Onderwijsentrepreneur

Uit Wikibooks
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Werk in uitvoering.
Aan dit artikel wordt voorlopig nog (druk) gewerkt. Gelieve dit artikel niet te bewerken, totdat dit sjabloon is weggehaald.

In dit boek gaat het over ondernemende onderwijsprofessionals die hun talenten in vrij ondernemerschap zouden kunnen uitdragen, dit noemen we een onderwijsentrepreneur.

Eigen school starten[bewerken]

Tips:

Onderwijsondernemer[bewerken]

Inleiding[bewerken]

Het boek start met het profiel van een onderwijsondernemer. Immers een schets van zijn karakter en competenties bepaalt of en in welke mate hij capabel genoeg is om in het onderwijs ondernemend te opereren. Of bij de onderwijsprofessionals ook een kwart van de populatie als potentiële onderwijsondernemer mag worden gezien is de vraag die mede in het beschrijven van de doelgroep van dit boek wordt besproken. Het profiel van de onderwijsondernemer bepaalt ook in sterke mate welk uniek product hij op de markt brengt. Veel van de kenmerken en persoonlijkheidseigenschappen van de ondernemer zijn te ontwikkelen.

Een innovatie is een creatief product met een verdienmodel. Een succes is een product met een creatief verdienmodel.

De handelssteden in Noord-Europa aan de Noordzee en Oostzee en de handelswegen gingen in de Middeleeuwen steeds meer samenwerken om de handel te bevorderen en de kooplieden beter te beschermen. Dit samenwerkingsverband, dat bekend is geworden als de Hanze, leidde er onder meer toe dat de kooplieden steeds vaker mensen in dienst namen en werkten vanuit een vaste stek. Deze Hanzekooplieden kunnen als de eerste ondernemers in de regio's Nederland en Vlamingen worden beschouwd.

Profiel[bewerken]

Bij het vaststellen van een profiel van de onderwijsondernemer kijkt men naar persoonlijkheidskenmerken en competenties.

De volgende organisaties stimuleren ondernemerschap.

Het trainen van ondernemerschap wordt internationaal gezien als een belangrijk onderdeel binnen het onderwijs. Het kan helpen bij het ontwikkelen van vaardigheden die in de "echte" wereld tellen. Men kan bij onderwijs bijvoorbeeld denken aan naschoolse programma's, zomerkampen, competities, lessen of zelfs schooltypen. Enkele internationale voorbeelden van initiatieven die op dit gebied actief zijn:

Onderwijsintrapreneur[bewerken]

w:Onderwijsintrapreneur

Een onderwijsintrapreneur is een ondernemende onderwijswerknemer. De term is een samenvoegsel van een intrapreneur[begrip 1] werkend in een onderwijsorganisatie. Om intrapreneurs binnen een organisatie te ondersteunen zijn er volgens de literatuur vijf factoren die aandacht verdienen[1]:"rewards and reinforcement", "time availability", "management support", "autonomy/work discretion" en "organizational boundaries". No one can possibly achieve any real and lasting success or get rich in business by being a conformist. - J. Paul Getty, American industrialist

BIK[bewerken]

w:Beroepskunstenaars_In_de_Klas_(BIK)

Beroepskunstenaars In de Klas (BIK’ers) zijn kunstenaars met een bijscholing op het gebied van (project)onderwijs zodat zij scholen kunnen ondersteunen bij het ontwikkelen van eigen kunstprojecten.

In Nederland is het overheidsbeleid[2] erop gericht kinderen en jongeren meer te laten kennismaken met cultuur. Dit resulteerde in 1996 in het project Cultuur en School[3]. Tussen 1997 en 2003 richtte zich dit project met name op het voortgezet onderwijs[4]. Sinds 2003 sloot het basisonderwijs zich hierbij aan. De Nederlandse regering stimuleerde deze ontwikkeling in 2004 door de subsidieregeling Versterking cultuureducatie in het Primair Onderwijs[5]. Doel hiervan was dat alle basisscholen, in nauwe samenwerking met hun culturele omgeving, een gedegen cultuureducatie beleid te laten voeren. Een vorm van deze samenwerking is het project beroepskunstenaars in de klas (BIK). De door de Nederlandse overheid gewenste structurele onwikkeling uitte zich in het feit dat na een groot wetenschappelijk onderzoek[6], de financiering van de regeling in het schooljaar 2006/2007 is opgegaan in de lumpsum, de standaard financiering van een basisschool. Naast basisscholen wordt er van de Regeling Beroepskunstenaars in de Klas (BIK) ook in andere typen onderwijs gebruik gemaakt[7]. Beroepskunstenaars in de Klas wordt ook ingezet in het Wanita-concept[8]. Dit concept heeft als uitgangspunt om, naast een cursorisch deel van het programma voor de verwerven van de basisvaardigheden, een geïntegreerd programma te ontwikkelen inclusief de integratie van de kunsten.

De term beroepskunstenaar wordt gedefinieerd in de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik)[9] en bij het beroepsmatigheidsonderzoek dat in het kader van de Wwik wordt uitgevoerd door Kunstenaars&CO[10]. In het rapport Kunstenaars in Nederland[11] (CBS 2007) wordt het aantal beeldende kunstenaars in Nederland op 7.000 geschat. De sectormonitor beeldende kunst[12] brengt de informatie betreffende de BIK uit deze en andere bronnen samen.

Om de kwaliteit van de beroepskunstenaars te waarborgen is er een erkende kwalificatie[13] ontwikkeld gekoppeld aan een opleiding. De BIK-opleiding is in 2002 ontwikkeld door Theo van Adrichem[14]en wordt op vele locaties in het land gegeven. Deze parttime (post-hbo) opleiding duurt één jaar en omvat naast een theoretisch deel ook een drietal stages op scholen. Na de met succes afgeronde studie wordt het BIK-certificaat uitgereikt. Het programma leert de deelnemers om naast het verzorgen van creatieve workshops of museumprojecten, ook kunstbeschouwing en cultuurlessen te verzorgen waarbij leerlingen op reflectieve wijze, dan wel op receptieve wijze in contact komen met beeldende kunst. Critici wijzen op het tekort aan agogische en didactische kennis in het programma[15].

Ondernemend Management[bewerken]

w:Ondernemend_management

Visie[bewerken]

Een belangrijke visie die de rest van het boek kleurt is wat we verstaan onder ondernemerschap en ondernemendheid. Wanneer spreken we van een onderwijsondernemer en wanneer van een ondernemende onderwijsprofessional? Of definiëren we dat als hetzelfde? Wat zien we als ondernemende rollen binnen het ondernemend onderwijs? In welke werkgebieden werken ze? En welke competenties vragen we van elk van deze rollen?

Maatschappelijk[bewerken]

Maatschappelijk Ondernemen (MO), wat zowel profit als non-profit kan, wordt door de SER[16] gelijkgesteld aan Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). Ondernemen op een verantwoorde manier, in het Engels geduid als Corporate Social Responsibility, hoeft een maatschappelijke verandering echter niet als doelstelling te hebben, wat in het Engels wordt geduid als Social Entrepreneurship. In dit boek wordt van de onderwijsondernemer verwacht dat hij niet alleen economische waarde (profit) toevoegt maar ook sociale (people) en ecologische waarde (planet). We zullen de begrippen maatschappelijk ondernemen en maatschappelijk verantwoord ondernemen als beide hebbende deze betekenis hiervoor inzetten (zoals ook op wikipedia gebeurt).

