Criminologie

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Inhoud

H1 Criminologie: een terreinverkenning 3[bewerken]

De opdracht van de criminologie 3[bewerken]

Neerwaartse vergelijking → de aantrekkelijkheid van criminele verhalen berust op het aangename gevoel dat men er zelf beter aan toe is dan het slachtoffer.

Rorschachtest → de test waarbij de proefpersoon moet zeggen wat hij/zij in een getoonde inktvlek ziet.

Criminoloog → iemand die zich beroepshalve toelegt op de bestudering van misdaad en straf met daarbij, net als de rechter, juist wanneer de emoties hoog oplopen, het hoofd koel probeert te houden. Hij of zij streeft bij zijn of haar oordeelsvorming naar een zo groot mogelijke mate van objectiviteit.

Wat is criminologie? 4[bewerken]

Criminalisering → de invoering van nieuwe wettelijke bepalingen waarop strafsancties zijn gesteld.

Decriminalisering → het schrappen van bestaande strafbepalingen. De inhoud van de strafwet verschilt per tijdperk en per land. De consequentie van verschillen in de wetgeving is dat het wetenschappelijke object van de criminoloog tot op zekere hoogte zowel tijds- als plaatsgebonden is.

De geschiedenis van de criminologie 4[bewerken]

Accuatoir systeem → misdrijven worden beschouwd als particuliere aangelegenheden waarvan de oplossing door overheidsbemiddeling tot stand komt.

Inquisitoir systeem → misdrijven worden gezien als schendingen van het vorstelijke vredesgebod waartegen dus de overheid met inzet van alle middelen dient op te treden. Het inquisitoir systeem, inclusief de mogelijkheid tot toepassing van marteling voor bewijsvergaring, is neergelegd in de eerste publicatie over misdaad en straf in de Nederlanden: Practycke ende handbouck in criminele zaeken uit 1555.

Homo economicus → een op grond van de vrije wilsbeschikking handelende mens die voor- en nadelen van gedragsalternatieven afweegt.

Proportionaliteitsbeginsel → Volgens Rousseau berust de rechtsmacht van de staat op een maatschappelijk contract dat de burgers vrijwillig zijn aangegaan. Criminaliteit was volgens Beccaria een overtreding van dat contract en zou ook alleen in de mate van de inbreuk op het contract moeten worden bestraft.

Utilitaristische principe → er zou minder geluk zijn met overmatig zwaar straffen.

Gelijkheidsbeginsel → strafzekerheid was belangrijk, maar op maat.

Legaliteitsbeginsel → straf op basis van duidelijke wetten.

Strafrechtsfilosofie → de beginselen van Beccaria.

Deterministisch mensbeeld → de vrijheid van handelen van de mensen wordt sterk beperkt door mogelijkheden en omstandigheden.

Positivistische methode → Cesare Lombroso, een gevangenisarts die rond 1870 de uiterlijke kenmerken van zijn patiënten systematisch ging observeren en registreren.

Atavisme → Lombroso beweerde dat criminaliteit zijn oorsprong vindt in het feit dat de criminele mens is achtergebleven in het evolutieproces. Criminelen zijn vanuit biologisch perspectief een soort halfmensen, een overblijfsel in de evolutie.

Criminele antropologie → Lombroso’s evolutietheorie wordt aanvankelijk zo genoemd.

Abolitionisme → Bianchi en Hulsman bepleitten de geleidelijke vervanging van het strafrecht door nieuwe vormen van conflictoplossing.

Aandachtsgebieden binnen de criminologie 8[bewerken]

Beschrijvende criminologie/criminografie → behelst de statistische verdeling van criminaliteit in tijd en ruimte. Met behulp van kwantificerende studies wordt geprobeerd een antwoord te krijgen op de veelgestelde vraag hoe het is gesteld met het niveau van de criminaliteit in een bepaald land of in een bepaalde stad. Hoger of lager dan elders? Toename of afname? Welke bevolkingsgroepen lopen de grootse kans slachtoffer te worden van criminaliteit? Tot de onderwerpen van de beschrijvende criminologie behoren tevens de beelden die de bevolking heeft van de criminaliteit en strafrechtspleging en oordelen die men daarover koestert.

Ethiologie → houdt zich bezig met het onderzoek naar de oorzaken van crimineel gedrag en criminaliteit. De psychologische en biologische criminologie probeert te verklaren waarom individuen met kenmerk X crimineel gedrag vertonen en individuen met kenmerk Y niet.

Penologie → reactie op criminaliteit. De praktijk en uitwerking van de strafrechtspleging.

Informele reacties &rarr de reacties van slachtoffers en potentiële slachtoffers van delicten en van omstanders.

Formele reacties → van de zijde van het politiële en justitiële apparaat.

Police science → er wordt wetenschappelijke aandacht besteed aan de kenmerken en het functioneren van de politie.

Criminaliteitspreventie → de praktijk en uitwerking van maatregelen ter voorkoming van misdrijven naast of buiten de strafrechtspleging.

Victimologie → kenmerken van slachtoffers, de gevolgen van misdrijven slachtoffers en de praktijk en uitwerking van slachtofferrechten en slachtofferhulp.

Georganiseerde/zware criminaliteit → kenmerken en bestrijding van levensmisdrijven, internationale misdrijven, terrorisme, georganiseerde misdaad en witteboordencriminaliteit.


H2 Beschrijvende criminologie 10[bewerken]

Inleiding 10[bewerken]

Parlementaire enquêtecommissie → heeft de 2de Kamer in 1994 ingesteld. Deze commissie heeft aan 4 hoogleraren in de criminologie de opdracht gegeven om de omvang en aard van de georganiseerde misdaad zo objectief mogelijk in kaart te brengen.

