Nederlandse Spitsbergen Expeditie (1968-1969)

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek
Wikibooks:Infobox/Nederlandse Spitsbergen Expeditie (1968-1969)
Ligging van Edgeøya binnen de Spitsbergen-archipel
Kaart van Edgeøya

Dit boekje geeft een gedetailleerd verslag van de Nederlandse Spitsbergen Expeditie, een expeditie die plaatsvond van augustus 1968 tot september 1969. Tijdens deze expeditie overwinterden vier Nederlanders 14 maanden lang op Kapp Lee (78° 5' 60 NB, 20° 55' 0 OL) op Edgeøya, een eiland dat deel uitmaakt van de Spitsbergen-archipel.

Inhoud

Expeditieleden[bewerken]

  • Eric Flipse († 1979), student biologie (specialiteit communicatie en techniek)
  • Paul W.J. de Groot, student bosbouw (specialiteit techniek)
  • Ko de Korte, student biologie (specialiteit ornithologie)
  • Piet Oosterveld, student biologie (specialiteit botanie)

Initiatief[bewerken]

Initiatiefnemer van de expeditie was Eric Flipse, die dr. A. van Wijngaarden († 2004), hoofd afdeling zoölogie van het RIVON (het latere Rijksinstituut voor Natuurbeheer), wist te enthousiasmeren tot deelname aan dit internationaal onderzoek. Flipse had nauw contact met Thor Larsen, leider van de Noorse expeditie. Het RIVON had geen budget beschikbaar voor deze (spontane) onderneming, maar deed alles wat in haar vermogen lag deze expeditie te begeleiden en tot een succes te maken.

Achtergrond ijsbeeronderzoek[bewerken]

De ijsbeer leeft in een van de meest ontoegankelijke gebieden ter wereld. Het is dus niet verwonderlijk, dat er tot voor kort weinig bekend was over de ijsbeer. Schattingen van het aantal ijsberen in het poolgebied liepen sterk uiteen.

In 1960 werd het aantal ijsberen in het poolgebied door de Amerikanen (J.W. Brooks) geschat op 25.000 exemplaren[1]. De Canadezen (C. Jonkel) waren voorzichtiger met hun schatting van 12.000 exemplaren. De Russen (S.M. Uspensky) gingen uit van 9.000 exemplaren. De Sovjet-Unie heeft als eerste natie en met belangen binnen het poolgebied de ijsbeer al in 1956 tot beschermde diersoort verklaard.

Pas aan het eind van de jaren zestig kwam men tot het besef dat de ijsbeer overbejaagd en bedreigd werd. Vóór die tijd was de jacht voorbehouden aan de plaatselijke bevolking - dit waren de Eskimo's, Inuit of Yupik -, die de jacht op de ijsbeer nodig had voor haar dagelijks bestaan. De ijsbeer was meer en meer een jachttrofee geworden. Jagers hadden grote sommen geld over voor een ijsbeervacht. De jacht werd intensief beoefend vanuit schepen, vliegtuigen, sneeuwscooters, etc., en de jachttechnieken werden steeds geavanceerder.

Setgun-kast (zelfschietinstallatie of legbuks)[bewerken]

De setgun-kast is een uiterst eenvoudig, maar doeltreffend middel om bij minimale inspanning een maximale opbrengst aan ijsberen te genereren. Verspreid over heel Spitsbergen liggen restanten van deze installaties, die herinneren aan de commerciële ijsbeerjacht. De schietinstallatie ziet eruit als een lange, smalle houten kist op vier poten van ongeveer 75 cm hoog. De kist is de opbergplaats van een wapen, bijvoorbeeld het veelvuldig toegepaste gladloopgeweer. Aan de voorzijde van de kist zit een gat waar de (afgezaagde, ingekorte) loop van het geweer doorheen steekt. Op een naar voren uitstekende plank ligt voedsel voor de beer. Dit voedsel is verbonden middels een touw aan de trekker van het geweer. Het resultaat is voorspelbaar. Twee ervaren pelsjagers op Halvmånsøya wisten met behulp van deze techniek 145 ijsberen te bemachtigen in één winterseizoen.

Vanaf 1973 is de jacht met behulp van deze installaties verboden. Met dit verbod werd het eerste positieve resultaat geboekt van internationale samenwerking, die erop gericht was de jacht op ijsberen in het gehele Noordpoolgebied aan banden te leggen.

Enkele cijfers met betrekking tot geschoten ijsberen[bewerken]

Bron: The world of the Polar Bear, Thor Larsen 1978

jaar Canada USA Denemarken Noorwegen Sovjet-Unie 3)
1965 565 296 182 435 0
1966 603 399 116 185 0
1967 710 191 150 263 0
1968 454 351 153 267 0
1969 407 298 onbekend 346 0
1970 323 316 onbekend 515 0
1971 416 203 onbekend 116 note 1) 0
1972 501 onbekend onbekend 61 note 1) 0
1973 523 7 note 1) onbekend 41 note 1) 0
1974 583 40 - 50 note 1) onbekend 0 note 2) 0
1975 onbekend onbekend onbekend 0 note 2) 0
1976 onbekend onbekend onbekend 0 note 2) 0

Note 1) Beperkende maatregelen verantwoordelijk voor jaarlijks minder afschot.

Note 2) IJsberenjacht reeds sinds 1974 verboden.

Note 3) IJsberenjacht reeds sinds 1956 verboden. (geen tikfout)

Doel van de expeditie[bewerken]

Doel van de expeditie was primair gericht op onderzoek naar de verspreiding en ecologie van de ijsbeer (Ursus maritimus), op basis van een internationale afspraak gemaakt in 1965, in Fairbanks, Alaska, tussen de Verenigde Staten, Canada, Denemarken, Noorwegen en Rusland.

Auspiciën RIVON, Zeist[bewerken]

De expeditie stond onder auspiciën van het toenmalige Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek ten behoeve van het Natuurbehoud (RIVON). De expeditie heeft onder andere steun gekregen van het Wereld Natuurfonds. De expeditie werd georganiseerd op uitnodiging van zoöloog Thor Larsen van het Noorse wetenschappelijke Poolinstituut (Norsk Polar Institutt, Oslo).

International Polarbear Census Expeditions[bewerken]

Binnen het kader van het project 'International Polarbear Census Expeditions' werd informatie verzameld over het leven van de ijsbeer, door onder andere Canada, Noorwegen, Finland, Rusland, Verenigde Staten en Nederland.

De ijsbeer stond destijds vermeld als bedreigde diersoort op de Rode Lijst van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN).

IJsberen in het pakijs, zomer 1968[bewerken]

In de zomer van 1968, hebben de Noren aan boord van het schip de ’Polstjerna’ in het pakijs 30 ijsberen gemerkt. Eric Flipse van de Nederlandse expeditie was daarbij en werd getraind door de Noren. Met die ervaring konden de Nederlanders aan de slag. Zij kregen de beschikking over een complete uitrusting voor het vangen en merken van ijsberen, bestaande uit een verdovingsgeweer met speciale munitie voor het gaspatroon, explosieve capsules ten behoeve van de injectiepijlen, ampullen Sernylan verdovingsvloeistof, oormerken, een tatoeagetang, tatoeagepasta en markeringsverf voor op de vacht.

IJsberenval[bewerken]

De meeste ijsberen werden gevangen met behulp van een speciale ijsberenval. Het belangrijkste onderdeel van deze val was de voetstrik. Deze bestond uit een lange, dikke metalen kabel, die eindigde in een lus en die verbonden was met een veer. De ijsbeer werd gedwongen één van zijn voorpoten in de lus te plaatsen als hij het lokaas wilde pakken. Daarbij trapte de ijsbeer op een vooraf gespannen veer, die de lus direct aantrok. Een metalen hoekprofiel voorzien van een gat, dat over de kabel schoof, zorgde ervoor dat de lus niet meer open kon. De beer zat dan met zijn ‘pols’ verankerd aan een zwaar object, bij voorkeur een rotsblok.

