Aardrijkskunde/Ecosysteem

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek

Wereldecosysteem[bewerken]

De aarde bestaat uit 2 elementen, abiotische en biotische. Abiotische (dode) elementen zijn: water, bergen en bodems. De biotische (levende) elementen worden flora, fauna en de mensen genoemd. Tussen al deze dode en levende onderdelen bestaan kringlopen. Samen vormen ze het wereldecosysteem. Er zijn 3 kringlopen: waterkringloop, koolstofkringloop en voedselkringloop.

Waterkringloop[bewerken]

Korte waterkringloop: De zon verwarmt het water in de oceanen en zeeën. Een deel van het water wordt gas, het verdampt. Hoog in de lucht koelt de waterdamp af en er komen kleine waterdruppeltjes in de lucht. De waterdruppeltjes samen zijn wolken. Een deel van de wolken regent uit boven zee. Dit is de korte waterkringloop. Lange waterkringloop: In de lange waterkringloop maken de druppeltjes een langere reis. De wolken drijven op luchtstromen en komen boven land. De neerslag dat op het land valt kan de bodem intrekken en wordt grondwater. Dit hoeft niet, de neerslag kan ook over de grond stromen en dan in de zee of in een rivier uitkomen.

Koolstofkringloop[bewerken]

Dit is de bekendste kringloop! Fotosynthese hoort ook bij de koolstofkringloop. Mensen en dieren hebben zuurstof nodig om te leven. Daar zorgen de planten en bomen voor. Zij maken met water, zonlicht en Co2 zuurstof aan. Mensen en dieren ademen (en scheten) koolstofdioxide uit.

Voedselkringloop[bewerken]

Planten maken voedingstoffen. Dieren en mensen eten de planten. De resten en de poep worden weer opgegeten door afvaleters, zoals: kevers, vliegen, wormen enzovoorts. Daarna breken schimmels het nog verder af tot mineralen. Die mineralen hebben de planten weer nodig! Zonder deze kringlopen staat al het leven op aarde stil.

Sferen[bewerken]

Het wereldecosysteem bestaat uit vier sferen: de biosfeer, hydrosfeer, lithosfeer en atmosfeer.

• De biosfeer is het dunne laagje om de aarde waar leven mogelijk is: planten, bomen, dieren en mensen. Dat we een biosfeer hebben is uniek in ons zonnestelsel. Geen andere planeet heeft dit. • De hydrosfeer is het water op aarde. Voor het grootste deel bestaat de hydrosfeer dus uit oceanen, zeeën, rivieren, meren, sneeuw en ijsmassa’s. Maar ook grondwater hoort er bij. • De lithosfeer bestaat uit de aardkorst en de bovenste laag van de aardmantel. De aardmantel is bijna 3000 km dik. De aardkorst is de buitenste laag van de aarde. De lithosfeer is ongeveer 80 km dik. • En de laatste is de atmosfeer, dat is de lucht om ons heen. De aarde is de enige planeet met een atmosfeer waar leven mogelijk is. In de atmosfeer zit lucht die we inademen en de atmosfeer beschermt ons ook tegen de hitte en straling van de zon. De atmosfeer warmt de aarde overdag op en koelt de aarde ’s nachts af. De atmosfeer van de aarde is ongeveer 480 kilometer dik.

Aantasting, vervuiling, uitputting[bewerken]

Sinds de Industriële Revolutie is de invloed van de mens op het wereldecosysteem groter geworden. Het evenwicht is in gevaar. Mensen vervuilen de aarde met uitlaatgassen van auto’s en vliegtuigen. Een groot gevaar is ontbossing, mensen kappen veel te veel bomen. Zo komen er overstromingen, en minder zuurstof voor ons.

Kringloop van het water[bewerken]

Vast (sneeuw en ijs), vloeibaar (water) en gasvormig ( waterdamp in de lucht), dit hoort allemaal bij water (H2O). Water verdampt en wordt waterdamp. Waterdamp ontwikkelt zich weer tot wolkendruppels en sneeuwvlokken, en dit valt dan weer als neerslag naar beneden. Condensatie is het scheikundige proces waarbij een stof, in dit geval water, van de gasvormige toestand overgaat naar de vloeibare. Dit gebeurt voortdurend, we noemen dit de waterkringloop.