Ondernemerschap[bewerken]

Ondernemerschap is, in de visie van dit boek, kansen zien en benutten door middel van een eigen bedrijf of binnen een (groter) bedrijf waarmee je waarde creëert voor jezelf en je omgeving. Een definitie die aansluit bij die van Martijn Driessen [17]in zijn proefschrift over de entrepreneur als de ondernemende ondernemer, hoewel strikt genomen een ondernemer iemand is die een eigen bedrijf runt. Subsidie spuit voor een school die ondernemend wil opereren vaak op langere termijn zand in de motor in plaats van benzine.

Gereedschappen[bewerken]

In de gereedschapskist van de onderwijsondernemer vinden we instrumenten, materialen, methoden, netwerken en voorbeelden die hem kunnen bijstaan.

Een onderwijsondernemer zal in het algemeen gebruik kunnen maken van

of vakspecifiek

Onderstaande onderwijsfilms tonen handige vaardigheden uit de gereedschapskist van een (jonge) onderwijsondernemer.

Ontwikkeling[bewerken]

Ondernemen is in. In Nederland zijn in 2007 zo'n 103.000 onderneming gestart en dit aantal is sindsdien alleen maar toegenomen. Binnen de arbeidsmarkt zien we ook steeds meer ondernemerschap terug. Van 450.000 werknemers met een flexibel contract en 850.000 ZZP-ers in 2001 naar ongeveer 600.000 flexibele arbeidscontracten en 1.000.000 ZZP-ers in 2008. Om deze ontwikkelingen te ondersteunen is het van belang te weten wat de nieuwe ondernemers drijft. Als je kijkt naar de gemiddelde verdiensten en die vergelijkt met werknemers dan verdienen ondernemers 10% minder. Dus dat kan niet de drijfveer zijn. Wat dan wel? Het gaat de ondernemers om zelfbeschikking en vrijheid. Te gaan voor dat waar men zelf helemaal achterstaat en zich daarin persoonlijk ontplooien. Deze ondernemendheid hoeft, kan en moet zich niet perse in ondernemerschap te ontluiken maar kan ook in ondernemend gedrag binnen een onderwijsorganisatie demonstreren. En dat wordt ook steeds meer gevraagd van onderwijsorganisaties. Vanuit de maatschappelijke taak die het onderwijs heeft beschouwd, is zowel het ontwikkelen van ondernemerschap als ondernemendheid van belang.

De producten die men typisch van een onderwijsondernemer kan verwachten zijn:

Een onderwijsondernemer zal zijn profiel sterk verbinden aan het product dat hij levert. Zijn eigenheid zal vaak een groot deel van de unieke voordelen bepalen van zijn product. Deze voordelen noemt men wel USP.

USP[bewerken]

w:Unique_Selling_Proposition

Een Unique Selling Proposition, ook wel Unique Selling Point of USP genoemd, is een eigenschap van een product die het onderscheidt van vergelijkbare producten.

Geschiedenis[bewerken]

De term Unique Selling Proposition (USP) werd bedacht door Rosser Reeves van de Ted Bates & Company. Het is een marketingconcept dat is ontstaan om patronen in succesvolle reclamecampagnes in de jaren '40 te verklaren. De theorie beweert dat zulke campagnes unieke voorstellen deden aan potentiële klanten. Deze voorstellen overtuigden de klanten om van merk te wisselen. Vandaag de dag wordt de term gebruikt om onderscheidende aspecten van een product te benoemen als basis voor marketingstrategieën.

Definitie[bewerken]

De USP duidt op de unieke en onderscheidende kenmerken van een dienst of product. Men brengt deze onder de aandacht van een bepaalde doelgroep om deze te wijzen op voordelen als kwaliteit, functionaliteit of prijs, met als doel de gevoelens van een klant t.o.v. een product positief te beïnvloeden. . Deze meerwaarde bepaalt mede of een dienst of product succesvol zal zijn. Tegenwoordig worden ook slimme marketingslogans, die niet meer direct het merk weergeven maar wel blijven "hangen", hieronder geschaard. Verwant aan USP zijn begrippen als Point of difference (POD), de Elevatorpitch en Unique Perceived Benefit (UPB).

Criteria[bewerken]

Oorspronkelijke criteria die de bedenker[18] opstelde zijn:

  • Elke reclame moet een voorstel doen aan de klant die hem zegt dat hij het product moet kopen om de bijbehorende voordelen te ontvangen.
  • Het voorstel moet er een zijn dat de concurrentie niet (kan) aanbieden.
  • Het voorstel moet zo sterk zijn dat grote aantallen klanten overgaan tot jouw product.

Tegenwoordig verwacht men van een goede USP dat deze:

  • zich verplaatst in de klant
  • begrijpt waarom een klant een product koopt
  • weergeeft wat maakt dat de klant voor dit product kiest en niet voor vergelijkbaar product

Voorbeelden[bewerken]

Voorbeelden van producten met een duidelijke USP zijn:

  • Head & Shoulders: Mooi en roosvrij haar

Ondernemend onderwijs[bewerken]

w:Ondernemend_leren

Ondernemend onderwijs betekent dat de lerende leert door te ondernemen of leert ondernemen.

Achtergrond[bewerken]

Ondernemen is het opzetten en uitvoeren van een eigen project of bedrijf. Een ondernemer is iemand die graag zaken willen beginnen, dingen wil aanpakken, verantwoordelijkheid wil aanvaarden en initiatieven op zich wil nemen. Ondernemend leren betekent dat de lerende een leeromgeving heeft waarin in hij of zij als zijnde een ondernemer kan leren.

Of ondernemen te leren is daarover verschillen de meningen. Vandaar dat sommige spreken van leren ondernemen en anderen van ondernemend leren. In ieder geval staat vast voor deskundigen dat het bevorderen van ondernemerschap, en de competenties die daaraan zijn gekoppeld, een ondernemende leeromgeving vraagt.

Wat ondernemerschap inhoudt daarover zijn de meningen eveneens verdeelt. Wel bestaat er consensus wat betreft kenmerken als creatief, lef, zelfvertrouwen, resultaatgericht, maatschappelijk en initiatiefrijk.

Bijna alle initiatieven op het gebied van ondernemend leren zijn duurzaam. Om dit maatschappelijk verantwoord ondernemen te benadrukken spreekt men ook dikwijls van Maatschappelijk Ondernemend Leren (MOL).

Ondernemend leren of ondernemend onderwijs wordt door elkaar gebruikt. Hoewel onderwijs en leren niet hetzelfde betekenen. Het onderwijs duidt op de overdracht en leren op het ontvangen van nieuwe kennis, inzichten of vaardigheden. De internationale aanduiding voor deze discipline is wel eenduidig namelijk Entrepreneurship Education.

Geschiedenis[bewerken]

Het was de zakenman Horace A. Moses die het principe van learning by doing in de zakenwereld bracht. Hij werd daarin gesteund door persoonlijkheden als Henry Ford, John D. Rockefeller en Walt Disney. Deze steun resulteerde in Junior Achievement[19], een organisatie met meer dan 350.000 vrijwilligers met als doel lerende te leren over werk, ondernemerschap en financiën. Het netwerk van Junior Achievement Worldwide bestaat nu uit meer dan 100 organisaties, waarvan bijna 40 in Europa. In Europa deed het principe van Moses in de jaren zestig zijn intrede.