Verdovingsvloeistof, drug[bewerken]

De voordelen van verdoven van een ijsbeer in de val, ten opzichte van verdoven van een ijsbeer in het vrije veld zijn:

  • Het nauwkeuriger kunnen bepalen van de hoeveelheid verdovingsvloeistof, die gebaseerd is op het lichaamsgewicht van het dier. Een overdosis is fataal. Blijkt echter één dosering onvoldoende te zijn (te licht), dan kan eenvoudig een tweede verdovingspijl worden toegediend.
  • In het vrije veld moet vaak een reeks pijlen van verschillende inhoud worden klaargemaakt, omdat het gewicht van de ijsbeer moeilijk op afstand is te schatten .
  • Een ijsbeer in de val is dichter te benaderen. Het verdovingsgeweer heeft slechts een bereik van 30 á 40 meter.
  • Meer tijd beschikbaar. Het gereed maken van een injectiepijl vraagt (in de kou) veel tijd.
  • Het bevriezingsgevaar van de verdovingsvloeistof in de injectiespuit wordt kleiner.

De lengte van de werkingsperiode van de verdoving, wordt in belangrijke mate bepaald door de hoeveelheid verdovingsvloeistof. Er kunnen ook verschillen optreden door de conditie van de ijsbeer, bijvoorbeeld bij een vrouwtje als het zwanger is. Ieder merk verdovingsvloeistof heeft zijn eigen kenmerken: Sernylan heeft als (gunstig) bijeffect een verhoging van de lichaamstemperatuur tijdens de behandeling. Dit in tegenstelling tot de drug M99, die juist een temperatuurverlagend effect heeft en daarom meer geschikt is in warmere streken. Een verwerkingstijd van 30-60 minuten is normaal.

Verkorte procedure, merken/onderzoeken ijsbeer[bewerken]

De verkorte standaardprocedure voor het merken en onderzoeken van een ijsbeer in het vrije veld is:

  • Probeer op afstand het gewicht van de ijsbeer in te schatten.
  • Prepareer minstens drie injectiepijlen voor variatie in gewicht (plus en min 10% van de eerste schatting). Praktijk leert, dat op afstand meestal te laag wordt ingeschat. Zorg dat de verdovingsvloeistof in de klaargemaakte injectiepijl niet kan bevriezen.
  • Houdt rekening met het risico van een overdosis verdovingsvloeistof. Dit kan fataal zijn.
  • Het risico van onderdosis is voor mens en dier nihil.
  • Een geschoten ijsbeer gaat meestal op de vlucht, wanneer hij is geraakt door een vreemd voorwerp in combinatie met een harde knal.
  • Een tweede injectie is dan wel noodzakelijk. Acuut handelen is hier vereist.
  • Probeer de ijsbeer zo dicht mogelijk te naderen.
  • Houdt rekening met eventueel jongen in de buurt.
  • Probeer de ijsbeer te injecteren in de hoge broekspieren (bil/dijbeen).
  • Houdt rekening met open water in combinatie met de inwerktijd van de verdoving.
  • Blijf permanent in de buurt tot de ijsbeer onder narcose gaat (en daarna tot volledige recovery).
  • Verwijder de eventueel nog aanwezige injectiepijl(en) bij de ijsbeer.
  • Controleer regelmatig de knipper-reflex van het oog, tijdens het gehele onderzoek. Afhankelijk van resterende tijd van de behandeling, eventueel narcose bijspuiten.
  • Begin met het aanbrengen van twee (identieke) rode nylon oormerken (tags).
  • Tatoeëer hetzelfde nummer aan de binnenzijde van de bovenlip.
  • Voorzie de ijsbeer van een opvallend merkteken ( nummer op de vacht -verf-) voor identificatie op afstand. (deze markering blijft maximaal één jaar zichtbaar, vanwege wisseling van de vachtharen)
  • Probeer ter plaatse het gewicht van de ijsbeer te bepalen (indien mogelijk) met een unster of door middel van een meting van de borstomvang (hiervoor zijn berekeningen, -bij benadering-).
  • Bepaal het geslacht van de ijsbeer.
  • Neem alle maten, die van belang zijn (schofthoogte, borstomvang, schedelomvang, kop-staart-lengte)•
  • Neem een bloedmonster (serumbuis) ten behoeve van DNA-onderzoek en bepaling geografische verspreidingsvormen achteraf.
  • Serum, bloed zonder rode bloedcellen en zonder fibrine, is het handigst voor serologisch onderzoek van DNA en virale infecties.
  • Trek de eerste premolaar (valse kies), voor leeftijdsbepaling achteraf.
  • Beschrijf globaal de gebitsstatus. Tandformule is:
  • Incisive – canines – premolaren – molaren. Boven 3-3, 1-1, 3-3 *, 2-2 = 18
  • Incisive – canines – premolaren – molaren. Onder 3-3, 1-1, 3-3 *, 3-3 = 20
  • Opmerking*: bij de ijsbeer komen molaren dikwijls zo voor: Boven 3-3, Onder 3-3 of 2-2.
  • Bron: Zoogdierengids Elsevier (1955), Mr. F.H. van den Brink. Tandformules pagina 212.
  • Noteer de lichaamstemperatuur (rectaal gemeten).
  • Noteer de hartslag (op te nemen aan de kaaktak of aan slagader aan binnenzijde van bovenbeen of met stethoscoop aan hart). Houdt rekening met een verlaging van de hartslagfrequentie, door bepaalde narcosemiddelen.
  • Noteer alle klinische bijzonderheden (Onder andere eventuele verwondingen).
  • Vervoer de ijsbeer naar het pakijs, indien geschoten in omgeving van een menselijke nederzetting (honden), ter voorkoming van stress.
  • Houdt tijdens de recovery de ijsbeer onder controle (dit kan enkele uren duren).

IJsberen gemerkt, winter 1968–'69[bewerken]

Het aantal gemerkte ijsberen op Spitsbergen, vanuit hun respectievelijke bases:

  • Noren (Tjuvfjorden) 8 ijsberen
  • Finnen (Sveagruva) 4 ijsberen
  • Nederlanders (Kapp Lee) 12 ijsberen.

Het totaalresultaat (zomer + winter) kwam daarmee op 54 gemerkte ijsberen op Spitsbergen in een periode van 14 maanden.

Voorlopige conclusie onderzoeksresultaten[bewerken]

Vier van de twaalf gemerkte ijsberen op Kapp Lee werden binnen een jaar teruggemeld na te zijn doodgeschoten op Vestspitsbergen, een afstand van 200 km. Wetenschappelijk gezien was dit een aanwijzing, dat de populatie minder groot was dan werd aangenomen in 1960.

De bevindingen van de expeditie hebben geleid tot een beter inzicht in de ecologie van de ijsbeer en de reële gevaren voor het voortbestaan van de ijsbeer als diersoort, waarmee het wetenschappelijk belang van het onderzoek voldoende is aangetoond.

De onderzoeksresultaten van de expeditie hebben uiteindelijk een positieve bijdrage geleverd aan de totstandkoming van de Internationale Conventie ter Bescherming van IJsberen in 1973.[2]

Secundair wetenschappelijk onderzoek[bewerken]

Naast ijsberenonderzoek is veldonderzoek gedaan naar andere inheemse zoogdieren, zoals het rendier, de poolvos en de baardrob. De expeditie heeft vogelbroedkolonies geïnventariseerd, met name op Edgeøya (drieteenmeeuw) en Barentsøya (brandgans en zwarte zeekoet).

In het voorjaar van 1969 is expeditielid Piet Oosterveld begonnen met bodemvegetatieonderzoek, in relatie tot het voedselpatroon van rendieren. Dit vond plaats in de directe omgeving van Kapp Lee.

Rendierenonderzoek[bewerken]

Het rendier (Rangifer tarandus platyrhynchus) op Spitsbergen is een nog in het wild levende soort en dus niet gedomesticeerd. Het rendier heeft een beschermde status en kent nauwelijks een natuurlijke vijand (predator). Derhalve is het rendier niet schuw en kan tot op vier meter worden benaderd. Het rendier is de enige soort van de hertachtigen (Cervidae), waarbij zowel het mannetje als het vrouwtje een gewei draagt. Dat maakt het onderscheid tussen geslachten een stuk moeilijker.