Als de neerslag weer terug in zee valt, heet dat de korte kringloop. Dit komt het meest voor doordat het oppervlak voor twee derde uit water (zeeën en oceanen) bestaat. Als de neerslag op het land valt en het water gaat via een omweg weer terug naar de zee, heet dat de lange kringloop. Daar helpen de bomen en de planten ook aan mee, zij zuigen zich vol met water uit de bodem en via de bladeren geven ze het weer af aan de lucht. Dit noem je transpiratie.

Een gewone verdamping noem je evaporatie. Maar de totale verdamping kan je ook evapotranspiratie noemen. Van al het zoetwater bevindt bijna dertig procent zich onder de grond. Er kan ook altijd neerslag in de vorm van sneeuw vallen. Dit gebeurt bijvoorbeeld op de Zuidpool, in Groenland en in de hooggebergten. Sneeuw in die ijskappen smelt niet, maar blijft er eeuwig liggen. Dit wordt mettertijd samengeperst tot ijs. Bij de ijskappen is er bijna zeventig procent zoet water. Bijna al het water zit in zeeën en oceanen, twee procent is bevroren. Water is elke seconde op reis.

Gletsjers[bewerken]

Gletsjers worden gevormd uit een heleboel lagen sneeuw. Gletsjers hebben een heel onregelmatig oppervlakte. De sneeuwstroom stroomt langs de berg en holt de berg uit. Gletsjers kunnen per jaar wel honderden meters verschuiven.

Gletsjers worden gevormd als er meerdere lagen sneeuw op elkaar worden samengeperst De onderste lagen worden dan ijs, ijs is best zwaar dus stroomt het ijs met de sneeuw er boven op langzaam naar beneden. Dan ontstaat er dus een ijsrivier dit noemen ze een gletsjer. Een gletsjer begint boven aan de berg en eindigt onder aan de berg in het dal. De meeste valleien in gebergtes zijn ooit gemaakt door gletsjers.

Een gletsjer stroomt naar beneden, dan komen ze in warmere luchtlagen en beginnen te smelten. Het water stroomt dan via rivieren de zee in, hier in ze verdampt het water komt in de lucht en wordt met de regenwolk terug geblazen naar de top van de berg. Hier bevriest het water en wordt het sneeuw. De sneeuw valt weer op de berg en dan begint het hele proces weer van voor af aan.

Gebergtes[bewerken]

Gebergtes ontstaan door bewegende aardplaten. Jonge gebergtes zijn te herkennen aan hoge spitse bergtoppen. We noemen dit daarom ook hooggebergtes. Deze gebergtes hebben sneeuw op de toppen. Verwering en erosie zijn zichtbaar, maar hebben de gebergtes niet afgebroken.

Sneeuw[bewerken]

Sneeuw is bevroren water wat ontstaat in de wolken. Heel hoog in de lucht is het namelijk zo koud (-50 °C) dat het water gewoon bevriest. Als het zomer is en het gaat sneeuwen is de lucht te warm en smelt de sneeuw dus wordt het regenwater maar als het winter is, is de lucht gewoon gewoon koud en blijft de sneeuw gewoon sneeuw. IJs is doorzichtig, maar sneeuw is dat niet. Sneeuw is niet wit er kan alleen geen licht doorheen daardoor lijkt het wit, maar bij ijs kan er wel licht doorheen. Daardoor lijkt het doorzichtig, maar het is eigenlijk gewoon hetzelfde als sneeuw.

Grondwater[bewerken]

In de grond zit water. Dat noemen wij grondwater, dat grond water bevindt zich in hele kleine openingen tussen de zandkorrels. Die openingen heten poriën. Ons grondwater is van nature schoon. Als er veel poriën in de grond zitten, noemen we dat poreus. In Rotterdam bevindt zich het grondwater ongeveer op 1 meter onder de grond, maar in andere gebieden kan dat heel anders zijn. Het kan zelfs maar 10 cm onder het oppervlak liggen, dat heet dan het maaiveld.