Met name Groot-Brittannië zette in het verleden meerdere grote politieke stappen voor de ontwikkeling van Entrepreneurship Education. Zo is er uit publieke middelen een Higher Education Innovation Fund (www.hefce.ak.uk) en een Science Enterprise Challenge Fund (www.ost.gov.uk) opgericht. Het laatste fonds stemde het ontplooien van ondernemerschap af op het vergroten van wetenschappelijke kennis. Er ontstonden Centres of Excellence in Teaching and Learning Entrepreneurship bij de universiteiten van Nottingham, Leeds Metropolitan en bij White Rose Consortium. Evenals tal van andere activiteiten die door de National Council for Graduate Entrepreneurship [20] recent bij elkaar zijn gebracht om van elkaar te leren.

In 2003 nam de Europese Unie [21] het besluit, na het geven van een opdracht tot een aantal grote onderzoeken en reviews [22], om ondernemende activiteiten middels het onderwijs te stimuleren. Dit werd na analyse van de resultaten nog eens bekrachtigd in 2005 [23]. Ook in de VS is sinds enkele jaren een hernieuwde aandacht voor ondernemend onderwijs.

Volgens onderzoekers[24] dient het onderwijzen van ondernemerschap breed te worden aangepakt. Vooral het opnemen van een training in bewustwording noemen zij van groot belang. Het gaat daarbij om het ervaren wat ondernemerschap inhoudt. Vroege Europese voorbeelden in het buitenland zijn het Graduate Entreprise Programma (Groot-Brittannië)[25] en de Entrepreneur-Service (Noorwegen).

Voor het Nederlands onderwijs betekende deze adviezen dat het kabinet[26] besloot jongeren al vroeg met ondernemerschap in aanraking te laten komen[27]. In Nederland ontstond zodoende vanuit verschillende ministeries (OCW, EZ en Landbouw) samen met andere partijen (ondernemersverenigingen, bedrijven en banken) het partnership leren ondernemen[28]. Later is dit veranderd in onderwijs onderneemt.

Het Onderwijs Netwerk Ondernemen dat in april 2009 door hen gelanceerd is heeft als doelstelling het stimuleren van ondernemen binnen het onderwijs en het vergroten van een ondernemende houding bij leerlingen, studenten, docenten en management. De subsidieregeling helpt scholen een netwerk op te richten van onderwijsinstellingen en bedrijfsleven. Een subsidie[29] kon alleen worden aangevraagd door een samenwerkingsverband van ten minste vier deelnemers, waaronder minimaal twee onderwijsinstellingen en minimaal één ondernemer. Het budget voor 2009 van vier miljoen euro is toegekend aan 27 gehonoreerde projecten waarvan zeven afkomstig uit het primair onderwijs, negen uit het voortgezet onderwijs en elf uit het middelbare beroepsonderwijs. Gemiddeld kregen de projecten 150.000 euro aan subsidie.

Een voorbeeld van verdere initiatieven zijn jong ondernemen[30], de team academie[31], ondernemende basisscholen[32] en het Entreprenasium[33] .

Model[bewerken]

Een terugkerend element in de vele reviews[34] over ondernemend onderwijs is het leren omgaan met de relatieve grote vrijheid wat betreft invulling van het proces en de inhoud. In termen van zelfstandigheid en zelfverantwoordelijkheid blijkt het bijna altijd verder te gaan dan bijvoorbeeld projectgestuurd onderwijs. Dat vraagt volgens de reviewers om het organiseren van strakke beoordelingsprocedures om vrijblijvendheid te voorkomen.

Het ondernemend onderwijs kent vele verschijningsvormen. Toch concludeert men in verschillende surveys[35] dat de volgende rode draad steeds terugkeert:

  • De lerende kiest vanuit zijn eigen betrokkenheid een maatschappelijk vraagstuk of doelstelling
  • De lerende verdiept zich alleen of met anderen in het vraagstuk
  • De lerende stelt een oplossing voor
  • De lerende vertaalt deze oplossing in een concreet te realiseren eindresultaat
  • De lerende omschrijft vooraf de gezamenlijk te verrichten werkzaamheden leidend tot dit eindresultaat
  • De lerende voert deze uit, test het eindproduct en implementeert deze in een eigen bedrijf
  • De lerende reflecteert op het eigen bedrijf

Kinderziektes[bewerken]

Ondernemerschap als domein in het onderwijs en leren groeit wereldwijd snel. Onderwijsonderzoekers hebben zich daarbij aangesloten en verdiepen zich in de effectiviteit van toegepaste pedagogische, methodologische en theoretische strategieën. Er is echter nog geen consensus tussen deskundigen over wat ondernemen of ondernemerschap inhoudt, in welke mate het een kwestie is van aanleg of te ontwikkelen competenties, en om welke persoonskenmerken of kennis en vaardigheden het dan precies gaat. Mocht er overeenstemming zijn dan bestaan er nog verschillende inzichten op welke wijze een studerende het beste ondernemend zou kunnen leren. Hoewel ondernemend onderwijs al een lange geschiedenis kent, is het nog lang niet volwassen.

Of iemand een eigen bedrijf start is in het begin vooral een individuele keuze. Uit de wetenschap blijkt dat men zeer jong (voor de 12de levensjaar) ondernemerschap dient te koesteren. Onderzoekers benadrukken daarom dat om dit proces te initiëren al in het basisonderwijs het verkennen van ondernemerschap een plek zouden moeten hebben. Dit gebeurt dan ook steeds meer. Echter in het voorgezet onderwijs, en maar in beperkte mate in het hoger of beroepsonderwijs, is er nog geen passend vervolg voor leerlingen die ondernemend zijn.

Meningen[bewerken]

Omdat ondernemend leren nog in de kinderschoenen staat wordt de boventoon in de discussie over ondernemend onderwijs gevoerd door de voorstanders. De tegenstanders menen dat het zo'n vaart niet zal lopen. Tegenstand is dan ook vooral te horen op plekken waar ondernemend leren wordt geintroduceerd.

