Sociale geschiedenis van de vroege Middeleeuwen/Kloosterleven

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Koning, vazal, ridder, volk
  3. Recht en belasting
  4. Eigendom en omheining
  5. Bevolkingsgroepen
  6. Bevolkingsopbouw
  7. Ziekten
  8. Vraat- en hebzucht
  9. Huis en tuin
  10. Kleding en verzorging
  11. Gezin
  12. Buitenechtelijke seksualiteit
  13. Liefde
  14. Jacht
  15. Geweld
  16. Graf
  17. Hiernamaals
  18. Magie
  19. Kerk
  20. Kloosterleven
  21. Vrouwen
  22. Bronnen en links

20. Kloosterleven

Klooster[bewerken]

Monniken leefden tamelijk afgezonderd van de andere mensen en ze leefden celibatair. Men dacht dat zij konden bemiddelen tussen God en de mensen. Ze stichtten pelgrimscentra, kloosters, kerken en asieloorden. Ze konden lezen en schrijven.

In het begin van de zesde eeuw werden de kloosterregels van Benedictus en Columbanus door de meeste kloosters geaccepteerd.

Schenkelingen[bewerken]

Veel ouders schonken een of meer van hun kinderen aan het klooster. Zij schonken daarmee datgene wat hun het liefst was aan God (hoewel er ook veel kinderen naar het klooster werden gestuurd om de erfenis niet over een te groot aantal kinderen te hoeven verdelen). Veel kloosters waren zodoende veranderd in opvanghuizen die vol zaten met deze 'schenkelingen' of 'oblaten'[1]. De heidenen hadden in vroegere tijden de gewoonte gehad om kinderen te adopteren en dat was nu in de kloosters een christelijke waarde geworden. Als deze schenkelingen eenmaal meerderjarig waren geworden, konden ze kiezen of ze al dan niet een gelofte aflegden (monnik werden). Tot die tijd kregen ze een opvoeding die sterk afweek van de 'gewone' opvoeding buiten het klooster. In de gewone families werden alleen de zeer kleine kinderen gekoesterd. De wat oudere kinderen werden met de stok gedrild. De jongens werden opgevoed tot agressiviteit en tot verlangen naar vrouwelijk schoon. De meisjes werden opgevoed tot onderdanigheid.

In de kloosters echter hield men rekening met de gevoelens van het kind. De kinderen waren weliswaar volgzaam bij het onderricht door de meester, maar ze mochten zeggen wat ze dachten. Maar als het kind in de puberteit kwam, wisten de monniken ook niet meer wat ze moesten doen en grepen ze alsnog naar de stok.

Geloften[bewerken]

De monniken moesten drie geloften afleggen om tot een klooster toe te mogen treden:

  1. Armoede
  2. Kuisheid
  3. Gehoorzaamheid.

Bidden[bewerken]

Een christelijke gebedshouding

Elke monnik leerde lezen en schrijven door alle 150 psalmen uit zijn hoofd te leren. Daarna moest hij ze volgens de regels van Benedictus voortdurend herhalen om zich de woorden in te prenten. De kloostergemeenschap zong elke week alle psalmen. Dit doordrong de monnik van het bestaan van een spirituele werkelijkheid waardoor hij kon onthechten van de aardse wereld. De geweldscultuur van de Franken en de Gallo-Romeinen werd in het klooster vervangen door een wereld van onthechting.

Elke slechte gedachte die de monnik had, moest hij aan een oudere monnik (zijn geestelijke begeleider) opbiechten. Elk gevoel dat de monnik had, werd ontleed. Het geweten veranderde daardoor van een vaag en dof schuldgevoel dat van buiten kwam (hij had de regels overtreden en werd daarvoor bestraft) tot een nog nooit vertoonde introspectie. Het geweten werd verinnerlijkt.

De broeder en de monnik moesten bidden in de bidcel. In stilte, onder tranen en met toewijding des harten, en zelfs zonder innerlijke woorden.

Lezen[bewerken]

Benedictus stelde dat niets doen slecht was voor de ziel. De monniken moesten regelmatig bidden en werken (Ora et labora). Er was handenarbeid en intellectuele arbeid, alleen of gemeenschappelijk. Zo waren er de gemeenschappelijke lezingen bij de maaltijden (er waren ook lezingen voor de gasten van het klooster) en er was de verplichte persoonlijke studie: in de zomer twee en in de winter drie uur in de ochtend.