In een gebied van ruwweg 20 km² rondom het basisstation Kapp Lee, vertoefde permanent een kudde van 100 rendieren. De expeditie heeft tijdens het hele seizoen tientallen rendierschedels en -kaken verzameld, die verspreid lagen op Edgeøya en heeft die uiteindelijk verscheept naar Nederland voor nader onderzoek. Aan de hand van het gebit kon later een leeftijdsopbouw van de populatie worden vastgesteld.

Voor dagelijkse herkenning van de rendieren in de omgeving van Kapp Lee, kregen de rendieren een fictieve code, die op afstand werd vastgesteld aan de hand van het gewei. Het gewei bestaat uit drie takken: de oogtak (ook wel schoffel genoemd), middentak en de kroon. Van iedere tak werd het aantal punten geteld, voor zowel de rechter als de linker stang.

Voorbeeld formule:

Rendier X: rechter stang 2-6-4 (boven de streep), linker stang 5-3-4 (onder de streep). Deze notatie is vergelijkbaar met het dactyloscopisch signalement van een persoon. In de praktijk bleek, dat in de omgeving geen enkel rendier met hetzelfde ‘codenummer’ rondliep, dus bijzonder praktisch. Opgemerkt wordt, dat observatie en codering van dezelfde groep rendieren op deze wijze, slechts één jaar mogelijk is, omdat de rendieren het jaar erop hun gewei hebben gewisseld en 'de code' is gewijzigd.

Dit fundamentele onderzoek op Spitsbergen heeft later een vervolg gekregen en een positieve bijdrage geleverd aan de totstandkoming van ecologisch landschapsbeheer in Nederland. (Rijksinstituut voor Natuurbeheer)

Logistiek[bewerken]

Station Zeist[bewerken]

Zeist was het vertrekpunt van het meeste expeditiemateriaal. Op een verlaten spoorwegemplacement in de gemeente Zeist stonden in het voorjaar van 1968 twee goederenwagons klaar met expeditiemateriaal voor verzending naar Bodø, Noorwegen.

Het merendeel bestond uit onderdelen van twee (gedemonteerde) nissenhutten, zoals stalen spanten en golfplaten. Verder was er een grote partij speciaal op maat vervaardigde polystyreenschuimplaten (piepschuim), benodigd voor isolatie van de nissenhut.

Verder ging er een groot voedselpakket mee ten behoeve van de vier overwinteraars, samengesteld door het Ministerie van Defensie en genoeg voor twee kalenderjaren. Een 60-tal zogenoemde theekisten was volgepakt met de meest uiteenlopende attributen, voordat ze aan de bovenzijde waren dichtgespijkerd en vervolgens gebandijzerd voor transport.

Noorwegen[bewerken]

In augustus 1968 vertrokken vanaf vliegveld Zestienhoven bij Rotterdam de expeditieleden De Groot, De Korte en Oosterveld richting Bodø, Noorwegen. Ze waren in gezelschap van een zomerploeg die bij het opzetten van het basisstation zou assisteren, waaronder twee verslaggevers van de Nederlandse radio en televisie. In Bodø, het noordelijkste station van de Noorse spoorwegen, werden de twee goederenwagons met expeditiemateriaal uit Nederland overgeladen in het motorschip 'Signalhorn'. Dit schip, van oorsprong uitgerust voor de zeehondenjacht, stond in de zomermaanden ten dienste van verscheidene expedities. Het schip beschikte over een zogenaamd 'kraaiennest', voor navigatie in pakijs.

In Bodø werd een 60-tal vaten brandstof gebunkerd, waarvan 17 drums benzine (b) en 43 drums ATK-kerosine (k) ten behoeve van een sneeuwscooter (b), twee buitenboordmotoren (b), een aggregaat (b), verwarming (k), verlichting in de vorm van petromaxlampen (k) en kookapparaten (b) voor onderweg.

ATK-Kerosine (Aviation Turbine Kerosin) ook wel aangeduid als aviation fuel is bestand tegen zeer lage temperaturen (min 50°C) en daardoor uitermate geschikt voor een verblijf in het noordpoolgebied.

Vestigingsplaats[bewerken]

Oorspronkelijk was het de bedoeling, dat de Nederlandse delegatie zou overwinteren op Halvmånøya. De keuze van Halvmånøya was gebaseerd op ervaringen van ijsberenjagers, die jaren op dit eilandje hebben overwinterd en ingegeven door hun goede jachtresultaten. Dit relatief vlakke eiland, gelegen ten zuiden van Edgeøya, is gevormd door rotsblokken zonder noemenswaardige vegetatie en heeft een oppervlakte van ongeveer 12 km2. Bij aankomst van het expeditieschip 'Signalhorn', bleek echter dat dit eiland onbereikbaar was, vanwege het vele pakijs. Op 2 mijl afstand van de kust bleef het schip steken in het ijs. Uiteindelijk werd uitgeweken naar Kapp Lee. Achteraf waren de Nederlandse expeditieleden daar zeer content mee, omdat de alternatieve locatie veel aantrekkelijker was en meer voordelen en mogelijkheden bood.

Kapp Lee, Edgeøya, Spitsbergen[bewerken]

Kapp Lee is vanwege zijn ligging, een perfecte plaats voor een overwintering.

  • Kapp Lee is per schip makkelijk bereikbaar
  • Relatief vlak bouwterrein, rekening houdend met de permafrost op 1 meter diepte
  • Natuurlijke drinkwatervoorziening, vanwege een stromende beek op de toendra
  • Uitzicht op zee, overzichtelijk voor ijsbeerobservaties
  • Kust heeft een glooiend strand met veel drijfhout, nuttig voor de open haard
  • Kust is ideaal voor het te water laten van de Zodiac rubberboot en de Klepper-Aerius-kano
  • Gevarieerd onderzoeksterrein (toendra, rotsformaties, stromend water, lagune, sneeuwhelling, etc.)
  • Goed vertrekpunt voor tochten te voet, op ski’s, met de hondenslede, sneeuwscooter, rubberboot of kano
  • Het gehele eiland Edgeøya is praktisch toegankelijk
  • De toendra is een goede landingsplaats voor helikopters.

Opbouw basisstation[bewerken]

Na aankomst op Edgeøya heeft een aantal mensen (vrijwilligers) geholpen met het aan land brengen van 80 ton aan expeditiemateriaal en het opbouwen van de nissenhut als basisstation, op de kust van Kapp Lee.

Vlak naast twee bestaande houten hutjes werd, op de scheiding van strand en toendra, een rechthoek uitgezet en de eerste piketpaaltjes geslagen, rekening houdend met de permafrost op een diepte van ongeveer één meter. Permafrost is de permanent bevroren toestand van de bodem.

Een 60-tal vaten met brandstof werd verplaatst naar de omgeving van de nissenhut in aanbouw. Een kruiwagen en een van fietswielen voorzien handkarretje kwamen zeer goed van pas bij deze operatie. Met primitieve middelen en veel menskracht, werden ook twee loodzware en hoge radioantennemasten opgebouwd.

Deelnemers opbouwteam[bewerken]

Het opbouwteam bestond uit de volgende personen:

Zij waren allen actief op Kapp Lee, Spitsbergen van 14 augustus - 2 september 1968.

Zomerverblijf[bewerken]

Op de locatie Kapp Lee stonden twee (verlaten) hutjes, die in redelijk goede staat verkeerden en voorzien waren van de meest elementaire zaken als stapelbedden en een oliekachel. Deze hutjes waren in 1963 achtergelaten door oliemaatschappij Caltex, die geologisch onderzoek had verricht op Edgeøya. De gehele groep kon hier tijdelijk bivakkeren.

Winterverblijf[bewerken]

Tot medio december 1968 is één van deze (ongeïsoleerde) hutjes in gebruik geweest als bivak. Daarna konden de vier overwinteraars Flipse, De Groot, De Korte en Oosterveld definitief 'verhuizen' naar de grote nissenhut. Dit heeft zo lang geduurd omdat er een tekort was aan bouwmateriaal en professioneel gereedschap. De taken van het 'normale' expeditieleven vroegen bovendien ook de nodige aandacht. Ze bestonden onder meer uit de dagelijkse controle van ijsberenvallen die langs de kust stonden opgesteld.