Om van grond water drink water te maken moet er heel veel gebeuren. Maar in de Veluwe minder, daar zuivert het water zichzelf namelijk op een natuurlijke manier.

Als dat niet door de natuur wordt gezuiverd, wat meestal het geval is, dan wordt het grondwater gepompt naar de waterzuiveringsinstallaties waar het water echt goed wordt gezuiverd zodat het daarna drinkbaar is. Grondwater is ook heel erg belangrijk voor de plantengroei. Bomen en planten drinken dat grondwater met hun wortels. Maar de ene plant kan meer water verdragen dan de ander. Bloembollen kunnen niet goed tegen veel water, rijst en gras juist wel.

Uit onderzoek is gebleken dat er ongeveer 23 miljoen kubieke meter grondwater te vinden is. Daarvan is 0.35 miljoen kubieke kilometer jonger dan vijftig jaar.

Het grondwater kan al wel tienduizenden jaren in de grond zitten. De leeftijd van grondwater doet er erg toe, omdat jong en oud grondwater verschillen. Oud grondwater bevindt zich dieper in de grond dan jonger. Nieuw grondwater bevindt zich dichter bij de oppervlakte en beweegt sneller dan ouder grondwater. De bovenkant van het grondwater heet de grondwaterspiegel.

Draineren en irrigeren[bewerken]

Water is heel belangrijk voor ons, we leven ervan en niet alleen omdat we het drinken. We gebruiken het ook voor de landbouw bijvoorbeeld. Als het veel heeft geregend, dan moet het water onder de grond worden weggepompt. Dat noemen wij Draineren. Als er weinig water is, dan moet het bij worden gepompt. Dat noemen wij irrigeren. Dat doen wij heel simpel, door een slang onder het grond oppervlak te leggen met kleine gaatjes daarin. Met dat systeem kunnen we water toevoegen of juist wegnemen . Je hebt hele eenvoudige systeem maar ook heel ingewikkeld. Dat noemen we oppervlakte-irrigatie , dat kan via kanalen maar ook via sloten of grachten. Je hebt verschillende soorten irrigatie: druppelirrigatie, maar ook oppervlakte-irrigatie. Bij druppelirrigatie gaat alles precies via buisjes, en zorgen we er voor dat er bijna geen water verloren gaat. Bij oppervlakte-irrigatie is dat anders waardoor er veel meer water verloren gaat. Dat wordt gewoon op het oppervlak van de aarde gespoten. En dat gebeurt ook vaak bij kleine planten, die niet zo veel water gebruiken.

Verzilting[bewerken]

Als de temperatuur te hoog wordt, dan is de lucht ook heel droog. Dan zal het bodemwaterpeil ook gaan stijgen, naar de bovenkant van het aardoppervlak. Het vormt dan een korst. Deze grond is dan verzilt, wat wil zeggen dat hij vol zit met allemaal zouten. Dat maakt de grond ongeschikt voor landbouwgebruik. Dit kan je ook tegengaan door het te bestrijden met druppelirrigatie. Dat zorgt er dan weer voor dan de bodem precies genoeg water krijgt, om de planten water te geven . Dat zorgt er dan ook weer voor dat er ook geen water verloren gaat en alles naar de planten toe kan stromen. Dit proces wordt eigenlijk overal over de hele wereld gebruikt, waaronder ook in de woestijn .Daar ligt ongeveer twee- à driehonderd meter onder de grond ook heel veel water.D at willen ze daar nu ook gaan gebruiken , en niet alleen voor de landbouw maar ook voor planten. Om het daar veel vochtiger te maken , ook waterputten werden er gemaakt. Daar groeien ook veel planten die het goed doen zonder de irrigatie.

