Kemzieks Woordenboek

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Inleiding[bewerken]

Ontstaan en opbouw[bewerken]

Het Kemzieks woordenboek: een nostalgische verzameling woorden, commentaren, reacties en uitdrukkingen die ik hoorde in mijn jeugd, zeg maar de jaren 60 en 70 (tussen haakjes een periode waarin woke niet bestond).

Het is in opbouw. Dat betekent dat correcties, nieuwe lemma's en uitzonderingen op de uitspraakregels van harte welkom zijn (via mail: kemzieks.dialect@gmail.com of op de overlegpagina).

In het woordenboek zijn de onderwerpen verdeeld over drie groepen: woordenschat, reacties en uitdrukkingen: a) De ‘woordenschat’ is verdeeld in woordsoorten (Werkwoord, Adjectief, Voornaamwoord, Bijwoord) en in een veertigtal arbitraire en niet-exclusieve thema’s (bv. Dier, Groenten en fruit, Persoonstypering, Spel, Vleeswaren). b) In ‘reacties’ staan zinnen die men gebruikt om in het sociale verkeer (de pragmatiek) gevoelens, meningen en gedachten te uiten, om anderen te bevelen, om te reageren op wat anderen zeggen of doen,… c) In ‘uitdrukkingen’ wordt minstens één taalelement figuurlijk gebruikt.

Die verdeling moet het opzoeken vergemakkelijken en de lezer aansporen om zelf nog naar woorden te zoeken die verband houden met het thema. De onderwerpen zijn alfabetisch geordend (apart binnen een groep, woordsoort of thema).

Situering[bewerken]

Dialect van het Waasland[bewerken]

Kemzieks heeft unieke woorden, maar veel meer deelt het de woordenschat met andere dialecten uit het Waasland (zoals het dialect van Sinaai, https://www.sinaaileeft.be/heemkring-den-dissel/#2018, of van Sint-Niklaas, https://www.mijnwoordenboek.nl/dialect/Sint-Niklaas) en zelfs daarbuiten (zoals over de grens met Nederland, in Zeeuws-Vlaanderen, https://oostzeeuwsvlaamsdialect.com).

Belgisch-Nederlands[bewerken]

Het lexicon van het Kemzieks behoort vaak tot het "algemeen Vlaams", door Van Dale "Belgisch-Nederlands" of "gewestelijk" genoemd (zie ook: https://www.vlaamswoordenboek.be), bv. vuilblik, draperie, kozijn en muit, in het Kemzieks respectievelijk 'vul.blik, dra.pə.'rie, 'koz.zən en muit.

Tussentaal[bewerken]

Kemzieks (zoals ik het leerde kennen en gebruiken) heeft alle kenmerken van wat “de tussentaal” wordt genoemd. We beseffen dat de term "tussentaal" een negatieve connotatie heeft, maar de term is nu eenmaal ingeburgerd om de transitie van dialect naar AN te benoemen. Voor een overzicht van de kenmerken van de tussentaal in Vlaanderen, zie: https://libstore.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/508/354/RUG01-002508354_2018_0001_AC.pdf (Vergeet niet dat ook Nederlanders een tussentaal hanteren, met kenmerken die soms afwijken van de tussentaal in Vlaanderen, zoals het gebruik van 'hun' als subject, bv. hun hebben dat niet geweten.)

I. Fonologie[bewerken]
  • 1. Procope van de h-. De h aan het begin van een woord wordt niet aangeblazen en valt weg, bv. das eel goe (dat is heel goed), ond (hond), em (hemd), uiln (huilen).
  • 2. Procope van de eerste klinker of de eerste lettergreep, bv. kmag nor uis (ik mag naar huis), tuur.lək kom.mək! (natuurlijk kom ik!).
  • 3. Apocope. De eindmedeklinker of de eindlettergreep in korte woorden valt weg, bv. kem da nie gə.doun (ik heb dat niet gedaan).
  • 4. Syncope. De medeklinker of lettergreep in het midden van een woord valt weg, bv. das am.məl gə.loo.gən (dat is allemaal gelogen).
  • 5. Apocope van de toonloze e op het einde van een woord. De toonloze e valt weg als het volgende woord met een klinker begint of met een h-procope, bv. zis (ze is), zeet on.gər (ze heeft honger).
  • 6. Progressieve assimilatie. Als een woord begint met een d- én volgt op een woord dat eindigt op een -t, dan wordt die d- ook als t- uitgesproken, bv. i zit mit tə poe.pərs (hij heeft schrik – “hij zit met de poepers”), dat toe.nə.kik nie (dat doe ik niet).
  • 7. Apocope van de eind-d. Werkwoorden waarvan de stam op -d eindigt, verliezen de eind-d, bv. kvin da nie (ik vind dat niet), win da nie op! (wind je niet op!).
  • 8. De svarabhaktivocaal. Toevoeging van een klinker, meestal de doffe e, in lettergrepen die eindigen op twee medeklinkers waarvan de eerste de l of de r is én de tweede geen t- of s-klank is, bv. mel.lək, wɛ̃.rək (werk), vol.lək.
  • 9. De auslaut van de eind-t. Als een woord begint met een klinker én volgt op een woord dat eindigt met een -t, dan wordt die -t als -d uitgesproken, bv. wa.dist? (wat is er?).
  • 10. Onomasiologie, met name de vervanging van ‘er’ en ‘daar’ door ‘dər’ of ‘dər-', bv. der is wa gə.beurd, kem em dər.straks nog gə.zien (ik heb hem daarstraks nog gezien), dər.veur zin.nək nie gə.kom.mən (daarvoor ben ik niet gekomen).
  • 11. De intervocale d wordt vervangen. Als een d tussen twee klinkers staat, dan wordt die -d- vervangen door een j of een w, bv. das ou.wən brol (dat zijn oude spullen), rij.jə wi nor uis? (rijden we naar huis?).
II. Morfologie[bewerken]
  • 12. Verbuiging van de onbepaalde lidwoorden. Voor wie Kemzieks praat is het in principe een koud kunstje om te weten of een nomen mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is: als je voor het nomen ‘nə’ of ‘nən’ kan plaatsen, dan is het mannelijk, in het geval van ‘ən’ is het vrouwelijk en in het geval van ‘ə’ is het onzijdig.
  • a) Als een mannelijk nomen begint met een klinker, een t, d, h of b, dan zegt men ‘nən’, in de andere gevallen zegt men ‘nə’, bv. nən ap.pəl, nən braar (een brouwer), nə man (een man).
  • b) Een onzijdig nomen krijgt als onbepaald lidwoord enkel een ə als het niet begint met een h of een klinker, bv. ə keend (een kind), maar ən uis (een huis).
  • 13. De verbuiging van functiewoorden (bv. voornaamwoorden en telwoorden) gebeurt zoals de verbuiging van onbepaalde lidwoorden, bv. min.nən ot.too (mijn au.to, want auto is mannelijk en begint met een klinker), min.nə koz.zən (mijn neef, want neef is mannelijk en begint met een n), min vraa (mijn vrouw, want vrouw is vrouwelijk), mi keend (mijn kind, want kind is onzijdig), dən twjie.dən elft (de tweede helft). Ook adjectieven worden vaak op dezelfde manier verbogen, bv. nə schjuu.nən ot.too (een mooie auto, want auto is mannelijk en begint met een klinker).
  • 14. Vervanging van het persoonlijk voornaamwoord ‘jij’ of ‘je’ door ‘gij’ of ‘ge’ (in het Kemzieks vaak vervormd tot ‘gi’). Vervanging van het bezittelijk voornaamwoord ‘je’ of ‘jouw’ door ‘uw’ (in het Kemzieks vaak vervormd tot ‘aa’, ‘aa.nə’ of ‘aa.nən’).
  • 15. Vervanging van het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ door ‘i’, maar enkel in bevestigende of vragende zinnen, niet in uitroepende zinnen waarin de nadruk op het onderwerp ligt, bv. i komt (hij komt), kom.ti? (komt hij?), maar: ij ee.ta gə.doun! (hij heeft dat gedaan!).
  • 16. De verkleinvorm -kə(n) (of: -skə; -əkə) in plaats van -jə, bv. to.fəl.kə, koek.skə, bal.lə.kə.
  • 17. Cliticum. Persoonlijke voornaamwoorden vormen vaak een geheel met het voorgaande woord, meestal een werkwoord, en worden samen uitgesproken. Je hoort dan een -de of een -te na het werkwoord, bv. moog.də.gi da wel? (mag je dat wel?), wa heb.də zo.al? (wat heb je zoal?), wa moet.tə kom.mən doen? (wat moet je komen doen?).
  • 18. Wijziging van de meervoudsvorm van -s naar -n, en omgekeerd, bv. eieren wordt 'ɛ̃.rən maar ook 'ei.jərs, zonen wordt zeuns, draperieën wordt dra.pə.'ries.
  • 19. Wijziging van de werkwoordsvorm.
  • a) In de eerste persoon enkelvoud wordt vaak een -n toegevoegd, bv. wa ston.nək ier nog tə doen? (wat sta ik hier nog te doen?), wa.toen.nək naa!? (wat doe ik nu!?).
  • b) In de gebiedende wijs wordt vaak een -t toegevoegd, bv. zegt ət na mor! (zeg het nu maar!).
  • c) De persoonsvorm van het werkwoord ‘zijn’ wordt gewijzigd, zowel deze van de eerste als van de tweede persoon enkelvoud, bv. gə zit.tər (je bent er), gə zi schou (gij bent bang), kzin in dən hof ount spetn (ik ben in de tuin aan het spitten).
III. Lexicon[bewerken]
  • 20. Woorden maar vooral uitdrukkingen uit het AN krijgen in tussentaal een alternatief, bv. kzin al veel gə.’bee.tərd (ik ben aan de beterhand), nən ‘et.tə.kop (een koppig persoon), tis om.mo kas op tə fretn (ik erger me daar erg aan maar ik kan er niets aan veranderen).
  • 21. Wijziging van het aanwijzend voornaamwoord ‘zulke’ in ‘zo’n’ (in het Kemzieks is dat zjuun) wanneer men het meervoud hanteert, bv. zjuun schjuu.nə ‘kaa.sən (zulke mooie kousen).
  • 22. Tussenwerpsels. Die hebben in principe geen betekenis in de zin, maar drukken vaak een emotionele appreciatie van de spreker uit, bv. al.li, wa stod.də dər na te doen!? (wat sta je daar te doen… dat verbaast me of dat ergert me), der was wijn, bier, kur.tən drank en.al (er was wijn, bier, sterkedrank… er was van alles, maar vraag me niet in detail wat precies).
  • 23. Archaïsmen. Plechtig klinkende, maar ouderwetse woorden, bv. desalniettemin (toch), gjɛ̃.rə (“gaarne”) (graag), vər.niet (gratis), met ət spoor (per trein), in.dien (als), bee.zən (“bezigen”) (gebruiken), kriek ət nie (ik ruik het niet).
  • 24. Purismen. Een poging om schijnbaar vreemde woorden te vernederlandsen, bv. duim.spij.kər (punaise), droog.zwier.dər (centrifuge).
IV. Syntaxis[bewerken]
  • 25. Redundantie. Men voegt aan het begin van een bijzin ‘dat’ toe, na een vraagwoord of een voornaamwoordelijk bijwoord, bv. kwil wel is zien of dat i vər.mou.gərd is (ik wil wel eens zien of hij vermagerd is), tjie.nəg.stə waar dak min.nə kop oo.vər breek (het enige waar ik me zorgen over maak…).
  • 26. Subjectduplicatie. Zowel de zwakke als de sterke vorm van het onderwerp komen tweemaal voor in een zin, waarbij de sterke vorm soms wel wordt weggelaten, bv. da dur.vək ik nie (dat durf ik niet), pɛ̃s.də gi da? (denk je dat?).
  • 27. Toevoeging van het hulpwerkwoord gaan in de toekomende tijd, bv. kzal straks gon kookn (ik zal straks koken), kzal da mɛ̃.rən wel gon mwjaan (ik zal dat morgen wel maaien).
  • 28. Inkorting van het voegwoord zodat tot ‘dat’, bv. gə.brukt mor ə kom.pas, da gə nie vər.loo.rən ljuupt (gebruik maar een kompas zodat je niet verdwaalt).
  • 29. Voornamen van mannen worden vaak voorafgegaan door ‘de’, bv. de Guust komt. Vrouwelijke voornamen krijgen geen ‘de’, wel vaak ‘oonz’ (ons), bv. der is zə zi, oonz Mar.ja! (daar zie, daar heb je Maria!)
  • 30. De vervanging van hoeven door ‘moeten’ in negatieve zinnen, bv. gə moet.ta nie doen (je hoeft dat niet te doen).
  • 31. De vervanging van mochten door ‘moeten’ in hypothetische zinnen, bv. moest.ək rijk zin, kging nie.mjier wɛ̃.rə.kən (Mocht ik rijk zijn, ik ging niet meer werken, of, als ik rijk was, ging ik niet meer werken).
  • 32. Doorbreking van de werkwoordelijke eindgroep. In AN is de regel: alle niet-vervoegde werkwoorden op het einde van de zin mogen niet worden doorbroken door een deelwoord of een ander woord dan een werkwoord. In tussentaal geldt die regel niet, bv. zə zou.dən moe.tən gə.pro.beerd heb.bən hem te helpen (ze zouden moeten hebben geprobeerd hem te helpen), i zal nie kun.nən met də kɛ̃r vər.trekn (hij zal niet met de kar kunnen vertrekken).
  • 33. Adjectieven verliezen de eind-s na het gebruik van iets, veel of niets, bv. das iet spee.sjaal (dat is iets speciaals), gi et veel goed gə.doun (je hebt veel goeds gedaan).
  • 34. Redundant gebruik van ‘geworden’ en ‘geweest’ in passieve zinnen, bv. i is deur zin.nə koz.zən gə.roe.pən gə.wist (hij is door zijn neef geroepen), i is deur de mjies.tər vər.plotst gə.wor.rə (hij is door de leraar verplaatst).
  • 35. Het gebruik van 'als' als bijwoord van tijd in plaats van ‘toen’, bv. "Als ik hem nog eens bekeek, ..."
  • 36. De betrekkelijke voornaamwoorden ‘die’ en ‘dat’ stemmen niet overeen met het grammaticale geslacht van hun naamwoorden (De regel is: 'die' heeft betrekking op de-woorden en het meervoud, 'dat' heeft enkel betrekking op het-woorden), bv. die gast da goe kan shotn (die kerel die goed kan voetballen).

Frans[bewerken]

De invloed van het Frans is bovendien overduidelijk: tal van woorden zijn letterlijk uit het Frans overgenomen, bv. ən boe.'jot (een warmwaterkruik) of zijn aangepast aan de Kemziekse uitspraakregels, bv. nə koun.trə.’fjuur (een contrefort), nə soe.’tjen (een beha), nə paz.zə.’viet (een roerzeef), nə kas.’trol (een kookpot).

Uitspraakregels[bewerken]

Los van de regels uit de tussentaal heeft het Kemzieks enkele opvallende klankwisselingen. Die verschillen zelfs van deze van naburige dialecten, zoals het Stekens. Daarom eerst een introductie op de uitspraakregels.

De fonetische notatie in dit woordenboek[bewerken]

Dialect is niet bedoeld om geschreven te worden. Toch proberen we de uitspraak in het schrift te vatten, zonder exact fonetisch schrift omdat de lezing dan wordt bemoeilijkt voor wie niet vertrouwd is met fonetisch schrift. (Een voorbeeld van Kemzieks dialect in exact fonetisch schrift: https://www.dialectzinnen.ugent.be/wp-content/uploads/2016/05/I172_Kemzeke.pdf.) We zoeken een compromis tussen de spelling in het AN en de uitspraak van de woorden en zinnen. Daarbij worden de transscriptieregels beperkt gehouden.

- c: als k geschreven als die als een /k/ klinkt; als een s als die als een /s/ klinkt

- sch resp. ch blijven sch (een enkele keer sk, bv. ska.pu:.’lier) resp. ch; in woorden van het Frans afgeleid schrijven we ch als sj

- d of t aan het einde van een woord: we volgen de spelling in het AN

- de doffe e (of: onbeklemtoonde e; sjwa): we noteren een ə wanneer in het AN een klinker wordt geschreven die niet klinkt zoals het klinkerteken e, ee, i of ij, maar als de doffe e, bv. in de eerste en de laatste lettergreep van vervelend (vər.’vee.lənd), maar ook in heilig (‘ei.ləg), en in de laatste en voorlaatste lettergreep van zakelijk (‘zaa.kə.lək)

- de ‘vuile’ ei: genoteerd als de neusklank ɛ̃ (zoals te horen in het Franse il tient, pain en enfin, dus verschillend van de Franse è in élève), wat in het Kemzieks dan woorden oplevert als als mɛ̃ (mei), bjɛ̃r (beer), pjɛ̃rd (paard), dwɛ̃l (dweil), zɛ̃s (zeis), ɛ̃ (ei) en zjə.'lɛ̃ (gelei)

- een lange klank, ook in een open lettergreep: we noteren steeds een dubbele klinker

- h: we noteren geen h, ook al zou je die soms wel enigszins horen

- ou en au: allebei als ou geschreven

- x: als ks geschreven

Bovendien splitsen we de woorden in lettergrepen met een punt (.) Merk hierbij op dat in het Kemzieks korte woorden vaak worden samengetrokken tot één woord en zelfs tot één lettergreep, bv. tis (het is), kem (ik heb), 'doe.ta (doe dat), 'kem.mər (ik heb er), ag.gə (als je).

Waar nodig wordt de beklemtoonde lettergreep voorafgegaan door een accent ('). Merk hierbij op dat een lettergreep met een doffe e nooit wordt beklemtoond. In woorden die van het Frans zijn afgeleid wordt in principe de klemtoon gelegd op de laatste lettergreep, op voorwaarde dat die geen doffe e bevat.

Vormvarianten en synoniemen worden gescheiden door een kommapunt (;).

Lange en korte klinkers[bewerken]

1. De belangrijkste klankwissel is die van de /aa/ in de /ou/(au) en omgekeerd, wat betekent dat bv. zaad zoud wordt en, omgekeerd, zout zaat. De /aa/ wordt in principe /ou/, bv. gebraad wordt gə.broud, baan wordt boun, baal wordt boul en kaas wordt kous, zaak wordt zouk, Spaans wordt Spouns (ook: Spons). Maar er zijn uitzonderingen, bv. laag wordt ljieg.

2. Indien de /aa/ gevolgd wordt door een /r/ of /f/, hebben we een geval dat nauwelijks van regels kan worden voorzien.

  • De regel hierboven is dan soms nog van toepassing, bv. baard wordt bourd, braaf wordt brouf.
  • Soms krijgen we twee uitspraakmogelijkheden, bv. kaarten wordt 'kour.ten, soms verkort tot 'kor.ten; vaart wordt vourt, soms verkort tot vort.
  • Soms wordt de /aa/ dan een /oe/, bv. taart wordt toert.
  • Soms wordt de /aa/ dan een /jɛ̃/, bv. paard wordt pjɛ̃rd, vaars wordt vjɛ̃s, klaar wordt kljɛ̃r, staart wordt stjɛ̃rt, gaaf wordt gjɛ̃f. De ɛ̃ klinkt als de uitroep wanneer men iets smerigs ziet, een 'vuile' ɛ̃ dus, zoals in dwɛ̃l (dweil), zɛ̃s (zeis), ɛ̃ (ei). Door de voorafgaande j klinkt het geheel voor buitenstaanders dan nog 'vuiler'. We merken op dat de toegevoegde /j/ in het Kemzieks (maar ook in andere dialecten) essentieel is. Het is dan ook verwonderlijk dat slechts een enkel werk die klank systematisch opneemt, als men probeert de uitspraak van een dialect in het schrift te vatten.

3. Indien de /aa/ in een open lettergreep gevolgd wordt door een /d/, hoort men /wjaa/, bv. made wordt mwjaa, lade wordt lwjaa, kade wordt kwjaa.

4. De /ee/ wordt /ie/, bv. been wordt bjien, zeem wordt zjiem, verkeerd wordt vər.'kjierd, zeer wordt zjier, zeel wordt zjiel, mees wordt mjies, geleerd wordt gə.'ljierd, speeksel wordt 'spjiek.səl. Ook in deze gevallen hoor je de voorafgaande /j/. Merk op dat de /ie/, na een klankwisseling met /ee/, iets meer langgerekt is dan de /ie/ in woorden zoals dier of bier.

  • Maar als de /ee/ gevolgd wordt door een /r/, dan wijzigt de klank in /jɛ̃/, bv. beer wordt bjɛ̃r, peer wordt pjɛ̃r, verteren wordt vər.tjɛ̃rn.
  • Soms wijzigt de /ee/ in /eek/ en de /eel/ in een korte i, bv. preekstoel wordt 'prik.stoel, speeltuin wordt 'spil.tuin en steekt wordt stikt.
  • En soms blijft de /ee/ gewoon /ee/, bv. keel, meel, 'dee.kən, 'kee.təl.

5. De /ei/ (maar niet de ij!) wordt als /ɛ̃/ uitgesproken, bv. klein wordt klɛ̃n, trein wordt trɛ̃n, sprei wordt sprɛ̃, maar lijn blijft lijn, fijn blijft fijn, kwijt blijft kwijt en wijs blijft wijs.

  • Soms wordt de /ei/ een /iej/ (of: /jie/), bv. eik wordt iejk.
  • Merk op dat in de vergrotende trap de /ei/ een doffe ə wordt, bv. klein wordt klɛ̃n, maar kleiner wordt 'klən.dər. De /ij/ wordt in dat geval een korte i, bv. fijn blijft fijn, maar fijner wordt 'fin.dər. Dat is ook zo in het verkleinwoord, bv. onderlijf blijft 'oon.dər.lijf, maar onderlijfje wordt 'oon.dər.lif.kə, wijfje wordt wif.ke.
  • In woorden die eindigen op -ij wordt de /ij/ toch ook als ɛ̃ uitgesproken, bv. melkerij wordt mel.kə.'rɛ̃, brouwerij wordt braa.wə.'rɛ̃, koterij wordt koo.tə.'rɛ̃, vrij en blij wordt vrɛ̃ en blɛ̃.
  • Soms wordt de -ij- een korte i, bv. zijn wordt zin, slijpsteen wordt 'slip.stjien.
  • Het achtervoegsel -lijk wordt meestal als /-lek/ uitgesproken, maar ook wel als /-lək/.