Basisstation[bewerken]

Plattegrond met indeling van de nissenhut

Nissenhut[bewerken]

  • Formaat
  • Indeling
  • Voorzieningen
  • Plattegrond

Verlichting en verwarming[bewerken]

Het basisstation werd op verschillende manieren verlicht en verwarmd.

  • De keuken was voorzien van een oliekachel waarop niet alleen werd gekookt, maar daarnaast ook permanent brandde.
  • In de huiskamer stond een grote oliekachel, die het hele huis moest verwarmen. Dat bleek niet haalbaar, maar de ervaring leerde dat de bewoners bij plus 12°C de kachel naar beneden bijstelde. Kennelijk raakte de mens gewend aan lage temperaturen.
  • Petromaxlampen zijn hoogdruklampen, die behalve intens veel licht verschaften, ook een kleine ruimte goed op temperatuur konden brengen. Petromaxlampen waren storinggevoelig en vroegen veel onderhoud.
  • Klassieke olielampen deden overal dienst en waren betrouwbaar en economisch in gebruik. Tot tweemaal toe heeft een lamp, bij afwezigheid van de bewoners, staan roeten. Een enorme vette roetaanslag in de woonruimte tot gevolg.
  • Kaarsen waren ook een belangrijke bron van verlichting.
  • Het 12 volt verlichtingssysteem met fietslampjes in de gang, heeft nooit naar tevredenheid gefunctioneerd.
  • Zaklantaarns op batterijen waren aanwezig, maar werden alleen kortstondig gebruikt, voor oriëntatie binnen en buiten.
  • De open haard (BellFires) was primair voor de gezelligheid. Alleen bij extreme omstandigheden, werd deze als extra verwarming gebruikt. Drijfhout werd gevonden langs het strand.

Brand, in de nacht van 1 op 2 februari 1969[bewerken]

De hele dag was er sprake van aanhoudende storm windkracht 10 bij een temperatuur van min 20°C. Alle zeilen werden bijgezet de hut binnen te verwarmen. De openhaard loeide de hele dag. Tegen middernacht bemerkte Eric, vlak voor het naar bed gaan, een verdachte rookontwikkeling achter de eternietplaat van de openhaard. Hij sloeg direct alarm. Het duurde niet lang of de vlammen kwamen door het raamkozijn. Een eerste koolzuurblusser werd leeggespoten. Er ontstond een enorme rookontwikkeling, die het bluswerk bijna onmogelijk maakte. Resoluut werd besloten al het plaatmateriaal te verwijderen. Uiteindelijk moest de gemetselde openhaard helemaal worden afgebroken. Na drie uur Brand Meester! De oorzaak was onvoldoende isolatie achter en onder de openhaard.

Totale schade: een openhaard in brokken, planken vloer en vloerbalk verkoold, polystyreenschuimplaten gesmolten. Er zijn vier brandblussers (poeder / koolzuur) leeggespoten. Er was nauwelijks waterschade.

Opmerking: Een koolzuurblusser is ook een effectief middel gebleken tegen opdringerige ijsberen. Vooral het sissende geluid, dwong respect af en joeg hen op de vlucht.

Drinkwatervoorziening[bewerken]

Drinkwater is een primaire levensbehoefte. Drinkwater maken van sneeuw is geen efficiënte methode, vanwege veel volume met relatief weinig opbrengst. Het smeltproces met behulp van een oliekachel vraagt veel energie. De oplossing voor dit probleem was eenvoudig. Op de toendra was een stromend beekje op 100 meter afstand van de basis. Een stuwmeer creëren, was de uitkomst van het probleem. Materialen, zoals balken en restant golfplaten van de nissenhut, konden goed dienst doen als barrière. Zo ontstond in het najaar 1968, een typisch Hollands bouwwerk op de toendra (dammen en dijkjes). Het resultaat was een stuwmeer, groot ruwweg 5 bij 10 meter, met een gemiddelde diepte van ongeveer 40 cm. Het maximale niveau was seizoen afhankelijk.

Het bevroren stuwmeer bleek nauwelijks voldoende voor een verblijf van vier man, gedurende 14 maanden. Slechts een half jaar kon drinkwater, in de vorm van ijs, worden gehakt uit het stuwmeer en per kruiwagen vervoerd naar het basisstation. De binnentemperatuur van de nissenhut was zodanig, dat het smeltproces automatisch op gang kwam. Standaard waren twee emmers van 10 liter drinkwater op voorraad. Drinkwater werd voornamelijk gebruikt voor inwendig gebruik. De was en afwas werden tot het minimum beperkt. Douchen op Kapp Lee was niet mogelijk. Persoonlijke hygiëne werd gedaan indien daar aanleiding toe bestond, bijvoorbeeld op feestdagen zoals Kerstmis (vuil of niet vuil).

Voedsel- en levenspakket van het Ministerie van Defensie[bewerken]

Het voedselpakket en individuele dagrantsoenen, waren door specialisten van het Ministerie van Defensie samengesteld, rekening houdend met voorschriften van de Noorse gouverneur (Sysselmann) op Spitsbergen; De hoeveelheid moest derhalve worden gebaseerd op een overwintering voor twee kalenderjaren. Deze termijn van twee jaar, was een voorwaarde omdat de Sysselmann rekening hield met de mogelijkheid van een gedwongen verblijf van een tweede jaar. Evacuatie na één jaar kon immers niet gegarandeerd worden.

Ingrediënten voedselpakket[bewerken]

Het menu was redelijk afwisselend samengesteld, maar niet overdreven. Spaghetti, macaroni en rijst zaten in het pakket. In plaats van aardappelen was aardappelpuree in poedervorm beschikbaar. Brood was vervangen door crackers. Het ontbijt bestond voor een belangrijk deel uit Mariakaakjes, de ene dag vierkant en de andere dag rond, voor de ‘broodnodige’ variatie. Het dagelijkse toetje werd vervaardigd van poeder. De ene dag vanillevla, de andere dag chocoladevla. Op zon- en feestdagen een combinatie van beide. Vanillevla werd soms op smaak gebracht met poederkoffie en smaakte dan naar hopjesvla. Erwtensoep in blik was een favoriet gerecht. Makkelijk en snel klaar te maken eenpansgerecht en zeer voedzaam. Bijna alles was in blik verpakt, zelfs krentenbrood. Blikken werden vervoerd in uniforme stapelbare kartonnen dozen.

Suiker en zout op de bon[bewerken]

Defensie had kennelijk een kleine vergissing gemaakt in de calculatie van suiker en zout, want die gingen in december ‘op de bon’. Ko hield de voorraad bij en besloot tot rantsoenering vanwege een vermeend tekort. Dat betekende letterlijk een schepje minder suiker in de koffie. Later werd het beleid bijgesteld. Toen dit tekort aan suiker en zout, terloops werd medegedeeld in een radiocontact met de Noren op Isfjord Radio, leverde dat hoongelach op. De Nederlanders werden prompt verdacht van ‘illegaal’ stoken van alcohol en het inpekelen van (ijsberen-)huiden. Beide feiten waren geenszins het geval. Het gerucht was geboren, door de Hollanders zelf verspreid.

TVP-kunstvlees[bewerken]

De expeditie beschikte, in een beperkte hoeveelheid, over zogenaamd TVP-kunstvlees. Je kon het bakken en braden als echt vlees. Maar dit product uit soja-eiwit bereid en op vlees gelijkend, werd na de introductie in 1968 in het algemeen niet als volwaardige vervanger van vlees ervaren en gewaardeerd. Dit experiment was ook voor de expeditie geen succes.

Dagrantsoen[bewerken]

Naast het standaard voedselpakket van het leger werden dagrantsoenen geleverd in een handzaam blikje. Dit bevatte alles wat een ‘soldaat’ per dag nodig heeft. Crackers, margarine, broodbeleg, jam, leverpastei, een ‘warme’ maaltijd in een opwarmblikje, spiritusgelei in een brandertje, lucifers, toiletpapier, koekje, snoepje, etc. en een pakje sigaretten (10 stuks). Dit waren soms Engelse sigaretten, soms Amerikaanse in een neutrale lichtgroene soms vuilwitte verpakking. Er was een (beperkte) keuze van de ‘warme’ maaltijd binnen de dagrantsoenen. Witte bonen in tomatensaus waren het minst favoriet. Dat de blikjes zelden werden gebruikt op tocht had te maken met teveel gewicht aan verpakking en te kleine porties warme maaltijd.