Wij proberen dat ook in ons eigen land , met kassen te bouwen. Daar kunnen we dan ook planten en groeten soorten verbouwen. Daar heb je zonlicht en warmte voor nodig, zonlicht dat hebben we wel. Maar de warmte kunnen behouden door die kassen . We maken gebruik van het broeikaseffect , als er een beetje warmte en zonlicht in komt. Dan behoudt die kas de warmte. En met irrigatie en licht kunnen we veel planten en bloemen maken die normaal gesproken een warme omgeving nodig hebben om te leven .

Rivieren[bewerken]

Er zijn twee verschillende soorten rivieren. Sommige rivieren zijn ontstaan door water en bestaan door water. Die noemen we regenrivieren, de Maas is bijvoorbeeld zo'n rivier. Er zijn ook rivieren die smeltwater ontvangen van gletsjers. Dat noemen we gletsjerrivieren. Ze voeren ook regenwater af, die heten ook wel gemengde rivieren, bijvoorbeeld de Rijn. In arme landen gebruiken ze rivieren overal voor, de wc, om uit te drinken, om zichzelf te wassen, om kleren te wassen. Maar daar worden mensen heel erg ziek van, want er zitten allemaal slechte bacteriën in. Sommige mensen worden er zelfs zo ziek van dat ze doodgaan.

Een rivier bestaat niet uit een gebied maar uit een stroomgebied. De grens van twee stroomgebieden noem je ook wel waterscheiding. Een wadi is een rivierdal dat in droge gebieden het gedurende jaar droog staat. Gedurende natte periodes en regenbuien stroomt er wel veel water door de wadi’s. dit kan vrij onverwachts gebeuren.

Verval en verhang[bewerken]

Watervervuiling[bewerken]

Watervervuiling wordt (meestal) veroorzaakt door mensen. Het water wordt vervuild door bijvoorbeeld olie en plastic. De meeste vervuiling is na de industriële revolutie (18e eeuw) gekomen. Mensen gingen de olie maar dumpen. In het midden van de 19 eeuw kwam men erachter dat lozing van afvalwater  zonder enige vorm van zuivering schadelijk was. Er kwamen steeds meer zieken mensen door het vervuilde water. Daarom begon men met de aanleg van rioleringen en de eerste zuiveringsinstallaties.

Er zijn verschillende soorten van watervervuiling: zoetwatervervuiling en zoutwatervervuiling.de meest voorkomende vervuiler is olie en palstic. wij meensen kunnen hier ondzettend veel aan doen door bvb: niet alles in de zee dumpen en platic rececelen. van dat oude plastic kunnen we bvb:vlessen maken niewe kkleding nep nagels bekerhouders enzo enzo ezno, en door minder naar olkie te boren voral in de zee daar richt het boren de meeste schade op. als er een olie lek is dan zijn we de klos

Grensoverschrijdende vervuiling[bewerken]

Het water op aarde is meestal in beweging. Door fabrieken wordt meestal afval geloosd en komt dan in de rivier. Doordat de rivier stroomt neemt de rivier het afval mee. Als de rivier dan over een grens gaat, dan heet dat grensoverschrijdend afval. De Rijn is een goed voorbeeld, die rivier begint in Zwitserland. Ze dumpen hun afval daar in de Rijn en vervolgens stroomt de Rijn met het afval naar Duitsland en daar dumpen ze ook hun afval in de Rijn. Vervolgens stroomt de Rijn met al het afval naar Nederland waar ze ook weer afval in de Rijn dumpen. Ten slotte mondt de Rijn ui in de Noordzee en daar komt alles dus uiteindelijk in terecht. Dit heet grensoverschrijdende vervuiling.

De Rijn

De Rijn is een gemengde rivier. Het is afkomstig van een gletsjerrivier en een regenrivier. Gletsjerrivier. Een gletsjerrivier is afkomstig uit een gletsjer die zich hoog in de bergen bevindt. Een gletsjer is een dik pak ijs dat ontstaat als het jaren achter elkaar sneeuwt. Die sneeuw is heel erg op elkaar gaan drukken, dan krijg je ijs. Een gletsjer ontstaat in een firnbekken ( firn= korrelige sneeuw ) als de firnbekken overloopt dan krijg je een gletsjer die een heel lang stuk naar beneden stroomt, een gletsjer stroomt 40-50 meter per jaar. Als de gletsjer naar beneden stroomt smelt hij een beetje. Doordat de gletsjer smelt ontstaat er langzaam een riviertje, wat uiteindelijk een grote rivier en vervolgens een bergmeer wordt.