6. De /ie/ wijzigt niet, bv. bier blijft bier, lief blijft lief en liegen blijft 'lie.gən.

  • Maar in een open lettergreep wijzigt de /ie/ gevolgd door een -d, in /jie/, zonder -d, bv. wieden wordt wjien en bieden wordt bjien.

7. De /oo/ wordt /uu/, bv. poot wordt pjuut, dood wordt djuud, koord wordt kjuurd, doe voort wordt doe vjuurt, doos wordt djuus, pastoor wordt pas.'tjuur (of pas.tər), hoger wordt 'hjuu.gər, kantoor wordt kan.'tjuur. De /uu/ wordt telkens voorafgegaan door de /j/.

  • Soms wordt de /oo/ een /eu/, bv. voordeur wordt veur.deur, voordat wordt 'veur.da (let op: een voor op een veld is een vjuur).
  • Een enkele keer wordt de /oo/ een /oe/, bv. oogst wordt oest.
  • En soms hoor je geen klankwisseling, bv. woord blijft woord en boter blijft 'boo.tər.

8. De /ou/ (ook als au geschreven) wordt /aa/, bv. koud wordt kaad, zout wordt zaat, kous wordt kaas, dauw wordt daa, grauw wordt graa, brouwer wordt braar, verkouden wordt vər.'kaan, verbouwen wordt vər.'baan.

  • In de laatste drie voorbeelden is bovendien te horen dat woorden die een doffe e bevatten in de laatste lettergreep, die lettergreep verliezen. Die wordt "opgegeten" (Dat woord wordt zelf opgegeten en klinkt als "op.geetn". De doffe e valt tweemaal weg, alleen de lange ee blijft over.)

9. De /ui/ wijzigt in principe niet, de /eu/ en de /oe/ ook niet.

10. De /uu/ wijzigt niet, bv. gebuur blijft gə.’buur en zuur blijft zuur.

  • Soms wordt de /uu/ als /ie/ uitgesproken, bv. vuur wordt vier, duur wordt dier.

11. In de rubriek Tussentaal werd al vermeld dat de doffe e wegvalt, indien het volgende woord begint met een klinker of een h. Het Kemzieks gaat nog een stap verder. Een doffe e op het einde van een meerlettergrepig woord eindigend op -en is soms nauwelijks hoorbaar, waardoor de voorlaatste medeklinker samen met de eind-n als een combinatie wordt uitgesproken, bv. pə.'tet.tən klinkt meer als pə.'tetn, gə.'val.lən wordt gə.'valn, bə.'spree.kən wordt bə.'spreekn. Hierdoor klinkt de eind-n wat langer, zoiets in de aard van "-neuh". Of de doffe e wordt uitgesproken of niet varieert van persoon tot persoon (een mompelende spreker zal de ə sneller weglaten) en van situatie tot situatie (in een enerverende situatie zal de ə sneller worden weggelaten dan in een rustige situatie).

12. Korte klinkers veranderen meestal niet, bv. pad blijft pad, tas blijft tas, pit blijft pit, pet blijft pet, pot blijft pot, put blijft put, zus blijft zus. Een enkele keer wordt de /u/ wat langer uitgesproken, maar niet zo lang als de lange u, bv. in autobus en bushokje. We noteren in dat geval /u:/ in 'ot.too.bu:s en 'bu:s.kot.sjə.

  • Toch zijn er ook weer uitzonderingen en wordt de korte klinker een lange klank, bv. gas wordt gaaz en butaangas wordt 'buu.tə.gaaz, film wordt fielm, klink wordt kleenk, dansen wordt 'daan.sən.
  • De /a/ en /e/, gevolgd door een /r/, worden als /ɛ̃/ uitgesproken, bv. varken wordt 'vɛ̃r.kən, hart wordt ɛ̃rt, werken wordt 'wɛ̃.rə.kən, weliswaar zonder toegevoegde /j/, zoals in het geval van de lange aa en ee. Hoewel, soms wordt toch weer een /j/ toegevoegd, bv. karnemelk wordt kjɛ̃.rə.melk.
  • Soms wijzigt de /a/ in /e/, bv. trakteren wordt trek.'tee.rən.
  • De /o/ gevolgd door een /r/ wordt als /u/ uitgesproken, bv. kort wordt kurt, dorp wordt durp.

Tweeklanken[bewerken]

13. De /ɔi/ wijzigt in ouj, bv. hoi wordt houj en cowboy wordt koo.bouj.

14. De /ai/ wijzigt niet en wordt als /aj/ geschreven.

15. De /aai/ wordt een nauwelijks in fonetisch schrift te vatten eindklank /aa/, voorafgegaan door een combinatie die nog het best wordt voorgesteld als een half-ingeslikte w en een j, na de eerste letter, bv. maaien wordt mwjaan, zwaaien (maar ook zaaien) wordt zwjaan, kraaien wordt krwjaan, draaimolen wordt 'drwjaa.meu.lən.

16. De /eeu/ wordt /jie/, bv. leeuw wordt ljie en meeuw wordt mjie.

17. De /ieu/ wijzigt niet, behalve: nieuws wordt nu:s en nieuw wordt nu:f.

18. De /oei/ wijzigt niet.

19. De /ooi/ wijzigt een enkele keer in /wjoe/, bv. hooi wordt wjoe, savooi wordt sa.'vwjoe, dooien wordt dwjoen, maar meestal in /juu/, bv. gooien wordt gjuun, rooien wordt rjuun, dooien wordt djuun, strooien wordt strjuun, schoon wordt schjuun.

  • Maar meestal is er geen klankwisseling, bv. mooi blijft mooi. (Misschien had er geen klankwisseling plaats omdat Kemziekənjɛ̃rən nooit "mooi", maar altijd "schjuun" zeggen? Ze zeggen: ‘ən schjuu.nə vraa’, ‘ə schjuun kind’, 'ən schjuu.nə pree' en ‘ne schjuu.nən boek’?)

Medeklinkers[bewerken]

20. In het Kemzieks, zoals in andere dialecten, komt de weglating van een medeklinker vaak voor (zie rubriek Tussentaal: procope, apocope en syncope), bv. gerst wordt gjest, peinzen wordt peizn, gras wordt gas, hemd wordt em. Maar een enkele keer wordt een medeklinker toegevoegd, bv. kotelet wordt kor.tə.’let.

21. Een bijzonder geval van apocope: woorden eindigend op -w verliezen altijd de eind-w, bv. mouw wordt maa, gauw wordt gaa, een duw wordt nən daa, vrouw wordt vraa, schouw wordt schaa, gebouw wordt gə.’baa, touw wordt taa.

22. Een enkele keer wijzigt een medeklinker, bv. blauw wordt blaat, hebben wordt 'em.mən.

23. Soms wordt een enkelvoudige medeklinker verdubbeld, bv. elektriciteit wordt el.lən.'triek, notaris wordt not.'to.ries, kamer wordt kom.mər. Maar het omgekeerde gebeurt soms ook: een dubbele medeklinker wordt enkelvoudig uitgesproken (of is nauwelijks hoorbaar), bv. geribbeld wordt gə.re.bəld.

24. Hersyllabisering. Een medeklinker wordt naar de volgende lettergreep verplaatst, bv. ont.er.ven wordt on.tɛ̃r.vən, hij ziet er goed uit wordt i zie.tər goe.duit.

25. De -ng op het einde van een woord wordt als /ng/ uitgesproken, maar nog vaker als /nk/, bv. paling wordt 'pol.link, vertelling wordt vər.'tel.link, ring wordt rink.

26. Na een lange klinker klinkt de -s soms eerder als -z, bv. kouz (kaas), gaaz (gas).

Woordsoorten[bewerken]

ADJECTIEF[bewerken]

  • Bang - bə.’naat; ‘schou
  • Barstensvol - pro.pəs.tə.vol
  • Bekaf - pomp.af
  • Beschamend - ‘schom.tə.lek
  • Bezopen; stomdronken - 'poe.pə.loe.rə.zat; ‘stroont.zat
  • Breed - brjied
  • Doorzichtig - gə zie.tər ‘los.sən.deur
  • Duur en goedkoop - dier;’kos.tə.lek en ‘goe.je.kjuup
  • Eigenaardig; bizar; vreemd - our.dəg
  • Erg; in hoge mate - nɛ̃g; 'bjies.təg
  • Gaaf - gjɛ̃f
  • Geribbeld - gə.’re.bəld
  • Gerimpeld (huid); gekreukt (bv. hemd, blad papier) - vər.’rom.pəld
  • Geschift (bv. melk) - gə.kab.bəld
  • Glad - ‘glat.təg
  • Graag - gjɛ̃.rə
  • Gratis - vər.’niet
  • Hard en zacht - et en zocht
  • Heel donker - 'pik.kən.don.kər
  • Heel droog - poe.jər.drjuug
  • Hij zit gebukt - i zit op zin uk.kən
  • Hoog - juug; uujg
  • Hoorndol; gek gemaakt, in het bijzonder door lawaai of te veel informatie – juu.rən.dul
  • Jaloers - zja.’loes
  • Jong en oud - joonk en aad
  • Klein, kleiner, kleinst - klɛ̃n, 'klen.dər, klɛ̃nst
  • Kort - kurt
  • Lager en hoger - 'ljie.gər en 'juu.gər
  • Lang en langer - laank en lan.gər
  • Lelijk en mooi - ljulk en schjuun
  • Met bladgoud bekleed - vər.guld
  • Nadelig - schwjaa.lek
  • Niet duur - ‘prij.sə.lek
  • Nieuw en oud - nuuf en aad
  • Nipt - nip
  • Onbeleefd; vrijpostig - as.'grant
  • Ongeduldig - on.gə.'duu.rəg
  • Opvallend (met een negatieve bijklank) - per.mɛ̃n.təg
  • Opzettelijk - as.’pres
  • Ouderwets - ‘aa.wets; ‘aa.rə.wets
  • Overdadig; buitensporig - van ‘kan.nie.mjier
  • Overrijp - ‘maa.tər
  • Plezant; leuk - 'leu.təg
  • Precies - pər.'sies
  • Ranzig (bv. boter die niet koel wordt bewaard) - rens
  • Razend - 'ros.təg; kol.jɛ̃.rəg
  • Roze - roos
  • Schoon en schoner - schjuun en schjuun.dər
  • Verschillend - tə.’frent
  • Vervallen (bv. een gebouw dat niet onderhouden is) - 'oon.dər.kom.mən
  • Vervelend - am.bə.’taant
  • Verwelkt - vər.schruun.səlt
  • Vlaams - Vloms
  • Voos (bv. een hand of een been) - vjuus 
  • Vriendelijk - ‘vrien.də.lek
  • Vrij en blij - vrɛ̃ en blɛ̃
  • Warm en koud - wɛ̃rm en kaad; kaa
  • Weinig - wɛ̃.nəg
  • Wreed - wrjied
  • Zacht - zocht

BIJWOORD[bewerken]

  • Alles samen - al.tə.gour
  • Altijd en nooit - al.tid en njuut
  • Bijna - ost; bə.kan; bə.kans; bə.kanst; vɛ̃r; bots
  • Bijvoorbeeld - 'pak.na
  • Daar - gin.tər
  • Dat daar! - ‘da.dour!; ‘da.tor!
  • Dikwijls - dik.kəls
  • Doorgaans; gewoonlijk - 'deur.gons
  • Eender - jien.dər
  • Eender wie - jien.dərt wie 
  • Even - ee.və.kəs
  • Heen en terug - ‘oo.vər.en.tweer
  • Helemaal - ‘gjie.lə.gans; ‘gjie.lə.ganst
  • Helemaal niet - bə.lan.gə nie
  • Helemaal niets - rjɛ̃n.də.knots
  • Hoe langer hoe meer - al.langs.om.’mjier
  • Ieder om de beurt - elk zin.nən toer 
  • Maar - mo; mor
  • Naargelang - ‘nou.və.nant
  • Nee - njie
  • Nadien - nor.’dien
  • Nochtans - pər.’tang
  • Ook - uk; juuk
  • Om het eerst - ‘om.tər.jiest
  • Onophoudelijk - gə.’duu.rəg
  • Opnieuw - op.tər.’nuuf
  • Per ongeluk - per mal.’eur
  • Per se - mal.gree
  • Plots - al.mi.nə.’kjier
  • Rakelings - ‘schjɛ̃r.lings
  • Samen - tjuup
  • Soms - a.mets; som.tets
  • Steeds opnieuw - ‘alt.mor
  • Trouwens - en.dər.bij (gebruikt als introductie op het finale argument als men een discussie dreigt te verliezen)
  • Uitermate - tee.gən də 'stɛ̃.rən op
  • Van zodra - van.ast; zju.gaa
  • Veel te veel - veels tə veel
  • Vooraf betalen - in a.’vaans bə.’touln
  • Vooraleer dat… - veur.dak; veur.da.gə; veur.da.tij; veur.das.sə; veur.dam.mə; veur.da.gul.dər
  • Zeer traag - op zin ‘el.fən.der.təg.stə
  • Zo een... - a.zjuu (mannelijk of onzijdig); a.zjuun (vrouwelijk)
  • Zoals - gə.lek

VOORNAAMWOORD[bewerken]

  • Dat (aanwijzend voornaamwoord) - da (onzijdig); die (vrouwelijk); die.nə; die.nən (mannelijk)
  • Dat is van haar (bezittelijk voornaamwoord) - das teur
  • Dat is van hen (bezittelijk voornaamwoord) - das tul.dər; da van ul.dər
  • Die; dat (betrekkelijk voornaamwoord): de man die (mannelijk); het kind dat (onzijdig); de vrouw die (vrouwelijk); zij die (meervoud) - dən die.nən; tkeend da; zij die; də die
  • Dit; deze (aanwijzend voornaamwoord) - deez (onzijdig of vrouwelijk); dee.zə; dee.zən (mannelijk)
  • Elkaar - ma.'kour
  • Haar (bezittelijk voornaamwoord) - eur (onzijdig of vrouwelijk); eu.rən of eu.rə (mannelijk)
  • Jouw; je; uw (bezittelijk voornaamwoord) - aa of o (onzijdig of vrouwelijk); an.nə of on.nə (mannelijk)
  • Jullie (bezittelijk voornaamwoord) - ul.dər (onzijdig of vrouwelijk); ul.də.rə of ul.də.rən (mannelijk)
  • Mijn (bezittelijk voornaamwoord) - min (onzijdig of vrouwelijk); min.nə (mannelijk)
  • Ons (bezittelijk voornaamwoord) - oonz (onzijdig of vrouwelijk); oon.zən (mannelijk)
  • Van wie…? (vragend voornaamwoord) - wie.zə…?; wies…?; wie.zən…?
  • Waar? (vragend voornaamwoord) - wour?
  • Wat voor een...? (vragend voornaamwoord) - 'oe.kən...? (onzijdig of vrouwelijk); 'oe.kə.nə...? (mannelijk)
  • Welke...? (vragend voornaamwoord) - waf.fər...; waf.fə.rən…?
  • Zijn (bezittelijk voornaamwoord) - zin (onzijdig of vrouwelijk); zin.nə of zin.nən (mannelijk)

WERKWOORD[bewerken]

  • Ademen - ‘os.sə.mən
  • Afbieden - ‘af.bjien
  • Afduwen - ‘af.dougn
  • Applaudisseren; spreken - klapn
  • Bedelen; schooien - schwjoen
  • Beentje lichten - ‘pjuut.sjə schɛ̃.rən
  • Behanglijm aanbrengen - ‘in.papn
  • Beledigen - af.fron.’teern
  • Bespieden; op slinkse wijze afhandig maken - ‘af.loern
  • Bevroren - bə.’vroo.zən
  • Boodschappen doen - om kom.’mis.sies goun
  • Bouwen - baan
  • Braken - ‘spou.gən
  • Branden - bran.nən
  • Breien - brɛ̃n
  • Brouwen - braan
  • Dansen - 'daan.sən
  • Dat ben ik - da ‘ben.nə.kik; da ‘zin.nə.kik
  • Dat is goed besteed - das goe bə.'stjied
  • De kerkklokken luiden - də klokn luin
  • Denk je dat? - ‘pɛ̃s.də gi da?
  • Draaien - drwjaan
  • Druk bezig zijn - in də weer zin
  • Duw een beetje - daat ən bik.kə!
  • Duwen - daan; dou.gən
  • Een beetje opzij of achteruit gaan - ‘dɛ̃.zən
  • Een heftig, overtuigend betoog houden - 'af.stee.kən
  • Een leiding of een kabel in huis brengen - bin.nən.trekn
  • Een nieuwe pastoor feestelijk ontvangen - ‘in.hou.lən
  • Een omheining plaatsen - ‘af.mou.kən
  • Een stukje losmaken; afbieden - 'af.piet.sən
  • Er is gevochten - dər is gə.’bad.dərd
  • Ermee stoppen - ‘uit.schjien
  • Erwtjes uit de peul losmaken - ert.sjəs puurn
  • Eten, in het bijzonder op kamp - ‘bie.kən
  • Flink doorwerken - buz.zə gee.vən
  • Fluiten - schuf.fə.lən
  • Fruit stelen uit een boomgaard - 'bun.də.rən
  • Gaan: ik ga; gij gaat, hij gaat, wij gaan, jullie gaan - goun: ik go, gij got, i go, wij gon, gulder got
  • Gebruiken - ‘bee.zən
  • Gedacht - gə.docht
  • Geeuwen - ‘gou.pən
  • Geregeld in het gezelschap van iemand vertoeven - ‘op.trekn
  • Gescheiden - gə.’schjien
  • Gooi het - ‘rjuu.gət
  • Gooien - rjuun; piern
  • Gulzig en veel eten - fretn; boe.fən
  • Hakkelend spreken - ‘dod.də.lən
  • Hard vallen - 'tot.tə.rən
  • Hard werken - tra.’vakn
  • Hardnekkig weigeren iets te doen - ət vər.rek.kən
  • Hebben - ɛ̃n; tegenwoordige tijd: kem of ken, gij et, i eet of i ee, wi em.mən, gul.dər et; verleden tijd: ik aa, gij ad (of: aad), i ad, wi em.mən gad, gul.dər et gad (in het meervoud gebruikt men een voltooid tegenwoordige tijd in plaats van een onvoltooid verleden tijd); voltooid deelwoord: gad
  • Hebben (bij inversie) - em.mək?, ed.də gij?; ee.ti?, em.mə wi?, ed.də gul.dər?
  • Heftig discussiëren - strɛ̃n
  • Herstellen; oplappen - ‘op.kal.lə.’faa.tə.rən
  • Hij denkt dat wij het waren - i pɛ̃st dam.me wij ət wou.rən
  • Hij heeft een hele taart opgegeten - i ee dən jiel toert ‘bin.nən.gə.spild
  • Hij heeft het gezegd - i ee.dət gə.zeed; i ee.dət gə.zeen
  • Hij is begonnen! - ij is bə.gost! (in een uitroepende zin wordt de /ij/ in het voornaamwoord behouden)
  • Hij is geslagen - i is 'af.gə.toept
  • Hij is verdwenen - i is scham.pa.’vie
  • Hij is vertrokken - i is vju:rs (of: vju:s) gə.goun
  • Hij zou - i zo
  • Iemand aanspreken om wat van die persoon te bekomen - ie.mand ‘oun.pieln
  • Iemand een ferme loer draaien - nə kljuut ‘af.drwjaan
  • Iemand goederen of geld afhandig maken - ‘af.lui.zən; ‘af.loe.rən
  • Iemand iets opdringen - ‘op.sol.fə.rən
  • Iemand polsen of uithoren - ‘lut.sən
  • Iemand prijzen en bewieroken - bə.’bof.fən
  • Iets afwijzen - ‘af.ket.sən
  • Iets doen wat niet mag; kattekwaad uithalen - iets ‘uit.stee.kən
  • Iets goed afwerken - tə.goei doen
  • Iets in elkaar flansen; iets zelf proberen te herstellen - fa.brie.’kee.rən
  • Iets snel afhandelen - ‘af.lapn
  • Iets stouts doen - mis.peu.tə.rən
  • Iets vluchtig lezen - oo.vər.’lee.zən
  • Iets zodanig behandelen dat het onbruikbaar is geworden - vər.rin.nə.'wee.rən
  • Ik dacht - kdocht
  • Ik heb dorst - kem dust; ken dust
  • Ik heb gespeeld - ken gə.spild
  • Ik kon – i kost
  • Ik moet het niet hebben - kmoet ət nie ɛ̃n
  • Ik schrok - kvər.’schoot mi
  • Ik spreek, jij spreekt, hij spreekt - kspreek, gij sprikt, i sprikt
  • In het water stoeien - in twou.tər plet.sən
  • Indien het zou regenen - moest ət gon reeg.nən
  • Inmaken; wecken - ‘op.leg.gən
  • Je hebt gemorst - get gə.’smod.dərd
  • Je hebt het begrepen! (ironisch) - get ət gə.’snoo.pən!
  • Klauteren - ‘klef.fə.rən
  • Knellen (bv. een deur of schoen) - pran.gən
  • Knijpen - piet.sən
  • Kritiek geven op een venijnige manier - 'deur.steekn
  • Kwijlen - zab.bə.rən
  • Laden - lwjaan
  • Langskomen - ‘af.kom.mən
  • Lawaai maken - la.’wɛ̃t mou.kən
  • Liften - ot.too.’stop doen
  • Lijken op - trekn op
  • Lippenstift aanbrengen - ‘rjuud.sə.lən
  • Luisteren - lus.tə.rən
  • Mank lopen - ‘pik.kə.lən
  • Men gunt iemand iets - tis a gə.jond
  • Men is nog niet aan een nieuwe situatie gewend - da vourt
  • Men wordt in verlegenheid gebracht - kzin in af.’fron.tə gə.valn
  • Mengen - 'oon.dər.jien doen
  • Moeten - moes.tən; moetn
  • Mogen, ik mag, jij mag, hij mag - meu.gən, kmag, gij meugt, i mag
  • Mompelen - 'moom.pə.lən
  • Nabootsen - ach.tər.’nou.doen
  • Omgooien - 'om.piern
  • Omvallen - stuikn
  • Onderzoekend, kritisch bekijken - ‘mie.rən; ‘af.let.tən
  • Onrustig en voortdurend kleine bewegingen maken (bv. mieren) - kra.'wie.tələn
  • Ontkennen; heftig weerleggen - ‘af.strɛ̃n
  • Op een hoop gooien - op nən juup klet.sən
  • Opgegeten - ‘op.geetn
  • Opjagen - ‘af.staan
  • Opzichtig kauwen - ma.sjən
  • Pesten - koe.jə.'nee.rən
  • Piekeren - prak.kə.zee.rən
  • Pochen - bof.fən
  • Prakken - ‘ded.də.rən
  • Pruilen - moon.kən
  • Raden; gokken - grwjaan
  • Remmen - ‘frɛ̃.nən
  • Rijden - rɛ̃n
  • Roddelen - kom.’mee.rən
  • Ronddolen - ‘tsjoo.lən
  • Ruien (bv. een hond of een kip) - rui.vən
  • Ruilen - ‘man.gə.lən
  • Schaatsen - schet.sən
  • Schommelen - bie.zə.’bij.zən; ‘bij.zən
  • Slippen (met de auto) - pa.tie.nee.rən
  • Sloffen (gaan); traag komen aanlopen - ‘stes.sə.lən
  • Smakelijk lachen - gib.bə.rən
  • Sneeuwen - snjien
  • Snel naar meerdere plaatsten gaan -‘rond.sjeezn
  • Snijden - snɛ̃n
  • Snurken - ‘roon.kən
  • Spitten - spetn
  • Spreken - klapn; kou.tən; ri.zə.'nee.rən
  • Spuwen in één fluim - spjiekn
  • Spuwen in meerdere korte stoten - ‘spug.gə.lən
  • Stelen - schoepn; piekn; ‘schjief.sloun
  • Stevig gaan drinken - pin.tə.'lie.rən
  • Stoeien (maar met het grote risico dat het eindigt in ruzie) - fiek.fak.kən
  • Struikelen - ‘soe.sə.lən
  • Tegenwerken - ‘kljuu.tən
  • Tijdens een examen de antwoorden van je buur bekijken - ‘af.kijkn
  • Uit de echt scheiden - van ma.kour goun
  • Uit een fles drinken - toe.tə.rən
  • Uitglijden - oon.dər.’uit goun
  • Uitlachen - 'uit.schijtn
  • Urineren - zjie.kən; pis.sən; wou.tə.rən
  • Valsspelen - ‘zeu.rən; sa.’leu.rən
  • Vechten - bat.tə.rən
  • Veel heisa maken; keet schoppen - ba.’gaar ‘mou.kən
  • Vegen (bv. de kamer of het voetpad); hooi omdraaien zodat de onderste laag ook aan de zon wordt blootgesteld en droogt - kjie.rən
  • Veinzen - gə.’bou.rən
  • Verkeerd rijden - mis.rɛ̃n
  • Verklikken - ‘oo.vər.drou.gən
  • Verraden - və.rwjaan
  • Vertrekken - ‘oun.goun
  • Verven - ‘vɛ̃.rə.vən
  • Verwelken - vər.'slens.tə.rən
  • Voederen - voe.jə.rən
  • Voetballen - sjot.tən
  • Vrijen - vrɛ̃n
  • Waaien - wjaan
  • Waggelen - ‘zwɛ̃n.sə.lən
  • Wecken - ster.rə.lie.'zee.rən
  • Weggaan - er van.’oon.der trekn
  • Weigeren (bv. een aanbod of een geschenk) - rə.fə.’zee.rən
  • Wenen - schrjien; blɛ̃tn
  • Wieden - wjien
  • Wij konden - wə kos.tən
  • Wij kunnen - wə keu.nən
  • Wij laten ons fotograferen - wə lou.tən os trekn
  • Wij wilden met hem meegaan - wi ‘wil.də.gən mee em ‘mee.goun
  • Wij zijn verzekerd - wə zin vər.as.’suu.reerd
  • Worden - wər.rə(n) of wor.rə(n); tegenwoordige tijd: kwor, gij wordt, i word, wi wor.rən, gulder word; verleden tijd: kwier, gij wierdt, i wierd, wi wie.rən, gul.dər wierd; voltooid deelwoord: gə.wər.rən
  • Wriemelend bewegen - kra.’wie.tə.lən
  • Wuiven (om goedendag te zeggen) - ‘zwie.rən
  • Zaaien; zwaaien - zwjaan
  • Zaken bijeen leggen - ram.ma.’see.rən
  • Zeer hard lachen - gib.bə.rən
  • Zeuren - ‘mem.mən; ‘sem.mə.lən
  • Zich informeren - oon.dər,’juu.rən
  • Zij die dat gedaan hebben… - də.die da ta gə.doun em.mə…
  • Zijn (bij inversie) - zin.nək?; zid.də gij?; is i?; is zi?; zim.mən wi?; zid.də gul.dər?
  • Zijn (werkwoord) - zin; tegenwoordige tijd: kzin, gij zit of zi, i is, wi zin of zim.mən, gul.dər zit of zi; verleden tijd: kwas, gij wourt, i was, wi wou.rən, gul.dər wourt; voltooid deelwoord: gə.wist
  • Zijn we te laat? - zim.mə tə lout?
  • Zou je? - zod.də?
  • Zouden (bij inversie) - zon.nək? of zun.nək?, zod.də gij? of zud.də gij?, zo.ti? of zu.ti?, zo.zə? of zu.zə?, zom.mə wi? of zum.mə wi?, zod.də gul.dər? of zud.də gul.dər?
  • Zullen (bij inversie) - zal.lək?, zul.də gij?, zu.ti?, zu.zə?, zul.lə wi?, zul.də gul.dər?