Extra proviand voor overwintering[bewerken]

Daarnaast heeft de expeditie een aantal voedingswaren als extra proviand meegenomen:

  • 1 kist met citroenen
  • 2 grote ronde kazen
  • enkele dozen Deventer Koek (schenking)
  • 4 flessen wijn (2 zoete, 2 droge) bedoeld voor de feestdagen
  • 1 pot Vitamine-C tabletten
  • etc.

Citroenen[bewerken]

De kist met citroenen, bedoeld voor de noodzakelijke vitamine-C, lag opgeslagen op zolder. Na een paar maanden bleek, dat door wisselende temperaturen (boven/onder nul) de citroenen waren beschimmeld en ongeschikt waren voor consumptie.

Drank[bewerken]

Piet was de enige van het team die een paar flessen drank (droge sherry) voor eigen gebruik had meegenomen. Bij gelegenheid dronken anderen hiervan mee. Door de bemanning van schepen en bezoekers werd soms drank achtergelaten en/of geschonken. Piet en Paul waren zeer matige opportunistische alcoholgebruikers. Ko deed sporadisch mee voor de gezelligheid op feestdagen. Eric was geheelonthouder.

Tabakswaren[bewerken]

Behoudens de pakjes sigaretten in de dagrantsoenen van het Nederlandse leger, waren er geen tabakswaren beschikbaar gesteld. Piet en Paul rookten dagelijks pijp en hadden hun eigen voorraad pijptabak meegebracht. Eric en Ko waren geen rokers. Binnenshuis mocht gerookt worden.

Middelen van vervoer en bivak onderweg[bewerken]

Tocht naar Longyearbyen[bewerken]

De expeditie beschikte aanvankelijk alleen over ski's en sneeuwschoenen om zich te verplaatsen over het pakijs. Op 28 februari 1969, toen de zon weer boven de horizon kwam en de dagen begonnen te lengen, vertrokken Eric Flipse en Ko de Korte op de ski's vanaf Kapp Lee naar Longyearbyen (hoofdstad). Een afstand hemelsbreed van ongeveer 180 km. Onder de meest erbarmelijke omstandigheden moesten ze bivakkeren in een (nylon) sneeuwtent en bereikten ze na twee-en-halve-dag de overkant van de Storfjorden. Ze hebben dan pas 60 km op de ski's afgelegd. In Agardhbukta konden de mannen onderdak vinden in een oude pelsjagershut. Daar wachtten ze zeven dagen tot de storm ging liggen en de tocht kon worden voortgezet. De terugreis liep voorspoediger op een (tweedehands) sneeuwscooter. Met deze nieuwe aanwinst werd de actieradius van de expeditie aanmerkelijk vergroot.

Tocht naar Barentsøya[bewerken]

In maart 1969 maakte Paul de Groot, samen met de Noren Thor Larsen en Kjell-Reidar Hovelsrud, tochten met de hondenslede vanaf Kapp Lee onder andere naar de Freemansundet en Barentsøya. Het basisstation van de Noren lag in Tjuvfjorden, Edgeøya, ongeveer 100 km ten zuiden van Kapp Lee, waar zij met een team (ook) van vier man overwinterden. Onderweg bivakkeerden de drie mannen in een koepeltent of indien beschikbaar, een (oude) toegankelijke hut. Het betrof dan meestal een (verlaten) jachthut of overblijfselen van een (zomer-)expeditie, zonder al te veel comfort. Deze bevinden zich in de regel langs de kustlijn.

Koepeltent[bewerken]

De enkeldaks katoenen koepeltent, had een vierkant grondoppervlak en kruislings gebogen bamboestokken met koperen eindbussen en een ingenaaid grondzeil. Bovenop het grondzeil lag een 'tentluier' vastgemaakt in de hoeken. Daarop lagen provisorische isolatiematten, vervaardigd van restanten polystyreenschuimplaten (piepschuim) van de binnenbekleding van de nissenhut. Dit isolatiemateriaal was vooraf op maat gesneden en met singels aan elkaar gekoppeld. Dit materiaal isoleerde goed, had gesloten cellen, dus kon geen vocht opnemen, maar was niet flexibel. Voor iedere tocht moest een nieuwe slaapmat worden gesneden.

Een 'eindbus' is de verbinding tussen twee boogstokken. Door ervaring wijzer geworden, laat men nooit tentstokken met 'eindbussen' per ongeluk in de sneeuw vallen, tijdens een sneeuwstorm en een temperatuur van 22°C onder nul. Want het bleek nauwelijks mogelijk de sneeuw weer uit de 'eindbus' te peuteren. De koepeltent kon daardoor niet vlot worden opgezet en kostbare minuten gingen verloren.

De verankering van de koepeltent bestond vooral uit sneeuw en ijs, die op de onderrand (slippen) was geschept en vier grondankers (ijsboren) op de scheerlijnen, of rechtopstaande ski's indien er voldoende sneeuw aanwezig was.

De koepeltent bood ruim plaats voor drie personen met bagage. Tijdens een sneeuwstorm, die soms 36 uur kon aanhouden, werden noodzakelijke behoeften gedwongen binnen de tent gedaan. De honden lagen alijd buiten aan de ketting, in de sneeuw. Zij waren ook de waakhonden tegen nieuwsgierige ijsberen.

Würtzburgerhütte, prof. J. Büdel[bewerken]

Tijdens deze hondensledetochten werd dankbaar gebruik gemaakt van de 'Würtzburgerhütte', een hut gelegen aan de zuidkust van Barentsøya. Deze hut was het 'zomerverblijf' van prof. Julius Büdel (1903 - 1983) (geomorphologist), die veldonderzoek heeft verricht in de buurt van de gletscher Freemanbreen. Bronverwijzing http://science.jrank.org/pages/47788/landscape-climate.html

Omdat deze hut relatief makkelijk bereikbaar was op ski's over het pakijs en op 'loopafstand’ vanaf Kapp Lee (ongeveer 20 km), werd deze hut nadien veelvuldig gebruikt door de Nederlanders.

Opmerking: Tot ver in het zomerseizoen (juni 1969) waren West-Spitsbergen en Barentsøya relatief makkelijk 'lopend' bereikbaar over het pakijs. Dat is opmerkelijk, omdat het nu (anno 2010) vanwege klimaatverandering niet meer mogelijk is.

Oriëntatie, kaart en kompas[bewerken]

De Würtzburgerhütte bleek aanvankelijk niet makkelijk te vinden. De expeditie beschikte over zeer bescheiden kaartmateriaal en eenvoudige (vloeistof) kompassen. De kaart van Barentsøya van het Norsk Polar Institutt, was een voorlopige schets, met rotsformaties en inhammen, gemaakt aan de hand van incidentele luchtfoto’s . (Aktie: kaart scannen) De buitenkant van de hut, was bovendien van bijna wit geschuurde planken, als gevolg van aanhoudende storm, die op grote afstand niet opvielen in een besneeuwd landschap. GPS bestond nog niet en het gebied was (in dubbel opzicht) nog een witte vlek op de kaart.

We hielden uiteraard rekening met een 'variatie' (afwijking) van het kompas. Dat is het verschil tussen het magnetisch noorden en geografisch noorden. Het magnetisch noorden dient ieder jaar gecorrigeerd te worden, wegens verandering van haar positie. Het magnetisch noorden 'wandelt' in een gebied van ruwweg 1000 KM² in het Canadesche deel van het noordpoolgebied.

Würtzburgerhütte, stormschade[bewerken]

Bij aankomst bleek, dat een deel van het dak van de Würtzburgerhütte ervan af was gewaaid. Daardoor lag een enorme berg sneeuw in het midden van de hut. De eerste taak was een provisorische reparatie van het dak. Bij gebrek aan bouwmateriaal, werd een ‘tweede’ binnendeur opgeofferd en op het dak gespijkerd. (Aktie: dia scannen) Nadat de hut was ontruimd van de meeste sneeuw en de kachel was opgestookt, leek de hut meer op een sauna (bastu), dan op een wetenschappelijk station. Uiteindelijk hielden we een geriefelijke hut over, met een brandende kolenkachel, een flinke voorraad steenkool, vier stapelbedden en proviand.

