Maatschappijleer/Verzorgingsstaat/De Nederlandse verzorgingsstaat vanaf WOII

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Verzorgingsstaat[bewerken]

De Nederlandse verzorgingsstaat na de Tweede Wereldoorlog
1945 1958 1976
Opbouw verzorgingsstaat Uitbouw verzorgingsstaat Herstructurering verzorgingsstaat

Opbouw (1945-1958)[bewerken]

In de jaren na de oorlog was de politieke macht in handen van de katholieke KVP en de socialistische PvdA (een 'rooms-rode’ coalitie). Als enige in West Europa vonden in Nederland tijdens de wederopbouw nauwelijks loonstijgingen plaats. Hierdoor kreeg Nederland een goede concurrentiepositie ten opzichte van andere landen.

Onbemiddelde ouderen ontvingen sinds 1947 een vaste staatsuitkering. Met deze Noodwet Ouderdomsvoorziening legt Drees als minister van Sociale Zaken de grondslag van sociale wetgevingen. In 1957, als Drees bijna 10 jaar minister president is, wordt de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingevoerd.

Uitbouw (1958-1976)[bewerken]

Na de regeerperiode van Drees kwamen in 1963 de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en in 1965 de Algemene Bijstandswet (Abw). Hiermee kregen gezinnen en mensen met financiële problemen recht op steun van de staat. Ook de kosten van gezondheidszorg en onderwijs werden door de staat betaald.

Door de groeiende welvaart kon de overheid meer geld uitgeven aan bijvoorbeeld uitkeringen, infrastructuur en onderwijs. Er was voldoende werkgelegenheid en doordat burgers het financieel goed hadden, steeg de koopkracht. Vanwege de forse economische groei, kon de overheid de betastingen verzwaren en had ze voldoende inkomsten om alles te betalen.

Herstructurering (1976-heden)[bewerken]

Nederland kon goedkoop produceren omdat de lonen relatief laag waren. Buitenlandse kopers stonden in de rij voor Nederlandse producten. In 1964 lukt het de overheid niet langer om de lonen laag te houden. Werkgevers hadden dringend personeel nodig dus de lonen stegen. Bedrijven namen gastarbeiders aan om alle beschikbare banen te vullen.

Na de eerste oliecrisis (1973-1974) steeg de werkloosheid. Mensen die werkloos raakten, kwamen in de WW en veel kwamen onterecht in de WAO. Door de tweede oliecrisis (1979-1981), kregen bedrijven het nog zwaarder omdat de energiekosten stegen. Aan de opbrengsten uit belasting en aardgas had de overheid niet langer voldoende om alles te kunnen betalen. De staatsschuld nam toe.

Onder leiding van premier Ruud Lubbers werd tussen 1982 en 1994 flink bezuinigd. De uitkeringen en zelfs de WAO gingen omlaag. Overheidsuitgaven liepen terug en het het aantal banen groeide.

Toen in 2000 de internetzeepbel knapte, zorgde dit voor een wereldwijde recessie. Ook nu werd er bezuinigd op de sociale uitkeringen.

De economische crisis die in 2008 uitbreekt, zorgde opnieuw tot problemen. Er werd flink bezuinigd, op verschillende overheidsinstanties, de sociale zekerheid en zorg.


Internationalisering[bewerken]

Topoverleg tussen Reagan en Gorbatsjov in Genève (20 november 1985).
Internationalisering van de kapitaalmarkt
1945 1989 2008
Koude Oorlog Neoliberale globalisering Crises

Koude oorlog (1945-1989)[bewerken]

De koude oorlog is een periode van gewapende vrede. In deze jaren stonden de Verenigde Staten en de voormalige Sovjet-Unie (USSR) lijnrecht tegenover elkaar. De westerse landen waren kapitalistisch en een groot aantal landen in Oost-Europa en Azië communistisch. Deze landengroepen werkten samen om hun landen zo goed mogelijk te verdedigen.

De kapitalistische westerse landen werden de eerstewereldlanden genoemd. Met landen van de tweede wereld werden de landen van het machtsblok daar tegenover bedoeld. Neutrale landen kregen de titel derdewereldlanden. Tegenwoordig gebruiken we deze benamingen niet meer. Ontwikkelingslanden noemen we soms nog wel eens derdewereldlanden.

Koude Oorlog allianties

██ Communistisch blok

██ Kapitalistisch blok

██ Neutrale landen

Neoliberale globalisering (1989-2008)[bewerken]

Gebouw van de Wereldbank in Washington.