Thema's[bewerken]

APPARAAT[bewerken]

  • Een apparaat - nən ap.pa.’rel
  • Een centrifuge - nə ‘zwier.dər; nən 'drjuug.zwier.dər
  • Een fototoestel - nə ko.'dak
  • Een gasfornuis - ə ‘gaa.zə.vuur
  • Een mangel - nə vrin.gər
  • Een naaimachine - ə ‘stik.ma.sjien; ə ‘nwjaa.ma.sjien
  • Een slingeruurwerk - nə rig.gə.la.’tuir
  • Een telefoon - nən tel.lə.’fon
  • Een televisie - nən tel.lə.’vies

BEROEP[bewerken]

  • De apotheker - dən ap.’tee.kər
  • De beheerder van een postfiliaal - də post.mjies.tər
  • De boswachter - də ‘gar.dən
  • De dierenarts - də ‘pjɛ̃r.də.mjies.tər
  • De douanebeambten - də kom.’mie.zən
  • De drankenhandelaar - dən braar
  • De grafdelver - də ‘graf.mou.kər
  • De man die je op de bus een kaartje kwam verkopen - də koon.vwjo.'juir
  • De notaris - də no.’tor.ries
  • De oogarts - dən 'uujg.mjies.tər
  • De pastoor - də ‘pas.tər; də pas.'tjuur
  • De directeur van de lagere school - dən ‘boo.və.mjies.tər
  • De slager - dən ‘bjien.aar
  • Een administratief bediende - i zi.top dən bu.roo
  • Een advocaat - nən av.və.’kout
  • Een agent - nə po.'lies; nən a.'zjent
  • Een arbeider die zwaar grondwerk doet - i zi.top dən tra.’voo
  • Een boekhouder - nən ‘boek.aar
  • Een brandweerman - nə pom.’pier
  • Een dokter - nən dok.teur
  • Een fietshersteller - nə ‘vee.loo.mou.kər
  • Een handelaar - nə mar.’sjan; nə kom.mer.'sant
  • Een heier - nə ‘pou.lə.stam.pər
  • Een kapster - ən kwja.’feus
  • Een kinesist - nə mas.’seur
  • Een kokkin - ən ‘koo.kas
  • Een matroos - nə ma.trjuus
  • Een mecanicien - nə mik.ka.'nie.kər
  • Een molenaar - nə ‘mul.dər
  • Een ober - nə gar.'son
  • Een onervaren persoon; een beginneling - ən bleu.kə
  • Een rijkswachter - nə flik
  • Een schaapherder - nə schou.pər
  • Een scharenslijper - nə 'schjei.rə.sliep
  • Een soldaat - nən ‘boe.fer (eerder negatief); nə pa.jot (eerder vaderlandslievend, tevens gebruikt voor iemand die niet in het leger dient en toch erg vaderlandslievend is)
  • Een tandarts - nən daan.'tiest
  • Een veehandelaar - nən ‘bjiez.tə.kjuu.pər
  • Een veldwachter- nə sjam.’pet.tər
  • Een venter - nə leur.dər
  • Een vrouw die het huishouden doet van rijke burgers - zə dient
  • Een werkloze - nən dop.pər
  • Een werkster - ən kus.vraa
  • In het leger gaan - nor dən troep goun

BOER[bewerken]

  • Bieten - bjie.tən
  • Bundels graan rechtop bij elkaar plaatsen - ‘stui.kən
  • De aardappelsoort Sumatra - ‘su:r.tə.maa
  • De bergplaats voor karren en machines - ‘tker.rə.kot
  • De bovenste laag van een mijt zodanig plaatsen dat regen niet in de mijt kan doordringen - 'af.dek.kən
  • De melkerij - də mel.kə.'rɛ̃
  • De oogst - dən oest
  • De kuil waarin aardappelen werden gelegd en afgedekt om bewaard te worden - də pə.tet.mijn
  • De pacht betalen - de sɛ̃s bə.tou.lən
  • De toegang tot een akker over een gracht - ‘tmen.nə.gat
  • De twee houten, lange staken of balken van een lamoen - treemn
  • Diep ploegen - ‘diep.rɛ̃n
  • Dorsen - dus.sən
  • Een aalputemmer aan een stok - ən bjɛ̃r.loet
  • Een akker die heel snel droog ligt - ən voug
  • Een balk of hek waarmee de opening van een weide wordt afgesloten - nən 'dren.bjuum
  • Een behoorlijk lange, dikke stok (bv. om vee te drijven) - nə klip.pəl
  • Een boomgaard - nən ‘boo.gard
  • Een dorsmachine - nən ‘dus.meu.lən
  • Een eg - ən ee.gə.də
  • Een riek met gekromde tanden - nə ‘mes.ouk
  • Een hoeve - ən ‘doe.nink
  • Een hooi- of strozolder boven een stal - nə schelf
  • Een hoop hooi of graan zorgvuldig bij elkaar plaatsen - ‘schel.vən
  • Een koe die geen kalf (meer) kan krijgen - ən kween
  • Een koeienvlaai - nə pla.’des.tər
  • Een konijn doden door het nek te breken - tfas ‘af.sloun
  • Een maaidorser - ə kom.’bien
  • Een mijt zorgvuldig opbouwen - tas.sən
  • Een paard leiden: vooruit!, stoppen!, naar links, naar rechts - ə pjɛ̃rd in dand aan: juu!, ou!; ouw!, 'ɛ̃.rom, 'u:.tom
  • Een paardenjuk - ən oum
  • Een rij aardappelen - ən root pə.tetn
  • Een sikkel - ən ‘zig.gəl
  • Een stoeltje met drie poten om te melken - nə pik.kəl
  • Een taps toelopend stuk land - nən tip
  • Een tractor - nən trek.’teur
  • Een vaalt - nə mes.put; nə ‘mes.sing
  • Een voor (na het ploegen) - ən vjuur
  • Een zwangere koe of merrie - zə zit vol
  • Ervoor zorgen dat een grote lading hooi of stro tijdens het vervoer niet van de kar schuift, door touwen op de lading aan te spannen - ‘rjie.pən
  • Gemaaid koren bijeen brengen en binden - schjuu.vən
  • Gemet (oppervlaktemaat voor akkers) - gə.meet
  • Gerst - gjest
  • Gier over akkers verspreiden - ‘bjɛ̃.rən
  • Graan met de hand maaien - pik.kən
  • Graan naar de hoeve brengen - men.nən
  • Gras of graan machinaal maaien - ‘af.rɛ̃n
  • Haver - ou.vər
  • Het geldbedragje dat aan een kind van de boer werd gegeven nadat een rund was verkocht, om het nog goed te verzorgen totdat het werd opgehaald om naar het slachthuis gevoerd te worden - ‘stjert.jəs.geld
  • Gras - tgas
  • Het vilbeluik - 'tvul.blik
  • Hooi stapelen op het veld - ‘op.pə.rən
  • Iets over een akker verspreiden - ‘uit.rɛn
  • Jonge plantjes (bv. van bieten of wortelen) verwijderen zodat andere plantjes meer ruimte krijgen om te groeien - dun.nən
  • Maïskorrels - ‘Spon.sə tɛ̃rf
  • Mestvocht - ma.’sol.lie
  • Met een stok graan uit de aren slaan; erwten uit de gedroogde peulen slaan; rijp fruit uit een boom schudden - ’klip.pə.lən
  • Mond- en klauwzeer - də muil.ploug
  • Planken bovenop een kar plaatsen waardoor meer lading kan worden vervoerd - bar.dəs zetn
  • Prikkeldraad - ‘pin.nə.kəs.droud
  • Schrikdraad - dən el.lən.’trie.kən droud
  • Stro - strjuu
  • Tarwe - tɛ̃rf
  • Vroege aardappelen - ‘jies.tə.lingn

DE MAN EN ZIJN ONDEUGDEN[bewerken]

  • De lokale vrouwenversierder - də pa.’ro.chə.stier
  • Een armoedzaaier - nən ɛ̃r.mwjoe.lij.ər; nən ɛ̃r.mwjoe.zou.jər
  • Een bangerik - nən ‘broek.schij.tər; nən bə.’naat.schij.tər; ən ban.gə.scheet
  • Een dwarsligger; een koppigaard - nən ‘dwjɛ̃.zən; i ligt dwjɛ̃z; nən ‘et.tə.kop
  • Een egoïst - nən urk
  • Een gemene, egoïstische man - nə 'schurf.tə.rik
  • Een geniepige man die onrust en tweedracht stookt - nən ‘drum.mər
  • Een gierigaard - nən ‘dui.tə.klie.vər
  • Een handelaar die niet te vertrouwen is - nə ‘sjag.gə.rjɛ̃r
  • Een hielenlikker; een slijmerd - nən bou.zə.poe.pər
  • Een hovaardig iemand - nə jan.min.’kljuu.tən
  • Een knoeier - nə ‘mjuus.kljuut; nə ‘mjuus.pot, nə ‘mjuu.sər
  • Een losbol - nə ‘kwies.tən.bie.bəl; nə kwiet
  • Een man die de sociale regels niet volgt; een dommerik - nən an.nə.’wui.tən
  • Een vrouw die hooghartig is - ən ‘stree.kə.vent
  • Een man met een sterke, maar af te keuren, seksuele appetijt - ən jiet ‘vɛ̃r.kən; ən jiet pa.’tee.kən
  • Een nietsnut - nə ‘kloef.kap.pər
  • Een nietsnut die van anderen profiteert - nən ‘biet.skoe.pər
  • Een nieuwsgierig iemand - nə kur.’jeu.zə.’neus; nə kur.’jeu.zə.’neu.zə.’mos.tərd.pot
  • Een onhandige sul die slecht presteert en niet aan de verwachtingen voldoet - nə ‘krab.bə.koo.kər
  • Een onnozele, waardeloze vent - nən ‘oe.lə.wap.pər
  • Een onsympathieke, vervelende vent - nən ‘beu.rik; nə ‘jan.min.gat
  • Een onuitstaanbare vent - nən ‘bad.dən
  • Een opschepper - nən bla.’geur.mou.kər; nə stoe.fər; ən ‘wind.blous
  • Een slome - nə ‘lam.zak
  • Een sullig persoon - nən dzoe.bən
  • Een valsspeler - nən ‘or.zak
  • Een vitter; iemand die zevert over onbenulligheden - nə ‘pee.zə.wee.vər
  • Een zonderling - nən our.də.gən
  • Iemand die achterbaks is - die is oon.dər.’dums
  • Iemand die allerlei zaakjes ritselt; een bedrieger - nə ‘foe.fə.ljɛ̃r
  • Iemand die als minderwaardig werd behandeld - die wierd schjief bə.’kee.kən
  • Iemand die anderen ophitst - nən ‘op.mou.kər
  • Iemand die anderen tegenwerkt - nə vrin.gər
  • Iemand die de zaken lastig maakt - nən ‘troe.tən; nə ‘schjief.zjie.kər
  • Iemand die echt niet deugt - nə 'niet.op; ə stuk stroont; nə 'gang.stər
  • Iemand die een onsympathiek karakter heeft - i ee dən (slecht) kar.rə.’tjɛ̃r
  • Iemand die egoïstisch is en zich enkel materieel wil verrijken - nən eb.bər
  • Iemand die gemeen kan zijn - die kan ljulk uit dən oek kom.mən
  • Iemand die iedereen naar de mond praat - nən ‘too.tən.trek.kər
  • Iemand die in alles het negatieve ziet en geen levensvreugde uitstraalt - nən a.'zijn.pis.sər
  • Iemand die je nooit ziet lachen of plezier maken - nən ‘drjuug.kljuut
  • Iemand die niet aandachtig is en de gevolgen van z’n daden niet bekijkt - i is nee.glie.’zjent
  • Iemand die niet gemotiveerd is om te werken; iemand die geen orde en regelmaat kent - nə ‘flie.rə.flui.tər
  • Iemand die niet goed wijs is - nən ‘al.və ‘gou.rən
  • Iemand die niet te vertrouwen is - nə fie.’loe
  • Iemand die niet veel durft; een flauwerik - nə ‘lab.bə.kak
  • Iemand die ongewenste seksuele handelingen stelt - ə vet.zak.skə
  • Iemand die overal zijn voordeel haalt, desnoods met illegale middelen - nə scha.mo.’tuir (oorspronkelijk een kleibaggeraar of escavateur in de gelaagputten)
  • Iemand die snel en veel eet - nən ‘deur.jou.gər; nə ‘fret.zak
  • Iemand die snel geïrriteerd wordt als hij moet wachten - nən on.gə.’duu.rəg.ord
  • Iemand die vaak gemene dingen doet, maar zijn ware aard weet te verbergen - nən 'ei.mə.lek.kən
  • Iemand die vaak onrustig en gestresseerd is - ən ‘zee.nə.pees
  • Iemand die van mening is veranderd - i ee zin.nə ka.’zak gə.drwjaad
  • Iemand die verschrikkelijk koppig is - nə ‘stjien.ee.zəl
  • Iemand die voor het minste pijntje gaat klagen - nə ‘klɛ̃n.zjie.rə.gən
  • Iemand die weinig of niets zelf doet en profiteert van het werk van anderen; iemand die over het minste pijntje gaat klagen, vaak om zich aan een taak te onttrekken - nə ka.’rot.tən.trek.kər
  • Iemand die zich vlug kwaad maakt - tis nə ko.’trie.kə.gən
  • Iemand die zijn standpunt per se wil doordrijven; iemand die in een geschil geen toegeving wil doen - i aa zin.nə kop stijf
  • Iemand op wie je niet kan rekenen; iemand die niet doet wat hij belooft - nə ‘zjie.kər

DE VROUW EN HAAR ONDEUGDEN[bewerken]

  • Een bazige vrouw (tegenover haar man) - nə sjam.pet.tər
  • Een bitsige vrouw - ən pie.kə.’tijn
  • Een gierige vrouw - ən ‘gie.rə.gə pin
  • Een dwaze vrouw - ən kal
  • Een onhebbelijke, gemene vrouw - ən tang; ən vui.lə ros
  • Een opgetutte vrouw - ən mies.taan.’get
  • Een venijnige vrouw - ən (‘smjɛ̃.rə.gə) tiek
  • Een vrouw die hooghartig is - ən ‘stree.kə.ma.dam; ən kak.ma.dam
  • Een vrouw die liegt - ən leu.gə.nas
  • Een vrouw die luid praat of lacht - zə ‘schet.tərt; tis ən ‘schet.tər.kont
  • Een vrouw die onsympathiek overkomt - ən trees
  • Een vrouw die verschrikkelijk aan 't zagen is - da mɛ̃ns is vrjied ont per.mə.’tee.rən
  • Een vrouw die zich niet verzorgt of haar huis niet onderhoudt - ən slons
  • Een vrouw die hooghartig is - ən ‘stree.kə.ma.dam
  • Een vrouw van lichte zeden - ən kie.lə.’boes; tis ər iejn van ach.tər troum

DIER[bewerken]

  • De houtworm - də mulm
  • Een bromvlieg - nə 'roon.kord
  • Een bunzing - nə vis; nə fis
  • Een cavia - ən stjien.sə rat
  • Een dikke vlieg - nə mwjaa.schij.tər
  • Een eend - ən piel
  • Een egel - ə 'stee.kəl.vɛ̃r.kən
  • Een hommel - ən 'bom.bie
  • Een jonge kip - ən poe.’lie
  • Een kalf - nə mut.tən
  • Een kanarie - nə ka.'nan.nə.voo.gəl; nə ‘pie.tə.kə
  • Een kikker - nə puit
  • Een kikkervisje - ən oe.kə.’doe.lə.kə
  • Een kip - ə 'kie.kən
  • Een kuikentje - ən ‘tsjiep.kə
  • Een leeuw - nə ljie
  • Een libel - nə ‘glou.zə.snɛ̃r (In de Vlaamse dialecten, zelfs in deze van het Waasland, verschillen de namen van insecten erg van elkaar; zie: e-WVD: Woordenboek van de Vlaamse Dialecten, https://www.e-wvd.be/lid/wvd/f?p=131:1::::::)
  • Een lieveheersbeestje - ə pie.tər.’nel.lə.kə
  • Een mannetjesduif - nə koo.pə.rən
  • Een mannetjeskonijn - nə ‘rip.pər
  • Een meeuw en de meeuwen - nə mjie en də mjien
  • Een meikever - nə ‘meu.lə.njɛ̃r
  • Een merel - nə mjɛ̃r.lon
  • Een mier - nə mjuu.rə.zjie.kər
  • Een oorworm - nən ‘tjie.nə.nij.pər
  • Een pad - ən pad.də
  • Een papegaai - nə pap.pə.’gwjaa
  • Een parkiet - nə per.’ruusj
  • Een pauw - nə paa
  • Een regenworm - nə pie.lə.’wui.tər
  • Een spreeuw - ən sprjie
  • Een staart - nə stjɛ̃rt
  • Een steekvlieg - nən dous
  • Een stekelbaarsje - ə ’stee.kəl.bak.skə
  • Een uier - nən eur
  • Een vaars - ən vjɛ̃s
  • Een vleugel van een vogel - nə ‘vleu.rink
  • Een vrouwelijk konijn - ən vwjoe
  • Een zwaluw - nə ‘zwom.məl