Würtzburgerhütte, proviand[bewerken]

Het achtergebleven, van oorsprong Duitse expeditieproviand in de Würtzburgerhütte, bestond niet uit noodrantsoenen of bekende groene blikjes (die hadden de Nederlanders nog voldoende op voorraad), maar uit ‘luxueus’ voedsel, zoals blikjes ‘Bratwurst’, groenten, gedroogde zuidvruchten en zelfs enkele flesjes met ‘Polarrum’ (aantal onbekend).

Dat maakte de Würtzburgerhütte voor de Nederlanders nog aantrekkelijker en werd nadien een uitstapje, vergelijkbaar met een 'weekendje Center Parcs' (zonder tropisch zwembad). Maanden later, werd op een sneeuwscootertocht het voedselpakket weer aangevuld met (groene) blikjes afkomstig van het Nederlandse leger.

Hondenteam[bewerken]

De Noorse delegatie beschikte over een goed getraind hondenteam. Dit team bestond uit zes honden van het Scandinavische hondenras: de Groenlandhond, een soort Keeshond, ook wel aangeduid als Gronlandshund of Groenlander. Ze zijn uitermate geschikt voor het doel waarvoor ze gebruikt worden. Ze zijn geboren in het poolgebied en hun pels is erop berekend. Ze kunnen prima overleven zelfs bij extreem lage koude. Het is een voorwaarde, dat ze niet langer dan drie dagen op dezelfde plaats liggen in de sneeuw, want dan begint de sneeuw vast te klonteren in de vacht en gaat de isolatiewaarde verloren. Sneeuw is ook een prima isolatie, die de honden zelf opzoeken.

De honden luisterden naar de namen: Bella, Fjumpi, Stumpe, Bergram, Oscar en Angot. Vijf reuen en een teefje. Angot was de sterkste van het span en liep daarom altijd achteraan. Hij bleef vechten om het leiderschap over te kunnen nemen, maar hij zat aan het kortste touwtje! Daardoor werd optimaal gebruik gemaakt van zijn trekkracht. Er was een duidelijke hiërarchie bij de opstelling van de honden.

Bella liep voorop, zij was de leidster van het team, een teefje. In principe wordt de meest 'intelligente' hond gekozen tot leider/leidster van een hondenteam en dat is per definitie niet altijd de sterkste.

De honden kenden een tiental commando’s (in de Noorse taal), variërend van ‘ga naar links’, ‘rechts’, ‘stop’ etc. Er werd nooit gebruik gemaakt van leidsels of een zweep. Dat betekende overigens niet, dat de honden altijd zachtzinnig werden behandeld. De honden zijn van goede wille, maar hebben soms moeite met het goed verstaan van de commando’s, vooral bij harde tegenwind. Om de voorste hond met de stem te kunnen bereiken (ook bij tegenwind) werden commando’s opvallend hard, maar vooral verschillend van intonatie uitgesproken (langgerekt of kort, kort). De afstand van de menner (achter de slede), tot de voorste hond is gauw 10 soms 15 meter. Regelmatig moest onderweg worden gestopt, omdat de honden verward zaten in hun lijnen en elkaar voor de voeten liepen. Het commando: Jongens, haal de touwtjes eens uit de knoop, werd door hen niet begrepen.

De gemiddelde leeftijd van de honden was ongeveer 5 jaar.

In Scandinavië en op Spitsbergen wordt veelal gebruik gemaakt van het ‘tandemsysteem’. Bij dit systeem lopen de honden twee aan twee, in tegenstelling tot het 'waaierprincipe', zoals op Groenland, waarbij alle honden aan een eigen lijn vastzitten van (ongeveer) dezelfde lengte aan de slede. De honden op Spitsbergen, zijn meestal opgeleid en getraind in het bosrijke Noorwegen. Daar is het onmogelijk het 'waaierprincipe' toe te passen.

Het type slede, dat de Noren gebruikten op Spitsbergen was het type, dat Fridtjof Nansen heeft ontwikkeld voor zijn expeditie, dwars door Groenland in 1888. De hondenslede was constructief zwaarder gebouwd, dan het veel gebruikte ‘wedstrijdmodel’ en meer berekend op het pakijs. De hondenslede mocht worden beladen tot 150 kilo. Dat was de maximale last, die dit team mocht/kon trekken in zwaar terrein. Moeilijke passages in het pakijs betekende altijd een extra inspanning voor de begeleiders. Incidenteel moest de slede zelfs worden afgeladen en weer opgeladen. De slede was voorzien van een hulplijn, die liep van de punt aan de voorkant tot aan de achterkant van de slede. Daarmee kon de menner de slede omtrekken en enigszins sturen in de gewenste richting.

Würtzburgerhütte, hondensledetocht[bewerken]

De Würtzburgerhütte bleek een ideaal vertrekpunt te zijn, voor tochten met de hondenslede rondom Barentsøya en Freemansundet.

Hondenvoedsel[bewerken]

Er was voldoende proviand op de slede, voor mens en dier. Mocht blijken, dat levensmiddelen op rantsoen moesten, dan kon in nood worden overgeschakeld op het hondenvoedsel, rijk aan koolhydraten, mineralen en vet. Het zag eruit als vette, gemalen muesli, maar rook (bij temperatuur boven nul) niet echt appetijtelijk. Toch hebben Paul en Reidar serieus geprobeerd of het eetbaar was, al was het alleen maar om te weten hoe groot de actieradius was op deze tocht, in onbekend gebied . . .

De eensluidende conclusie was: Het smaakt nergens naar, maar je gaat er niet dood aan en je gaat er ook niet van blaffen . . .

Ook poolvossen en ijsberen waren verzot op het hondenvoedsel van Nederlands fabricaat en waren ‘trouwe’ bezoekers van bewuste voedseldepots (lokplaatsen) langs de kust. Er stonden zes ijsberenvallen opgesteld in de omgeving van Kapp Lee.

IJsberenhol, (polarden)[bewerken]

Doel van de sledehondentochten was primair gericht op het zoeken naar ijsberenholen, die zich meestal bevonden op berghellingen met veel sneeuw. De ijsbeer houdt namelijk een soort winterslaap. De lichaamstemperatuur van de ijsbeer wordt echter niet aangepast aan de omgeving. Dit is wel een voorwaarde voor de definitie van een (echte) winterslaap. Het zijn vooral de vrouwtjes ijsberen, die gebruik maken van een sneeuwhol, waar ze in het voorjaar hun jongen (meestal één, soms twee) ter wereld brengen en zogen.

Verlate implantatie[bewerken]

Een ijsbeerjong is bij geboorte blind en naakt en zo groot als een rat, ruwweg 25 cm lang en heeft een gewicht van ongeveer 650 gram. Dat het jong zo klein is bij geboorte, heeft te maken met een ingebouwd mechanisme van moeder ijsbeer. De zwangerschap bij ijsberen is gedurende een aantal maanden latent aanwezig, maar de ontwikkeling van de zygote (de samensmelting van zaadcel en bevruchte eicel) wordt uitgesteld en komt pas later in de winter op gang. Dit proces wordt ook wel ‘verlate of uitgestelde implantatie’ genoemd.

Steenkool[bewerken]

Steenkool wordt op Spitsbergen gewonnen, onder andere in Longyearbyen. De Sysselman (gouverneur) met standplaats Longyearbyen, stelde steenkool ter beschikking en verdeelde deze over de vele hutjes langs de kust. De Sysselman nam dat mee aan boord van het gouverneursschip, op inspectie gedurende de zomer.

