Sociale geschiedenis van de late middeleeuwen/Ontspoorde kloosters en kerk: verschil tussen versies

Naar navigatie springen Naar zoeken springen
k
red.
Geen bewerkingssamenvatting
k (red.)
Al vóór 1000 waren veel kloosters groot, dichtbevolkt en rijk geworden. Hun rijkdom dankten zij onder andere aan: <br>
1) De grote bedragen die adellijke [[Sociale geschiedenis van de vroege Middeleeuwen/Kloosterleven#Schenkelingen|oblaten]] soms meekregen. <br>
2) Ouderen gaven vaak op het einde van hun leven een grote som geld aan het klooster, om dan op hun oude dag door het klooster verzorgd te worden. <br>
3) Adellijken gaven vaak op het einde van hun leven een grote som geld aan het klooster om daarin te kunnen toetreden. Zo verzekerden zij zich van een plaats in de hemel. <br>
 
4) In de veertiende eeuw echter kregen ook deze bedelorden bezittingen en werd het hun monniken toegestaan om persoonlijk bezit te hebben. Binnen de Franciscanen en Dominicanen ontstond daar onenigheid over en het kwam bij de Franciscanen rond 1334 zelfs tot een scheuring. De [[w:conventuelen|conventuelen]] waren gematigd in hun armoede-ideaal en hadden de steun van de paus. De [[w:observanten|observanten]] daarentegen waren heel streng in het naleven van de regels van Benedictus. Deze observanten zouden eveneens gaan proberen om de kloosters (en de kerk) te hervormen.
 
Van de dertiende tot en met de vijftiende eeuw waren in veel kloosters de meeste monniken en kloosterzusters van adellijke afkomst, of het waren kinderen van de stedelijke [[w:Patriciër|paticiërspatriciërs]]. Deze kloosterlingen hielden zich nauwelijks nog aan de kloosterregels van Benedictus. Ze leidden een zelfstandig en comfortabel leven. Ze mochten hun bezittingen (zoals meubels, sieraden en boeken) houden en ze mochten hun landerijen en molens verpachten. Om hun bezittingen te kunnen beheren, moesten ze kunnen uitgaan en bezoek ontvangen, ook van het andere geslacht. Als ze stierven, erfde een andere kloosterling hun bezittingen. Alleen hun geld viel aan het klooster toe.
 
In deze kloosters heerste ook nog een lange lijst van andere misstanden (volgens de observanten): de monniken hadden hun kruin slordig geschoren ([[w:tonsuur|tonsuur]]), ze kletsten teveel (ook tijdens de mis), ze aten teveel en te lekker, ze droegen te dure en te wereldse kleding, ze waren gemakzuchtig, halsstarrig, eigenzinnig en twistziek, ze kenden geen orde en geen eerbied, ze verwaarloosden hun studie, deden wat ze wilden, ze hielden huisdieren als honden en vogels en namen die ook mee naar de mis, ze luisterden niet naar de preek en gingen naar bed en stonden op wanneer het hen uitkwam.
Soms hadden de wereldse machthebbers belang bij de ideeën van de strenge observanten (omdat zij aasden op de bezittingen van de kloosters die van de hand gedaan werden als het klooster gereformeerd werd) en soms hadden zij belang bij de ideeën van de adellijke conventuelen (omdat zij familie waren van de rijke kloosterlingen). Veel adellijke kloosters genoten door hun familiebanden veel bescherming en bezaten een grote economische macht. De observanten konden niet alle kloosters reformeren. Deze interne hervorming liep rond 1450 vast.
 
Uiteindelijk zouden rond 1500 de kloosterlingen die voortkwamen uit de rijke burgerij het pleit winnen, want de rijke burgerij, de nieuwe middenstand van ambachtslieden en handelslieden, nam in de hele maatschappij de macht over van de adel en de geestelijkheid. Deze burgerlijke middengroepen hadden waarden als soberheid, bescheidenheid, ingetogenheid en discipline hoog in het vaandel staan, want juist doordankzij deze eigenschappen hadden ze succes geboekt.
 
==Ontspoorde kerk in vijftiende eeuw==
Ook lagere geestelijken konden omgekocht worden. De lagere geestelijken hielden er vaak een [[w:concubine|concubine]] op na. Ze moesten daarvoor weliswaar een boete betalen aan de bisschop, maar ze hoefden er niet mee op te houden<ref>Bron: Religion and the decline of magic, Keith Thomas. ISBN 978-0-14-013744-6</ref>. Er werd op het einde van de vijftiende eeuw en nog meer in het begin van de zestiende eeuw grof geld verdiend met de handel in [[w:Aflaat#Misbruiken|aflaten]].
 
Noch de hervorming uitgaande van het klooster te Cluny of de Gregoriaanse hervorming, noch de bedelorden, noch de observanten konden deze misstanden langdurig verbeteren. Een wezenlijke hervorming van de misstanden in de kerk zou pas in het begin van de zestiende eeuw door [[w:Maarten Luther|Luther]] worden bereikt. Het volk (dat even gehoopt had dat daardoor haarhun levensomstandigheden zouden verbeteren) schoot daar echter niet veel mee op.
 
==Sociaal-economische crises==
10.977

bewerkingen

Informatie afkomstig van https://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.

Navigatiemenu