DOOD[bewerken]

  • Een dode - nən djuun
  • Een doodsprentje - ən djuu.’bee.lə.kən
  • Een grafsteen - ə zɛ̃rk
  • Hij is begraven - i lee.tər oon.dər
  • Hij rouwt - i is in də raa
  • Iemand is overleden - i eet zin kjɛ̃s ut.gə.blouzn; i eet zin.nə kop gə.leen
  • Iemand is overleden en opgebaard - i ligt in ‘lij.kən

FAMILIE EN SOCIAAL[bewerken]

  • De waarheid - də wo.red
  • Een babbeltje slaan - kat.tə.'naan.sə; kaa.tən
  • Een binnenvetter; iemand die zijn ontgoochelingen en frustraties niet onder woorden brengt - nən 'er.tə.fret.tər
  • Een CVP'er - nə 'kat.tə.kop
  • Een homo - ən zja.net
  • Een meisje en een jongetje - ə mes.kə en ən jong.ske
  • Een man die te beklagen is - nən duts
  • Een mens - nə mɛ̃ns
  • Een niet nader bepaald aantal chiroleden - də ‘gie.roos
  • Een niet nader bepaald aantal mannen - ‘man.nə.vol.lək
  • Een oom - nə noon.kəl
  • Een oudere mannelijke vrijgezel - nə jonk.man
  • Een socialist - nə sos
  • Een speciaal, nogal eigengereid iemand; iemand van wie je niet zomaar wat gedaan krijgt - tis nə 'num.mə.roo
  • Een stotteraar - nən ‘ak.kə.ljɛ̃r; nən ‘dod.də.ljɛ̃r
  • Een tante - ən taant
  • Een vleier - nə 'maa.vee.gər
  • Een vrouw die te beklagen is - ən sljuur
  • Een vrouw die veel tegenslag heeft - ən suk.kə.las
  • Een vrouw en een man (personen waarover men verder amper iets weet) - ə ‘vraa.mens en ə ‘man.nə.mens
  • Een weduwe en een weduwnaar - ən weef en nə 'wee.və.njɛ̃r
  • Een zoon en zonen - nə zeun en zeuns
  • Het bejaardenhuis - taa.’pee.kəs.uis; tsticht
  • Het comité - 'tkom.mie.teit
  • Iemand die geen plagerijtjes kan verdragen - nə ‘sui.kə.rən
  • Iemand die onduidelijk spreekt - nən ‘broe.bə.ljɛ̃r
  • Iemand die overdreven vriendelijk is - nə ‘plat.tən
  • Iemand die praktische grappen uithaalt - nə far.’suir
  • Iemand die tegenspreekt - ən ‘fran.kə toot
  • Iemand die teruggetrokken leeft en niet sociaal is - i is op zin ‘ɛ̃.gən
  • Iemand van wie het sociaal gedrag niet alledaags te noemen is; iemand met bijzondere talenten - tis nə spis.’sjaa.lən
  • Kinderen - klɛ̃n man.nən
  • Mijn buurman - min.nə gə.buur
  • Mijn neef - min.nə koz.zən
  • Mijn vriend; mijn maat - min mot.sjə; min.nə mout
  • Moeder - moen
  • Onze vader - oonz vod.dər
  • Ouders die hun kind al tijdens hun leven het overgrote deel van hun vermogen hebben gegeven - zem.mən ul.dər ‘uit.gə.kljied
  • Schoonfamilie - 'oun.gə.traa.də fa.'mie.lə
  • Verre familie - van tzee.vəs.tə knjuups.gat
  • Ze krijgt weinig bezoek - zə ee wɛ̃.nəg oun.sprouk

FIETS[bewerken]

  • Een bagagedrager - ə stoe.lə.kə
  • Een bakfiets - nən trie.por.’teur
  • Een fiets - nə ‘vee.loo; nən ar.lie trap.son
  • Een fiets met pedaalremmen - nən tor.’pee.doo; nən ‘tor.pə.doo
  • Een lekke band - nə ‘plat.tən tsjoep; min.nən baand ee.dən fwiet
  • Een reflector - ən ‘kat.tən.juug
  • Een spaak van een wiel - nə ri.’jong
  • Een spatbord - ən ‘moor.schelp
  • Een spatlap - nə ‘spjiet.lap
  • Een tandwiel van een fiets - nə pie.jon
  • Een ventiel - nə soe.’pap
  • Een versnellingsapparaat - ‘vie.tes.sən; ə vər.'zet
  • Een zadel - ən zoul
  • Remmen - frɛ̃ns
  • Velgen - ‘zjan.tən

FINANCIEEL EN JURIDISCH[bewerken]

  • Armoede - ‘ɛ̃r.mwjoe
  • Cash - bour geld
  • De gevangenis - dən a.’mie.goo; dən bak
  • De opzegtermijn - dən ‘op.zeg
  • De verzekering - ‘das.graan.sə
  • Een kasticket - ə soesj.kə
  • Een klant - nə ka.'lant
  • Een koopje; iets dat men tweedehands koopt - ən ok.ko.zie
  • Een kwitantie - ən kie.'taan.sə
  • Een opslagplaats - nən die.'poo
  • Een waarschuwing van een gezagsdrager (bv. een agent) - ə rə.plə.’ment
  • Een zaak die duur is om aan te kopen of te onderhouden - tis ən run.nə.wien
  • Er is een juridische beslissing genomen - dər is bə.’schjied gə.doun
  • Er zijn verkiezingen - tis keuz; tis ‘kie.zink
  • Failliet zijn - op strout stoun
  • Geld op een spaarboekje of dat niet meteen aangewend wordt - lig.gənd geld
  • Het gemeentehuis - tgə.’mjien.tən.uis
  • Hij heeft geërfd - i ee gə.’djield
  • Hij is failliet - i is gə.rin.nə.weerd
  • Hij krijgt steun van de Openbare Onderstand (nu: het OCMW) - i leeft van dən ‘ɛ̃r.mən
  • Hij verdient goed - i ee.dən schjuun pree
  • Iemand die de prijs opdrijft bij een openbare verkoop - nə ‘strjuut.sjəs.man
  • Ik heb een officieel bericht gekregen - kəm tɛ̃nk gad
  • Ik heb mijn loon ontvangen (destijds om de veertien dagen) - kem ka.’zjiem gə.trokn
  • Schade - schwjaa
  • Werk - ‘wɛ̃.rək

GEBAK[bewerken]

  • Amandel- of kokosrotsjes - ma.’krons
  • Een eclair - ə ‘sjoe.kən
  • Een gebakje van meringue - ə mer.vi.’jeu.kə
  • Een hoorntje, gevuld met vanillecrème - ən ‘jɛ̃.rə.pijp
  • Een klein rond koekje met gekleurde harde suiker erop (van de Sint) - ə 'mok.skə
  • Een krentenkoek - nən ‘bee.zə.koek
  • Een rond broodje; een pistolet - nə pies.too.’lee
  • Een taart - ən toert
  • Een tompoes - ən ‘boek.skən [AVH]
  • Een wafel - nə ‘wof.fəl
  • Eender welk gebakje waarvoor geen aparte naam bestaat - ə pa.'tee.kən

GEREEDSCHAP EN MATERIAAL[bewerken]

  • Chroom - krom.'mee
  • De verlostang - dij.zərs
  • Een aarding (bv. in een stopcontact) - nən tjɛ̃r
  • Een aluminium drinkbus - ən pul.lə
  • Een boodschappentas - ən ka.lə.’bas; ən ka.’baa
  • Een condoom - ən ka.poot
  • Een dekzeil (ook om tegen de regen beschermd te zijn op de fiets) - ən basj
  • Een deuk (bv. in een auto of een kookpot) - nən bluts
  • Een dop - ən 'dop.səl
  • Een draagtas; een rugzak - ən ba.’zas
  • Een elastiek - nə 'rek.kər
  • Een flessenopener - nən ‘af.trek.kər; nə ‘stoe.pən.trek.kər
  • Een gaatje - ə got.sjən
  • Een hark - ən rijf
  • Een hechtpleister - nə ‘plak.kər
  • Een juten zak - ən boul
  • Een kaars - ən kjɛ̃s
  • Een kassei - nə kal.lə.sɛ̃
  • Een knapzak - nə kan.’duit; nə ‘schoof.zak
  • Een ladder - ən ljier (let op: een jas van leer is "nə lee.rə frak")
  • Een lampfitting - ən sok.'ket
  • Een lucifer - ə ‘stek.skə
  • Een magneet - ə ‘plak.ij.zər
  • Een mand - ən man.də
  • Een olielamp - nə kin.’kee
  • Een portefeuille - nə por.tə.’fuul
  • Een postzegel - nen ‘tem.pər
  • Een rietje (om te drinken) - ə strjuu.kə
  • Een ringetje dat als pakking dient - ə ron.del.lə.kə
  • Een schaar - ən schjɛ̃r
  • Een schoffel; een hak - nə ‘kap.pər
  • Een schoudertas (gedragen over één schouder) - nən bal.lə.’son
  • Een schroevendraaier - ən toer.na.’vies
  • Een sleutel - nə ‘sneu.təl; nə ‘sleu.tər
  • Een spade - ən spwjaa
  • Een tuit (bv. van een koffiepot) - ən teut
  • Een veiligheidsspeld - ən ‘toe.spel
  • Een verdeelstekker - nə kat.tə.kop
  • Een vijs die niet kan worden aangedraaid - deez vijs drwjaat gə.lek zot
  • Een zaklamp - ən 'piel.lamp; ən 'piel.licht
  • Een zeis - ən zɛ̃s
  • Een zekering - nə plong; nə plon
  • Elektriciteit - dən el.lən.'triek
  • Iets waar je batterijen voor nodig hebt - da werkt op ‘pie.lən
  • Kippengaas - ol.lə.kəs.droud
  • Piepschuim - ie.sə.'moo
  • Resten, andere dan bezinksel, die aan een recipiënt blijven kleven (bv. eten, melk) - ‘oun.lwjaa.səl
  • Rode menie - rjuu mien
  • Stopverf - mas.’tiek
  • Tape om een windel vast te maken of om een gaatje te dichten - ‘spar.rən.drap

GROENTEN EN FRUIT[bewerken]

  • Aalbessen - ‘tros.kəs.beezn
  • Aardbeien - ‘jɛ̃.rə.beezn
  • Bramen - ‘brom.beezn
  • Een bloemkool - ən 'blom.kjuul
  • Een Clapp’s Favourite (peersoort) - ən klaps
  • Een kersenboom - nə 'kjɛ̃.zə.ljɛ̃r
  • Een mispel - ən ‘mup.səl
  • Een peer - ən pjɛ̃r
  • Een perzik - ən paas; ən pisj
  • Een pruim - ən prum
  • Een savooikool - ən sa.’vwjoe
  • Een schorseneer - ən schor.sə.'njiel
  • Een sinaasappel - nən ap.pəl.’sien
  • Een tomaat - ən tom.mat [AVH]
  • Een ui - nən ajuin
  • Een walnoot - ən ‘boe.rə.noot
  • Erwten en wortelen - ‘et.sjəs en ‘pee.kəs
  • Kersen - kaa.ze.’kriekn
  • Peterselie - pie.tər.’see.lie
  • Prei - ‘pa.rei
  • Rabarber - rə.’ber.bər
  • Rodekool - rjuu.'kjuul
  • Salade; sla - sa.lwjaa
  • Spinazie - ‘spie.nwjaa.zie
  • Stekelbessen - ‘stik.kəl.beezn

HUIS[bewerken]

  • De beerput - dən 'bjɛ̃r.put
  • De bestekamer; het salon - ‘tveur.uis
  • De betegeling rond het huis (meestal enkel aan de voorgevel) - ‘tplan.sier
  • Een brievenbus - ən bwjout
  • De eetplaats - ‘dit.kom.mər; ‘dit.plots
  • De koer achteraan het huis, bij de keuken - dən ach.tər.’buitn
  • De voordeur - də ‘veur.deur
  • De zolder - 'top.pər.stə
  • Een dakgoot - ən kor.’nisj
  • Een deurstijl - nə sjam.’brang
  • Een gemetseld waterreservoir - nən ‘tras.bak
  • Een gemetselde bak in de kelder waarin gepekeld vlees werd bewaard - ən ‘vljiez.kuip
  • Een hek - ən ek.kən
  • Een kalklaagje op een muur aanbrengen - witn
  • Een klink - ən kleenk
  • Een omheinde groentetuin - nə 'loch.tink
  • Een likje verf - ə lek.skə vɛ̃rf
  • Een plankenvloer - nə plan.’sjee
  • Een schouw - ən schaa
  • Een serre - ən sjɛ̃r
  • Een slaapkamer - ən ‘slop.kom.mər
  • Een spleet (bv. tussen planken of tegels) - nə 'gar.rəl
  • Een spoelbak in de keuken - nə 'pomp.stjien
  • Een stutbalk - nə pə.’trel; nə ‘poe.trel
  • Een tegel - nən ‘ti.chəl
  • Een urinoir - ən pie.’sien
  • Een venster - ən ‘veng.stər; ən ‘vus.tər
  • Een vensterbank - ən 'veng.stər.blad; ən 'veng.stər.ta.blet
  • Een vensterluik - ən blaf.fə.’tuur
  • Een vloertegel in natuursteen of beton - nən dal
  • Een vochtige muur - ən ‘boch.tə.gə muur
  • Het achterhuis - ‘tpomp.uis
  • Het afvoerputje - ‘tmoor.put.tə.kən
  • Het grasveld waarop linnengoed aan de zon wordt blootgesteld om wit te worden - dən bljiek
  • Het portaal bovenaan een trap - dən al.’lee; dən ‘oo.vər.ljuup; də pal.’jee
  • Het toilet buiten, zonder stromend water - ‘tus.kən, tvər.trek, də koer
  • In de tocht zitten - in dən trok zitn
  • Rolluiken (later ook zonneblinden en luxaflex) - pər.’sjəns

HUWELIJK[bewerken]

  • De huwelijkspartner verlaten en met iemand anders gaan samenwonen - er van.'oon.dər trekn
  • Een liefje (meestal van tijdelijke aard) - ə 'mok.skə
  • Het bruidspaar - də traars
  • Het huwelijksgevolg - də swiet
  • Hij heeft een affaire met iemand - i ee.tər mee iejn van.’doen; i aad oun
  • Hij is verloofd - i ee ‘ken.nis
  • Huwen; trouwen - traan
  • Lieverd (tussen echtgenoten) - ‘loe.kə

KAARTEN[bewerken]

  • Abondance - ab.bən.’daans
  • De eerste kaart op tafel leggen - ‘uit.kom.mən
  • De kaarten niet correct verdelen - mis.’djie.lən
  • Een joker - nə zjoo
  • Een spelletje solitaire winnen - kzin uit.gə.rokt
  • Hoge kaarten: koning, koningin, boer - ‘prent.sjəs: nə 'keu.nink; nən jier, ən dam; ən vraa, nə zot
  • Kaarten - kor.tən
  • Kaarten in je hand volgens kleur en waarde ordenen - də kor.tən stee.kən
  • Kleuren in het kaarten: harten, klaveren, ruiten, schoppen - et.təs, er.təs; klou.və.rən, klou.vərs; ‘pij.kəs; ‘koe.kəs
  • Men heeft het aantal geboden slagen net gehaald - tis nə ‘zjuus.tən
  • Overtuigd zijn dat je bij wiezen geen enkele slag zult halen en al je kaarten op tafel leggen - mie.’zee.rie op tof.fəl
  • Solitaire - ‘af.leg.gər.kə

KERK[bewerken]

  • Bidden - lee.zən
  • Bidden tot een heilige om van een ziekte te genezen of een kwaal te verhelpen - ‘af.lee.zən
  • De kerkbaljuw - də swies
  • De parochie - də pa.’ro.chə
  • De paashaas doet zijn aankopen in de Carrefour - də ‘pous.klokn vər.trekn nor ‘Rjuu.mə
  • Een doopmeter - ən pit.tə; ən pit
  • Een dooppeter - nə ‘pee.tə.rən
  • Een kerk - ən kɛ̃rk
  • Een mis - nən dienst
  • Een opzichtig kerk- en pastoorsgezind iemand - nə piel.’jɛ̃.rən.bij.tər
  • Een schapulier - ə ska.pu:.’lier
  • Een schapulier in de vorm van een medaille - ə ma.’do.lie.kə
  • Het geld dat tijdens een misviering bij elke aanwezige wordt opgehaald voor het onderhoud van de kerk - ‘stoe.lə.kəs.geld
  • Het koor - tkjuur
  • Het oksaal - ‘tjuug.zoul
  • Het vormsel - tvurm.səl
  • Kerstmis - ‘kest.dag
  • Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart - aalf oest (eigenlijk: halverwege de oogst)
  • Op bedevaart gaan - gon bee.wee.gən
  • Palmzondag - pal.mə.zon.dag
  • Pinksteren - Sink.sən

KEUKEN[bewerken]

  • De gootsteen - də pom.bak
  • Een vergiet - ə stra.’mien
  • Een aardappelmesje - nə pə.'tet.schel.dər
  • Een blikopener - nən 'oo.pən.doen.dər
  • Een bord - ən tal.’juur
  • Een deksel - ə scheel
  • Een dienblad - nə pla.'too
  • Een grote kookketel - nə mar.’miet
  • Een keukenhanddoek - nən ‘af.drjuu.gər
  • Een koffiezak in een koffiepot - ən ‘kaf.fə.buz
  • Een kookpot - nə kas.’trol
  • Een lepel - nə 'lee.pər
  • Een metalen rekje waarop de kookpot op tafel werd gezet - ən bar.rə.kən
  • Een roerzeef - nə paz.zə.’viet
  • Een schuimspaan - ən ‘schum.blad
  • Een soepbord - ən diep bord
  • Een vaatdoek - ən ‘schoo.təl.vod.də
  • Een voorschoot - nə ‘vus.schjuut
  • Een vork - ə vər.’ket; ən vurk
  • Een waterketel - nə mjuur
  • Het botervlootje - dən 'boo.tər.pot
  • Met de hand koffiezetten - op.gietn

KIND[bewerken]

  • De jeugd - də jonk.ed
  • De kraamkliniek - tmoe.dər.uis
  • De lieveling van de juffrouw - də feb, də ‘feb.bə.kak
  • De plasser van een jongen - nə pie.zə.’wie.tər
  • De puberteit - də bib.bər.jou.rən
  • Doopsuiker - kin.nə.kəs.kak
  • Een baby'tje - ən ‘boe.lə.kə; ə plat keend
  • Een braaf, maar saai en klagerig meisje - ən ‘seu.tə.bees; ən ‘seu.tə.mie
  • Een buggy - ə stee.kər.kə [AVH]
  • Een fopspeen - nən ‘tuu.tər; ən ‘tie.kən
  • Een kind dat al flink is gegroeid of al behoorlijk zelfredzaam is - ə ferm bou.zə.kə; ə ferm bos.kə
  • Een kind dat iets heeft uitgespookt of regelmatig iets uitspookt - ə ‘snot.joonk
  • Een kind dat niet stil kan zitten, niet aandachtig is en niets ernstig neemt - nə ‘ruu.lə.’wuu.tər
  • Een kind dat nog in zijn bed plast - nən ‘bed.də.zjie.kə
  • Een kind kietelen op de buik - ‘krie.be.lən.buik doen
  • Een kinderwagen - ən vwja.’tuur; ən koets
  • Een kwajongen - ə pa.'tee.kə; ə pa.'tee.kən
  • Een luier - nə ‘pis.doek
  • Een park voor baby’s en peuters - nən boks
  • Een rakker; een deugniet - nə gal.’jaar
  • Een slabbetje - ən ba.'vet
  • Een stout kind - nə ‘fran.kord
  • Een wipstoeltje (voor baby’s) - ə ‘wip.pər.kən
  • Een zielig kind - nən duts
  • Geboorte - gə.bor.tə
  • Het jongste kind van een gezin - də ‘kak.kə.nest

KLEDIJ[bewerken]

  • Een beha - nə soe.’tjen; nən ‘tet.zak
  • Een bontjas - nə pel.sə.frak
  • Een boord onderaan een jurk (of een ander stuk stof) - ən ‘bie.zə.kən
  • Een corset - nə kor.’see
  • Een das - nə 'plas.'tron
  • Een drukknoop – ə 'piet.sər.kə
  • Een fluwelen jas - nə floe.rə frak
  • Een gebreide sjaal - nə gə.'bree sjal
  • Een gesteven hemd - ə stijf em
  • Een gulp - ən spriet
  • Een hemd met ruitjes - ə ka.’roo əm
  • Een hielstuk aan de binnenzijde van een schoen - nə koun.trə.’fjuur (van het Franse contrefor)
  • Een jas - nə frak
  • Een jurk - ə kljied
  • Een kap (aan een jas) - ən kap.pə.’teut
  • Een kraag - nə kol
  • Een lange, meestal grijze, schort gedragen om de kleding te beschermen - nə stof.frak
  • Een lange jas - nə ga.bar.’dien
  • Een mouw - ən maa
  • Een muts - ən pots
  • Een nachtjapon - ə ‘slop.kljied
  • Een onderhemd - ən ‘oon.dər.lif.kə
  • Een onderrok - nə kom.bie.nə.’zong
  • Een opvouwbaar regenjasje - nə kaa.wee
  • Een panty; een collant - ən ‘kaa.sə.broek
  • Een pet - ən klak
  • Een pochet - ə ‘stoe.fər.kə
  • Een puntmuts - ən pin.nə.muts
  • Een regenjas - nən im.pər.mee.’jaa.bəl
  • Een rokkostuum - nə ‘pie.tə.ljɛ̃r
  • Een sjaal - nə sjal
  • Een sluier - ən vwjal
  • Een tuinbroek - ən sa.loo.pet
  • Een veter - nə ‘nes.tlink; nə ‘nes.tling
  • Een voering – ən voe.jə.rink
  • Hij draagt een kledingstuk binnenstebuiten - i ee ət ‘aa.və.rechs oun
  • Ik krijg jeuk van de trui die ik draag - min.nən trui piekt!
  • Kleren - kljie.rən
  • Klompen - blokn
  • Nylonkousen - zɛ̃.'kaa.sən
  • Rubberen laarzen - kat.’sjoe botn
  • Sandalen - ‘slet.sən
  • Sloffen (schoeisel) - ‘slef.fərs (enkel vooraan dicht); ‘sloe.fən (rondom dicht)
  • Suède - dɛ̃
  • Teenslippers - ‘pie.lə.pjuu.tən