Regenrivieren

Een regenrivier kan alleen ontstaan als het regent. De regen spoelt dan weg en komt bijvoorbeeld in de Rijn terecht, daarom is de Rijn een gemengde rivier. Een regenrivier is bijvoorbeeld de Maas. Die stroomt door Frankrijk, Luxemburg, Wallonië, Vlaanderen, Duitsland en Nederland

Bodemerosie[bewerken]

Stromend water dat al het steen meeneemt en de bomen vanuit de bergen, noem je bodemerosie. Bodemerosie ontstaat door stromend water gemixt met modder. Het stromende water slijt het gesteente af vanuit de bergen. De meeste kans waar het kan voorkomen is in gebieden met veel reliëf (hoogteverschil). Door de bodemerosie worden de bergen steeds meer afgesleten, en worden ze steeds kleiner. Door bodemerosie gaat al de vruchtbare grond, de bomen en struiken weg, het veroorzaakt ook veel gaten etc. Maar als we alle begroeiing weghalen dan is er juist een GROTERE kans op erosie! De stevige wortels houden de grond vast en zorgen dat die niet wordt meegenomen door de modder. In Vlaanderen komt het wel vaker voor, per jaar spoelt er ergens bij 15m ton vruchtbare grond weg. De grootste kans op bodemerosie door wind is in droge gebieden omdat er niks groeit en de grond er droog en doffig is.

Ontbossing en waterhuishouding[bewerken]

Menselijke activiteiten (bijv. kappen of verbranden van bomen in de tropen) leiden tot het verdwijnen van bossen. Het ecosysteem wordt verwoest.

Dakloze dieren én mensen[bewerken]

Er zijn vele mooie opvangprojecten voor bedreigde diersoorten als de orang-oetan en de berggorilla. Maar het is net zo belangrijk dat we de grootste bedreiging voor het voortbestaan van deze dieren aanpakken: onze honger naar goedkope grondstoffen, zoals hout, soja en palmolie. Vele producten die bij ons in de schappen liggen, dragen direct bij aan het verdwijnen van bedreigde diersoorten.

Maar het zijn niet alleen ontelbare planten en dieren die niet zonder de bossen kunnen. Wereldwijd zijn er 150 miljoen oorspronkelijke bewoners van de bossen die steeds meer in de verdrukking komen. Nog veel meer mensen zijn afhankelijk van de bossen voor hun eerste levensbehoeften, zoals voedsel, huisvesting en medicijnen. Zij trekken vaak aan het kortste eind als bedrijven hun oog laten vallen op grote stukken bos. Ook zijn bossen belangrijk voor het zoetwater in de wereld. Zo zorgt de Amazonerivier, die door het oerwoud stroomt, voor een vijfde van het zoete water in de wereld.

Verwoestijning[bewerken]

De dampkring[bewerken]

De dampkring/atmosfeer, dat is de lucht om ons heen. Zonder de dampkring zou er geen leven op aarde mogelijk zijn. Het aardoppervlak zou dan bezaaid zijn met inslagkraters van meteorieten (denk maar aan het oppervlak van bijvoorbeeld de maan of Mercurius).

Wij mensen, dieren en planten hebben zuurstof (O2) nodig om te ademen. Planten hebben daarbij ook nog behoefte aan koolzuurgas (CO2). Beide gassen zitten in de dampkring. De lucht vormt een beschermde laag tegen invallende stenen (Meteorieten) en schadelijke stralen uit de ruimte. De gevaarlijke straling word gefilterd door de Ozonlaag.