De voorstanders[36] roemen de volgende voordelen voor de lerende, zijn begeleiders en de school:

  • Het vermogen om oorspronkelijk te mogen zijn en van daaruit creatief te denken en te doen
  • Het prikkelen van een nieuwsgierige en een ontdekkende instelling
  • Het leren opmerken en benutten van kansen
  • Het creëren van daadwerkerlijke oplossingen en vernieuwingen of het slim samenvoegen van bestaande ideeën
  • Het leren durven nemen van gecalculeerde risico’s en ongebruikelijke keuzes.
  • Het veilig uitproberen en fouten maken wordt aangemoedigd als effectief middel om te leren
  • Het focussen op wat men kan en minder op wat men niet kan
  • Het eigenwijs en ambitieus mogen zijn
  • Het bewust zijn en ontwikkelen van de maatschappelijke rol en verantwoordelijkheid
  • Het zelf tot actie overgaan en het roer nemen
  • Het zichzelf vooraf duidelijke doelen stellen en daarop beoordeeld willen worden

Waar ondernemend leren opduikt zie je op grond van ervaringen critici wijzen op de volgende nadelen:

  • Het bijdragen aan wat men noemt vormfetisjisme in het onderwijs
  • Het drastisch veranderen van de cultuur en de organisatie van de universiteit of school
  • Het vraagt een vaak ontbrekende deskundigheid en attitude van de begeleiders
  • Het is lastig in te bedden in het bestaande meer conformistische onderwijsmodel
  • Het koppelen aan de eindtermen in het onderwijs gebeurt tijdens de projectactiviteiten en niet vooraf. Dat maakt het plannen van de ontwikkeling van de lerende lastiger
  • Het vraagt een extra investering in tijd, geld en middelen
  • Het overwinnen van weerstand tegen onderwijsvernieuwingsprocessen, het nieuwe leren, waar ondernemend onderwijs meestal onder wordt geschaard

Ondernemingsplan[bewerken]

Een ondernemingsplan, ook wel businessplan of bedrijfsplan genoemd, is een beschrijving en een onderbouwing van de plannen van een bepaald bedrijf dat soms nog moet worden opgericht. Het ondernemingsplan betreft de ontwikkeling en de gewenste resultaten van dat bedrijf over een bepaalde periode.

Voorbeeld ondernemingsplan

Definitie[bewerken]

Meestal wordt een ondernemingsplan geassocieerd met het oprichten van een nieuwe onderneming of het overnemen daarvan. In de praktijk blijken juist gevestigde ondernemers vaak een plan te schrijven dat aangeeft waar hun onderneming binnen een bepaalde periode zal staan. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, wordt een ondernemingsplan dus niet alleen gebruikt door starters maar ook door ervaren organisaties[37] (zie voorbeelden).

Volgens de definitie van Bruyland[38] geeft een ondernemingsplan daarom een volledige beschrijving van de onderneming en van de manier waarop deze onderneming omgaat, en in haar toekomst denkt om te gaan, met de eisen en de voorwaarden die de omgeving aan haar stelt. Hij beperkt dus de definitie niet tot nog op te richten bedrijven. In een ondernemingsplan moeten, volgens Bruyland, in ieder geval de volgende vragen duidelijk beantwoord worden: Wat wil ik? Wat kan ik? Wat ga ik doen. Het Agentschap Ondernemen, het aanspreekpunt van de Vlaamse overheid voor ondernemers, benadrukt het uiteindelijke doel van het ondernemingsplan, namelijk het achterhalen van de haalbaarheid van de onderneming. In haar definitie[39] vindt men de onderdelen van het ondernemingsplan terug. Dit zijn: de activiteiten, het product, de markt, de mensen en de financiering.

Functie[bewerken]

De bedrijfskunde onderscheidt de volgende mogelijke functies van een ondernemingsplan: het kan als visitekaartje dienen, een beleidsinstrument zijn, een denkoefening en/of een hulpmiddel bij financiering[40]. Speciale ondernemingsplannen zijn het strategisch plan en het crisisplan. Een ondernemingsplan, waarin de strategische ontwikkeling van de onderneming centraal staat wordt ook wel een strategisch plan[41] genoemd. Als een ondernemingsplan dient om een voortzetting van een bedrijf na een faillissement te onderbouwen, wordt ook wel gesproken van een crisisplan of overlevingsplan[42].

Geschiedenis[bewerken]

De geschiedenis van het ondernemingsplan hangt nauw samen met de geschiedenis van de ondernemer of onderneming. Het ondernemerschap is zo oud als de mens zelf. Ondernemingen konden al worden gevonden in Mesopotamie en het Neo-Babylon[43]. Ze kwamen overal in de wereld voor; van Japan, China en koloniaal India tot de recente middeleeuwse ontwikkelingen in Europa en de VS. Ook ondernemingen op grote schaal ontstonden al vrij vroeg in de geschiedenis van de moderne mens.

Een relatief recente pijler in deze geschiedenis is bijvoorbeeld de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), die als eerste onderneming aandelen uitgaf. De oprichtingsakte, het staatsprivilege (octrooi) en de vrijbrief met vergaande soevereiniteitsrechten kunnen worden gezien als een ondernemingsplan dat was bedoeld om toekomstige aandeelhouders ertoe over te halen de VOC te financieren. De eerste industriële revolutie die ontstond in Engeland kan ook als een mijlpaal worden gezien. Als eerste land op het continent gevolgd door België. Nederland volgde veel later. Een andere pijler in de Nederlandse geschiedenis van het ondernemingsplan is Willem Albert Scholten. Hij was de eerste Nederlandse ondernemer die een industriële multinational wist op te richten en voor deze plannen financiers wist te overtuigen[44].

Een van de eerste ondernemerswedstrijden in de wereld, die het indienen een ondernemingsplan als model had, werd begonnen door de Moot Corp. in 1984[45]. Dit model werd daarna snel populair in de Amerikaanse academische wereld. In 1989 werden de ondernemerswedstrijden uitgevoerd op alle voorname Amerikaanse universiteiten[46].

Opbouw[bewerken]

De structuur van het ondernemingsplan bestaat vaak uit de volgende onderdelen:[47]

Gangbare rechtsvormen van een midden of klein bedrijf
Ondernemer Onderneming Markt Organisatie Financiëen
Gegevens Doelen Concurrentie Rechtsvorm Omzetprognose
Eigenschappen en vaardigheden[48] Product of dienst Marketing Benodigde vergunningen Rentabiliteitsdrempel
Haalbaarheidsonderzoek Promotie Personeel[49] Investeringsbegroting
Prijsstelling Plaats Financiering
Benodigde kennis[50] Exploitatiebegroting

P's[bewerken]

Bij het schrijven van een ondernemingsplan heeft men het in marketingtermen vaak over het bespreken van de zogenaamde P's. Dit zijn aspecten die ergens in de opbouw aan bod dienen te komen.[51]