LICHAAM[bewerken]

  • Bakkebaarden - fa.sjən
  • Blootsvoets - ‘ber.rə.voets
  • Blozende wangen - bloo.zə.’kriek.skəs
  • Bovenarmspieren - ‘fors.baln
  • Bruin bier stimuleert de borstvoeding - bruin bier is goe vər tzog
  • De bevalling - 'tkin.dər.bed.də
  • De menopauze - tkjie.rən van də jou.rən
  • De ouderdom - dən ‘aa.wər.dom
  • Dikke benen - ‘wɛ̃.pouln
  • Dikke snot die aan de neus blijft hangen - ən snot.kjɛ̃s
  • Donshaar - ‘paa.zə.wol
  • Dunne benen - ‘stek.kə.bjie.nən
  • Een appendix; een ontsteking van de blindedarm - nən ap.paan.də.'siet; ap.paan.də.'siet
  • Een borst - ən bust
  • Een brildrager - ən ‘bril.lə.kas
  • Een dikke man - nə ‘pap.zak
  • Een fors bovenlichaam - ən fer.mə ka.’ruur
  • Een gezicht - ə weezn
  • Een hart - ən ert
  • Een hoofd - nə kop
  • Een jongen met lang haar - nən bie.təl
  • Een knipoog - ən juug.skə trekn 
  • Een knipoog - ən juug.skə trekn
  • Een kus - ən toot; ən beez; ən ‘too.tə.beez
  • Een lang, mager persoon - nən ‘bjuu.nə.stouk
  • Een lende - ən lee
  • Een lies - ən ‘jie.kə.nis
  • Een lip - ən lep
  • Een maaltand - nən ‘bok.tand
  • Een magere vrouw - ən ‘pan.lat; ən spie
  • Een navel - nə ‘nou.gə.lən.buik
  • Een ongelijkmatig gebit - ən ‘pjɛ̃r.də.muil
  • Een onverzorgd iemand - nə ‘mot.tə.gord
  • Een oog - ən juug; ən uujg
  • Een oude man - nən aa pee
  • Een oude vrouw - ən aa djuus
  • Een paardenstaart (van een meisje) – ən pjɛ̃r.də.kod.də
  • Een piemel - nə flosj
  • Een schouder - ən schour
  • Een schriele mannelijke borst - ən kie.kə.bust
  • Een slungel - nə (lan.gə) zwiep
  • Een snottebel - ən ‘snot.kjɛ̃s
  • Een spottend lachje - nə ‘gree.məl
  • Een struise, sterke man - nən bjuum van nə vent
  • Een teen - nən tjien
  • Het voorste kootje van een vinger - dən tsjoep
  • Een vrouw met grote borsten - dər is veel vol.lək in də stou.sə
  • Enkels - ‘knoe.səls
  • Gaatjes in de tanden vullen - plom.’bee.rən
  • Golvend haar - ‘bek.kən int our
  • Grote handen - ‘kool.schup.pən
  • Haar haar - eur our
  • Hersenen - ‘es.səs
  • Het voorste kootje van een vinger - dən tsjoep
  • Hoofdroos - ‘pel.lə.kəs
  • Iemand die niet tegen kietelen kan - i is 'kie.təl.ach.təg
  • Iemand is buiten adem - i eet op zin.nən os.səm gə.’trapt
  • Iemand met een onverzorgd uiterlijk - nən ‘boo.ee.mər
  • Iemand met ros haar - nə ‘ros.tə.kop
  • Kippenvel (van koude of emotie) - ‘kie.kə.vljiez
  • Klein en gedrongen - gə.blokt
  • Klein van gestalte - klɛ̃n van pos.'tuur
  • Lichaamsgeur - ‘lif.geur
  • Naakt - in zin.nə ‘pad.də.rən; in zin.nən ‘bljuu.tən; in zin.nə flik.kər
  • Naar het toilet gaan - nour tgə.mak goun
  • Rillen van de koude - ‘dou.və.rən van də kaa
  • Speeksel - ‘spug.səl
  • Speeksel aangebracht om een kind te troosten na een val (in eerste instantie door de moeder) - ‘moe.dər.kəs.zalf
  • Sterk, maar klein en geblokt - gə.’stuukt
  • Stug haar - ne ‘vɛ̃r.kəs.bus.təl
  • Tanden van kinderen - tan.də.’bie.tərs
  • Teelballen - ‘klies.tərs
  • Vlechtjes - ‘kod.də.kəs
  • Wenkbrauwen - 'wenk.braan
  • X-benen - ‘mut.tə.kəs.knien
  • Ze is in verwachting - zis in po.zie.sə
  • Zweetvoeten - ‘stink.pa.tees; ‘zwjiet.pa.tees

MEUBELEN EN DECORATIE[bewerken]

  • Een bed - ən bed.də
  • Een deken - ən ‘soz.zə
  • Een divan - nən die.vang
  • Een doek dat men ter decoratie op een dressoir of tafel legt - nən wjol.sə.'ree
  • Een doos; een contactdoos - ən bwjaat
  • Een kast - ən kas
  • Een matras - nən ‘ee.pə.daa
  • Een onderstel van een bed met metalen veren - nə rəs.sour
  • Een overgordijn - nən dra.pə.’rie
  • Een porseleinen, romantische voorstelling van een of meerdere kinderen en/of dames - ə pop.pə.’stuur.kə
  • Een pronkkast - ən glou.zə kas
  • Een sierstuk op de schoorsteenmantel - ə schou.stuk
  • Een staande lamp – nə lam.pa.’deir
  • Een stekker (ook het stopcontact zelf) - ən pries
  • Een tafel - ən ‘tof.fəl
  • Een vaas - ən vous
  • Een versierde bloempot rond een aarden bloempot (meestal met crêpepapier om de bloempot heen) - nə kasj.'poo
  • Gordijnen - stor.zies

MUZIEK[bewerken]

  • De fanfare speelt - tmuu.'ziek go.’duit
  • Een accordeon - nən ‘trek.zak; ən ar.’mon.nie.kaa
  • Een liedje; een deuntje - ən jer.kə, ə lie.kə
  • Een lp - ə scheel
  • Een mondharmonica - ə ‘mond.mə.ziek.skə
  • Een orkestje dat in cafés speelt - nə zjas
  • Vals gezang; muziek die men niet wil horen - ‘kat.te.gə.jank

NATUUR[bewerken]

  • Bloemetjes van seringen - ‘dum.kəs
  • Brandnetels - ‘tin.gəls
  • Doornen - djuurns
  • Een bloem - ən blom
  • Een bloementuil - nən blom.mə.’kee
  • Een dennenappel - ən spar.rə.noot
  • Een dikke brok aarde - nə klot jɛ̃r.də
  • Een eik - nən iejk
  • Een haag - ən wjɛ̃r
  • Een klaproos - nə ‘koe.kə.’loe.rən.oun
  • Een knoest in het hout - nə wjier
  • Een korenbloem - ən 'kjuu.rə.blom
  • Een paardenbloem - ən ‘pis.blom
  • Een pit van een kers - nə ‘ker.rəl
  • Een roos - ən rjuus
  • Een sloot - nə sljuut
  • Een stronk - nən troonk
  • Een wormgat - ən ‘mwjaa.steek
  • In de schaduw - in də 'lom.mər.tə
  • Jasmijn - ‘zjaz.zə.mien
  • Kleefkruid - plak.kruid
  • Modder - moor
  • Muur (plant) - mjuur
  • Onkruid - vuil
  • Slijk - slik
  • Veldzuring (een merkwaardig plantje, want het wordt niet door koeien opgegeten vanwege het oxaalzuur) - koe.kə.’leut

ONDERHOUD, SCHOONMAAK EN WAS[bewerken]

  • Bleekwater - ‘bljiek.wou.tər; ood.zja.'vel
  • De jaarlijkse grondige schoonmaak van het hele huis en de opruiming van de inboedel, in de lente - də grjuu.tə kuis
  • Een bezemsteel - nən ‘bes.səm.stok
  • Een borstel (bv. voor het haar of om te verven) - nən ‘bus.təl
  • Een borstel met stijve haren - nə schrob.bər; nə grov.vən ‘bus.təl
  • Een borstel met zachte haren om stof op het stofblik te vegen - ə 'vou.gər.kə
  • Een borstel om de vloer te vegen - nə ‘kjier.bus.təl
  • Een emmer - nen 'jie.mər
  • Een handdoek voor de badkamer - nə ‘spon.sən ‘and.doek
  • Een kleerborstel - nə 'klier.bus.təl
  • Een kuip van metaal - nən ‘bas.sing
  • Een ragebol - nə ‘kop.pə.jou.gər
  • Een stofblik - ə 'vul.blik
  • Een vloertrekker - nən ‘af.trek.kər
  • Een wasknijper (toen men enkel houten knijpers gebruikte) - ən ‘aa.tə.spel
  • Een zeemvel - nə zjie.mə.’lap
  • Heb je doorgespoeld (op het wc)? - ed.də ‘deur.gə.sjast?
  • Leidingwater - ‘kront.sjəs.wou.tər
  • Mijn huishouden - min ‘uis.aan
  • Netheid - pro.prə.’teit
  • Olie om hengsels, sloten, machineonderdelen, fietskettingen etc. te smeren - fijn ‘oo.lie
  • Schoensmeer - bleenk
  • Schoonmaken - kui.sən
  • Spatten op de ruiten - ‘spet.tə.lin.gən
  • Stijfsel toevoegen aan witgoed dat wordt gewassen - stis.sə.lən
  • Verbleekt of verkleurd door de langdurige blootstelling aan zonlicht (bv. gordijnen) - ver.’schee.nən
  • Water met soda of zeep - ljuug
  • Wc-papier - ‘schit.pa.pier

OP CAFE[bewerken]

  • Bier met een laag alcoholpercentage - flut.sjəs.bier
  • De cafés - də sta.mie.’nees
  • Een bierviltje - ən bier.kort.sjə
  • Een biljartstoot die afschampt - nə fos.’keu
  • Een biljarttafel - nən biel.’jaar
  • Een café met vrouwen van licht allooi - ən kab.bər.’doesj
  • Een goed gevuld glas - das ‘Bee.vər.sə mout
  • Een jukebox - nə ‘zjuu.boks
  • Een kurk; een kroonkurk - ə ‘stop.səl
  • Een limonade a.u.b. - ə ‘lim.mə.nat.sjə as.tən.’blieft!
  • Een restje drank - ə klet.skən
  • Elixir - el.lek.'zier
  • Hij heeft heel zijn loon in de cafés gespendeerd - i ee jiel zin pree in də sta.mie.'nees 'op.gə.doun
  • Hij heeft veel gedronken - i ee.tər ‘nog.al wa ach.tər.oo.vər gə.kapt
  • Iemand die veel kan drinken zonder dronken te worden - i vər.zet.tər nog.al wa!
  • Iemand die veel koffie drinkt - ən ‘kaf.fie.loet
  • Neem een borrel! - pakt nən drup.pəl!

OPSMUK[bewerken]

  • Eau de cologne - ‘rie.kə.də.wou.tər
  • Een armband - nən bran.zjə.’lee
  • Een bros (haarkapsel) - ən schor
  • Een gouden horloge - ən gaa or.’loo.zie
  • Een haarscheiding - ən schjie
  • Een halsketting - nə kol.’jee
  • Een handtas - ən sja.'kosj
  • Een pruik - ən ‘par.ruuk; ən ‘per.ruuk
  • Een ring - nə reenk
  • Een sjaaltje ter decoratie - ə ‘foe.lar.kə
  • Een vrouw met opvallende, overdreven make-up - ən schmink.djuus
  • Haar waarin watergolven zijn aangebracht - nə miez.aan.’plie
  • Haargel - brie.jan.’tien
  • Hij wast zich - i wast zən ‘ɛ̃.gən; i wast.em
  • Hoge hakken - juug ‘ie.lə
  • Iemand met een goed voorkomen - i ee.dən goe ‘dop.zicht
  • Mooi aangekleed en opgetut - ‘op.gə.tal.juurd
  • Poeder - ‘poe.jər
  • Zich elektrisch scheren - schjɛ̃.rən zoon.dər zjiep
  • Zijn beste kledij aandoen - ‘op.kljien

PLAATS[bewerken]

  • Aan beide kanten - oun sweers.zɛ̃n
  • Amerikanen - Amee.ri.’kon.dərs
  • Antwerpenaren - die van oo.vər ‘twou.tər
  • België - Bel.lə.gə
  • Clinge - 'Dol.lan.sə Kling
  • De Klinge - Də Kling
  • De kaden - də kwjaan
  • De meersen - də mjɛ̃.sən
  • Dendermonde - ‘Djɛ̃.rə.mon.də
  • Drieschouwen (straat) - Drɛ̃.’schaan
  • Een dorp - ən durp
  • Een vrouw uit Brussel - ən ‘Bru:.sə.las
  • Engeland - ‘In.gə.laand
  • Ergens - ie.və.ranst
  • Heirweg (straat) - dən Jɛ̃r.weg
  • Italië - Ie.tol.lə
  • In het midden - ‘taal.vən
  • Kemzekenaren - ‘Kem.zie.kə.njɛ̃.rən
  • Meerdonk - ‘Mjɛ̃r.donk
  • Naast - nef.fəst; nee.vəst
  • Nergens - ‘nie.və.ranst
  • Rechtdoor - rech.tən.’deur
  • Sinaai - Snwjaa
  • Sint-Niklaas - Sin.nə.’klwjaas
  • Sint-Pauwels (voormalige buurgemeente) - Sin.’paals; Sim.’paals
  • Stationsstraat - stou.sie.strout
  • Stekenaars (spottend) - ‘mes.sən.trek.kərs
  • Temse - Temst
  • Veldweg op het afgebroken spoorwegtracé (nu: de verharde Spoorzate) - daa roet
  • Voorhoutstraat - 'Veur.aat.strout
  • Wegel over de akker tussen het kerkhof en het oude spoorwegtracé (nu: tussen de 2 bogen van de Reinaertlaan) - də Ker.kə.’wee.gəls

SCHOOL[bewerken]

  • Carbonpapier - kal.’keer.pa.pier
  • De dag waarop de meester of de juffrouw in de klas werd opgesloten - slui.tər.kəs.dag
  • De examens (net voor een vakantieperiode) – də prijs.kamp
  • De kleuterschool - də ‘pap.school; də bə.’wour.school
  • De lieveling van de juffrouw - də ‘feb.bə.kak
  • De proclamatie van de schoolrapporten - də ‘prijs.uit.djee.link
  • De speelplaats - də koer
  • Een balpen - nən biek
  • Een boekentas - nə kan.nə.’sjɛ̃r; nə kan.nə.’sjeir
  • Een hoofdletter - nən ‘blok.let.tər
  • Een katheder - nə pə.’pie.tər
  • Een onderwijzeres - ən ‘juf.fra
  • Een potloodslijper - nə ‘pot.ljuud.scher.pər
  • Een ringmap; een opbergmap - ən far.də
  • Gymnastiek - zjie.mə.’nas
  • Gympen - ‘turn.sloe.fən
  • Het schoolrapport - dən buu.le.’tɛ̃
  • Hij behaalt goede cijfers - i ljiert goe
  • Hij is geslaagd voor zijn examen(s) - i is ər deur
  • In de rij staan - in də root stoun
  • Inkt - int
  • Kleurpotloden - ‘kleur.kəs

SNOEP[bewerken]

  • Drank van zoethout - ka.’lie.sən.’dzjap
  • Een chocoladen figuurtje (van de Sint) - ə pos.’tuur.kə
  • Een cuberdon - nən ‘toep.neus
  • Een gelatineus snoepje - ə ‘zjie.zie.pə.kən
  • Een ijsje - ə pie.lə.kə.’kaat
  • Een ijsje op een stokje, bedekt met chocolade - nə fries.koo
  • Een lolly - nə ‘lek.stok; nə ‘lek.kə.stok; nə ‘gat.tə.klet.sər
  • Een ouwel (gevuld met een zuur poeder) - ən ‘os.tie
  • Een pomme d’amour - nə rjuun ap.pəl
  • Een reep chocolade - ən lat sjə.klat
  • Een snoepje om in de mond te laten smelten - ən ‘bol.lə.kən
  • Een zoetekauw - ən ‘zoe.tə.muil
  • Kauwgom - ‘tuu.tə.fruut; ən sjiek
  • Negerzoenen - nee.gə.’rin.nə.tetn
  • Pepermuntjes - mun.tə.bol.lə.kəs
  • Snoepjes in pastelkleur in de vorm van O.L.-Vrouw - lie.və.’vraa.kəs
  • Zuur snoepgoed - ‘smoe.lən.trek.kərs; ‘mui.lən.trek.kərs

SPEL[bewerken]

  • Bikkels bij elkaar graaien - schɛ̃.rən
  • Blad-steen-schaar - ka.lie, lee.pəl of schɛ̃r (In eerste instantie is dit een nogal ruig spel. Het ene team levert spelers die in een rij met gebogen rug tegen elkaar staan. De eerste man van het team staat rechtop tegen een muur met zijn gezicht naar zijn medespelers gekeerd. Hij moet de sterkhouder van de rij zijn. Het andere team springt over en op de ruggen van het team dat in de rij staat. Het team dat springt verliest als een van hun spelers valt; het team dat in de rij staat verliest als een van hun spelers door zijn rug zakt. Pas als de wedstrijd geen verliezer kent moet een variant van blad-steen-schaar uitsluitsel bieden. Die beslissende ronde wordt gespeeld tussen de laatste springer en de man tegen de muur.)
  • Doen alsof men aan het koken is in een speelgoedkeukentje - koo.kən.’ee.tə.kə speeln op ə kwie.zə.’njɛ̃r.kən
  • Een grote knikker - nən biel
  • Een katapult - nə ‘mus.sə.schie.tər
  • Een knikker - nə ‘mer.rə.bol
  • Een lijn - ən meet
  • Een metalen knijper die, ingedrukt door de duim, een klakkend geluid maakte - nə klak.kər
  • Een spel spelen zonder geld of ander gewin als doel - tis vər ‘tuu.tə.fru:t; tis vər ‘kie.kə.vljiez
  • Een step - ən trot.tie.’net
  • Een teerling - nən ‘tjɛ̃r.link
  • Glijden op een ijsbaantje - ‘slie.rən
  • Haasje-over - ‘bok.skə sprin.gən
  • Klappertjes voor een speelgoedpistool - moes.kəs
  • Met ballen tegen een muur gooien en ze opnieuw opvangen - ‘ket.sə.bal.lən
  • Met een tol spelen - non.nən
  • Spel waarbij twee groepen kinderen, één aan elke kant van het plein, proberen aan de andere kant te geraken, zonder door iemand van de andere groep getikt te worden. Wie getikt wordt, is 'gevangen' en moet aan de andere kant gaan staan, waarna iemand van zijn groep hem probeert te 'verlossen' door over te lopen en hem aan te tikken, zonder zelf getikt te worden. Wie kan overlopen heeft het voordeel dat hij de tegenpartij vanuit de rug kan aanvallen. De groep die op het einde van het spel het meest kinderen heeft gevangen, wint. - ‘stin.koo
  • Tafelvoetbal spelen - 'kik.kə.rən; mi də 'sjot.tər.kəs speeln
  • Tikkertje waarbij de getikten een ketting moeten vormen en samen verder moeten jagen - ‘kat.sjə van də ben.də
  • Tikkertje waarbij men niet kan worden getikt als men op een verhoogde plaats staat - 'kat.sjən 'om.juug
  • Twee bollen, verbonden door een koordje, die zodanig moeten worden bewogen dat ze een ratelend geluid maken - kloo.tər.kəs
  • Verstoppertje spelen - ‘piep.kən.duik

TELLEN EN FREQUENTIE[bewerken]

  • Allemaal - am.məl
  • De even en oneven huisnummers - def.fə en don.əf.fə nu.mə.roos
  • De negende - də ‘nee.gəs.tə
  • De twaalfde - dən twelf.stə
  • De zevende - də ‘zee.vəs.tə
  • Drie en de derde - drɛ̃ en dən der.də
  • Duizend - duusd
  • Een (telwoord) - jien; iejn
  • Een beetje - ə ‘bit.tə.kə; ə bik.kə
  • Een handvol - ən ‘af.fəl
  • Een nummer - nə ‘num.mə.roo
  • Eerst - jiest; iejst
  • Geen - gjien; gjin
  • In twee gelijke delen verdelen - tal.vən.’deur doen
  • In twee stukken verdelen - in twjie.jən doen
  • Twee en de tweede - twjie en dən twjie.də
  • Vijf en de vijfde - vijf en də vif.də
  • Vijftig - fif.təg

TIJD[bewerken]