De Zon verwarmt de Aarde, de dampkring zorgt voor de temperatuur. Zonder sommige gassen in de dampkring zou de temperatuur stijgen naar (82c) en Nachts dalen naar (-140c). De dampkring kan de warmste temperatuur tegenhouden. Het vermogen om de hitte tegen te houden heet het Broeikaseffect. Zonder het broeikaseffect zou de temperatuur verschillen. Zonder dat effect zou de gemiddelde temperatuur op aarde (-18c) zijn, in plaats van (15c) nu. Net als de planeet Mars.

Gassen in de dampkring. Er bestaan gassen in de dampkring, waaronder koolzuurgas en stikstof.

Koolstofkringloop[bewerken]

Zonnestralen kunnen makkelijk door de atmosfeer heen en de aarde bereiken. Het aardoppervlak straalt de warmte weer uit. Een deel wordt echter tegengehouden door de atmosfeer, dit noemen we het broeikaseffect. Als deze processen in balans zijn, zijn de gemiddelde temperaturen op aarde stabiel. Maar door de uitstoot van extra broeikasgassen zoals CO2 en methaan wordt dit effect sterker, waardoor de aarde opwarmt. Bij de verbranding van biomassa komt het broeikasgas CO2 vrij. Net zo als bij het verbranden van fossiele brandstoffen, zoals aardgas. Toch draagt de verbranding van biomassa per saldo niet aan het broeikaseffect bij.

Bomen en planten groeien door CO2 en water om te zetten in biomassa. De CO2 nemen ze op uit de atmosfeer en het water uit de bodem. De energie die voor deze omzetting nodig is wordt geleverd door de zon. De biomassa kan vervolgens worden gebruikt om energie op te wekken, bijvoorbeeld door het te verbranden in een biomassaelektriciteitscentrale. Bij de omzetting van biomassa in energie komt weer CO2 vrij. De hoeveelheid CO2 die daarbij vrijkomt is echter precies gelijk aan de hoeveelheid die de plant of boom heeft opgenomen tijdens het groeien. Zo leidt het gebruik van biomassa voor energieproductie tot een verhoging van de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer, dit noemen we de korte koolstofkringloop.

Koolstof vinden we overal terug op aarde in de oceanen, de bodem, de biosfeer, de atmosfeer. Via allerlei natuurlijke processen wordt koolstof uitgewisseld bijvoorbeeld: vulkaanuitbarstingen , bosbranden, planten die afsterven en mensen en dieren die in en uit ademen de hoeveelheden koolstof in de oceaan, de biosfeer en de atmosfeer noemen we het koolstofevenwicht. Zo bevindt zich 50 maal meer koolstof in de oceaan en 19 maal meer koolstof in de atmosfeer dan is de biosfeer.

Koolstof bevindt zich in de atmosfeer in de vorm van koolstofdioxide. Er zijn heel wat natuurlijke processen die koolstofdioxide in de natuur brengen of er weer uit halen. Zo doen planten aan fotosynthese; via hun bladeren halen ze koolstofdioxide uit de natuur en produceren hierbij zuurstof. Wanneer de planten afsterven of branden, komt de koolstofdioxide weer vrij in de atmosfeer. Als planten snel doodgaan, kunnen de gassen die vrijkomen niet meer ontsnappen en blijven gevangen. Onder bijzondere omstandigheden zullen de planten resten na miljoenen jaren worden samen geperst tot steenkool, aarde of aardgas. Dit noemen we fossiele brandstoffen, de koolstofcyclus is hierbij in evenwicht. Er gaat van nature evenveel CO2 de atmosfeer in als dat eruit gaat, maar de mens verstoort dit evenwicht. Momenteel halen we massaal fossiele brandstoffen uit de grond en die verbranden we om onze auto's te laten rijden, huizen te verwarmen en fabrieken draaiende te houden. Ook worden bossen gekapt en platgebrand. De koolstofcyclus raakt zo steeds meer verstoord en hiermee wordt bijgedragen aan de opwarming van de aarde.

Luchtvervuiling[bewerken]

Luchtvervuiling komt door het verbranden van fossiele brandstoffen dat gebruiken auto’s en motors in het verkeer, energie centrales en fabrieken zorgen ook veel voor luchtvervuiling. Er komen ook veel slechte stoffen vrij bij het aansteken van je verwarmingsketel. Kleine deeltjes die je niet kunt zien vervuilen de lucht. Bij elke keer dat je in ademt krijg die kleine deeltjes binnen de aller kleinste deeltjes (ultrafijn stof) kunnen komen in je bloed en zo in je hele lichaam.