Grote internationale financiële instellingen zoals het IMF en de Wereldbank wilden de economie verbeteren. Zij maakten afspraken over handel die moesten zorgen voor meer welvaart. Bedrijven moesten bijvoorbeeld gemakkelijker handel kunnen drijven met andere landen.

Volgens het neoliberalisme zorgt de vrije markt voor economische groei en welvaart. Minder regels maken het voor bedrijven gemakkelijker om te handelen en winst te maken. En daar heeft iedereen in het land profijt van.

Tegenstanders van deze gedachte, wijzen erop dat de wereldwijde economische groei al jaren is afgenomen. Daarnaast stellen zij dat een vrije markt voor meer ongelijkheid zorgt.

Crises (2008-heden)[bewerken]

Door de globalisering van de markt raakten nationale economieën sterk met elkaar verweven. Een economische crisis op de woningmarkt in de Verenigde Staten leidde tot een wereldwijde economische crisis. Banken durfden elkaar geen geld meer te lenen en verschillende banken zijn genationaliseerd, failliet gegaan of overgenomen.

De verschillende overheden hebben toen ingegrepen. Anders waren de geldstromen (tussen de banken onderling en naar burgers en bedrijven) stilgevallen.


Economie[bewerken]

Economische ontwikkelingen
1945 1963 1982 1990 2008
Geleide loonpolitiek De Hollandse ziekte: aardgas Akkoord van Wassenaar Globalisering en Europa Crises

Geleide loonpolitiek (1945-1963)[bewerken]

Tijdens de wederopbouw bemoeide de staat zich intensief met de binnenlandse economie. De rijksoverheid matigde de lonen en hield de productiekosten laag om de Nederlandse concurrentiepositie te versterken. Alleen als de productiviteit steeg, stond de overheid toe dat ook de lonen stegen. Alle arbeidskrachten stonden in dienst van de wederopbouw.

De Hollandse ziekte: aardgas (1963-1982)[bewerken]

Begin jaren 60 werden aardgasreserves ontdekt. Een deel hiervan werd verkocht aan het buitenland. Daardoor steeg de waarde van de gulden. Door deze waardestijging werd de concurrentiepositie van Nederland minder sterk. Hierdoor daalt de economische productie en stijgt de werkloosheid. Ook bekend als de Hollandse ziekte.

Omdat in deze periode de inflatie hoog was, de economische groei vertraagde​​ en de werkloosheid hoog bleef, wordt wel gesproken van stagflatie.

Akkoord van Wassenaar (1982-1990)[bewerken]

De Bosnische Oorlog. Links: het brandende Bosnische parlement in Sarajevo, na inslagen van artillerievuur in mei 1992. Rechtsboven: Generaal Ratko Mladić met Bosnisch-Servische soldaten. Rechtsonder: een VN-militair in Sarajevo.

De Nederlandse economie was na de oliecrises van 1973 en 1979 in grote problemen gekomen. De werkloosheid werd steeds groter en de overheid dreigde met maatregelen. Op 24 november 1982 bereikten kabinet en FNV bereikten een akkoord. De lonen werden gematigd in ruil voor arbeidstijdverkorting. Na dit akkoord zou de het kabinet zich verder niet bemoeien met de loononderhandelingen.

Onder andere pensioenfondsen konden nu investeren in buitenlandse beleggingen en aandelen, waardoor de welvaart toenam.

Globalisering en Europa (1990-2008)[bewerken]

In de jaren 90 lieten de meeste Oost-Europese landen het communisme los. De overstap naar een markteconomie was niet eenvoudig. Joegoslavië verviel in oorlog en andere landen stortten economisch in elkaar. Dit zorgde ook voor allerlei sociale problemen.

De Midden-Europese landen (Polen, Hongarije, de Tsjechische Republiek en Slowakije sloten zich in 2004 aan bij de Europese Unie.

Crises (2008-heden)[bewerken]

De Verenigde Staten en Europa besteden gaven veel geld uit om de financiële sector te redden. Dit geld ging naar banken en andere financiële instellingen. Ook in de Europese Unie wordt van alles gedaan om de kredietcrisis het hoofd te bieden. Banken krijgen extra geld en het spaargeld van burgers wordt door de overheden gegarandeerd.

In Nederland stond de staat garant voor banken en het spaargeld van klanten. Maar ook het bedrijfsleven, de bouw en de woningmarkt werden ondersteund. Het kabinet-Balkenende IV heeft in 2009 en 2010 in totaal bijna € 6 miljard uitgegeven om de kredietcrisis aan te pakken.