  • Altijd al - al.zə.’lee.və
  • Alweer - wir.ral
  • Augustus - o.'guus.tuus
  • Binnenkort - ach.tər.’jien
  • Daarnet; zonet - zjuust; dər.zjuust; dor.straks; dour.straks
  • December - dis.’sem.bər
  • Deze morgen - van.də.’mɛ̃.rət
  • Een kwartier - ə kor.’tier
  • Een afgesproken periode loopt ten einde; een bepaalde datum komt dichterbij - tis ont kur.tən
  • Februari - fi.brə.'wou.rə
  • Het is bijna middag - tljuupt ‘tee.gən də noen
  • Het is buiten nog voldoende helder - tis nog kljɛ̃r
  • Het is half een - tis al.vər.jien
  • Het is kwart over elf - tis kort.sjə nou dən el.lə.vən
  • In de avond - sou.vəs
  • In de namiddag - sach.tər.’noens
  • In de ochtend - smɛ̃.rəs
  • In de voormiddag - ‘tveur.noens
  • In het duister van de avond of nacht - in dən ‘doon.kə.rən
  • Januari - jan.nə.'wou.rə
  • Maart - mjɛ̃rt
  • Mei - mɛ̃
  • Morgen - ‘mɛ̃.rən; ‘mɛ̃.rə.gən
  • Om de twee dagen - om dən ‘oo.vər.aan.tən dag
  • Ondertussen - swinst; binst
  • Onlangs - oo.vər.’lest
  • Op dinsdag - ‘tis.tags
  • Op maandag - ‘smoon.dags; 'smoun.dags
  • Tegenwoordig - tsin.nə.’wor.rəg
  • Tijdens - binst; swinst
  • Tot over een week - tot oo.vər acht dougn
  • Vorige week - də week die gə.pas.seerd is; vər.lee.jə week
  • Volgende week - tnos.tə week
  • Weldra - ach.tər.jien
  • Zo meteen - ‘sef.fəst; ‘tsef.fəst; sə.’biet

VERTIER[bewerken]

  • De fanfare speelt - tmuu.'ziek go.’duit
  • De ijzeren constructie met een reeks pinnen waarop met kleurige pluimen versierde stopjes staan (boogschieten) - də prang (van de liggende of staande wip)
  • De jaarmarkt - də ‘jour.mart
  • De kermis - də ‘ker.mes; ‘ker.rə.mes
  • De kwast op de kermismolen die je te pakken moet krijgen voor een gratis ritje - də flosj
  • De tabak - dən 'toe.bak
  • Een aansteker - nən brie.'kee
  • Een accordeon - nən ‘trek.zak; ən ar.’mon.nie.kaa
  • Een cowboyfilm - nə ‘koo.bouj.fielm; nə ‘kob.bouj.fielm
  • Een doelpaal - ən pie.ket
  • Een duivenmand - ən keef
  • Een feest - ən fjiest
  • Een foto van een persoon - ə por.’tret
  • Een glijbaan - ən rits
  • Een haring van een tent - ən pie.ket
  • Een ijsbaan gemaakt van aangestampte sneeuw - ən ‘slier.boun
  • Een jubileum - nə zjuu.bie.’lee
  • Een klok om de vluchttijd van duiven bij te houden - nə koon.sta.’teur
  • Een kwast van wollen draden onderaan een bal die op en neer gaat in een draaimolen - nə flosj
  • Een liedje; een deuntje - ən jer.kə, ə lie.kə
  • Een lp - ə scheel
  • Een masker - ə ‘mom.bak.kəs
  • Een mondharmonica - ə ‘mond.mə.ziek.skə
  • Een penalty - nə pie.'nan.tie
  • Een podium - ə vər.’juug
  • Een prentje (bv. in een chocoladereep) - ən ‘bee.lə.kə; ən ‘bie.lə.kə
  • Een toneelvoorstelling - ə kon.’sjɛ̃r
  • Een zweefmolen - nə zwier.meu.lən
  • Er ontbreekt iemand om het gezelschap voltallig te maken - wə man.’kee.rən ie.mand
  • Het eet- en drankfeest van een vereniging - də ‘smɛ̃.ring
  • Het schot belandde op de doelpaal - pie.’ket!
  • Het zwembad - də ‘zwem.kom
  • Iemand die graag zwemt of graag in het water speelt - ə ‘wou.tər.kie.kən
  • In gezelschap - in kom.pa.’nie
  • Kop of munt - kop of let
  • Nieuwjaar - ‘nu:v.jor
  • Scheenbeschermers - scheen.lap.pən
  • Uitgaan - op schok goun; op zwier goun
  • Vals gezang; muziek die men niet wil horen - ‘kat.te.gə.jank
  • Vloeitjes (om zelf sigaretten te rollen) - ‘blet.sjəs
  • Zaal De Kroon - zoul De Krjuun

VERVOER[bewerken]

  • De autobus stopt bij het bushokje - dən ot.too.bu:s stopt ont bu:s.kot.sjə'
  • De vuilniswagen - də ‘vul.kɛ̃r
  • Een aanhangwagen - nə rə.mork
  • Een bumper - nən baar.’sjok
  • Een claxon - nən ‘toe.tər
  • Een kar - ən kɛ̃r
  • Een motorfiets - ən mot.sie.’klet
  • Een motorkap - ən ka.’poot
  • Een nummerplaat - ən plak
  • Een personenauto (alle auto’s die niet bedoeld zijn voor vervoer van goederen) - ən ‘luuks.vwja.tuur
  • Een steekwagen met twee wielen - nə pie.rə.’wiet
  • Een trottoirband - nən bor.’duur
  • Een vorkheftruck - nə klark
  • Een vrachtwagen - nə kam.’jong
  • Een zijspan - ən ‘sie.tə.kɛ̃r
  • Het Centraal Station van Antwerpen - də ‘Mid.də.stou.sə
  • Ik heb een kortere weg genomen - kzin bin.nən.’deur gə.’reen
  • Ik heb vertraging - kem rə.taar
  • Richtingaanwijzers van een auto - ‘peen.kərs

VERWARMING[bewerken]

  • Afval van kolen na verbranding - sin.təls
  • De hendel en de rooster van de kachel om het vuur aan te wakkeren – tschof
  • Een bundel sprokkelhout of wissen; takkenbos - nə ‘pɛ̃n.sard (Het WNT schrijft ‘pensaard’ met een -d. De betekenis is: een dikbuik, die gelijkenis vertoont met een takkenbos.)
  • Een kachel - ən ‘stoo.və; ən stoof
  • Een klein kacheltje; een potkachel - ən ‘duu.vəl.kə
  • Een kolenkit - ən kjiet; ən 'koo.lə.kjiet
  • Een pook - nə stoof.ouk
  • Een warmwaterkruik - ən boe.'jot
  • Eivormige kolen - ɛ̃.rə.kooln; mus.sə.kopn
  • Het vuur aanwakkeren - ‘koo.tə.rən; ‘op.koo.tə.rən
  • Hout dat in een kachel wordt verbrand - ‘stoof.aat
  • Houtschilfers - ‘schof.fə.lin.gən

VLEESWAREN[bewerken]

  • Biefstuk - ‘bief.stik
  • Blinde vinken - ljuu.zə vin.kən
  • Boulogne - wit mi zwart
  • Corned beef - kor.’ned bu:f
  • Doorregen spek - gə.’ree.gəld spek
  • Een bloedworst - ən ‘bul.link
  • Een bloedworst met krenten - ən zoe.tə ‘bul.link
  • Een frikandel - ən 'kur.rie.wust
  • Een gehaktbal - ən boe.’let
  • Een kotelet - ən ‘kor.tə.let
  • Een vleesbrood - fri.kan.'don
  • Een worst - ən wust
  • Gebraden rundvlees - ros.’bu:f
  • Gehakt vlees - gə.’kapt
  • Gekookte ham - eps
  • Geperste varkenskop - grjuust
  • Gerookt paardenvlees - ‘pjɛ̃r.dən.aank
  • Gerookt rundvlees - ‘os.sən.aank
  • Gerookte en gedroogde achterham - raa eps
  • Het velletje rond de salami - tzwu.zə.kə
  • Salami - sos.'sies; aank
  • Soepvlees - bou.’lie
  • Spek in kleine reepjes gesneden - ‘pie.lə.kəs.spek
  • Stoofvlees - ker.mə.'nwjaan

VOEDING[bewerken]

  • 250 gram - ən alf pond
  • Afgeroomde melk - ‘flut.sjəs.mel.lək
  • Appelmoes - ap.pəl.trut
  • Boterhammetjes (voor kinderen) - 'boo.kəs
  • Broodbeleg - ‘toe.spijs
  • Cacao - ‘kak.ka.joo
  • Choco - ‘sjok.koo
  • Chocoladepudding -.sjə.’klat.tə 'pud.dink
  • Drilpudding - schud.də.ma.tijs
  • Een boterham smeren - nən ‘bo.tram brɛ̃n
  • Een boterham zonder boter of beleg - nən 'drjuu.gən 'bo.tram
  • Een brood - ən brjuud
  • Een bruin brood - ə grof
  • Een ei - ən ɛ̃; ən tie.kən.’ɛ̃ (tegen kinderen)
  • Een ei dat niet lang genoeg is gekookt, waardoor het eiwit nog niet is gestold - da ɛ̃ is nog nis
  • Een haring om te bakken - nə ‘pan.jɛ̃.rink
  • Een haring op azijn - nə ‘pee.kəl.’jɛ̃.rink
  • Een korst (bv. van brood) - ən kust
  • Een koude schotel - nə kaa pla
  • Een omelet - nən ‘ɛ̃.rə.koek
  • Een peperkoek - nə ‘pom.koek
  • Een plakje kaas - ən schel kouz
  • Een spiegelei - ə ‘pjɛ̃r.dən.juug
  • Een tas koffie - ən zjat ‘kaf.fə
  • Eidooiers - ‘ɛ̃ .doo.jərs
  • Garnalen - ‘gjɛ̃r.nors
  • Gemalen cichorei toegevoegd aan koffie - par.’daf; Buis.man
  • Gestampte aardappelen - gə.ded.dər.də pə.tetn
  • Grenadine - ro.’zəl
  • Griesmeelpudding - ‘smoel.pap
  • Hagelslag - ‘mui.zə.stront.sjəs
  • Het eten is klaar - ‘tee.tən is gə.rjied
  • Honing - ‘eu.nink
  • Jam - koon.fie.tuur; zjə.’lɛ̃
  • Kaas - kouz
  • Kabeljauw - kab.bəl,'jaa
  • Karnemelk - 'kjɛ̃.rə.mel.lək
  • Koffie - kaf.fie; kaf.fə
  • Kristalsuiker - kries.ta.lie.'zee; kries.ta.lie.'zee sui.kər
  • Mayonaise - ma.jə.'nɛ̃s
  • Meel - blom
  • Middagmaal; warm eten - gə.kokt 'ee.tən
  • Muskaatnoot - ‘kru.noot; ‘krui.noot
  • Paling - ‘pou.ling; ‘pol.link
  • Paneermeel - sja.pə.'luur
  • Pauze om te eten en te drinken - ‘schof.ted
  • Rijstpap - ‘ris.pap
  • Roomijs - krim.'glas
  • Slagroom - krim.'frisj
  • Soppen in de koffie - dop.pən in də ‘kaf.fə
  • Stroop - sa.’roop
  • Zetmeel (bv. om saus te binden) – pə.tet.blom

WEER[bewerken]

  • De zon schijnt en het regent tegelijkertijd - ‘duu.vəl.kəs.’ker.mes
  • Droog weer dat dorstig maakt - tis dus.təg weer
  • Een bliksem - ən ‘ee.mə.licht
  • Een flinke regenbui - nə spjiet
  • Een stortbui - nən drasj
  • Het heeft gevroren - tee gə.vroo.zən; də ‘vrie.zə.man is gə.wist
  • Het is drukkend warm - tis doef weer
  • Het is heel erg warm - tis om tə 'bus.tən
  • Het is koud - tis kaad
  • Het regent fel - ‘tree.gənt aa wij.vən; tis ont stront.ree.gə.nən
  • Het regent lichtjes - tzjie.vərt
  • Het sneeuwt - ‘din.gel.kəs en ul.dər bed ut.gə.schud
  • In de felle zon - in də ‘blak.kə zon
  • Zwoel weer - tis laf

ZIEKTE EN ONGEMAK[bewerken]

  • Aambeien - tspeen
  • Acne - ‘jeugd.braand
  • Aderontsteking - tflə.’biet
  • Braaksel - ‘spog.səl
  • Buikloop - dən ‘af.gank
  • De stuipen - də ‘ses.kəs
  • Een beroerte - ən gə.’rokt.ed
  • Een buil; een puist - nən ‘boe.bəl; nən oe.bəl
  • Een draai rond de oren; een oorvijg - ən zjie.'flət; ən pjɛ̃r rond zin juu.rən
  • Een flink pak rammel - ən pan.’doe.rink
  • Een groot stuk geschonden huid (door schaafwonden, een ontsteking of door roodheid) - ən pla.’mus.tər
  • Een hoestwerend snoepje met eucalyptus - ə ‘pie.kər.kən
  • Een injectie - ən pie.’kuur
  • Een inzinking krijgen na een of meerdere slapeloze nachten, na een langdurige inspanning of na een tegenslag – i krijg zin.nə klop
  • Een jaap; een gapende wonde - ən gab.bə
  • Een keelontsteking - ən an.'zjien
  • Een klap in het gezicht - ən mot
  • Een korst op een wond - ən roef; ən roef.kə
  • Een longontsteking - nə ‘flur.ries; nə ‘fleu.ries
  • Een miskraam - nə ‘mis.val
  • Een nijdnagel - nə ‘nɛ̃.nou.gəl
  • Een ontstoken oog - ə ‘pink.juug
  • Een puist - ən wuf.fəl
  • Een psychiatrische patiënt - nə zot
  • Een rammeling - ən ‘peu.tə.ring; ən ‘smjɛ̃.ring; ən ‘roe.fəl; ən ‘dus.sink; ən ‘toe.fə.link
  • Een verkoudheid met hoestbuien - ən ‘val.link
  • Een verkoudheid met loopneus - ən ‘sneu.vring; ən ‘sneu.vrink
  • Een wonde die blijft etteren - da drougt
  • Een zweer - ən zwjɛ̃r
  • Een zwelling die ontzwelt - zeen.kən
  • Heftige diarree - tvlie.gənd schijt
  • Hij heeft een handicap - i is gə.'brek.kə.lek
  • Hij heeft een spraakgebrek - i sprikt gə.'brek.kə.lek
  • Hij heeft stress; hij is erg zenuwachtig - i ee də 'zee.nə.wən
  • Hij is daar gevallen en heeft zich erg verwondt of bezeerd - i ee tor nə wrjie ‘par.rəl gə.’doun; i is wrjie gə.tot.tərd
  • Hij is door de dokters verkeerd behandeld - i is mis.’mjies.tərd
  • Hij is gek aan het worden - i slou.tər nef.fəst; i slou.tər langs
  • Hij is naar het ziekenhuis gebracht - zem.mən em bin.nən gə.doun
  • Hij is opnieuw ziek - i is ər.’valn
  • Hij sukkelt al geruime tijd met zijn gezondheid – i is oon.dər də voet
  • Iemand die enorm veel pijn lijdt – i lig.tə krə.pee.rən van də pijn
  • Iemand die erge brandwonden heeft - i is ‘pol.fər vər.brand
  • Iemand die niet helemaal meer gezond is - i is wa ka.’duuk.kə.lek
  • Iemand hoest zwaar - i bast gə.lek nən ond
  • Iemand is duizelig, futloos en heeft braakneigingen - i is ‘kol.lək tə pas
  • Iemand valt bewusteloos - i go van zin ‘ɛ̃.gən; i go van zin zel.vən; i go van ‘zin.nə suus; i valt van ‘zin.nə stek; i go van zin.nə sen.tər
  • Ik ben aan de beterhand - kzin al veel gə.’bee.tərd
  • Ik heb een (hart)aanval gehad - kem ən kriez gad
  • Ik voel me onwel en heb braakneigingen - kzin ‘mot.təg
  • Jodiumtinctuur - tɛ̃n.’tuur.də.jod; Ar.’tuur.Də.Jood
  • Ischias - tsie.a.’tiek
  • Jeuk - ‘juuk.səl
  • Koorts - ’kur.sən
  • Lumbago - tvər.schot
  • Medicijnen - ‘mid.də.ka.men.tən
  • Men voelt zich niet wel, misselijk of draaierig - kzin on.’pas.sə.lek
  • Mijn been is gevoelloos - min bjien is vjuus
  • Niet kunnen ontlasten - nie kun.nən goun
  • Overmand door emotie - van al.tə.'rou.sə
  • Paté die de oorzaak is van maag-darmklachten - ries.'keer.pa.tee
  • Reuma - rum.ma.’ties
  • Spataders - va.’rie.sən
  • Tetanus - də klem
  • Zijn arm ligt in het gips - zin.nən ɛ̃.rəm zit in də 'plos.tər

Reacties[bewerken]

