Sociale geschiedenis van de late Middeleeuwen/Ontspoorde kloosters en kerk

Uit Wikibooks
Ga naar: navigatie, zoek
Inhoudsopgave
  1. Inleiding
  2. Bevolkingsopbouw
  3. Erven, parken, tuinen en kastelen
  4. De stad
  5. Huizen in de stad
  6. Boerderijen
  7. Leefgemeenschappen
  8. Ontspoorde kloosters en kerk
  9. Religie
  10. Literatuur
  11. Beeldende kunst
  12. Waarnemen
  13. Lichaam
  14. Kleding en sieraden
  15. Ziekte en dood, artsen en magie
  16. Bad en sauna
  17. Het bed
  18. Keuken
  19. Bronnen en links

8. Ontspoorde kloosters en kerk

Voor dit hoofdstuk is als bron gebruikt: Dresen-Coenders, Het verbond van heks en duivel[1]. Er is een duidelijk verschil tussen haar interpretatie en die van Philippe Contamine in het vorige hoofdstuk, de paragraaf over monniken. De lezer mag uiteraard zelf zijn of haar conclusies trekken[2].

Hervormingsbewegingen in de kloosters[bewerken]

Al vóór 1000 waren veel kloosters groot, dichtbevolkt en rijk geworden. Hun rijkdom dankten zij onder andere aan:
1) De grote bedragen die adellijke oblaten soms meekregen.
2) Ouderen gaven vaak op het einde van hun leven een grote som geld aan het klooster, om dan op hun oude dag door het klooster verzorgd te worden.
3) Adellijken gaven vaak op het einde van hun leven een grote som geld aan het klooster om daarin te kunnen toetreden. Zo verzekerden zij zich van een plaats in de hemel.

Hugo van Cluny, Hendrik IV en Mathildis van Toscane, 1115

Door al die rijkdom nam men het in de meeste kloosters niet meer zo nauw met de kloosterregels van Benedictus.

1) Als reactie daarop gaf Paus Gregorius VII (paus van 1073-1085) de aanzet tot de Gregoriaanse kerkhervorming (rond 1100).
2) De orde van Cluny (gesticht rond 909) heeft zich tot 1200 eveneens sterk gemaakt voor hervormingen binnen de kerk.
Deze hervormers wilden terug naar een strikt naleven van de regel van Benedictus. Maar hun inspanningen hadden geen aanhoudend succes. Tijdens de elfde en de twaalfde eeuw werden de kloosters steeds rijker[3].

ZIE OOK: Sociale geschiedenis vroege Middeleeuwen, Vraat- en hebzucht.

3) Als tegenbeweging verschenen rond 1200 de bedelorden: de Franciscanen, de Dominicanen en de Karmelieten. De oorspronkelijke Benedictijnenkloosters waren door grondbezit aan een plaats gebonden, meestal op het platteland. De bedelorden hadden weinig grondbezit en daardoor waren de monniken mobieler. Ze konden overal preken en lesgeven. Ze voorzagen in hun levensonderhoud door te bedelen. Ze verspreidden zich in de dertiende eeuw over heel Noordwest-Europa (dat toen aan het verstedelijken was) en ze waren meestal in de steden gevestigd.

4) In de veertiende eeuw echter kregen ook deze bedelorden bezittingen en werd het hun monniken toegestaan om persoonlijk bezit te hebben. Binnen de Franciscanen en Dominicanen ontstond daar onenigheid over en het kwam bij de Franciscanen rond 1334 zelfs tot een scheuring. De conventuelen waren gematigd in hun armoede-ideaal en hadden de steun van de paus. De observanten daarentegen waren heel streng in het naleven van de regels van Benedictus. Deze observanten zouden eveneens gaan proberen om de kloosters (en de kerk) te hervormen.

Van de dertiende tot en met de vijftiende eeuw waren in veel kloosters de meeste monniken en kloosterzusters van adellijke afkomst, of het waren kinderen van de stedelijke patriciërs. Deze kloosterlingen hielden zich nauwelijks nog aan de kloosterregels van Benedictus. Ze leidden een zelfstandig en comfortabel leven. Ze mochten hun bezittingen (zoals meubels, sieraden en boeken) houden en ze mochten hun landerijen en molens verpachten. Om hun bezittingen te kunnen beheren, moesten ze kunnen uitgaan en bezoek ontvangen, ook van het andere geslacht. Als ze stierven, erfde een andere kloosterling hun bezittingen. Alleen hun geld viel aan het klooster toe.

In deze kloosters heerste ook nog een lange lijst van andere misstanden (volgens de observanten): de monniken hadden hun kruin slordig geschoren (tonsuur), ze kletsten teveel (ook tijdens de mis), ze aten teveel en te lekker, ze droegen te dure en te wereldse kleding, ze waren gemakzuchtig, halsstarrig, eigenzinnig en twistziek, ze kenden geen orde en geen eerbied, ze verwaarloosden hun studie, deden wat ze wilden, ze hielden huisdieren als honden en vogels en namen die ook mee naar de mis, ze luisterden niet naar de preek en gingen naar bed en stonden op wanneer het hen uitkwam.

Op het einde van de veertiende eeuw begonnen observanten van de Dominicanen deze kloosters te hervormen (reformatio) en de adellijke kloosterlingen te vervangen door kloosterlingen uit de burgerij. Als het niet goedschiks ging, dan maar kwaadschiks[4]. Er werden mensen tegengewerkt, er werd gekonkeld en gescholden en soms ook met geweld opgetreden.