De monniken lazen meestal hardop omdat:

  1. de woorden in de boeken nog aan elkaar geschreven waren en er nog geen interpunctie was
  2. men zelden of nooit alleen was in de kloostergemeenschap. Men vond eenzaamheid ongepast. Ook de heidenen vonden eenzaamheid getuigen van een afkeer van het menselijke geslacht.

Lezen werd verplicht. Tijdens de vasten moesten de monniken de hele zondag lezen. Bij het begin van het vasten moesten de monniken een boek uit de bibliotheek halen dat ze vervolgens om beurten helemaal moesten lezen. Ze zaten gemiddeld 20 uur per week te lezen.

Omdat niet iedereen deze discipline op kon brengen, waren er oudere toezichthouders. Kletsers en luilakken werden terecht gewezen, maar voor wie 's nachts wilde lezen, werd een licht klaargezet.

Stilte[bewerken]

Volgens de regel van Benedictus moest de monnik zwijgen totdat hem iets gevraagd werd. Na afloop van de completen mocht hij helemaal niet meer praten. De stilte was onmisbaar voor de zelfinkeer van de monnik. Daardoor kon hij zich met heel zijn wezen op het eeuwige leven richten.

Kopiisten[bewerken]

Bourgondische copiïst, 15e eeuw
Karolingische minuskel (handschrift 11e eeuw); de bovenste regels zijn uncialen

Omdat er nog geen boekdrukkunst bestond, moesten de boeken vermenigvuldigd worden door ze over te schrijven. Dit moeizame werk werd door monniken verricht. Zonder hen zouden er veel klassieke werken verloren zijn gegaan. Er zijn overigens veel boeken verloren gegaan bij de vele branden die de kloosterbibliotheken geteisterd hebben.

De kopiist had een zwaar leven, hij moest vaak in een koude ruimte werken en soms knielend. Het was geconcentreerd werk en het moest in stilte gebeuren. Hij liep het risico om blind te worden, een bochel te krijgen of pijn over zijn hele lichaam. Het was een vorm van ascese, net als bidden en vasten. De monnik kon er zijn fantasie mee beteugelen. Het kopiëren van een bijbel kostte een jaar.

De Merovingische cursief kon nog in één pennenstreek geschreven worden maar de Karolingische minuskel moest gekalligrafeerd worden, hetgeen meer werk betekende voor de kopiist. Hij schreef eerst met een gekloofd riet en in de Karolingische tijd met een vogelveer.

Aan het einde van de oudheid maakte de papyrusrol plaats voor het vlakke perkamenten vel. Men had nu geen twee handen meer nodig om de rol vast te houden. Men kon een blanco boek naast het te kopiëren boek leggen, met een hand vrij om in het blanco boek schrijven. De papyrusrollen werden meestal nog hardop voorgelezen maar in de Karolingische tijd werd het 'stil' lezen gangbaar. Daardoor werd een innerlijke dialoog met de tekst mogelijk.

Perkament werd gemaakt van schapenhuiden. Om Cicero of Senega te kopiëren was er een hele kudde schapen nodig. Behalve kopiisten waren er voor de vervaardiging van een boek nog correctoren, rubricatoren, schilders, verluchters en inbinders nodig. Hoewel het kopiëren van een boek oorspronkelijk als een meditatieve bezigheid werd gezien en de boeken eenvoudig waren, werden ze later kostbaar en versierd met goud en edelstenen.

De monniken selecteerden of censureerden hun teksten niet: ze volgden de tekst getrouw, ook al waren het heidense teksten waar ze het mogelijk totaal mee oneens waren.

Er waren overigens ook monniken en kloosterzusters die zelf literatuur schreven.

Stervenshulp[bewerken]

De monniken baden voor zieke collega's, steunden hen als zij stierven en droegen na hun dood missen voor hen op. Bidden voor de doden werd in de tiende eeuw een specialisme van de monniken, hoewel dit wel eens ontaardde in het mechanisch opzeggen van gebeden.

Noten[bewerken]

  1. Speciaal de kloosters van Keltische monniken
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.