  • Alles gaat verkeerd - al.ləs slout ‘tee.gən
  • Als ik hem te pakken krijg... - ‘az.zək em tə stek.kən krijg...
  • Als ik in jouw plaats was... - ‘az.zək van aa was…
  • Als je naar de bakker gaat, ga dan ook eens bij de slager langs - az.gə nor dən bak.kər got, springt dan aan.pas.’saan is bi dən ‘bjien.aar bin.nən
  • Alstublieft (vanuit enige spot of tegenzin) - nim
  • Ben je niet goed wijs!? - gə vangt zə zee.kər!?
  • Ben je wel zeker van je stuk? - … sər.’jeus?
  • Daar ben ik sterk in! - das min.nə four!
  • Daar is iets mis - dour schilt wa
  • Daarvoor kan je gestraft worden (omdat je handelt tegen de wet) - gə zi ‘pak.bour
  • Dat gaat je niet aan! - get.tər gjien af.fei.rə mee!
  • Dat is algemeen geweten - das ‘al.gə.mjien gə.kend
  • Dat is bizar; dat werd niet verwacht - das ko.'miek
  • Dat is duur - das ‘kos.tə.lek
  • Dat is een vergissing - das ən mis.sink
  • Dat is mijn mening - das mijn gə.dacht
  • Dat is mogelijk, maar er blijven twijfels - da kan
  • Dat is niets waard; dat is brol - das kam.mə.’lot; das iets van kjes.kə.’schiet
  • Dat is redelijk - das ri.zə.’naa.bəl
  • Dat lijkt me het beste - das ‘tzui.vər.stə
  • Dat scheelt niet veel - da schil nie veel
  • Dat spreekt voor zich; uiteraard - van.’ɛ̃.gəst
  • Dat werkt niet, hoor! - da pakt nie, zul.lə!; da gon.nie zun.nə!
  • De afvoer loopt niet meer door - tis vər.’stropt
  • De elkaar verschuldigde bedragen zijn betaald - wə ston ef.fən; wə zin kiet
  • De kattin of de teef moet bevallen - zə moet jon.gə.rən
  • De kruidenier of slager denkt dat je al het nodige hebt - da zalt gə.wist zin?
  • De kwalijke gevolgen vallen al bij al nog mee - zon.dər veel ɛ̃rg
  • De ouders willen weten of hun kind in hun afwezigheid braaf is geweest? - twas ən in.gəl.tsjə, mi ən bee dər.'veur (Het antwoord is schertsend bedoeld.)
  • Dezelfde problemen duiken steeds weer op - tis van kom vər.drom
  • Doe al je kleren uit - spil dal.ləs mor uit
  • Doe je best - wjɛ̃r.do
  • Door een val is iets volledig kapot - tligt in stukn van.iejn
  • Door strategie of list iemand verslaan of te slim af zijn - kem.em zui.vər; kem.em bi zin.nə schree.pər
  • Door zelf bewust een leugentje te vertellen verneemt men na enige tijd de ware toedracht - mi leu.gəs ach.tər də wo.red kom.mən
  • Dreigen met een lichamelijke straf als een kind zich onhebbelijk blijft gedragen - straks nə klets ‘tee.gən a ‘juu.rən
  • Een groot deel van de vrouwelijke borsten is zichtbaar - mi hjiel eu.rən ‘tet.tə.kar.ree bljuut
  • Een artikel is in prijs verlaagd - tis in dən ‘af.slag
  • Een jongeman heeft nog altijd geen beroepskeuze gemaakt - wa wur.də lou.tər, 'stroont.schəp.pər ach.tər den trɛ̃n?
  • Een kennis of familielid woont in het buitenland en komt je bezoeken - i kom.doo.vər
  • Een kind dat je niet voortdurend in de gaten moet houden - get.tər gjien om.zien nor
  • Een kind dat niet meer gehoorzaamt - get.tər nieks mjier oun tə zɛ̃.gən
  • Een kind dat onwennig is bij vreemden - tis jien.an.nəg
  • Een kind dat zich heel fatsoenlijk gedraagt - get.tər gjien kind oun
  • Een kind maakt een vuistje. Elke vinger wordt dan uit het vuistje genomen en benoemd, eerst de duim en tot slot de pink. Daarna wordt de vrijgekomen handpalm gekieteld - Ans Knap, 'Pie.le.fluit, Lan.gə Wap, 'Kor.tən Buik, ... Klɛ̃n Pie.tən.'deug.nuut.sjə ... kie.lə, kie.lə, kie.lə
  • Een kind probeert te hete soep te eten. - ee.da moe.dər a nie gə.’ljierd tə blouzn?
  • Een kind vraagt het cadeautje terug dat het eerder aan een ander kind gaf - gə.'gee.vən is gə.'gee.vən, tis al lank in del gə.schree.vən
  • Een kind vraagt naar de inhoud van een gesprek tussen volwassenen, waar het geen zaken mee heeft. - ‘pui.tən.our in də Kwak.kəl (een gehucht)
  • Een kind zegt dat het iets niet kan - zet.ta kan in də goot!
  • Een klant rondt een te betalen bedrag af naar boven (geeft dus een fooi) - tis zjust gə.past
  • Een man wordt dikker na zijn huwelijk - i stod.op ən goei wɛ̃
  • Een netelige kwestie - ən ‘dil.lə.kou.tə zouk
  • Een nieuwsgierig kind vraagt met wie volwassenen spraken - Mie.lə.kən Dən ‘Ui.lən.daan.sər (De voornaam mag dan vertrouwd klinken, het tweede lid van de fictieve familienaam moet het kind doen inzien dat het geen zaken heeft met het gesprek.)
  • Een opdracht is slecht aangepakt of rommelig afgewerkt - tis van ksjes.kə schiet
  • Een stof die vergaan is - tis vər.duurd
  • Een vloek - vər.’doe.mə; miel.’jɛ̃r.də; də.’dzjuu
  • Een vloek in de overtreffende trap - ‘god.miel.jɛ̃r.də ‘vlam.məs.tə
  • Een voorwerp is helemaal door een ander voorwerp gegaan - tging ər ‘los.sən.deur
  • Een vraag die men niet kan beantwoorden - 'dak.kət nie.jən weet
  • Een vrouw die trouwt terwijl ze al in verwachting is - tis van moe.təs
  • Een vrouw vraagt haar man waarom hij zo laat thuis is - wə zin nog is nou.gə.wist (De man is onderweg nog naar een of meerdere cafés geweest, en met deze reactie vermijdt hij het woord ‘café’ te gebruiken.)
  • Een weinig appetijtelijk allegaartje; een mengelmoes - nə ‘miek.mak
  • Er dreigt een straf - gə ries.’keer.dən straf
  • Er is geen haast bij - tpres.’seer nie
  • Er is onzorgvuldig werk afgeleverd - tis alf zin gat gə.doun
  • Er komt ergens veel volk samen - da was dor ‘nog.al ən bə.’gan.kə.nis
  • Er was heel wat aan de hand! - da was dor ən jiel bə.doe.nink!
  • Er zit houtworm in de plankenvloer - dər zit mulm in də plan.'sjee
  • Er zitten heel veel muggen (of: vliegen, slakken, donderbeestjes etc.) - das ier vər.’gee.vən van de mugn
  • Fictie op tv toont onwaarschijnlijke zaken en is de werkelijkheid niet - das al.lə.moul mor tel.lə.'vies
  • Flauwe praat - flaa.wən truut
  • Ga uit de weg! - mikt o!; ut min.nə schiet.lap!
  • Ga weg! - bol ət af!: dour is tgat van dən ‘tem.mər.man
  • Gedraag je fatsoenlijk! - gə.droug da kon.və.nou.bəl!
  • Geduld! - pa.’sjɛ̃n.sə!
  • Geef eens een handje (gevraagd aan een klein kind) - gif dis ə ‘pol.lə.kə!
  • Geef haar een schop onder haar kont - gif tər nən trok oon.dər ər gat!
  • Geef hem ervan langs! - toef.tər op!
  • Geen band met iemand hebben en die persoon zelfs mijden - ik kan nie mi em om
  • Goed gedaan! - sja.poo!
  • Goedendag (in het voorbijgaan op straat) - dzjuir; uij
  • Haast je wat! - af.fə.’seer do!; spoej do!; ost o!
  • Het gaat niet slecht, maar ook niet goed - kom.sie, ‘kom.sa
  • Het is heel druk, maar niets verloopt geordend, waardoor de zaak nauwelijks beheersbaar is ; een overrompeling - das ier ə ‘zot.tə.kot
  • Het is helemaal kapot - tis ‘jie.lə.ganst in fruut; tis in stukn van.iejn
  • Het is maar om te lachen; je moet dat niet ernstig nemen - tis mor om tə 'zwaan.sən
  • Het is tijd om te gaan slapen (tegen een kind) - wə gon doo.’doo.kəs doen
  • Het is zoekgeraakt of kwijt - tis rie.bə.də.’bie
  • Het kan me niet schelen! - tkan mə nie bom.mən!
  • Het moet correct zijn - tmoet zjuust zin!
  • Het valt mee - tis 'mee.gə.slou.gən
  • Hij blijft boos en wil van geen verzoening weten - i wɛ̃.rəkt zin.nə kop uit
  • Hij doet het helemaal verkeerd - i doe.dət koon.tə vər.kjierd
  • Hij heeft dikke pech; hij is in de luren gelegd - i is gə.’zjost
  • Hij heeft een dutje gedaan - i ee nən trok gə.doun
  • Hij heeft er geen plezier aan beleefd - i ee.tər gjin gə.niet van gad
  • Hij heeft het uitvoerig uitgelegd - i ee.dət int laank en int brjied ui.də doe.kən gə.doun
  • Hij heeft zijn werk goed gedaan - i eet zin də.vjuur gə.doun
  • Hij is een winkel nog geld schuldig - i 'sto.dop də poef
  • Hoe dom kan je zijn!? - waf.fər nə mut.tən zid.də gij!?
  • Hoe kan ik zo fout zijn!? - oe kan.nək zjuu a.'bu:s zin!?
  • Hoe laat is het? - wa.duur ist?
  • Hoepel op! - kust min gat!
  • Hou er nu maar mee op! - ge.dal on.dərd!
  • Hou je mond! - ‘aa.don.nə kwjɛ̃t!; ‘aa.da toot!; 'aa.da smoel!; 'aa.dan.nə smik.kəl!; ‘aa.don.nə kweb.bəl!
  • Hou je smoel! (heel dwingende toon) - ‘aa.da ‘bak.kəs!
  • Iemand aanmanen zich rustiger of beleefder te gedragen - ‘gog.gət zju wa!
  • Iemand beeldt zich wat in - das al.lə.moul ‘man.zjə.nie
  • Iemand berispen - kzal zin pan is in.'vetn; kzal em zin saas is gee.vən
  • Iemand de zekerheid geven dat een afspraak wordt nagekomen - tzal nie man.’keern
  • Iemand die aanstalten maakt te betalen laten merken dat hij dat niet moet doen - lot mor zitn
  • Iemand die bij het kaarten probeert de kaarten van een andere speler te bekijken - gij sə gie.’raf!
  • Iemand die de puntjes op de i wil - da stikt naa
  • Iemand die fout inschatte hoe zwaar een opdracht was - i ee dəm mis.’pakt
  • Iemand die geluk heeft - nə sjan.’saar; nə ‘piet.zak; nə gə.’luk.zak; i ee ‘mee.val
  • Iemand die het leven na het overlijden van de echtgenoot niet meer ziet zitten - das.sə mi uk mor kom.mən ou.lən
  • Iemand die kaal wordt - i ee dour mi ka.rak.tər, tvalt lie.vər uit as grijs tə wor.rə
  • Iemand die lang op stap is en niemand weet hoe of waarheen - i is op ‘va.droej
  • Iemand die onnozele praat vertelt of onzinnige argumenten gebruikt - gə zi nə ‘zjie.və.rjɛ̃r!
  • Iemand die op veel onwil, tegenkanting of verzet is gebotst - i ee tər nə post gə.pakt
  • Iemand die pijn heeft vraagt een pijnstiller - gif mi is ən ‘poe.jər.kə Də Man (eigenlijk is de merknaam Mann)
  • Iemand die schijnbaar doelloos aan het werk is en geen vooruitgang boekt - wa ‘sto.də dor tə ‘des.tə.rən?
  • Iemand die veel durft; hij is me er eentje! - tis ‘nog.al nə kas.’taar!
  • Iemand die veel geld heeft - i ee veel kluitn
  • Iemand die voor de sfeer zorgt en plezier maakt - tis nə ‘leu.tə.gən
  • Iemand die voortdurend van hier naar daar loopt en telkens maar kort aanwezig blijft - i doe.tə pa.’troe.lə
  • Iemand die ze niet op een rijtje heeft - i is nie zjuust in zin ‘boo.və.kom.mər
  • Iemand die zich niet laat doen - i lot əm nie vər.’kib.bə.zak.kən
  • Iemand gaat plots weg - i is də piest in; i is də piest uit; i is roe.fəl.də.pijp; i is rie.bə.də.’bie
  • Iemand gedraagt zich alsof hij overal de baas is; iemand met kapsones - i ee veel zjest en zjaar; tis nə 'stree.kə.mou.kər
  • Iemand heeft de (sociale) regels erg overtreden - da got.tər oo.vər!
  • Iemand heeft de aard van en gedraagt zich als zijn pa of ma - i eet ət van gjien vrem.də
  • Iemand heeft iets onverwachts gedaan - da zud.dəm nie ‘oun.gə.’gee.vən em.mən
  • Iemand heeft iets onverwachts gedaan of houdt er vreemde ideeën op na (wat af te keuren is) - gij zin.nə fris.sə, gij!
  • Iemand heeft zinnige dingen te vertellen - naa juu.rək a kou.tən
  • Iemand hetzelfde wensen (bij de nieuwjaarswens) - vans.gə.’lij.kən
  • Iemand is fel vermagerd - i is nog tvel oo.vər tbjien
  • Iemand is niet snel tevreden en maakt voortdurend opmerkingen - i eet veel ‘kom.plə.men.tə; tis ‘nog.al wa gə.’schee.tən
  • Iemand is op reis - i is op vwja.'jo.zjə
  • Iemand is op stap - i is op trot
  • Iemand is verbouwereerd - i is də kluts kwijt
  • Iemand is verdwenen zonder dat het werd opgemerkt - i is ər van oon.dər gə.muisd
  • Iemand is verkouden - ed.də mi o gat bljuut gə.leegn?
  • Iemand krijgt een uitkering van de ziekteverzekering - i sto.dop də zie.kə.kas
  • Iemand laat zien dat hij erg bang is - i doe.din zin broek van schot.tə
  • Iemand lijkt erg deugdzaam, maar is dat niet - gə zud.dəm də com.’mu:nə gee.vən zoon.dər tə biech.tən
  • Iemand maakt van zijn oren - i mokt van zin la'wɛ̃t
  • Iemand moet een plasje gaan doen - kmoet nor də ‘klɛ̃.nə koer; kmoet ən ‘pies.kə gon doen
  • Iemand motiveren om niet snel op te geven, te blijven proberen en te blijven leren - das ən op.pak.kən!
  • Iemand neemt een emotieloze houding aan en is met geen stokken meer vooruit te krijgen - i zit dor gə.lek nə puit op nə kluit
  • Iemand verzoeken via de achterdeur het huis binnen te komen - kom.mor langs ach.tər (of: ach.tə.rən)
  • Iemand wil zaken met je ruilen - wa krij.gək in də plots?
  • Iemand welkom heten - kom bin.nə en zet o!; pakt nə stoel en zet o!
  • Iets dat een zaak meer uitstraling of waarde geeft - da gift ka.sjet
  • Iets dat toch niet helemaal zeker is - gə wit.ta njuut; gə wit.ta njuut nie
  • Iets hoort niet bij de rest - da stikt af
  • Iets is heel lastig of moeilijk - a.maj, min.nə frak; a.maj, min kljuu.tən
  • Iets is niet correct afgewerkt - tis mor al.və.lings gə.doun
  • Iets is van goede kwaliteit - das goe.jə mar.sjan.’dies
  • Iets is verstrengeld en daardoor moeilijk los te maken - da zit in də knos.səl; tis in de war.rəl
  • Iets loopt slecht af of is slecht uitgevoerd - tis van dən ond zin voe.tən
  • Iets vlakaf zeggen (bij wijze van samenvatting en meteen ook de verontschuldiging als men te hard zou zijn overgekomen) - das kurt en goed gə.’zeed
  • Ik ben bijna klaar - kzin vɛ̃r kljɛ̃r
  • Ik ben de hele dag in de weer geweest - kzin də ‘god.gan.sən dag ‘bee.zəg gə.wist
  • Ik ben erg geschrokken van je reactie! - wad.də!
  • Ik ben ervan aangedaan - da ee mi gə.’rokt
  • Ik ben ervandoor - kzin ‘schup.pəs
  • Ik ben gehaast - kzin gə.pres.seerd
  • Ik ben helemaal op; mijn bobijntje is op - kzin ‘ten.nən
  • Ik ben iets vergeten door me te haasten - kzin wa in də rap.tə vər.’gee.tən
  • Ik ben moe; ik heb het gehad - tschoup is də preut af
  • Ik ben voor schut gezet - kzin in 'af.froon.tə gə.valn
  • Ik doe in deze zaak geen inspanning meer - foert!
  • Ik erger me daar erg aan - tis om.mo kas op tə fretn
  • Ik ga me daar niet aan wagen - ik go mi nie a.və.’tuu.rən
  • Ik geloof het helemaal niet; ik ga niet doen wat je vraagt - jaa, dag jan!; ta.raa.ra!
  • Ik heb de gelegenheid nog niet gehad - ken dok.'ko.zie nog nie gad
  • Ik heb er een afkeer van - kem.mər nən dwjɛ̃g van; da stikt mi tee.gən
  • Ik heb geen zin - kem gjien ‘goes.ting
  • Ik heb hem te pakken - kem em tə stekn
  • Ik heb te veel gegeten - kzin oo.vər.'boeft
  • Ik heb te weinig plaats (bv. om comfortabel te zitten of ergens langs te komen) - tis tə nipt
  • Ik kom onmiddellijk - ik kom gə.lijk
  • Ik kon er niets aan doen - kos.tər nieks on doen
  • Ik krijg de schuld; ik ben de pineut - ken də ‘boo.tər gə.fret
  • Ik krijg het van jou op mijn heupen - i krijg van aa də ‘ses.kəs!
  • Ik loop achter op mijn (werk)schema - kzin tən ach.tər
  • Ik moet ergens naartoe, maar ik zal snel terug zijn - kmoet rap oo.vər en tweer
  • Ik versta je niet, herhaal dat eens a.u.b - wad.də!?
  • Ik was er me niet bewust van - kat.tər gjien ɛ̃rg in
  • Ik word altijd als laatste gekozen - ik schiet al.tid oo.vər
  • In de herinnering rondt men een bedrag dat iets hoger lag dan 50 frank af naar beneden - twas fig.təg frang en on.ef.fən
  • Ja, hoor; maar natuurlijk! - jaat
  • Je bent erg bedankt! - nən dik.kə mer.’sie!
  • Je bent wel erg laat met je voorstellen of met je acties! - en dor kom.də nou mi af!
  • Je broek staat open - a spriet sto.’doo.pən!
  • Je hebt er geen zaken mee! - get.tər gjien ‘uit.stouns mee!; get.tər gjien af.’fei.rə mee!
  • Je hebt het fout; je raakt je doel niet (bv. het oog van de naald) - gə zit dər nef.fəst
  • Je hebt het geluk aan jouw kant; het zit je helemaal mee - gi boft ‘nog.al!
  • Je hebt veel tijd nodig hebt om een klus te klaren - op die.nən tijd god.də nor Bruu.səl
  • Je houdt me voor de gek - gə zim.mi op flesn ont trekn; gə zi mi op ‘stoe.pə.kəs ont trekn!
  • Je moet geen onnodige risico's nemen - angt dən eld nie uit!
  • Je moet het nu niet meer proberen goed te maken! - gə moet naa nie.mjier af.kom.mə!
  • Je moet je haar laten knippen - gə moet a ka.lot lou.tən 'af.doen
  • Je moet kordaat optreden! - mok.tər kom.'af mee!
  • Je moet gehoorzamen - gə moet lus.tə.rən
  • Je moet niet langer de schijn ophouden - stop mor mi die sie.nə.maa
  • Je moet nu niets meer doen en zwijgen! - roer.da nie!
  • Je neemt een loopje met de waarheid! - gə ‘zit.tər mi ont ‘zwaan.sən!; gə 'zit.tər mi ont 'la.chən!
  • Je weet wat je moet doen - gə wit wa.do tə doen stot
  • Je zal verplicht worden te betalen! - gə zut moe.tən ‘af.dokn!; gə zut moe.tən ‘lam.mə.rən!
  • Kom ik ongelegen?; stoor ik niet? - is ər gjien bə.let?
  • Laat hem maar doen - lot əm mor bə.’tɛ̃n
  • Laat me even tot rust komen! - lot mi ef.kəs op min ef.fə kom.mən!
  • Laat ons eens overleggen en samen tot een besluit komen - lo.tons is ri.zə.’nee.rən
  • Laat ons hopen op een goede afloop - a.la.bon.eur
  • Leg het eens uit! - eks.plie.’keert da is!
  • Leg je oor te luisteren en probeer meer te weten te komen - oon.dər.’juur.ta nə kjier
  • Luxe is overduidelijk aanwezig - mi veel tra.la.’laa
  • Maak dat je op tijd bent! - 'mok.dag.gər in tits.zit!
  • Maak dat je wegkomt! - foert!
  • Maak mijn groeten over - doe.sə də ‘kom.plə.men.tə
  • Men beweert iets maar men is niet helemaal zeker - kwil ər van.af zin, mor…
  • Men beweert iets met stellige zekerheid; wees maar zeker! - zun.nə! (bv. zis kon.'tent, zun.nə)
  • Men brengt na de begroeting het gesprek op gang - wa nuus?; en oe ist aan.dərs?
  • Men checkt of de ander je standpunt goed heeft begrepen - vər.stod.də mi?
  • Men denkt dat iemand moeite zal hebben om zich aan een nieuwe situatie aan te passen - tzal em ə gat.sjə vou.rən!
  • Men denkt dat iemand nog een grote inspanning moet leveren - i go zin.nə pjɛ̃.rə nog zien!
  • Men denkt dat iemand pas later de psychische gevolgen van de huidige tegenslagen zal ervaren - i zal zin.nə ‘weer.bots nog wel krijgn
  • Men doet iets niet graag maar het moet worden gedaan - kak of gjie.nə kak, də pot op!
  • Men gaat na of er een zaakje te doen is of een voordeel te bekomen is - 'val.tər ier nog wa tə 'rou.pən?
  • Men gaat nog wachten vooraleer te handelen - kgon.nət nog ef.fəs ‘af.zien
  • Men geeft aan dat iets muf ruikt - da riekt vər.’duft
  • Men geeft aan dat men iets graag lust - das min.nə meug
  • Men geeft aan dat men niets heeft gedaan wat niet mocht - da.waz.zək ik nie! (in een uitroepende zin wordt het voornaamwoord niet verkort)
  • Men geeft aan dat men verschrikkelijk hard moet werken - ge moet dour a kljuutn ‘af.drwjaan
  • Men geeft de raad zijn lief te dumpen - lot zə zitn!
  • Men geeft een stille wenk - kad zjuu gə.docht
  • Men geeft te kennen dat men niet verder wil discussiëren - al.li, get dən ‘dik.stən!
  • Men geeft te kennen de ander niet zomaar te vertrouwen - kzin nie ‘ach.tər.lək
  • Men gooit je iets toe - a.zjuu smij.tə zə də ‘keu.nink zin ‘and.schoe.nən uk
  • Men handelt anders dan gewoonlijk (bv. stipt op tijd zijn maar vandaag te laat komen) - das nie van zin gə.'wen.tə
  • Men heeft blijkbaar niet gehoord wat er werd gezegd - zit.tər prut in a juur?
  • Men heeft geen fut meer waardoor elke uitnodiging voor een gezamenlijke ontspannende activiteit wordt afgewezen - ach, mi keend, kzin al blɛ̃ dak tlee.vən en
  • Men heeft nog heel wat te doen vooraleer een taak is afgehandeld - get.tər o wɛ̃.rək mee
  • Men is aangenaam verrast over de kwaliteit - sjie.kə ‘din.gəs
  • Men is een loer gedraaid, maar men kan er al bij al nog schamper om lachen - gi sə vui.lən ond!
  • Men is geschrokken - da was vər.’schiet.ach.təg; kvər.’schoot mi nən bult!
  • Men is helemaal niet bereid te doen wat werd gevraagd - da zie.də van ier
  • Men is het gezeur en geklaag beu - wa was mə.da ən gə.grjɛ̃f
  • Men is het niet eens met de ander; toch wel! - tən.’doet!
  • Men is ontgoocheld over de reactie van de andere - ‘al.li.na?!
  • Men is sterk verbaasd - a.’god.mar.ja, wa zeg.də ‘naa?!; a.maj!
  • Men is verontwaardigd - wa is mə da na!;da trek.tər na toch nie op!
  • Men is zeker dat wat men beweert correct is - da is!
  • Men kan elkaar niet uitstaan - das piek.a.piek
  • Men kent een nieuwtje en wil de ander nieuwsgierig maken - grjout is wad.dək gjuurd əm?
  • Men keurt de manier waarop iemand zich heeft aangekleed af - oe zi.də gij naa ‘oun.gə.stekt!?
  • Men krijgt te maken met een erg trieste of pijnlijke situatie - das vrjied
  • Men maakt zijn standpunt duidelijk - vur min part
  • Men maant iemand aan om iets snel te doen om zo een aanslepend conflict te vermijden - ‘doe.ta a.gaa
  • Men meent de oorzaak van een probleem te kennen - tkan.nie mis.sən (bv. tkan nie mis.sən da.ti 'bui.tən is gə.zwierd, want i was njuut op tijd)
  • Men neemt afscheid en herinnert eraan dat er afspraken zijn gemaakt (ook: stopwoord bij het afscheid) - lek da tgə.’zeen is
  • Men minimaliseert de omvang of de ernst van een probleem of van de inspanning die men geacht wordt te doen - as.'ta.mor.is
  • Men probeert een kind tot gehoorzaamheid te dwingen door het bang te maken - as gə nie lus.tərt, 'gee.və.ka.mee mi.də 'schjei.rə.sliep
  • Men raadt aan een vrouw te zoeken die veel geld heeft - pak.tər o mor jien mi veel sɛ̃ns!
  • Men regeert afwijzend op iemand die een boer laat - gift die.nən boer nə stoel!
  • Men snoert iemand onvriendelijk de mond (ook spottend bedoeld om te beklemtonen dat een persoon weinig beslissingsmacht heeft) - gij ed.dier nieks tə bas.sən!
  • Men spreekt over iemand die hogere studies heeft gedaan - i is gə.ljierd
  • Men staat er een beetje afwezig of ongeïnteresseerd bij - i stot.tər tə koe.kə.loe.rən
  • Men verdenkt iemand ervan dat hij bedrog pleegt of de kluit belazert - zid.də wir ont pjuu.tə.rən!
  • Men veronderstelt dat iemand niet goed is opgevoed en uit tegelijkertijd afkeuring voor die opvoeding - oe zid.də gij op.gə.bracht!?
  • Men vindt dat de oplossing van een probleem niet dichterbij komt - tis niks gə.nod.dərd; tis gjien a.’vaans
  • Men vindt dat iemand domme of onnozele dingen zegt of doet - zid.də op an.nə kop gə.val.lə?
  • Men vindt dat iemand zich aan het overhaasten is - gə zi zjuu 'os.təg!?
  • Men vindt dat men met goed materiaal te maken heeft - das gjie.nə krot
  • Men vindt de situatie erg onprettig, ongemakkelijk of zorgelijk - tis tjien en taan.dər
  • Men vreest dat iemand de gevolgen van een ziekte of tegenslag pas later zal ondervinden - i zal ‘zin.nə ‘bots nog wel krijgn
  • Men vreest dat vader een beslissing weer niet zal goedkeuren - on.zən aan zal wel wir nie tak.'koord zin
  • Men vreest voor een slechte afloop - dour kom.mə mal.’eurn van
  • Men weet iemand zijn naam niet meer - ik ken a van ziens
  • Men wenst iemand op het einde van een gesprek het beste - sa.luu en ta.mu:.zə.ment; a.mə.’zeer.da
  • Men wil dat de ander goed beseft wat er speelt - ag.gə da mor wit!
  • Men wil dat iemand ophoudt met tegenspreken - aa don.nə fran.kən teut mor al!
  • Men wil de andere verzekeren dat het beloofde ook wordt gedaan - gə kun.tər van.op.oun
  • Men wil een jongen plagen en laten uitschijnen dat hij verliefd is of veel met meisjes omgaat - gə zin.nə ‘mes.kəs.zot!
  • Men wil een probleem aankaarten of iemand heeft het net over een probleem gehad - tis nog.’al iets, i!
  • Men wil een vrouw in een slecht daglicht plaatsen - tis ən trien!
  • Men wil meebeslissen in een zaak die je ook aanbelangt - kmoet dər uk min.nə zeg ovər doen
  • Men wil niet nadenken over wat er allemaal verkeerd kan gaan - kmag.gər nie goe op pɛ̃zn
  • Men wordt geacht een wederdienst te bewijzen of je hebt van iemand een wederdienst gekregen - tjien plə.zier is tan.dər wjɛ̃rd
  • Men wordt gevraagd actief deel te nemen maar men heeft geen fut of geen zin meer en weigert - lot mi, kzin blɛ̃ dak tlee.vən en
  • Men ziet een heftig gevecht - as.sə ma.kour də ‘es.səs mor nie ‘in.sloun
  • Men ziet elkaar terug en brengt het gesprek op gang - oe ed.do?
  • Men ziet veel mensen die een plaatsje willen bemachtigen door te trekken en te duwen - da was dor ‘nog.al ə gə.drum
  • Men ziet veel mensen passeren - das ier nog.al ən bə.gan.kə.nis
  • Mijn geheugen laat me even in de steek - i kan dər nie ‘op.kom.mə
  • Natuurlijk ga ik! - van.’ɛ̃.gəst gon.nək!
  • Neem mij als voorbeeld - kikt nor mij; pakt mij na
  • Nu heb ik wat meegemaakt! - naa em.mək wa veur gad!
  • Op het laatste moment - op də nip.pər
  • Probeer me niet uit te dagen! - ries.’keer da nie!
  • Proost! - schol; san.'tee!
  • Toast bij het drinken - da.wə zə nog laank meugn meugn
  • Tot de volgende keer! - tot iejn van dees dou.gən!
  • Uitroep van medelijden - ‘och.got.tə.kes (indien sarcastisch bedoeld wordt de eerste lettergreep gerekt en ligt de klemtoon op de tweede lettergreep: ouch.‘got.tə.kes)
  • Van lage kwaliteit - das bucht; wan.nə krot is mə da!
  • Vanaf de puberteit begint een kind meer dan vroeger te eten - i is in zin.nən eet
  • Verstop je! - vər.’dukt a!; vər.stikt a!
  • Vol gas! - plan.’sjee!
  • Voor mij is het om het even - vur mij is tjien.dər
  • Waar ga je heen? - wour god.də nor.toe?
  • Wacht eens even, klopt het wel wat je zegt? - ouw zee.kər, is.da wel zjuust?
  • Wanneer komen we nog eens tezamen? - wan.njier kom.mə wə nog is tjuup?
  • Wat blijft er voor mij over? - wa schie.tər vur mij oo.vər?
  • Wat heb je je nu laten opdringen? - wa həd.da naa lou.tən op.sol.fə.rən? 
  • Wat heb je nodig? - wa ed.də van.’doen?
  • Wat voor een bizar voorstel doe je nu!? - mi wa kom.də nou af!?
  • Wat voor een gulzigaard ben jij! - wa.sə nə schroep zid.də gij!
  • Wat voor een serpent ben jij! - gi.sə ros!
  • We gaan hem eens voor schut zetten (maar zonder kwade bedoeling) - wə gon.dər em is deur.sleu.rən
  • We hebben het gezellig - wem.mən oonz am.mə.zou.sə
  • We verdragen hem niet; we kunnen hem niet uitstaan - we keu.nan em nie af
  • Welterusten - slop.pal
  • Werk verder! - doe vjuurt!
  • Wie heeft er hier een windje gelaten? - wie ee.tər ier gə.prot?
  • Ze is in verwachting - zis in pos.’sie.sə
  • Ze loopt er pront bij (maar ook: ze is hovaardig) - zis ‘grjuut.səg
  • Ze volgt een dieet - zə sto.dop rə.’giem
  • Zoek je ruzie? - zoek.tə mot?; zoek.tə am.bras?
  • Zou dat wenselijk of mogelijk zijn? - zu.da?