In de gereformeerde kloosters heersten (volgens de observanten): kuisheid op de slaapzaal, matigheid in de eetzaal, geduld in de ziekenzaal, gerechtigheid, wijsheid, stilzwijgen, spaarzaamheid, vroomheid, discipline en zelfbeheersing. De observanten eisten van de leken een strenge huwelijksmoraal. De leken moesten maagdelijk blijven tot aan hun huwelijk. Priesters mochten geen concubines meer hebben.

Soms hadden de wereldse machthebbers belang bij de ideeën van de strenge observanten (omdat zij aasden op de bezittingen van de kloosters die van de hand gedaan werden als het klooster gereformeerd werd) en soms hadden zij belang bij de ideeën van de adellijke conventuelen (omdat zij familie waren van de rijke kloosterlingen). Veel adellijke kloosters genoten door hun familiebanden veel bescherming en bezaten een grote economische macht. De observanten konden niet alle kloosters reformeren. Deze interne hervorming liep rond 1450 vast.

Uiteindelijk zouden rond 1500 de kloosterlingen die voortkwamen uit de rijke burgerij het pleit winnen, want de rijke burgerij, de nieuwe middenstand van ambachtslieden en handelslieden, nam in de hele maatschappij de macht over van de adel en de geestelijkheid. Deze burgerlijke middengroepen hadden waarden als soberheid, bescheidenheid, ingetogenheid en discipline hoog in het vaandel staan, want juist dankzij deze eigenschappen hadden ze succes geboekt.

Ontspoorde kerk in vijftiende eeuw[bewerken]

Een in Leiden door Paus Julius II uitgegeven aflaat voor 6.000 jaar; ca. 1520

Pas rond 1400 kreeg de kerk wereldlijke macht en niet lang daarna werd de top corrupt. In Frankrijk en Italië werden kerkelijke ambten en eigendommen verkocht door de paus en zijn curiebisschoppen. Paus Sixtus IV geldt wel als de meest corrupte paus. Pauselijke bullen werden tegen betaling uitgevaardigd. De hoge geestelijken leidden een lichtzinnig leven met vrouwen en prostituées. Ze hadden bastaardkinderen en ze voerden oorlogen.

Ook lagere geestelijken konden omgekocht worden. De lagere geestelijken hielden er vaak een concubine op na. Ze moesten daarvoor weliswaar een boete betalen aan de bisschop, maar ze hoefden er niet mee op te houden[5]. Er werd op het einde van de vijftiende eeuw en nog meer in het begin van de zestiende eeuw grof geld verdiend met de handel in aflaten.

Noch de hervorming uitgaande van het klooster te Cluny of de Gregoriaanse hervorming, noch de bedelorden, noch de observanten konden deze misstanden langdurig verbeteren. Een wezenlijke hervorming van de misstanden in de kerk zou pas in het begin van de zestiende eeuw door Luther worden bereikt. Het volk (dat even gehoopt had dat daardoor hun levensomstandigheden zouden verbeteren) schoot daar echter niet veel mee op.

Sociaal-economische crises[bewerken]

Na de pestepidemieën rond 1350 was de bevolking gedecimeerd. De overgebleven boeren trokken naar de meer rendabele landbouwgebieden (die nu deels braak lagen) en daardoor waren de graanprijzen laag. In de steden heerste een tekort aan arbeiders waardoor de lonen hoog waren. De bevolking had het relatief goed.

In de vijftiende en zestiende eeuw nam de bevolking weer toe. Levensmiddelen werden schaars en duur en de lonen daalden. Tussen 1437-1519 waren er voedselcrises in heel Noordwest-Europa.

De adel, de rijke burgers en de geestelijken (zelfs de bedelorden) gingen tijdens deze voedselcrises speculeren met het schaarse graan, de wijn, het hooi en stro. Ze kochten het op als de prijs laag was, legden het in hun voorraadschuren en verkochten het als de prijs hoog was. De boeren kregen grote schulden. De rijken werden steeds rijker en de armen steeds armer. De pachtboeren, de keuterboertjes en de loonarbeiders ontwikkelden "Pfaffenhass" (papenhaat). Er kwamen boerenopstanden en in de steden kwamen de handwerkslieden in opstand. Deze opstanden werden bloedig neergeslagen.

Noten[bewerken]

  1. Ambo 1983 ISBN 90 263 0585 0 Ook digitaal raadpleegbaar.
  2. Noot van de schrijver: ik kan het niet nalaten om erop te wijzen dat de boeken van Ariès en Duby et al gerust conservatief genoemd mogen worden en dat Dresen-Coenders haar boek publiceerde in een tijd waarin de autoriteiten en de kerk zeer kritisch benaderd werden.
  3. Rond 1334 waren de abten van Cluny hun ideeën over armoede waarschijnlijk geheel en al vergeten, getuige het feit dat zij het schitterende en kostbare Musée national du Moyen Âge in Parijs bouwden.
  4. Sprenger heeft rond 1483 (gesteund door keizer Maximiliaan) het Dominicanerklooster in 's-Hertogenbosch hervormd. De conventuele monniken verzetten zich hevig en namen de wapens op. Er waren scheldpartijen en gewelddadigheden maar er vielen geen doden.
  5. Bron: Religion and the decline of magic, Keith Thomas. ISBN 978-0-14-013744-6
Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.