Dag- en nachtritme[bewerken]

Het was moeilijk het dag- en nachtritme te handhaven, vooral als het permanent donker is. Op 78° NB (Longyearbyen) komt de zon niet boven de horizon, van 26 oktober tot 16 februari. Dit is inclusief een schemerperiode van vier weken, dat de zon heel even, midden op de dag, boven de horizon komt. Ook mensen hebben kennelijk de neiging een soort winterslaap te houden. Waarom zou je de warme, veilige hut verlaten als het buiten 35 graden vriest en het stormt? De noodzakelijk behoefte gebeurde altijd buiten. Dit uitstapje werd gewoonlijk in een recordtijd afgelegd. 's Nachts werd de inhoud van de blaas verzameld in een blikje, onder het bed. Het excuus lag voor de hand: maak de anderen niet wakker. Maar het was vooral gedoe: warm aankleden, niet vergeten wapen meenemen, verlichting en eventueel een touw om de terugweg te vinden. Een blikje is in zo’n geval handiger. Alhoewel er in de groep nooit gesproken werd, over deze gewoonte.

Uit rapportage van De Korte en Oosterveld blijkt, dat de expeditieleden veel hebben geslapen. In de periode van 15 januari tot 28 februari brachten ze veel van hun tijd door in bed. Uit een bijgehouden statistiek blijkt het volgende: Eric 40 % Ko 45 % Paul 41 % Piet 36 %.[3] Het weer in die periode: vaak stormachtige wind, bij zeer lage temperaturen.

Grafiek minimum en maximum temperaturen Kapp Lee, Spitsbergen. December 1968.

Grafiek temperatuur, december 1968[bewerken]

Rendierpopulatie[bewerken]

Grote schommelingen in temperatuur zijn geen uitzondering. Als de temperatuur in de winter echter boven de 0°C komt, kan dat desastreuze gevolgen hebben voor de rendierpopulatie. Rendieren zijn gewend aan strenge winters. Zij kunnen die overleven, door hun voedsel bij elkaar te schrapen onder de sneeuw. Wanneer echter de bovenlaag van de sneeuw is bevroren, als gevolg van een plotselinge dooiperiode, dan is het voedsel (bijvoorbeeld korstmossen) onbereikbaar geworden. Zij moeten dan teren op de aangelegde voedselreserve in de vorm van een vetlaag.

Grafiek minimum en maximum temperaturen Kapp Lee, Spitsbergen. Januari 1969.

Grafiek temperatuur, januari 1969[bewerken]

Ervaringstemperatuur[bewerken]

Gemeten temperatuur heeft een exacte waarde.

De gevoelstemperatuur heeft te maken met factoren zoals windsnelheid en vochtigheid. De relatieve vochtigheid is laag op Spitsbergen. Er wordt zelfs gesproken van een woestijnklimaat. Wind is de belangrijkste factor in de beleving van temperatuur. Het verschil is de ervaringstemperatuur of 'wind chill factor'.

Corvee, weekdienst[bewerken]

De maaltijden (diners) zijn tijdens een overwintering het hoogtepunt van de dag. Om kritiek op de kookkunst van anderen te voorkomen, was een corvee ingesteld, wisselend per week. Eén man was gedurende een volle week verantwoordelijk voor de hele huishouding. De corveeër bepaalde het gerecht van het diner, maar had ook de taak ontbijt klaar te maken. Opruimen en afwassen was een gezamenlijke taak.

Discipline ontbijt[bewerken]

Om het dag- en nachtritme enigszins te reguleren werd onderling afgesproken, dat op vaste tijden werd ontbeten. Ontbijt precies 08.30 uur, betekende een gedekte tafel op die tijd. Iedereen kreeg maximaal 20 minuten de tijd aan tafel te verschijnen, zo niet dan werd de tafel afgeruimd en moest worden gewacht tot de lunch van 12.30 uur. Als corveeër deed je je plicht, maar kon ook met gerust hart weer naar bed als niemand was verschenen op het ontbijt.

Sneeuw op pakijs / ijslaag[bewerken]

Er was een uitzondering op de regel. Als de zon overdag zoveel warmte had ontwikkeld, dat er plassen zoetwater ontstonden op het pakijs, dan werd het ritme omgegooid. Dan werd er overdag geslapen en ging het team 's nachts op pad. Als sneeuw licht ontdooit, door invloed van de zon en daarna 's nachts weer bevriest, ontstaat een ijslaagje (korst). De Zweden noemen dit: skare. Het risico van door-het-ijs-zakken was relatief klein, want plaatselijk was het pakijs 180 cm dik.

Opmerking: Zoet water (sneeuw, gletscherijs), bevriest eerder dan zout water (pakijs).

Medische voorbereiding en scheepsarts[bewerken]

De kandidaat-expeditieleden moesten vooraf een medische fysieke keuring ondergaan, die werd uitgevoerd op vliegbasis Soesterberg. Tijdens de overwintering moest niet gerekend worden op enige medische ondersteuning. De groep was dan geheel selfsupporting. De expeditie mocht gebruik maken van het advies van een scheepsarts, die permanent beschikbaar zou zijn via Scheveningen Radio.

Alle kandidaten werden 100% goedgekeurd en kregen hun ‘brevet’. Paul was de enige, die zijn blindedarm al kwijt was en hoefde zich daarover geen zorgen te maken.

Een extra controle van de tandarts werd geadviseerd en uitgevoerd. Ondanks deze preventieve handelingen, heeft met name Paul veel problemen ondervonden met zijn gebit. Bijna een half jaar heeft hij met kiespijn gelopen, die met kruidnagel werd onderdrukt. Het smaakte afschuwelijk, maar je was niet kieskeurig. Pas in het voorjaar, konden Eric en Paul samen op de sneeuwscooter naar Longyearbyen, om een bezoek te brengen aan de tandarts. Een tocht van ruim 360 km uit en thuis.

Voor vertrek uit Nederland, heeft een arts het team nog belangrijke medische adviezen meegegeven. De uitgebreide EHBO-verbanddoos werd uitgelegd, medicijnen verklaard en gewezen op de noodzaak van vitamine-C. Tevens werd geoefend met het kramapparaat om grote (snij-)wonden te kunnen hechten. Het kramapparaat werd in de praktijk daadwerkelijk eenmaal gebruikt op de onderarm van Piet.

Kleding[bewerken]

Een sneeuwbril om sneeuwblindheid te voorkomen, behoorde tot ieders standaard uitrusting. Bevriezingsverschijnselen hebben alle expeditieleden opgelopen, maar zonder verdere consequenties. Met name de oren, neus, vingers en tenen zijn uitermate gevoelig voor extreme koude. Onderweg op de sneeuwscooter werd regelmatig gestopt, om het lichaam met bewegingen op te warmen en elkaar visueel te controleren op bevriezing.

De kleding was niet optimaal. Pas in het voorjaar kwam een deel van de uitrusting beschikbaar, zoals mukloks (zachte canvas laarzen, gevoerd met schapenbont) en winddichte kleding.

Winddichte kleding is belangrijker dan warme kleding. Het 'meerlagen' systeem werd toegepast en schiep mogelijkheden snel kleding aan/uit te trekken, ter voorkoming van transpiratie. Transpireren bij strenge vorst is uit den boze en dient te allen tijde worden voorkomen.

Radioverbinding (Lima-Hotel-5-Sierra)[bewerken]

Een sterke radiozender (korte golf, 16 meter band) bood mogelijkheden contact op te nemen met de buitenwereld. De roepnaam L-H-5-S was toegekend door het Noorse instituut voor Radiowezen. 'Scheveningen Radio' was het belangrijkste (Nederlandse) station (gevestigd in IJmuiden) waarmee contact werd onderhouden. Vanwege atmosferische omstandigheden (denk hierbij aan het noorderlicht) lukte het soms weken niet, verbinding te maken met enig radiostation. Een veel gebruikte frequentie was 14.100.