Sleutelgebeurtenissen[bewerken]

Sleutelgebeurtenissen
1945 1966 1989 1994 2002 2006
Wederopbouw Ontzuiling Val Berlijnse Muur Paars Leefbaren Diploma democratie

Wederopbouw (1945-1966)[bewerken]

Minister Lieftinck met het koffertje op Prinsjesdag, 19 september 1950.

In de jaren na de oorlog werd met Amerikaanse financiële steun (Marshallplan) hard gewerkt om het land weer op te bouwen. Door de hoge inflatie tijdens de oorlog was de Nederlandse samenleving ontwricht geraakt. De regering hield de lonen laag en de sociale uitkeringen stellen nog weinig voor.

Onder leiding van Pieter Lieftinck (Minister van financiën van 1945-1952) werd de Gulden gedevalueerd en werden nieuwe belastingen ingevoerd als actie tegen zwart geld.

Tijdens de jaren 50 en 60 groeit de economie als kool. Dit worden de gouden jaren genoemd. Door de toename in welvaar heeft de overheid voldoende financiële middelen om de verzorgingsstaat op poten te zetten. Piet de Rooy typeert deze periode als 'jaren van tucht en ascese'.

Nederland bleef ook na de oorlog verzuild. Pogingen om de katholieke, protestantse, sociaaldemocratische of liberale achtergrond te verenigen. Maar de verzuiling zorgde voor een zekere mate van stabiliteit van de politieke cultuur.

Ontzuiling (1966-1989)[bewerken]

Radio Veronica begon in 1960 met uitzendingen vanaf zee. Het verzuilde publieke bestel kwam zo onder vuur te liggen.

Tot 1958 werd in de politiek de dienst uitgemaakt door de katholieke en sociaaldemocratische zuilen. De verzuiling was overheersend in de manier waarop politici met elkaar omgingen (politieke cultuur). Maar in de jaren zestig nam door ontkerkelijking, toegenomen welvaart en individualisering de invloed van de zuilen af.

Door de toegenomen welvaart kregen mensen ook meer vrije tijd. Zij werden financieel onafhankelijker en de banden tussen de verschillende organisaties werden losser of verdwenen (Wilterdink & van Heerikhuizen, 2009). De verschillen tussen de zuilen werden minder scherp. Jongeren zetten zich af tegen het gevestigde bestuur. Politieke partijen verloren in snel tempo leden. Gezag was niet meer vanzelfsprekend en de politiek was minder goed in staat om het land te besturen. Tegelijkertijd kregen de werknemers en werkgeversorganisaties meer invloed.

Ondanks deze culturele omslag bleef de politieke structuur onveranderd. De politiek en de sociale partners gingen samenwerken: een beleid van schikken en plooien (het poldermodel).

Val Berlijnse Muur (1989-1994)[bewerken]

Restant van de Muur aan de Niederkirchnerstraße.

In Duitsland kon men het na de Tweede Wereldoorlog niet eens worden over de invoering van een Duitse munteenheid. Dit leidde tot een opsplitsing van het land.

De DDR en Oost-Berlijn waren voor westerlingen nauwelijks toegankelijk. Oost-Duitsers konden relatief gemakkelijk via West-Berlijn naar de westerse wereld komen. Miljoenen Oost-Duitsers ontvluchtten op die manier het regime van de DDR.

Met de bouw van de muur rondom heel West-Berlijn in 1961 wilde men de leegloop tegengaan. Het was alleen nog mogelijk om via één van de twaalf grensovergangen naar West-Berlijn te gaan.

De Muur viel op 19 november 1989. Reeds vanaf 1986 waren er politieke en economische hervormingen gaande in de Sovjet-Unie. Onder invloed van Michail Gorbatsjov kwamen er grote veranderingen op gang binnen het communistische bolwerk. Deze veranderingen moesten leiden naar een normale markteconomie.

De scheiding tussen het West-Europese kapitalisme en communisme in Oost-Europa kwam ten einde. Dit had grote gevolgen voor de politiek, de economie / handel en het sociaal culturele leven in heel Europa.

Paars (1994-2002)[bewerken]

Groepsfoto van koningin Beatrix met de ministers van het kabinet-Kok II na de beëdiging door de koningin.