Uitdrukkingen[bewerken]

  • Als je bij wiezen maar één hoge kaart van een bepaalde kleur hebt, bv. de dame (waar je dan weinig of niets mee kan doen) - ən bljuu.tə dam ("nən bljuu.tə zot" heb ik nooit gehoord)
  • Als je een zaakje wil doen omwille van de voordelen, dan moet je er de nadelen bij nemen - das də bluts mi də buil
  • Blijf er met je poten af! - ‘blif.tər mi a ‘tin.gəls af!
  • Chinese vrijwilliger zijn; op een overtreding worden betrapt - kem ət on min.nə ‘rek.kər
  • Daar krijg je nog problemen mee! - dour god.də nog lij.nən mi rjuun
  • Daar zijn we vanaf! - da em.mə ach.tər tgat!
  • Dat ben ik erg beu - da angt min keel uit
  • Dat doe ik niet! - ge kun.zə kus.sən!
  • Dat is geen nieuws - das aa vuil
  • Dat is helemaal niet correct - da klopt van gjien kan.tən
  • Dat is lang geleden - das van de jou.rən stil.lə.kəs
  • Dat is overdreven - das bi də ou.rən gə.trokn
  • Dat is spijtig; dat is heel erg - das zoon.də
  • De regels voor het welvoeglijke, het wenselijke of het toelaatbare zijn te vaak overtreden - tgot oo.vər zin aat
  • De rekening is fel overdreven - dər is mi ə grjuut (of: dik) ‘pot.ljuud gə.’schree.vən
  • De toestand is vrij dramatisch - tzin nog.al lap.pən
  • Denk maar niet dat ik nog langer gedienstig ben en alles doe wat je wil - stop mor al mi al die ser.və.'tuu.tən! (eigenlijk: erfdienstbaarheid of servituut)
  • Een bits antwoord krijgen - ən snaa en ən beet; ə schjief antwoord krijgn
  • Een kind dat al de maniertjes van volwassenen aanneemt - tis nə ‘klɛ̃.nə ‘grjuu.tə
  • Een kind dat niet kan stilzitten; een ADHD’er - ə kwik.kəl.gat
  • Een kind dat tegen de normale gang van zaken in, braaf lijkt te zijn - tis pər.’sies ən ei.ləg ‘bie.lə.kən
  • Een kind dat verwend is - tis nən bə.’dor.vən daans; tis nən bə.’dor.vən stroont
  • Een kind dat, na het spelen, heel vuil is geworden - i zie zjuu zwart as ‘mjuu.rə.kəs gat
  • Een man lacht zijn bierbuik weg - goei mar.sjan.die.zə stod oon.dər ən af.dak
  • Een ongeordend zootje van alles en nog veel meer - jiel dən ‘ba.ta.klang; jiel dən ut.sə.kluts; jiel də miek.mak; nen ‘an.nə.kəs.nest
  • Een plasje gaan doen - kgo kijkn of.dak nog ə man.nə.kə zin
  • Een vrouw van wie de man vaak uithuizig is - ən ‘lee.vən.də weef
  • Er is een vrouw verkracht - zem.mən ən vraa gar.ran.'zjeerd
  • Er was een felle ruzie - tee.tər gə.'klet.tərd; tzat.tər ‘boo.vən.ɛ̃rms op
  • Er was eerst onenigheid, maar nu zijn de problemen opgelost - tis wir ‘koe.ken.bak
  • Geen geluk hebben - mal.’sjaans em.mən
  • Grote schoenen - ‘oo.vər.zet.tərs
  • Heel snel - op nə kik en nə mik
  • Helemaal niets - rjɛ̃n də knots
  • Het ga je goed! - sa.luu ən də wind van ach.tər! (De reactie kan ook ironisch bedoeld zijn als men blij is wanneer iemand ophoepelt.)
  • Het gaat niet snel vooruit - da go.’dier vər.uit lek ‘bjuu.nə knjuu.pən
  • Het is heel stil - das ier tstil.stə van də mis; də muizn zitn in tmeel
  • Het is in orde!; ik heb het voor elkaar - tis (dik) in də sja.kosj!
  • Het is om zeep - tis nor də kljuu.tən
  • Het lied dat men het liefst hoort - min lijf.stuk
  • Het loopt in het honderd - da drwjaat ier vier.kant
  • Hij doet geen grote inspanning; hij trekt het zich niet aan - i voug.tər zin botn oun
  • Hij dramt door over de schadelijke gevolgen van wat eigenlijk maar een futiliteit is - i mok.tər nog.’al ə spel van!
  • Hij gaat slapen - i krupt in zin.nə nest
  • Hij gedraagt zich heel gek - i is zjuu zot as ən ‘ach.tər.deur; i ee nə slag van də meu.lən gad
  • Hij heeft dat heel snel gedaan - i ee.da gə.doun in nə kik en nə mik
  • Hij is bang - i nipt zə
  • Hij is blut - i ee gjie.nə rot.tə frang; i ee gjie.nə rot.tən bal
  • Hij is dronken - i ee.dən stuk in zin kroug; i ee.dən stuk in zin voetn
  • Hij is erg mager geworden - i is nog tvel oo.vər tbjien
  • Hij is ergens langer gebleven dan gepland - i is blij.ven plakn
  • Hij is in een arm gezin geboren - i is ui.tən ɛ̃.rəm broek gə.schud
  • Hij is misnoegd - i lot zin lep angn
  • Hij kan veel verdragen - i ee nən brjie rug
  • Hij kent iedereen - i kent God en klɛ̃n Pjie.rə.kə
  • Hij kon al dat werk niet gedaan krijgen - i kost da nie ‘bol.wɛ̃.rə.kən
  • Hij krijgt zijn deel van de erfenis - i krigt zin port
  • Hij maakt snel vorderingen; hij amuseert zich kostelijk (bv. op de dansvloer) - i go nog.’al nə gank
  • Hij maakt van zijn oren - i mokt van zin.nən tak
  • Hij valt in de smaak bij het andere geslacht - i ee veel oun.trok
  • Hij weet van niets - i wit van toe.tən noch blou.zən
  • Hou je goed! - aa.da struis!
  • Iedereen werkt op zichzelf, zonder gemeenschappelijke afspraken, waardoor tegenstrijdige besluiten worden afgekondigd en chaos ontstaat - ə ‘zot.tə.kəs.spel
  • Iemand aanmanen geen ijdele hoop te koesteren - kzun dər min ‘bjuun.tsjəs nie op tə wjiek leg.gən
  • Iemand aanmanen iets te doen - ach.tər zin ‘vod.dən (of: gat) zitn
  • Iemand bij de kraag vatten (ook letterlijk: iemand immobiliseren door hem bij het nekvel vast te pakken) - kem em bi zin.nə schab.bər.’nak
  • Iemand deed iets stiekem; zonder dat iemand op de hoogte was - i eet ət ach.tər tgat gə.doun
  • Iemand die altijd met iets bezig is en geen rust neemt - i ee gjien ‘zit.tənd gat
  • Iemand die geen kant meer op kan; iemand die niet meer weggeraakt uit een penibele situatie - i is ər oun lek kal.lək on də muur
  • Iemand die goed zwemt of graag in het water speelt - ən ‘wou.tər.rat
  • Iemand die heel braaf en zachtaardig oogt - ge zud.dəm ‘dab.soo.lu:.sə ‘gee.vən zon.dər tə ‘biech.tən
  • Iemand die heel zat is - i ee dən stuk in zin ‘kljuu.tən; i ee dən stuk in zin ‘voe.tən
  • Iemand die het Nederlands keurig uitspreekt - i sprikt op də let.tər
  • Iemand die niet goed is gevaren - i komt van ən kaa ker.mes tuis
  • Iemand die veel eet - i ee nən ‘ol.lən tand; i ee zin kas vol gə.’stoo.kən; i is in zin.nən eet
  • Iemand die verzorgd is en de hygiëneregels toepast - i is proo.pər op zin ɛ̃.gən
  • Iemand doet of zegt iets dat veel te laat komt of erg onverwacht is - mi wa kom.de naa vur də pin.nən
  • Iemand dwingend duidelijk maken dat hij niet langer is gewenst - go nor uis, a moe.dər ee vis.kəs gə.bakn!
  • Iemand een sarcastische opmerking maken, maar in een ietwat omfloerste formulering - nə stek 'gee.vən
  • Iemand foppen; iemand bedriegen - ən pee stoo.vən
  • Iemand gaat laat naar bed en is daardoor de volgende ochtend niet fris en amper in staat te werken - sou.ves grjuu.tə Jan en smɛ̃.rəs klɛ̃.nə man
  • Iemand gedraagt zich alsof hij de meerdere is of in alles de beste is - i ee.dət juug in ‘zin.nən bol; i ee.det juug in zin stɛ̃r
  • Iemand geeft geen aandacht of zit met zorgen - i is ər mi zin.nə kop nie bij
  • Iemand heeft altijd wat voor of veroorzaakt altijd problemen - tis ol.ted a joenk of ən ɛ̃
  • Iemand heeft ergens een ziekte opgedaan - i ee wa ‘op.gə.schɛ̃rd
  • Iemand heeft helemaal geen kracht - i ee mor pui.tə.macht
  • Iemand heeft sproeten - i ee.dach.tər də ‘bjɛ̃r.kɛ̃r gə.ljuu.pən
  • Iemand houdt zich van de domme - i gə.’bourt van krom.mən ous
  • Iemand iets op een zachte manier aan zijn verstand brengen - kzal tem is in zin juur blou.zən
  • Iemand iets wijsmaken - ie.mand ‘blos.kəs wijs.mou.kən; ən blous in zin.nə nek sloun
  • Iemand in het water kopje onder duwen - ən zeup gee.vən
  • Iemand is aan de deur gezet, met het weinige dat hij nog bezat – i is mi zin klie.kən en zin klak.kən ‘bui.tən.gə.smee.tən
  • Iemand is in slaap gevallen - zin blaf.fə.’tuu.rən val.lən toe
  • Iemand is niet geneigd over de brug te komen of van gedachten te veranderen - i boe.’zjeert nie
  • Iemand is nukkig of wil niet toegeven - i ee.dət in zin stɛ̃r
  • Iemand is overdreven spaarzaam - i zun.nə frang in twjie.jən bijtn; i zi.top zin gɛ̃ld
  • Iemand kijkt de verkeerde kant op (of ruimer: doet alsof hij het probleem niet ziet) - i kikt van də ‘wɛ̃.rək
  • Iemand komt de afspraken niet na - gə kun.tər gjie.nə stout op ‘mou.kən
  • Iemand komt op een eerdere beslissing terug - i trekt zin.nə kak in
  • Iemand laat zich de mond niet snoeren en heeft telkens een weerwoord klaar - i eet ə lank blad
  • Iemand met lange benen - i ee lan.gə treemn
  • Iemand niet kunnen uitstaan - i kan nie op zin weezn
  • Iemand stinkt heel erg - i stinkt uu.rən in trond
  • Iemand stopt met werken - i kust zin schup af
  • Iemand verdient goed de kost - i kan goe zin broek op.aan
  • Iemand voelt zich onheus behandeld - i is in zin gat gə.beetn
  • Iemand vraagt je alles tot in de kleinste details te vertellen, desnoods op een dwingende manier - i vrougt mi də pie.rən ut min.nə neus
  • Iemand wil zo graag iemand anders behagen - i ljuupt zin bjie.nən van oon.dər zin gat
  • Iemand wordt je vijand - i kjiert əm tee.gən ou
  • Iets buitengewoons; een sterke prestatie - ‘straf.fən ‘toe.bak
  • Iets dat lang op je gemoed inwerkt - da blif.don də reb.bən plakn
  • Iets is helemaal doordrenkt - tis zo nat as mes (eigenlijk: mest)
  • Iets is uitstekend gedaan of goed geregeld - das ‘jies.tə klas
  • Iets kan gemakkelijk worden gedaan - ət go gə.lek ə ‘flut.sjən van nə sent
  • Iets snel tussendoor doen - tus.sən də soep en də pə.'tet.tən
  • Iets verkopen zonder verlies, maar ook zonder winst - kzin.dər zjuust on uit.gə.kom.mən
  • Iets wekt afgunst op - da stikt zin juugn uit
  • Ik ben de pineut - kem ət vlagn; kem ət zitn
  • Ik ben het erg beu - kzin zjuu beu as kaa pap
  • Ik heb er veel voor moeten doen; ik heb veel afgezien - kem min.nə ‘pjjɛ̃.rə gə.zien
  • Ik heb lang en verveeld staan wachten - ken dor ston ‘schjɛ̃l.juu.gən
  • Ik moest het onderspit delven - ‘ken.dər gə.’leen
  • Ik moet gaan kakken - kmoet nən baat gon legn
  • Ik vertrouw hem helemaal niet - kbə.traan em vur gjien our
  • Ik word steeds door hem geviseerd; ik word steeds door hem onheus bejegend - i ee nə piek op mij
  • Ik zal jouw geheimen en duistere zaakjes eens aan het licht brengen - kzal is ən ‘boek.skən oo.vər aa ‘oo.pən.doenngen
  • In onmin leven; niet met elkaar door dezelfde deur kunnen - zə lign oo.vər.’juup
  • Je bent teleurgesteld in iemand - kem.mi on aa mis.pakt
  • Je bent verschrikkelijk dom - gə zi zjuu loemp as ‘tach.tər.stə van ə ‘vɛ̃r.kən
  • Je hebt het perfect begrepen - gə 'zit.tər op
  • Je hebt het te bont gemaakt of te vaak geklaagd en je wordt wandelen gestuurd - go nor uis, a moe.dər ee vis.kəs gə.bakn!
  • Je houdt me voor de gek - gə spilt mi min voetn
  • Je kan iedereen proberen te belazeren, maar bij mij lukt dat niet - mi jiel Aant.wɛ̃r.pə, mor nie mi mij
  • Je moet je er niet druk over maken - gə moe.tər a nie dik in mou.kən
  • Je zal de geldelijke gevolgen van je foute beslissing moeten dragen! - gə zut moe.tən bloe.jən!
  • Kwaad worden - uit zin kram.mən schietn
  • Lulkoek; onzin - zjie.vər in pak.skəs
  • Men ergert zich ergens aan - i krij.gə.tər tspeen van
  • Men gaat traag vooruit (letterlijk, maar ook in de afhandeling van een opdracht) - op zin duusd gə.’mak
  • Men geeft aan dat men in een zware periode zit - tzin kwjaa doug
  • Men geeft de raad een leugenachtig iemand niet te geloven - aa.do zak.kən toe!
  • Men geeft te kennen dat iemand erg bang is voor een zaak - i zit mit.tə ‘poe.pərs
  • Men geeft te kennen dat iemand erg zenuwachtig is - i wit mi zin ‘ɛ̃.gən ‘gjie.nən blijf
  • Men geeft te kennen dat iemand niets voor de kost doet - i leeft van dən ‘ee.məl.sən daa
  • Men heeft bedenkingen bij iemands opvoeding - oe is die op.gə.bracht?
  • Men heeft veel moeite voor niets gedaan - das al.lə.moul vur dən ond zin botn
  • Men is rechtdoorzee - klin.kət nie dan bot.sət mor
  • Men kan een actie van de ander niet waarderen - a.zjuu zin wə nie gə.’traad!; zjuu got.tə vlie.gər nie op!
  • Men leeft op kosten van iemand anders - i leeft op də kap van ən aan.dər
  • Men raadt aan niet langer over een zaak te piekeren - brik.tər an.nə kop nie oo.vər
  • Men raadt aan zich niet langer tegen een zaak te verzetten - leg.tər an.nə kop nef.fəst
  • Men vindt dat het slecht voor iemand is afgelopen - i ee zin bə.komst gad
  • Men vindt een vrouw te mager - get.tər gjie.nə pak oun
  • Men vindt iets te duur - da kan min.nən blaan (ook: brui.nən) nie trekn!
  • Men voelt zich bedot - zən dər mi ‘op.gə.leen
  • Men vreest dat een probleem nog lang niet is opgelost - wə zin nog nie oun də nief pə.tet.sjəs
  • Men vreest dat iets heel lang gaat duren voor het af is - da zit.top tspel van zee.vən wee.kən
  • Men wil dat iemand van toon of onderwerp verandert - wast o weezn!
  • Men ziet geen heil in de voorgestelde oplossing - dour zin.nək vet mee!
  • Mensen die al te graag hun materiële welstand laten zien - zə zin vur dən uit.kom
  • Mijn schoenen knellen - min schoe.nən nij.pən
  • Mijn schoenen zijn te groot - min schoe.nən slokn
  • Ook al heb je geen zin, je moet het toch doen! - kak of gjie.nə kak, də pot op!
  • Op goed geluk, zonder plan - op də wil.dən boef; opt goe val.lend uit
  • Oude spullen - aa nest
  • Voortdurend commentaar en kritiek krijgen van iemand - i zit al.tid op min.nə kap
  • Vreemdgaan - nef.fəst de pot pie.sən
  • Wat ben jij stom geweest! - gij.sən a.’juin!
  • Werk hard en snel door! - gif.tər ən ga.’let op!; gif.tər ən lap op!
  • Ze heeft een miskraam gehad - zə ee dər ‘bed.də af.gə.’gjuud
  • Zeuren - ən zoug span.nən
Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.