Sociale geschiedenis van het Romeinse rijk/Magie
Uit Wikibooks
19. Magie
Het volk en ook de rijken geloofden sterk in magie. Zij geloofden dat anderen hen op bovennatuurlijke wijze kwaad konden doen.
1) Diegenen die zich tekort gedaan voelden en zich niet konden verweren door middel van lichaamskracht of de wapenen of door de hulp van het gerecht in te roepen, namen hun toevlucht tot het uitspreken of opschrijven van vervloekingen.
2) Kinderen leerden bezweringsformules op school.
3) Astrologie werd als uiterst wetenschappelijk beschouwd en stond in hoog aanzien. Er werden al geboortehoroscopen gemaakt in het antieke Rome. Vooraanstaande mensen deden niets zonder eerst hun astroloog te raadplegen[1].
4) Dromen werden vaak als voorspellend opgevat. Men raadpleegde dan een dromenduider.
5) De Romeinen geloofden massaal in spoken[2].
6) Men geloofde in het boze oog van jaloerse mensen die hun slachtoffer daarmee kwaad konden aandoen. Om zich hiertegen te beschermen lieten de rijken bij de ingang van hun huis een spitse fallus of een schorpioen afbeelden of uithakken. Die zouden het boze oog van de afgunstige doorboren. Daarnaast schreef men: "crepeer, afgunstige" (rumpere, invidia edax). Er was veel angst voor de publieke opinie en voor de buren en hun afgunst.
[bewerken] Noten
- ↑ Het gesprek tussen een astroloog en een cliënt over de geboortehoroscoop wordt wel gezien als een vorm van psycho-analyse. De lotsbestemming van de cliënt (zoals die bleek uit de stand van de sterren bij zijn geboorte) werd besproken en de cliënt kon dan aangeven wat er niet klopte, waarop de astroloog weer nieuwe aspecten in de (eindeloos complexe) horoscoop kon ontdekken, totdat er enige overeenstemming was tussen astroloog en cliënt. Er was dus een diepgaand gesprek waarin de sterke en zwakke eigenschappen van de cliënt besproken werden. Daar zou deze dan aan kunnen werken. Bron: K. Thomass, Religion and the decline of magic
- ↑ Het geloof in spoken is mogelijk van alle tijden maar de Grieken en Romeinen konden zich beroepen op de zeer geleerde Plato, die immers gezegd had dat de ziel onsterfelijk was, dus spoken moesten kunnen bestaan