Zo kan je meer kans krijgen op astma of kanker. Dit is ook heel slecht voor kleine kinderen en ongeboren baby's. De vervuilde lucht zorgt ervoor dat er elk jaar vroeger mensen dood gaan. De lucht van Nederland hoort bij een van de meest vervuilde van Europa.

De vervuilde stoffen verspreiden zich ook door de wind dus in gebieden waar nauwelijks auto’s rijden is de lucht ook vervuild. Als er zure stoffen in de lucht zitten zoals zwavelzuur kan je zure regen krijgen hierdoor worden bossen en meren aangetast. Dingen die je hier tegen kunt zijn meer met de fiets gaan filters op schoorstenen van huizen en fabrieken zetten en energie besparen. Je kunt ook een elektrische auto of scooter kopen of je kunt gaan met de tram.

De lucht van China is heel erg vervuild. Daar kan je de vervuilende stoffen wel degelijk zien. Wat je daar ziet is een soort mist van uitlaatgassen, dit heet smog. De premier van China zei dat hij deze vervuiling heel erg ging bestrijden. China wil 6 miljoen erg vervuilende auto’s weghalen en inruilen voor auto’s met een schonere diesel. Fabrieken in China krijgen betere filtertechnieken.

Broeikaseffect: opwarming van de aarde en gevolgen[bewerken]

CO2 werkt in de dampkring net als glas in een broeikas. Het broeikaseffect is het vasthouden van de zonnewarmte door de dampkring. De zonnestralen bereiken eerst de dampkring. De ene helft ervan wordt teruggekaatst naar de ruimte en de andere helft gaat door de dampkring heen en bereikt het aardoppervlak. Aangekomen bij het aardoppervlak wordt de ene helft weer teruggekaatst naar de ruimte en de andere helft verwarmt onze aarde.

Door dat effect is alle leven op aarde mogelijk. Gassen zoals koolstofdioxide, waterdamp en methaan helpen daarbij. Zonder dat broeikaseffect zou de aarde onbewoonbaar zijn. Stel je voor: de gemiddelde temperatuur zou dan -18 graden Celsius zijn (is nu +15 graden Celsius). Maar...doordat er sinds de 18e eeuw (toen de industrie opkwam) veel CO2 bij is gekomen in de lucht, wordt het natuurlijke effect versterkt. In de twintigste eeuw is de gemiddelde temperatuur al behoorlijk gestegen met ongeveer 0,7 graden Celsius en zo'n beetje iedereen verwacht dat de temperatuur nog meer zal stijgen. Hoe komt dat nu precies?

Wij mensen verbruiken veel fossiele brandstoffen zoals steenkool, aardolie en aardgas. Dit gebeurt in het verkeer, bij het verwarmen van onze huizen en bij energiecentrales, en bij het maken van elektriciteit. Door al die dingen komt er heel veel extra CO2 vrij in de lucht. Normaal zou al die CO2 door de bomen worden opgenomen, maar omdat wij ook nog eens al die bomen omkappen is de temperatuur in korte tijd al heel erg gestegen.

Klimaatverandering[bewerken]

Wat is klimaatverandering?

Door alle uitlaatgassen wordt de ozonlaag (een laag die de aarde beschermt tegen alle stralen van de zon) steeds dunner. Zo wordt de aarde verwarmd.

Klimaatverandering is heel normaal. Tussen 1400 en 1800 was er bij ons ‘De kleine ijstijd’. In de geschiedenis van onze aarde zijn er veel koude periodes geweest. ijstijden of glacialen. De warme perioden heten interglacialen. Sinds de 20ste eeuw stijgen de temperaturen op aarde opvallend snel. Dit komt door de uitstoot van CO2 in de lucht, dus het broeikaseffect (zie hierboven).

