Maatschappijleer/Instaptoets mavo/havo/vwo
Uiterlijk
- 1. Wie is de baas in Nederland? (Wie heeft/hebben de meeste macht?)
- a. De koning
- b. De minister-president
- c. De regering
- d. Het parlement
- 2. Wie bestuurt ons land?
- a. De regering
- b. De burgemeesters
- c. De Tweede Kamer
- d. De koning
- 3. Welke situatie heeft het meest te maken met sociale ongelijkheid?
- a. Een leerling verhuist naar een andere gemeente.
- B. Een leerling kiest voor een andere sportvereniging.
- C. Een leerling kan geen bijles betalen die anderen wel krijgen.
- D. Een leerling kiest een andere profielkeuze op school.
- 4. Wat hebben de volgende zaken met elkaar gemeen
- feestdagen, kledingvoorschriften en manieren van begroeten?
- a. Ze verschillen per cultuur.
- b. Ze worden bepaald door de wet.
- c. Ze zijn voor iedereen hetzelfde.
- d. Ze veranderen nooit.
- 5. In welke situatie heeft iemand formele macht?
- a. Een populaire leerling beïnvloedt de keuze van de klas.
- b. Een ouder geeft een kind advies over huiswerk.
- c. Een burgemeester opent een nieuw stadspark.
- d. Een vriend overtuigt een ander om mee te gaan.
- 6. Om een goede mening te kunnen vormen moet je
- a. de feiten kennen
- b. de situatie van verschillende kanten bekijken
- c. argumenten hebben
- d. alle zijn juist
- 7. Welke van onderstaande zaken is aangeleerd?
- a. je muzieksmaak
- b. je vatbaarheid voor ziekten
- c. je seksuele geaardheid
- d. je taalgevoel
- 8. Wat 'normaal' is, leer je ...
- a. op de scholen die je bezoekt
- b. in cultuur waarin je opgroeit
- c. via de wetten van de overheid
- d. door social media en internet
- 9. Welke uitspraak over wederzijdse afhankelijkheid in de samenleving is juist?
- a. Mensen zijn alleen afhankelijk van anderen in noodsituaties
- b. Mensen hebben elkaar nodig om te kunnen functioneren
- c. Hoe moderner een samenleving, hoe minder mensen elkaar nodig hebben
- d. Afhankelijkheid van anderen is een teken van zwakte
- 10. Wat is een goede omschrijving van het begrip democratie?
- a. de meeste stemmen gelden
- b. burgers hebben invloed op politieke besluiten
- c. alle burgers hebben evenveel macht
- d. de bevolking bestuurt het land
- 11. Wie zorgen dat er wetten worden ingevoerd?
- a. De regering
- b. Rechters
- c. De Eerste en Tweede Kamer
- d. De politie
- 12. De letters VVD van deze politieke partij staan voor ...
- A. Vrijheidspartij Van Democraten
- B. Volkspartij voor Vrijheid en Democratie
- C. Vereenigde Vrije Drukpers
- D. Vrienden van Vredige Denkers
- 13. De eerste grondwet in Nederland dateert uit
- a. 1750
- b. 1814
- c. 1917
- d. 2001
- 14. Voorstanders en tegenstanders van een azc in de buurt schelden elkaar uit en weigeren met elkaar in gesprek te gaan. Waar is dit een voorbeeld van?
- a. Emancipatie
- b. Polarisatie
- c. Radicalisering
- d. Individualisering
- 15. Hoe komt het dat je in Nederland niet zonder inkomen zit als je ziek bent en niet kunt werken?
- a. Je familie is wettelijk verplicht voor je te zorgen
- b. De overheid regelt een uitkering via sociale zekerheid
- c. Je werkgever betaalt altijd je volledige loon door
- d. Je spaargeld is hiervoor wettelijk beschermd
- 16. Wat is het nettoloon van een minister-president in Nederland?
- a. ongeveer € 2700 per maand
- b. ongeveer € 7500 per maand
- c. ongeveer € 12.500 per maand
- d. ongeveer € 25.000 per maand