Politiecijfers → door politie en justitie worden van oudsher gedetailleerde gegevens geregistreerd over alle ter kennis van de politie gekomen misdrijven en overtredingen.

Gerechtelijke statistieken → hierin worden alle afhandelingen van misdrijven en overtredingen geregistreerd.

Politiecijfers 11[bewerken]

Het CBS deelt delicten in op:

  • vermogensdelicten (vooral materieel)
  • gewelddelicten
  • seksuele delicten

Het CBS en WOCD (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum) geven jaarlijks statistische informatie uit over criminaliteit en rechtshandhaving.

Als we het (in deze tabellen) hebben over het absolute aantal geregistreerde delicten dan noemen we dat frequenties.

Onderzoeken naar verborgen criminaliteit 11[bewerken]

Discussie 12[bewerken]

Het strafrechtelijke systeem in actie[bewerken]

Inleiding[bewerken]

De belangrijkste onderdelen van het strafrechtelijke systeem zijn:

  1. de strafwetgever (zowel de centrale overheid als de lagere overheden);
  2. de politie en andere instanties met opsporingsbevoegdheid;
  3. het Openbaar Ministerie (de officieren van justitie);
  4. de zittende magistratuur (de rechters, bijgestaan door de griffie;
  5. het gevangeniswezen;
  6. de reclassering.


De actoren in het strafrechtelijk systeem[bewerken]

De politie[bewerken]

De politiesterkte

Het ophelderingspercentage

Het Openbaar Ministerie[bewerken]
De rechterlijke macht[bewerken]

Selectiviteit in de strafrechtspleging[bewerken]

Selectiviteit door capaciteitsgebrek

Selectiviteit door regionale verschillen

Persoonsgerichte selectiviteit

De strafrechtspleging als afvalrace[bewerken]
Regionale beleidsverschillen[bewerken]

Variaties in ophelderingspercentages

Verschillen in sepotbeleid en straftoemeting

Persoonsgerichte selectiviteit[bewerken]

Sociaal milieu

Sekse

Etniciteit

Selectiviteit en het Openbaar Ministerie

Persoonsgerichte selectiviteit en de rechter

Normering van discretionaire bevoegdheid[bewerken]

Strafrechtelijk beleid[bewerken]

Verklaringen voor criminaliteit: het psychologisch perspectief[bewerken]

De gedragsvormen die in dit kader door psychologen worden bestudeerd[bewerken]

Antisociaal gedrag[bewerken]
Antisociale persoonlijkheidsstoornis[bewerken]
Externaliserend/internaliserend gedrag[bewerken]
Agressie[bewerken]
Verband tussen antisociaal gedrag, agressie en criminaliteit[bewerken]

Biologische factoren[bewerken]

Erfelijkheid van antisociaal gedrag[bewerken]

Kwantitatieve erfelijkheidsstudies

Tweelingonderzoeken

Adoptiestudies

Moleculaire genetische studies

Andere biologische factoren[bewerken]
Epigenetica[bewerken]
De predispositie tot agressie[bewerken]

Persoonlijkheid en antisociaal gedrag[bewerken]

Meten van persoonlijkheid

De theorie van Eysenck[bewerken]

Psychoticisme

Extraversie - introversie

Neuroticisme

De theorie van Zuckerman[bewerken]
Het vijffactormodel; de big-five-persoonlijkheidsfactoren[bewerken]
Empirische onderbouwing van persoonlijkheid als risicofactor voor antisociaal gedrag[bewerken]

Persoonlijkheid en criminaliteit: causaliteit?

Zelfcontrole en gerelateerde concepten[bewerken]

Impulsiviteit

Tijdsperspectief

Zelfcontrole

Generality of deviance

Leerpsychologie 26[bewerken]

Ontwikkelingspsychologische noties 28[bewerken]

H5 Het economisch en sociologisch perspectief 31[bewerken]

Inleiding 31[bewerken]

Het economisch perspectief 31[bewerken]

Het sociologisch perspectief 32[bewerken]

H6 Criminaliteitspreventie 36[bewerken]

Inleiding 37[bewerken]

Beproefde preventiestrategieën 38[bewerken]

Een tweedimensionale typologie 38[bewerken]

Dadergerichte preventie 39[bewerken]

6.5 Situationele preventie 40[bewerken]

6.6 Slachtoffergerichte preventie 42[bewerken]

6.7 Discussie 42[bewerken]

6.8 Criminaliteitspreventie in Nederland 43[bewerken]

H7 Straffen en criminaliteit 45[bewerken]

Inleiding 45[bewerken]

Doelstellingen van straffen en straftheorieën 45[bewerken]

Soorten straffen 47[bewerken]

Criminologische theorieën en straffen 48[bewerken]

Onderzoek naar effectiviteit van straffen 48[bewerken]

H8 Victimologie 52[bewerken]

Inleiding 52[bewerken]

Risicokenmerken van slachtofferschap 53[bewerken]

De materiële en immateriële gevolgen van criminaliteit 55[bewerken]

De reacties op slachtofferschap 56[bewerken]

Discussie 59[bewerken]

H9 Zware criminaliteit 61[bewerken]

Inleiding 61[bewerken]

Levensmisdrijven 61[bewerken]

Internationale misdrijven 62[bewerken]

Terrorisme 63[bewerken]

Georganiseerde misdaad 64[bewerken]

Witteboordencriminaliteit 65[bewerken]

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.