Statische elektriciteit op de antennedraden was soms ook debet aan slechte ontvangst. In de periode van zomer 1968 tot en met najaar 1969, werd met regelmaat radiocontact onderhouden met onder andere Isfjord Radio, Svalbard Radio (Longyearbyen), de Noorse 'collega's' in Tjuvfjorden, pelsjagers op Ryke Yseøyane (Oost-Spitsbergen) en een enkele keer met een schip, dat in de wateren rond Spitsbergen voer. Ryke Yseøyane is vernoemd naar de Nederlandse walvisvaarder Ryke Yse, die afkomstig was van Vlieland en deze eilandengroep ontdekte in 1640 - 1645.[4]

Sponsors[bewerken]

Om deze expeditie mogelijk te maken werd een stichting opgericht, de Stichting ter Ondersteuning van de Nederlandse Spitsbergen Expeditie 1968-'69. Een expeditie die niet vanuit de overheid wordt gefinancierd, is aangewezen op donaties en sponsors. Ook zijn materialen en diensten geschonken of in bruikleen gegeven door instellingen en bedrijven. Na afloop van de expeditie bleef er een schuld achter. Pas een half jaar na terugkomst in Nederland, waren alle schulden ingelost (april 1970).

Kosten[bewerken]

De totale kosten van de expeditie zijn achteraf berekend op 265.000 gulden. Dit is inclusief alle donaties, sponsorbedragen, schenkingen in natura en diensten om niet. Er is slechts 102.000 gulden daadwerkelijk omgezet. De vier expeditieleden (Flipse, De Groot, De Korte, Oosterveld) hebben zich ruim 14 maanden pro deo beschikbaar gesteld en zijn niet gecalculeerd in het overzicht van totale kosten. De leden van de expeditie ontvingen als vrijwilligers, gratis 'kost en inwoning' tijdens hun verblijf op Spitsbergen.

ANV-Visser Neerlandia-prijs[bewerken]

De vier overwinteraars (Flipse, De Groot, De Korte en Oosterveld) hebben op 28 februari 1970 de ANV-Visser Neerlandia-prijs van het Algemeen Nederlands Verbond (ANV) op het stadhuis van Antwerpen in ontvangst genomen. Deze karakterprijs is hen toegekend vanwege moed, doorzettingsvermogen en improvisatietalent onder barre omstandigheden, getoond tijdens de Spitsbergen Expeditie 1968-1969. [5]

Stichting Arctisch Natuurwetenschappelijk Onderzoek[bewerken]

De Stichting ter Ondersteuning van de Nederlandse Spitsbergen Expeditie 1968-'69, is naderhand overgegaan in: De Nederlandse Stichting voor Arctisch Natuurwetenschappelijk Onderzoek, gevestigd te Zeist. Haar doelstelling is het stimuleren en mogelijk maken van Arctisch natuurwetenschappelijk onderzoek vanuit Nederland en het coördineren ervan, in nationaal en internationaal verband.

Zij was actief op Spitsbergen en onder haar auspiciën, is de nissenhut op Kapp Lee altijd onderhouden. In 1971, 1973 en 1975 werden provisorische herstelwerkzaamheden uitgevoerd met het doel de nissenhut te behouden als basis voor veldbiologisch onderzoek, eventueel een overwintering. De nissenhut is onder meer gebruikt door een wetenschappelijk team, opererend onder de naam REES ’77, Reindeer Environment Expedition Svalbard. Ter afsluiting van het veldonderzoek werd in de zomer van 1977, de nissenhut grondig gerenoveerd en voorzien van een nieuwe isolerende laag tussen de spanten.

Het Arctisch gebied behoort tot één van de laatste onaangetaste natuurgebieden op aarde. Het poolgebied is bij uitstek geschikt voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek vanwege een eenvoudig ecosysteem, in een min of meer ongerepte natuur. Op Spitsbergen is het mogelijk dit onderzoek te doen, dat kan dienen als referentie voor de bestrijding van de milieuverontreiniging in gematigde gebieden.

Vanwege haar financiële beperkingen, heeft De Nederlandse Stichting voor Arctisch Natuurwetenschappelijk Onderzoek in de jaren 90, besloten de nissenhut ‘om niet’ over te dragen aan het Noorse Bestuur op Spitsbergen (Sysselmann). Uiteindelijk heeft men de oude nissenhut van Kapp Lee afgebroken en afgevoerd.

Daarmee wordt het hoofdstuk over de geschiedenis van de Nederlandse Spitsbergen expeditie 1968-1969, afgesloten.

Literatuur[bewerken]

Specifiek[bewerken]

  • Boschman, Nienke & Louwrens Hacquebord. Permanence in diversity. Netherlands Ecological Research on Edgeøya, Spitsbergen. Groningen 2004. ISBN 90-80739-073.
  • Broekhuizen, S. & V. van Laar. In memoriam dr. Anne van Wijngaarden (1925-2004).
  • Hovelsrud, Kjell-Reidar. Svalbard, Et eventyrlig polarliv. Uitgave Orion, Oslo 2000.
  • Korte, J. de. Birds, observed and collected by 'De Nederlandse Spitsbergen Expeditie' in West and East Spitsbergen 1967 and 1968-'69. Uitgave: Beaufortia 1972.
  • Oosterveld, P. IJsberen in de kou. AO - reeks boekje nummer 1297. (Stichting IVIO)
  • Oosterveld, P. Nederlandse Spitsbergen Expeditie 1968-'69 Uitgave: Stichting ter ondersteuning van de Nederlandse Spitsbergen Expeditie 1968-'69. Drukwerk: Koninklijke Drukkerij G.J. Thieme-Nijmegen.
  • Oosterveld, P. IJsberen. Natuur & Techniek 38e jaargang nr.2; Februari 1970.
  • Oosterveld, P. Reindeer studies in Edgeøya. A preliminary report of the fieldwork on the Svalbard Reindeer (Rangifer tarandus plathyrynchus) by the Netherlands Spitsbergen Expedition 1968-'69. Report Foundation Netherlands Spitsbergen Expedition, Leersum, 1-20(1973).
  • Meerdere publicaties zullen volgen.

Algemeen[bewerken]

  • Bruemmer, F. World of the polar bear. Uitgave: Key Porter Books. Toronto 1989.
  • Büdel, Julius & Walter Imber. Spitsbergen, Lonely Island under the Midnight Sun. Uitgave: Kümmerly & Frey 1969.
  • De Roy, Paul. Spitsbergen (Beeldende kunst). Leuven 2002. Uitgeverij P. Gezet in Quadraat. ISBN 90-76895-51-1.
  • De Roy, Paul & Claude van de Berge. Spoorloos Spitsbergen. (Beeldende kunst). Leuven 2006. Uitgeverij P. Gezet in Quadraat. ISBN 90-77757-44-9.
  • Gjertz,Ian & Endre Persen. Confrontations between humans and polar bears in Svalbard. Norsk Polar Institutt, Polar Research, Note Vol 5 n.s. No. 2 December 1987.
  • Hacquebord, Louwrens & René de Bok. Spitsbergen 79°N.B. Nederlandse expeditie in het spoor van Willem Barentsz. Elsevier 1981. ISBN 90-10-03892-0.
  • Hoel, Adolf. Skrifter om Svalbard og Ishavet, nr. 80. Uitgave: Kommissjon Hos Jacob Dybward, Oslo 1942.
  • Larsen, Thor. Capturing, handling and marking Polar Bears in Svalbard. Uitgave: Journal of Wildlife Management 1971.
  • Larsen, Thor. The world of the polar bear. Uitgave: Chartwell Books. New Jersey 1978.
  • Larsen, Thor. IJsberen. Uitgave: Gaade, Amerongen 1978. ISBN 90-6017-821-1.
  • Ovsyanikov, Nikita. Polar bears. Uitgave: Colin Baxter Photography, Grantown-on-Spey Scotland 1998.
  • Postma, Theo. Mens/beer konfrontaties op Svalbard. Doctoraal verslag; Arctisch Centrum van de R.U. Groningen, onder begeleiding van dr. Louwrens Hacquebord 1988.

Verwijzingen[bewerken]


  1. Larsen, Thor. The world of the polar bear. Uitgave: Chartwell Books. New Jersey 1978
  2. Broekhuizen & Van Laar / Lutra 2005 48 (2): 109-129, pagina 120
  3. Social aspects of a long-term stay in the arctic. J. de Korte, P. Oosterveld (1978)
  4. Skrifter om Svalbard og Ishavet nr. 80. Uitgave: Oslo 1942, Kommisjon Hos Jacob Dybwad
  5. Neerlandia, algemeen Nederlands tijdschrift 74ste jaargang - 1970 - nummer 3
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.