  • Persoon
Een van de P's staat voor persoon of personeel. Indien het ondernemingsplan de start van een bedrijf beschrijft, worden vaak de persoonlijke gegevens van de startende ondernemer zoals NAW-gegevens, burgerlijke staat, nationaliteit, rekeningnummers, rijksregisternummer (België) of burgerservicenummer (Nederland) en curriculum vitae genoemd. Ook eventuele bestaande inkomsten, schulden en verzekering]]en, arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov), rechtsbijstandverzekering en een aansprakelijkheidsverzekering, van de ondernemer/onderneming vallen hieronder. Belangrijk bij de start van een bedrijf is het kiezen van een ondernemingsvorm, zoals de eenmanszaak, vennootschap onder firma (VOF), besloten vennootschap (BV), commanditaire vennootschap (CV), naamloze vennootschap (NV) of maatschap en een onderbouwing voor deze keuze. Bij een bestaande onderneming zal alleen een onderbouwing worden gegeven wanneer er sprake is van een verandering van rechtsvorm. Onder de P van persoon valt ook de P van personeel. Deze P duidt dan op het gehele HRM beleid. Zoals wie is mijn personeel, welke kennis nemen ze mee, welke taken zijn over het personeel verdeeld en wat verdienen ze?
  • Product
Het product vormt de basis van de onderneming. In het ondernemingsplan wordt het product daarom zo precies mogelijk beschreven. Het antwoord, op welk voordeel het product oplevert en hoe dit wordt bereikt, is gevraagd. Daarbij dient de schrijver van het plan duidelijk te maken wat de innovatie is die het product biedt. En hoe deze innovatie is beschermd tegen het kopiëren door anderen (zoals een octrooi). Deze uitleg dient betrokkenen te overtuigen van het bestaansrecht van het product. Vaak doet men daartoe ook een sterkte-zwakteanalyse van de onderneming of het product om de haalbaarheid vast te stellen. Een productbeschrijving beschrijft het doel, de samenstelling, de herkomst en de kwaliteitseisen van een product.
  • Prijs
Het fundament van de onderneming zijn de |financiën[52]. Prognoses over de te behalen omzet, die primair afhangen van de prijs van het product en het aantal verkochte producten, vallen hieronder. Bij welke prijs en afzet wordt er voldoende omzet gegenereerd om de kosten te dekken (break-even point)? Welke kosten zijn nodig om de start te kunnen maken? Hoe wordt het een en ander gefinancierd (krediet of spaargeld). De solvabiliteit is hierbij van belang. Wat zal op grond van de omzetprognose en de investeringsbegroting, de nettowinst in het verloop van de tijd bedragen? Hoe verlopen de beschikbare geldelijke middelen in de tijd (liquiditeitsbegroting)? Met andere woorden, is er op elk moment voldoende geld in de kas?
  • Plaats
Een andere P die in een ondernemingsplan naar voren komt is de plaats. Is de onderneming gevestigd in de eigen woning of is er sprake van een bedrijfspand? Hoe is de onderneming bereikbaar: per auto of openbaar vervoer? Bij het bespreken van de omgeving van de onderneming kan worden ingegaan op geografische bijzonderheden zoals de demografische factoren.
  • Promotie
De P van promotie vergelijkt de punten uit de interne organisatie van met de concurrentie. Waarom de klant het product verkiest boven die van een concurrent, is voor het bepalen van het bestaansrecht een cruciale vraag. Men kan dit onderbouwen door bijvoorbeeld de Unique Selling Proposition (USP) te noemen. Ook is de prijs en kwaliteit verhouding in vergelijk met de concurrentie een belangrijk gegeven. Een onderzoek naar de markt valt eveneens hieronder. De marketingmix is hier een belangrijk analysemiddel. In het marketingplan[53] kan men mede op grond hiervan aangeven op welke manier klanten worden bereikt; bijvoorbeeld door gebruik te maken van advertenties, het aanmelden bij zoekmachines, het gebruiken van folders, mailings of tv-spotjes.

Modellen[bewerken]

Middel Toepassing
Bontje-model[54] Doe het zelf methode voor ondernemers in het MKB om in stappen een ondernemingsplan te schrijven
Business Box[55] Een online hulpmiddel om in tien stappen tot een ondernemingsplan te komen
Durham-model[56] Richt zich met name op de eigenaar in het MKB vanuit een projectmatige blik
EBRAR vragenlijst[57] Een vragenlijst om een ondernemingsplan te schrijven of te beoordelen gebaseerd op 10 wetenschappelijke principes.
INK-model[58] Een gangbaar diagnose model voor het Nederlandse MKB
Interactieve Strategisch Management[59] Op gestructureerde wijze ontwikkelen van een ondernemingsplan door agrariërs
LHV Rekenmodel Ondernemingsplan[60] De huisarts krijgt met dit model informatie over hoe zijn praktijk heeft gedraaid en kan zodoende een beter plan maken voor de toekomst.

Redenen[bewerken]

Een ondernemingsplan wordt aangeraden door deskundigen om de haalbaarheid van het bedrijf te vergroten. Het is principe zelfs verplicht indien er een krediet nodig is van een bank, of wanneer men in aanmerking wil komen voor een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz.) Dit geldt alleen als men vanuit een bijstandsuitkering een onderneming wil starten of na afloop van een Startperiode vanuit een WW-uitkering. In sommige gevallen kan het ondernemingsplan ook bedoeld zijn om het vertrouwen te winnen van andere partijen, zoals leveranciers of verzekeraars.

Andere redenen om een plan te schrijven zijn[61] het in kaart brengen van de eigen ideeën, hulp bij het managen van de onderneming, het achteraf kunnen vaststellen van de mate van succes, het bestaansrecht van de onderneming aantonen[62] of hulp bij het aanvragen van een financiering.

Overwegingen[bewerken]

De voordelen die het hebben van een ondernemingsplan oplevert[63][64] en die daardoor een ondernemer kunnen motiveren een dergelijk plan op te stellen zijn:

  • het effectiever kunnen aanwenden van |schaarse middelen door de sterke en zwakke punten van de onderneming te analyseren.
  • het nemen van rationele beslissingen op basis van concrete gegevens.
  • het effectief kunnen beoordelen of men de gewenste doelstellingen daadwerkelijk heeft gehaald en daarmee kunnen vaststellen of de gekozen strategie werkt.
  • het beter kunnen uitdragen, zowel intern en als extern, van wat men wil bereiken en waar men voor staat.

Ondanks deze voordelen begint een ondernemer in circa de helft van de gevallen zonder een ondernemingsplan[65][66]. Als reden wordt vaak genoemd dat omstandigheden dusdanig snel wijzigen dat een strak plan de onderneming remt[67]. Voor ondernemers speelt ook de tijd die het opstellen van een ondernemingsplan vraagt. Bij bedrijven in wording bepalen zodoende vaak negatieve institutionele factoren, zoals dwang en nabootsgedrag, of men overgaat tot het maken van een ondernemingsplan[68].

Ondernemers die willen groeien zijn meer geneigd tot het schrijven van een ondernemingsplan dan ondernemers die dat niet willen[69]. Ondernemers die wel een ondernemingsplan hebben opgesteld beschouwen zichzelf als succesvoller in vergelijking met degenen die dat niet hebben gedaan[70]. Onderzoek heeft nog niet met harde cijfers bevestigd of deze beleving terecht was. Sterker nog, een onderzoek[71] onder de CEO's van de 500 snelst groeiende bedrijven in de VS toonde aan dat slechts 40 procent een ondernemingsplan had geschreven en slechts 12 procent een marktonderzoek had uitgevoerd.

Criteria[bewerken]

Criteria waaraan een ondernemingsplan kan worden getoetst zijn[72]: eenvoud, concreetheid, haalbaarheid en volledigheid. Volgens Sahlman[73] zijn er vier factoren die onderling samenhangen en bepalend zijn voor de onderneming. Deze vier factoren zijn: mensen[74], kansen, context, risico en beloning. Ze verdienen eveneens elk hun plek. Vanuit het criterium van kredietwaardigheid bekeken, kan men stellen dat dit is bereikt als in het ondernemingsplan de behoeften van de ondernemers overeenkomen met de verwachtingen en criteria van de investeerders of financiers[75].

De wettelijke bepalingen omtrent de start van een onderneming zijn vastgelegd in de vestigingswet, die voorschrijft welke vergunningen of diploma's ondernemers die een bepaald soort bedrijf willen starten moeten bezitten. De vestigingswetgeving bestaat uit een verzameling wettelijke bepalingen, waarvan de basis in Nederland wordt gevormd door de Vestigingswet bedrijven 1954. België kent zijn eigen bepalingen, zie de Belgische Vestigingswet. Bij het beoordelen van de gang van zaken van een onderneming, bijvoorbeeld na een faillissement, kan de rechter het ondernemingsplan[76], of het ontbreken daarvan[77][78], laten meewegen in zijn uitspraak.