Gevolgen van de opwarming

Een van de rechtstreekse gevolgen hiervan zijn de ijskappen die gaan smelten. Dat is een groot probleem, want hierdoor stijgt de zeespiegel behoorlijk. Landen als Bangladesh en delen van Nederland lopen hierdoor gevaar onder te lopen. De opwarming van de aarde heeft nog andere vervelende gevolgen, zoals het steeds groter worden van de woestijnen. Ook een belangrijk gevolg zijn bosbranden, die makkelijker overslaan (dus snel groter worden). Bepaalde diersoorten worden in hun voortbestaan bedreigd doordat ze hun natuurlijke leefomgeving zodanig verandert dat ze er niet meer kunnen leven. Wat vermoedelijk ook een min of meer rechtstreeks gevolg is van de klimaatverandering is dat de neerslag steeds onregelmatiger verdeeld wordt. Dat betekent concreet: soms periodes van maandenlange droogte, dan weer enorme hoeveelheden neerslag in één keer. Dat is natuurlijk helemaal niet goed voor zowel mensen als de natuur.

Voorbeelden:

  • Groenland: Het grootste eiland ter wereld. Alleen aan de kust wonen mensen. 80% procent van Groenland bestaat uit ijskappen.
  • Noordpool: De temperatuur in het Noordpoolgebied, is sinds ca. het midden van de 20e eeuw met 5 graden gestegen. Volgens de wetenschap staat het vast, dat in deze vaste periodes het ijs verdwijnt. De gletsjers trekken zich nu al met zo'n 40 meter per dag terug.
  • New York: Een plek waar gigantisch veel energie gebruikt wordt en enorme hoeveelheden CO2 de lucht in gaan. Miljoenen mensen, miljoenen auto’s en heel veel airconditioning.

Duurzame energie[bewerken]

Bijna alle energiebronnen kun je maar een keer gebruiken. Je kan ze niet vernieuwen en dus raken ze op. Zo een energiebron is schadelijk voor het milieu. (milieu-uitputting). Het doet ook mee aan het broeikaseffect. De belangrijkste energiebronnen die je niet kan vervangen zijn: - Steenkool - Bruinkool - Aardolie - Aardgas Ze zijn ontstaan door resten van planten en dieren, in de grond. Ze worden fossiele brandstoffen genoemd om dat het een soort fossielen zijn.

De duurzame energie bronnen raken eigenlijk nooit echt op, ze zijn vernieuwbaar en het doet niet mee aan het broeikaseffect. Er zijn vijf belangrijke soorten:

WINDENERGIE

Als je op een snelweg rijdt, dan zie je er een heleboel van. En in de zee zijn er tegenwoordig ook een aantal. Het gaat over de windmolens. De wind waait de mast in gang en dat gaat dan de hele dag door. Alle drie de wieken zitten samen aan een as, die op zijn beurt vastzit aan een generator waardoor er stroom ontstaat.

WINDKRACHT

Als water stroomt of valt, kan er hydro-elektriciteit opgewekt worden. (Hydro = water) De centrales daar van zitten vaak in berggebieden. Het kan ook zijn dat er gebruik wordt gemaakt van eb en vloed.

ZONNE-ENERGIE

Niet alle huizen hebben ze, want ze zijn vaak heel duur, maar ze worden wel vaker gebruikt. Het gaat over zonnepanelen. Die zetten het zonlicht om in elektriciteit. Maar het kan ook met zonneboilers, die vangen zonlicht op en zetten het om in warmte. Zo wordt het koude water verwarmd en heb je dus warm water, voor de douche bijvoorbeeld.

GEOTHERMISCHE-ENERGIE

In gebieden met vulkanen is het ondergrond vaak heel heet. Daarmee kan je gemakkelijk huizen en gebouwen verwarmen of met generators in elektriciteitscentrales laten draaien.

BIOMASSA

Met resten en afval kun je ook energie maken. Al die resten/afval komen uit de natuur, daarom dus biomassa. Door het verbranden van al dat afval en resten komt er energie. Het opnieuw gebruiken heet recycling.

Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.