basisinkomen is om twee redenen een ramp:

  1. het leidt tot een uittocht van werkenden;
  2. een krankzinnige verzwaring van de belastingdruk.

De economie zal krimpen en het financiële draagvlak voor de verzorgingsstaat kalft snel af.

Budgetmechanisme[bewerken]

In een democratische verzorgingsstaat bepalen gekozen volksvertegenwoordigers via het beschikbaar gestelde budget hoeveel geld, voor welke doelen worden uitgegeven. Belastingbetalers zijn gedwongen bij te dragen aan de financiering van collectieve goederen en andere overheidsvoorzieningen, ook wanneer zij geen direct profijt hebben. (Het prijsmechanisme = je betaalt voor wat je krijgt)

Begrippenlijst[bewerken]

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.