Ondersteuning en onderwijs[bewerken]

Verschillende partijen kunnen bij het opstellen van een ondernemingsplan vooraf ondersteuning bieden, zoals partners]], advocaten, accountants , controllers, consultants, banken, Kamer van Koophandel en overheden.[79][80] Op een gegeven moment zullen de financierende of subsidiërende instanties het plan toetsen op haalbaarheid.[81]. Hierbij kunnen ze al dan niet op verzoek advies geven, waarmee het plan kan worden aangevuld of gewijzigd.

Ondernemingsplannen worden in het onderwijs gebruikt om bepaalde concepten duidelijk te maken, bijvoorbeeld bij economische studies. Studenten die overwegen een eigen bedrijf te beginnen worden door onderwijsinstellingen vaak geholpen bij het schrijven van een ondernemingsplan en het uitvoeren daarvan middels startsubsidies[82]. In de academische wereld valt het verschil tussen een onderzoeksvoorstel voor het aanspreken van gelden van buiten en een ondernemingsplan bovendien steeds meer weg[83]. In het ondernemend onderwijs worden vereenvoudigde ondernemingsplannen[84] gebruikt om onderwijsprojecten of leerbedrijven vorm te geven. Wikiversity heeft een Lunar Boom Town-project, waar studenten van alle leeftijden kunnen samenwerken met het ontwerpen of verbeteren van ondernemingsplannen.[85]

Voorbeelden[bewerken]

De meeste ondernemers die voor de eerste keer een ondernemingsplan opstellen doen dit aan de hand van een voorbeeld.[86]. Voorbeelden van ondernemingsplannen, door verschillende typen bedrijven opgesteld, zijn:

Organisatie Plan
Kunstencentrum Groep Ondernemingsplan Kunstencentrum Groep 2009-2012[87]
Nederlands Psychoanalytisch Instituut Ondernemingsplan 2006 – 2010: Nieuwe tijden, nieuwe wegen[88]
Rijkswaterstaat Ondernemingsplan; een nieuw perspectief voor Rijkswaterstaat[89]
SLS Wonen Ondernemingsplan 2008-2012[90]
Stichting Kunstfort Vijfhuizen Ondernemingsplan 'FORTISSIMO!' 2009-2012[91]
Studentenhuisvester DUWO Ondernemingsplan 2006–2010[92]

Literatuur[bewerken]

  • Houwer, Chris A. (2004). De bouwstenen voor een strategisch ondernemingsplan: verbetering van resultaat en aansturing. ISBN 9013019609. Kluwer
  • Mulders, J., van Alphen, K. en de Keizer, R. (1991). Ondernemingsplan: op weg naar een eigen bedrijf. ISBN 9061208866. Elmar
  • Hulskemper, P. (1997). Ondernemingsplan. ISBN 9031324167. Bohn Stafleu Van Loghum
Wikipedia Wikipedia heeft een encyclopedisch artikel over Ondernemingsplan
Wikiquote Wikiquote heeft een collectie citaten gerelateerd aan Ondernemingsplan.
Wiktionary-logo.svg Zoek Ondernemingsplan op in Wikiwoordenboek.

Haalbaarheidsonderzoek[bewerken]

Een haalbaarheidsonderzoek is een onderzoek waaruit moet blijken of de eisen, die aan een nieuw of veranderd project, product of onderneming zijn gesteld, te verwezenlijken zijn. Het document waarin de resultaten van dit onderzoek worden vastgelegd noemt men een Business_case[93].

Opbouw[bewerken]

Een haalbaarheidsonderzoek zal meestal bestaan uit relevante onderdelen van het te onderzoeken onderwerp en de haalbaarheid daarvan beschrijven. Uitvoerbaarheid, doorlooptijd, baten versus kosten en effectiviteit zijn aspecten die vaak worden beschreven.

  • Probleem definitie
  • Aanpak
  • Onderzoek
  • Uitwerking
  • Aanbeveling

Analyses[bewerken]

In het onderzoek kunnen de volgende zaken worden geanalyseerd

  • missie en visie
  • doelstellingen
  • waardepositie
  • SWOT
  • doelgroep
  • bedrijfstak
  • trends
  • markt
  • concurrentie

Modellen[bewerken]

Middel Toepassing
Watervalmodel

Redenen[bewerken]

Een haalbaarheidsonderzoek wordt vaak gedaan om te voorkomen dat men onnodig veel geld of tijd gaat investeren in een project of onderneming. Door dit onderzoek kan men antwoorden krijgen op vragen wat betreft (her)financiering, (her)structurering, (her)plaatsing, uitbreiding, (nieuwe) markten en producten. Uit deze antwoorden komt naar voren wat voor de organisatie de beste investering is en hoe hoog deze uitvalt. Deze antwoorden kunnen mogelijke financiers inzicht geven in wat er precies gaat gebeuren en hoe hoog de risico's en opbrengsten zijn. De uitkomsten van het haalbaarheidsonderzoek vormen een basis voor bijvoorbeeld een ondernemingsplan.

Nadelen[bewerken]

Een haalbaarheidsonderzoek kost meestal veel tijd en geld.

Overheid[bewerken]

Private investeerders stoppen maar zelden geld in haalbaarheidsonderzoeken omdat zij slecht in staat zijn te beoordelen of zo'n onderzoek zinvol is. De overheid daarentegen is daartoe veel beter in staat. Daarom financiert zij kansrijke haalbaarheidsonderzoeken. Ze laat het vervolgens aan de investeerders over om te bepalen welk idee de meeste rendementen zal opleveren.[94]

Voorbeelden[bewerken]

Personen[bewerken]

Organisaties[bewerken]

  • Economium = is Talent Ontwikkelings Programma (TOP) Arbeid & Economie van het [www.aps.nl APS], een onderwijsadviesbureau.
  • KC Handel = is een organisatie die producten en diensten levert aan bedrijven in de handel en de mode-, interieur, tapijt- en textielindustrie, aan de bijbehorende brancheorganisaties en onderwijsinstellingen (met name het reguliere beroepsonderwijs) en daarin het bevorderen van ondernemerschap een voorname rol geeft.
  • School voor Social Entrepreneurs = verzorgt trainingen en mogelijkheden voor mensen die hun creatieve en ondernemende kwaliteiten willen inzetten voor een maatschappelijk belang.
  • SLO = het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling begeeft zich op het terrein van het arrangeren van ondernemend onderwijs door vakdocenten.
  • Studioschool = een school waarin recht wordt gedaan aan het vroegere studio/atelier waarin je leerde door te doen en door te doen leerde.
  • VECON = De Vereniging van leraren in de economisch-maatschappelijke vakken certificeert VO scholen als "VECON BUSINESS SCHOOL" wanneer tijdens de (economie)lessen extra aandacht is voor het economische perspectief op ondernemerschap en ondernemendheid door leerlingen.

Personen

  1. Joseph Kessels = is een hoogleraar en onderwijsondernemer gespecialiseerd in het opleiden en (levenslang en duaal) leren in arbeidsorganisaties met een speciale interesse in "rijke" leeromgevingen.

