Latijn/Les 16

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Orationes[bewerken]

Op deze pagina zal het ontstaan, het doel en de opbouw van de klassieke retorica of kunst van het redevoeren besproken worden.

Ontstaan[bewerken]

Dit is een zeer beknopte samenvatting van de geschiedenis van de retorica. Het is geen volledige ontplooiing van het redevoeren, maar geeft bondig weer hoe de retorica geëvolueerd is.

Griekse beschaving[bewerken]

Nog vooraleer er methodisch stilgestaan werd bij het spreken in het openbaar werd de retorica aan de praktijk getoetst. Homeros (8e eeuw v.C.) beschrijft vergaderingen waarin aanvoerders van het leger overleggen welke beslissingen ze zullen nemen. Het is pas met het ontstaan van de democratie in Athene rond de 5e eeuw v.C. dat de aandacht voor de retorica toenam en dat met systematisch ging nadenken over hoe je het best een redevoering kon houden.

Plato en Aristoteles[bewerken]

Plato (5e - 4e eeuw v.C.) en zijn leerling Aristoteles (4e eeuw v.C.) waren twee filosofen. Zij legden zich onder andere toe op het fenomeen retorica. Ze bezonnen over "de waarheid", hoe het publiek van die waarheid te overtuigen, welke morele verantwoordelijkheid een redenaar had, wat de psychologische invloed was en over het boeiende taalgebruik van de redenaar.

Hoogtepunt en verval[bewerken]

In Griekenland was Demosthenes (4e eeuw v.C.) de climax van de retorica in de praktijk. Hij was onder andere het grote voorbeeld van Cicero (1e eeuw v.C.). Die zegt in zijn filosofisch werk over de retorica De Oratore dat het redevoeren het best tot uiting komt bij vrije volkeren en in rustige, vreedzame staten. Mogelijk refereert hij daarmee naar de alleenheerschappij van Alexander de Grote. Diens regeerperiode betekende (tijdelijk) het einde van de politieke retorica in Griekenland.

Tegen de tweede eeuw v.C. had de retorica opnieuw een overheersende positie ingenomen, ook in het onderwijs. De een zijn dood is de ander zijn brood, en het aandeel van de filosofen in het onderwijssysteem was dan ook minder groot geworden. Dat resulteerde in een felle concurrentiestrijd tussen de retoren en de filosofen in de 2e eeuw v.C.

Rome[bewerken]

Ongeveer gelijk met de strijd tussen retoren en filosofen in Griekenland nam de aandacht voor de retorica in het onderwijs in Rome erg toe. Aanvankelijk werd de retorica onderwezen door Griekse leraren, maar mettertijd openden ook Romeinse leerkrachten scholen. Net zoals in Griekenland bestond ook in Rome de praktijk van het redevoeren al langer.

Het Romeinse equivalent voor Demosthenes was Marcus Tullius Cicero (106 - 43 v.C.). Hij was het summum van de retorica in Italië. Hij schreef theoretische teksten over de retorica, maar hij was evenwel een succesvol redenaar in de praktijk.

Opnieuw werden de profetische woorden van Cicero werkelijkheid: de politieke retorica (genus deliberativum) verdween met de alleenheerschappij van Augustus. De retorenscholen bleven echter bestaan en ze werden een instelling voor de aristocratie.

Doel en gebruik[bewerken]

De retorica (of het redevoeren) heeft als doel het publiek, de oppositie of de beoordelende instantie te overtuigen of te overreden.

De klassieke retorica behandelt onderwerpen waarover men van mening kan verschillen. Het gaat in wezen altijd over aangelegenheden tussen de mens, als burger van een stad(staat). Aristoteles onderscheidde drie soorten redevoeringen en nu nog wordt zijn indeling algemeen aanvaard:

  1. Genus iudicale: dit is een pleidooi in een rechtszaak. Het is de aanklacht of de verdediging van een misdaad;
  2. Genus deliberativum: of de politieke redevoering. Ze wordt gehouden op het rostrum (spreekgestoelte) en geeft advies over een beslissing die genomen moet worden;
  3. Genus demonstrativum: een redevoering in het genus demonstrativum wordt gehouden op bijvoorbeeld een herdenking. Een gelegenheidsrede omvat zowel de lof- als smaadrede.

Opbouw[bewerken]

Uitwerken van een redevoering[bewerken]

Een redevoering is een geëlaboreerd werk. Het is niet dus niet zo dat een redenaar zich aan zijn schrijftafel zet en begint te schrijven. Eerst doorloopt hij een paar stadia:

  • Inventio: Of het nu een redevoering in het genus iudicale, dan wel in het genus deliberatium of genus demostrativum betreft, de redenaar moet het vraagstuk telkens analyseren, tot een centrale stelling komen en argumenten vinden om zijn stelling te verdedigen;
  • Dispositio: De redevoering moet een deftig onderbouwd betoog zijn. (Zie Betoog);
  • Elocutio: Dat betoog moet samen met de stelling en de argumenten verwoord worden. De verwoording komt tot stand bij de elocutio;
  • Memoria: Een redenaar staat geen blaadje papier af te lezen, hij moet zijn tekst memoriseren;
  • Actio/ pronuciatio: Dit is de eigenlijke voordracht, waarbij onder meer rekening gehouden wordt met het stemgeluid, de gezichtsuitdrukking, lichaamstaal, ...

Betoog[bewerken]

Het onderbouwde betoog, dat tot stand komt in de dispositio, heeft een bepaalde indeling die er als volgt uitziet:

  • Exordium: In de inleiding worden eventuele gevoelens van antipathie bij de toehoorder weggenomen. Hij wordt warmgemaakt voor de redevoering en zijn aandacht wordt gewekt. Het exordium kan op verscheidene manieren tot stand komen:
  • Simplex: een eenvoudige begin. (bv. Geachte dames en heren...)
  • Captatio Benevolentiae: (lett: het nemen van de vrije wil) beginnen met een complimentje of een grapje om de aandacht van het publiek te trekken.
  • Per insuniationem: dit komt vaak voor in moeilijke processen, het is de bedoeling om op deze manier de welwillendheid van de toehoordes te winnen;
  • Ex abrupto: met de deur in huis vallen;
  • grande: begin met grootse, overdreven woorden of bewegingen (bv. Op je knieën vallen en de goden beginnen aan te roepen)
  • Narratio: Als de redenaar de aandacht van het publiek heeft, begint hij aan een voorgeschiedenis. Dit moet niet objectief zijn, nadeligheden worden subtiel weggestoken en voordelen worden extra in de verf gezet;
  • Propositio: Hier verklaart de redenaar zijn eigenlijke stelling en hij zegt wat hij in de argumentatie zal aanbrengen;
  • Argumentatio: De argumentatio bevat de pro's en contra's. Als de eigen stelling bevestigd wordt, heet dat confirmatio, het ontkrachten van de stelling van de tegenpartij wordt refutatio genoemd;
  • Peroratio: In dit uitgewerkt slot wil de redenaar een goede laatste indruk nalaten op het publiek.
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.