De kabinetten Kok I en Kok II gevormd door PvdA, VVD en D66 noemen we paarse kabinetten. Dit werd zo genoemd vanwege het feit dat paars de politieke mengkleur is van het blauwe liberalisme en de rode sociaaldemocratie. Deze kabinetten waren de eerste in een lange tijd waarin geen confessionele partij betrokken was.

De verschillen tussen de politieke partijen werden in de jaren 70 en 80 steeds meer benoemd in de hoop kiezers een duidelijkere keuze konden maken. De veranderde politieke verhoudingen maakten in de jaren 90 een samenwerking mogelijk tussen de vroegere tegenstanders PvdA en VVD.

Omdat de christendemocraten voor het eerst niet mee regeerden, kwam er verandering in de politieke structuur. De marktwerking nam toe.

Leefbaren (2002-2006)[bewerken]

Pim Fortuyn op 4 mei 2002, twee dagen voordat hij werd vermoord.

Er was onvrede bij een grote groep van de samenleving. Veel burgers voelden zich niet langer vertegenwoordigd door de politiek. Politieke partijen als Leefbaar Nederland en Lijst Pim Fortuyn kregen steeds meer steun en bij de Tweede Kamerverkiezingen in 2002 behaalde de LPF 26 zetels. Vlak daarvoor echter, werd politiek leider Pim Fortuyn vermoord.

In het kabinet met CDA, VVD en LPF (Balkenende I) was veel onrust waardoor deze samenwerking mislukte. In 2003 waren opnieuw verkiezingen en nu zat LPF met 8 zetels in de oppositie. Kabinet Balkenende II voerde bezuinigingen door op onder andere de sociale zekerheid. Ook werd in 2006 een nieuw zorgstelsel ingevoerd.

De politieke structuur bleef in deze jaren onveranderd. De politieke cultuur schoof op naar rechts.

Diplomademocratie (2006-heden)[bewerken]

Nederland wordt bestuurd door burgers met een hoge opleiding. Dit noemen we ook wel een diplomademocratie. In de politiek, maar ook in de samenleving als geheel, wordt de kloof tussen hoger en lager opgeleiden steeds groter. Hooggeschoolden hebben andere politieke voorkeuren en belangen dan laaggeschoolden. Ze zullen om die reden ook andere politieke keuzes maken.

Populistische partijen krijgen meer gehoor. Ze doen mee aan de politiek en hun achterban krijgt ook meer te zeggen. Ook gaat er meer aandacht naar lokale partijen en er komen andere onderwerpen op de politieke agenda. De programmapunten van de populistische partijen worden deels door de bestaande politieke partijen overgenomen. De politieke structuur is onveranderd gebleven.


Totaaloverzicht
1945 1958 1963 1966 1976 1982 1989 1990 1994 2002 2006 2008
Opbouw verzorgingsstaat Uitbouw verzorgingsstaat Herstructurering verzorgingsstaat
Koude Oorlog Neoliberale globalisering Crises
Geleide loonpolitiek De Hollandse ziekte: aardgas Akkoord van Wassenaar Globalisering en Europa
Wederopbouw Ontzuiling Val Berlijnse Muur Paars Leefbaren Diploma democratie


Bijlage: Europese ontwikkelingen[bewerken]

De Europese samenwerking begon met de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1951. West-Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland, België en Luxemburg maakten afspraken over de productie van kolen en staal. Dit waren de belangrijkste grondstoffen voor het maken van wapens. Door deze afspraken zou een volgende oorlog voorkomen moeten worden.

Na de ondertekening van het Verdrag van Rome (1957) werd deze economische samenwerking verder uitgebreid. En in 1973 sloten Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken zich aan. Vanaf dat moment werd er van een Europese Unie gesproken. De Europese samenwerking moest zorgen voor vrede en economische ontwikkeling.

Op 4 november 1982 werd Ruud Lubbers minister president in Nederland. Bij zijn aantreden verkeerde Nederland in een crisis. Door het beleid van de jaren tijdens de twee oliecrises was Nederland in financiële problemen gekomen. Dit was ook het geval in andere grote economieën als Groot-Brittannië en de Verenigde staten. De internationale kapitaalmarkt werd in de jaren 80 verder versoepeld.

In Nederland werd onder leiding van Lubbers flink bezuinigd. De overheidsuitgaven moesten omlaag. Er werd gekort op uitkeringen en salarissen in het onderwijs en ambtenarensalarissen. Ook ging er minder geld naar volksgezondheid en welzijn. De werkloosheid nam hierdoor geleidelijk af.


Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.