Organisaties

  1. EBCL = een Europees certificaat voor ondernemerschap en een afkorting voor European Business Competence* Licence (www.ebcl.nl).
  2. VECON Business School = een certificering van scholen, die zich richten op ondernemerschap, gegeven door de vereniging van leraren in de economische/maatschappelijke vakken (www.vecon.nl).
  3. Anglia = een internationaal en non-profit onderwijsnetwerk die leerlingen stapsgewijs ondersteunt om, naast de reguliere lessen, hun Engels te verbeteren en hun niveau aan te tonen door middel van een internationaal erkend examen.

Begrippen

  1. Intrapreneur = iemand die zich binnen een organisatie ondernemend gedraagt.
  2. Projectplan = een startdocument, ook wel plan van aanpak genoemd, voor het omschrijven hoe en wanneer een bepaald tijdelijk doel wordt bereikt.

Referenties

  1. Birger, I. (maart 2008). Enabling Intrapreneurship and Psychological Ownership Inside Firms. A case study of a train maintenance company . Erasmus University Rotterdam.
  2. Quirine van der Hoeven (2005). De Grens als spiegel: Cultuuronderwijs in Nederland en Vlaanderen vergeleken . Den Haag: IMPULS, 36e jaargang, nummer 1, september 2005. 23-====.
  3. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (1996). Cultuur en School . Den Haag: SDU.
  4. Lieftink, J., & Miellet, G. (2002). 'Zicht op cultuureducatie in het voortgezet onderwijs. Kunst- en cultuurvakken in het voortgezet onderwijs.. . Utrecht: Cultuurnetwerk Nederland.
  5. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (2005). Versterking Cultuureducatie in het Primair Onderwijs 2004-2007 . Den Haag: MOC en Wetenschap.
  6. W.J. van Silfhout, F.M.H.M. Driessen (2006). Evaluatie van de Versterking Cultuureducatie Primair Onderwijs door gemeenten en provincies in het kader van de afspraak tussen IPO, VNG en OCW . Utrecht: Onderzoek uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. ISBN 90-73259-44-4.
  7. Gabrielle Rozing (2006). Kunst, Cultuur en ROC’s: Vraag en aanbod van kunst- en cultuureducatie voor het ROC . Utrecht: Masterthesis Kunstbeleid en Management – Universiteit van Utrecht.
  8. Oud, W. (2007). Ontwikkeling en implementatie van het Wanita-concept. Afsluiting van de monitor. . Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut van de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen, Universiteit van Amsterdam. ISBN 978-90-6813-8443.
  9. (2009). Bekendmaking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 2009, nr. IVV/FB/2009/27807, betreffende herziening van de bedragen genoemd in de Wet werk en inkomen kunstenaars met ingang van 1 januari 2010 . Staatscourant, nr. 19908, 24 december 2009.
  10. IVA beleidsonderzoek en advies (2010). Evaluatie van de Wet werk en inkomen kunstenaars (Wwik); Onderzoeksrapport. . Onderzoek verricht in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
  11. Wendy Jenje-Heijdel, Danielle ter Haar (2007). Kunstenaars in Nederland . Centrum voor Beleidsstatistiek 07005.
  12. Teunis IJdens (2009). 'Voorstudie sectormonitor beeldende kunst; Eindrapport. . Tilburg: IVA Beleidsonderzoek en Advies.
  13. . Bechermd predikaat Registeropleiding . Stichting Post Hoger Beroeps Onderwijs Nederland.
  14. (2007). Als je lelijke dingen tekent, wordt het toch weer mooi . De Volkskrant, 19 april 2007.
  15. (2009). Trendrapport Cultuureducatie in Amsterdam. . MOCCA Expertisenetwerk Cultuureducatie.
  16. Sociaal Economische Raad (2001). De winst van waarden . Den Haag:
  17. Driessen, dr. M.P. (2005). Proefschrift E-Scan Ondernemerstest, beoordeling en ontwikkeling ondernemerscompetentie .
  18. Reeves, Rosser (1961). Reality in Advertising . New York: Alfred A. Knopf.
  19. JA Worldwide, http://www.ja.org/
  20. NGCE International Conference, januari 2005
  21. Europese Commissie 2003
  22. Europese Commissie 2002
  23. Europese Commissie 2005
  24. Patricia G. Greene en Mark P. Rice, Entrepreneurship education, Edward Elgar Publishing Limited, 2007, ISBN 978 1 84542 4=== 0
  25. Robert Brown, The Graduate Enterprise Programme, Attempts to measure the effectiveness of small business training, Journal of Education and Work, Volume 8, Issue 1 1995 , pages 27 - 37
  26. Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen
  27. Minister president Jan-Peter Balkenende, Nederland Innovatief, 6 december 2007
  28. Partnership Leren Ondernemen, oprichting november 2005
  29. SenterNovem, een agentschap van het ministerie van Economische Zaken
  30. Jong Ondernemen, opgericht in 1990 op initiatief van ABN AMRO, VNO-NCW en MKB-Nederland in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken, de Kamer van Koophandel en de NOvAA
  31. Team Academie, oprichter Johannes Partanen, Finland, www.teamacademie.nl
  32. “Piepjonge ondernemertjes aan de slag”, SBS6 Hart van Nederland, 23 mei 2008
  33. Telegraaf, “Entreprenasium voor vwo’ers met handelsgeest”, 20 april 2007
  34. Luke Pittaway (Sheffield University, UK) en Jason Cope (Lancaster University, UK), Entrepreneurship Education, A Systematic Review of the Evidence, International Small Business Journal, Vol. 25, No. 5, 479-510 (2007)
  35. Junior Achievement’s Teen Survey Series, Teens’ views around careers, entrepreneurship and personal finance, Opinion Research Corporation
  36. Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming UNIZO , Vlaamse scholen zitten vol creatieve ideeën, toespraak tijdens Uitreiking Prijs Ondernemende School 2009, 27 mei 2009
  37. Close, J.P. (2007). Succesgids voor ondernemers: meer kans van slagen voor startende en ervaren ondernemers . Pearson Education. ISBN 9043014109.
  38. Bruyland, M. (2001). Spin-offs als valorisatiemechanisme van universitair onderzoek: een managementmodel . Katholieke Universiteit Leuven.
  39. Agentschap Ondernemen (2005). Ondernemingsplan . Vlaamse Overheid.
  40. De Muynck, H. (2007). Inleiding tot de bedrijfskunde . Lannoo Uitgeverij. ISBN 902096206X.
  41. Roels, F. (2003). Handboek adviseur: vraagbaak voor ondernemerschap . Kluwer. ISBN 901301092X.
  42. Blom, R.J. (2004). Omgaan met ... faillissement, surseance en schuldsanering . Kluwer. ISBN 901301674X.
  43. Landes, D.S., Mokyr, J. en Baumol, W.J. (2010). The Invention of Enterprise: Entrepreneurship from Ancient Mesopotamia to Modern Times . Princeton University Press. ISBN 0691143706.
  44. Knaap, D.A. (2004). 'Voor geld is altijd wel een plaats te vinden' : de firma W.A. Scholten (1841-1892) : de eerste Nederlandse industriële multinational . Rijksuniversiteit van Groningen.
  45. Randall, T en Brawley, D.E. (2009). MOOT Corp Or Bust! Do Business Plan Competitions Make A Difference? An Empirical Analysis . Southern Journal of Entrepreneurship.
  46. Honig, B. (2004). Entrepreneurship education: Toward a model of contingency-based business planning . Academy of Management Learning & Education.
  47. Kamer van Koopphandel . Een ondernemingsplan maken .
  48. Brinkman, E. (2000). Onderzoek naar de succes- en faalfactoren van startende ondernemers . Rijksuniversiteit Groningen.
  49. Evers, G.H.M. en Verhoeven, C.J. (1999). Human resources planning: een integrale benadering van personeelsplanning . Kluwer. ISBN 9026730004.
  50. Koerselman, W. (december 2004). Scenarioplanning een instrument in de kennisstrategie . Intellectueel Kapitaal, derde jaargang, nummer 5/6.
  51. http://www.leren.nl/cursus/ondernemen/ondernemingsplan/marketingmix.html
  52. Boer, P. de (2009). Basisboek bedrijfseconomie . Noordhoff Uitgevers B.V.. ISBN 9001702430.
  53. MacDonald, M., Morris, P. en Eunen, E. van (2000). Het marketingplan in beeld: een beeldige gids voor managers . Kluwer. ISBN 9014071957.
  54. Bontje, J.C.B. (1993). Ondernemersboek . Alphen a/d Rijn: Samsom.
  55. Business Box (2010). Je ondernemingsplan in 10 stappen . Zonneveld Marks.
  56. Gibb, A.A. (1992). Study of the growth of small firms . Durham University.
  57. Hindle, K. en Mainprize, B. (2006). Entrepreneurial Business Plan Assessment Regime . The Journal of Private Equity.
  58. Instituut Nederlandse Kwaliteit (2000). INK-managementmodel . Ministerie van Economische Zaken.
  59. Agrocenter (2010). Interactieve Strategisch Management . Wageningen UR.
  60. Huisartsen Informatie Systeem (2010). LHV Rekenmodel Ondernemingsplan . De Landelijke Huisartsen Vereniging.
  61. Kunst, J. (2005). Belang van het ondernemingsplan; Overwegingen bij het maken van het plan .
  62. Fallek, M. (1998). The importance of a business plan for making a bank loan application . Business Credit.
  63. Zwart, P.S. (1991). Het ondernemingsplan in het MKB, een hoeksteen van de bedrijfsvoering . Leiden: Stenfert Kroese BV.
  64. Baker, W.H., Addams, H.L. en Davis, B. (1993). Business planning in successful small firms . Long Range Planning.
  65. Wever, E. (1992). Ondernemen in techniek, analyse en beleid van succesvolle bedrijven . Den Haag: SMO-informatief 92-5.
  66. Risseeuw, P.A., and E. Masurel (1994). The Role of Planning in Small Firms: Empirical Evidence from a Service Industry . Small Business Economics 6.
  67. Mintzberg, H. (2000). The rise and fall of strategic planning . Pearson Education. ISBN 0273650378.
  68. Honig, B. en Karlsson, T. (2004). Institutional forces and the written business plan . Journal of Management vol. 30 no. 1 29-48.
  69. Hulshoff, H., Kerste, R. en Snel, D. (februari 2001). Jonge ondernemingen in 2000 . Zoetermeer: EIM, programmaonderzoek MKB en Ondernemerschap, gefinancierd door het Ministerie van Economische Zaken. ISBN 90-371-0807-5.
  70. Gumpert, D.E. (1996). How to Really Create a Successful Business Plan . Inc. Publishing; 3e editie. ISBN 1880394235.
  71. Bartlett, S. (15 oktober 2002). Seat of the Pants . Inc.
  72. Berry, T. (2000). Hurdle: The book on business planning . Palo Alto Software..
  73. Sahlman, W.A. (1997). How to write a great businessplan . Harvard Business Review.
  74. Collins, J. (2001). Good to Great: Why Some Companies Make the Leap ... and Others Don’t . Londen: Random House.
  75. Hindle, K. (1997). An Enhanced Paradigm of Entrepreneurial Business Planning: Development, Case Applications and General Implications . Melbourne, Australië: Swinburne University of Technology.
  76. Rechtbank Utrecht (12-12-2007). Uitspraak LJN: BB9709; aansprakelijkheid van de bestuurders en commissarissen voor de schade die Ceteco heeft geleden . rechtspraak.nl.
  77. Rechtbank Arnhem (13-03-2006). Uitspraak LJN: AV6549; afwijzing toepassing schuldsanering . rechtspraak.nl.
  78. Gerechtshof 's-Hertogenbosch (11-05-2005). Uitspraak LJN: AU3018; Onverantwoord ondernemerschap leidt tot afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling . rechtspraak.nl.
  79. Houben, G. en Van Looy, W. (1995). Het ondernemingsplan: een praktijkhandboek: principes en gevalstudies . Leuven/Amersfoort: Acco.
  80. Kamer van Koopphandel . Seminars voor startende ondernemers .
  81. Verstegen, J., Vermeulen, P., de Lauwere, C., de Buck, A. en van der Meulen, H. (Juni 2003). Het beoordelen van ondernemingsplannen ten behoeve van het Borgstellingsfonds-plus . Den Haag: LEI, PPO en IMAG in opdracht van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.
  82. Looijenga, J.H. (14 september 2000). Van student tot ondernemer . RuG Katernen nr. 11.
  83. Derksen, Dr. J.T.P. (18 januari 2000). De ondernemende onderzoeker - paradox of pleonasme? . Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Katholieke Universiteit Nijmegen.
  84. Sorgdrager, W. (2006). Cursus Ondernemen; Ondernemingsplan . Leren.nl.
  85. http://en.wikiversity.org/wiki/Lunar_Boom_Town
  86. Tiffany, P. en Peterson, S.D (2003). Ondernemingsplannen voor dummies . Pearson Education. ISBN 9043008516.
  87. Kunstencentrum Groep (2009). Ondernemingsplan Kunstencentrum Groep 2009-2012 . Het Grafisch Huis.
  88. Nederlands Psychoanalytisch Instituut (2006). Ondernemingsplan 2006 – 2010: Nieuwe tijden, nieuwe wegen . Den Haag: PlantijnCasparie.
  89. Rijkswaterstaat (2004). Ondernemingsplan; een nieuw perspectief voor Rijkswaterstaat . Het ministerie van Verkeer en Waterstaat.
  90. SLS Wonen (2008). Ondernemingsplan 2008-2012 . Stichting SLS Wonen.
  91. Stichting Kunstfort Vijfhuizen (2008). Ondernemingsplan 'FORTISSIMO!' 2009-2012 . Lenoirschuring.
  92. DUWO (2006). DUWO in perspectief; Ondernemingsplan 2006–2010 . Delft: Grafia.
  93. Buijs, J., van Doorn, V. en Noordam, P. (2004). Shared Service Centers: een kwestie van doen . Kluwer. ISBN 9037105734.
  94. Groen, T., Vasbinder, W.J. en Kemper Conseil Publishing (2004). Tussen durf en voorsprong: hoe de Nederlandse kenniseconomie in 2011 een succes werd . Kemper Conseil Publishing. ISBN 9076542074.


Informatie afkomstig van http://nl.wikibooks.org Wikibooks NL.
Wikibooks NL is onderdeel van de wikimediafoundation.