Kemzieks woordenboek/Woordsoorten
Uiterlijk
Adjectief
[bewerken]- Aangedampt (bv. een spiegel of een ruit) - 'oun.gə.doempt
- Bang - bə.’naat; ‘schou
- Barstensvol - pro.pəs.tə.vol
- Bekaf - pomp.af
- Beschamend - ‘schom.tə.lek
- Bezopen; stomdronken - 'poe.pə.loe.rə.zat; ‘stroont.zat
- Breed - brjied
- Doorzichtig - gə zie.tər ‘los.sən.deur
- Duur en goedkoop - dier;’kos.tə.lek en ‘goe.je.kjuup
- Eigenaardig; bizar; vreemd - our.dəg
- Erg; in hoge mate - nɛ̃g; 'bjies.təg
- Gaaf - gjɛ̃f
- Gaar (bv. gekookte aardappelen of groenten) - zocht
- Geribbeld - gə.’re.bəld
- Gerimpeld (huid); gekreukt (bv. hemd, blad papier) - vər.’rom.pəld
- Geschift (bv. melk) - gə.kab.bəld
- Glad - ‘glat.təg
- Graag - gjɛ̃.rə
- Gratis - vər.’niet
- Hard en zacht - et en zocht
- Heel donker - 'pik.kən.don.kər
- Heel droog - poe.jər.drjuug
- Hoog - juug; uujg
- Hoorndol; gek gemaakt, in het bijzonder door lawaai of te veel informatie - juu.rən.dul
- In een gebukte houding - i zit op zin uk.kən
- Jaloers - zja.’loes
- Jong en oud - joonk en aad
- Klein, kleiner, kleinst - klɛ̃n, 'klen.dər, klenst; klɛ̃nst
- Kort - kurt
- Lager en hoger - 'ljie.gər en 'juu.gər
- Lang en langer - laank en lan.gər
- Lelijk en mooi - ljulk en schjuun
- Met bladgoud bekleed - vər.guld
- Nadelig - schwjaa.lek
- Niet duur - ‘prij.sə.lek
- Nieuw en oud - nuuf en aad
- Nipt - nip
- Onbeleefd; vrijpostig - as.'grant
- Ongeduldig - on.gə.'duu.rəg
- Opvallend (met een negatieve bijklank) - per.mɛ̃n.təg
- Opzettelijk - as.’pres
- Ouderwets - ‘aa.wets; ‘aa.rə.wets
- Overdadig; buitensporig - van ‘kan.nie.mjier
- Overrijp - ‘maa.tər
- Plezant; leuk - 'leu.təg
- Precies - pər.'sies
- Ranzig (bv. boter die niet koel werd bewaard) - rens
- Razend - 'ros.təg; kol.jɛ̃.rəg
- Roze - roos
- Schoon en schoner - schjuun en schjuun.dər
- Verschillend - tə.’frent
- Vervallen (bv. een gebouw dat niet onderhouden is) - 'oon.dər.kom.mən
- Vervelend - am.bə.’taant
- Verwelkt - vər.schruun.səlt
- Vlaams - Vloms
- Voos (bv. een hand of een been) - vjuus
- Vriendelijk - ‘vrien.də.lek
- Vrij en blij - vrɛ̃ en blɛ̃
- Warm en koud - wɛ̃rm en kaad; kaa
- Weinig - wɛ̃.nəg
- Wreed - wrjied
- Zacht - zocht
Bijwoord
[bewerken]- Alles samen - al.tə.gour
- Altijd en nooit - al.tid en njuut
- Bijna - ost; bə.kan; bə.kans; bə.kanst; vɛ̃r; bots
- Bijvoorbeeld - 'pak.na
- Daar - gin.tər
- Dat daar! - ‘da.dour!; ‘da.tor!
- Dikwijls - dik.kəls
- Doorgaans; gewoonlijk - 'deur.gons
- Eender - jien.dər
- Eender wie - jien.dərt wie
- Even - 'ee.və.kəs; 'ef.kəs
- Heen en terug - ‘oo.vər.en.tweer
- Helemaal - ‘gjie.lə.gans; ‘gjie.lə.ganst
- Helemaal niet - bə.lan.gə nie
- Helemaal niets - rjɛ̃n.də.knots
- Hoe langer hoe meer - al.langs.om.’mjier
- Ieder om de beurt - elk zin.nən toer
- Immers - om.mərst
- Maar - mo; mor
- Naargelang - ‘nou.və.nant
- Nee - njie
- Nadien - nor.’dien
- Nochtans - pər.’tang
- Ook - uk; juuk
- Om het eerst - ‘om.tər.jiest
- Ongeveer - a.peu.’pri
- Onophoudelijk - gə.’duu.rəg
- Opnieuw - op.tər.’nuuf
- Per ongeluk - per mal.’eur
- Per se - mal.gree
- Plots - al.mi.nə.’kjier
- Rakelings - ‘schjɛ̃r.lings
- Samen - tjuup
- Soms - a.mets; som.tets
- Steeds opnieuw - ‘alt.mor
- Trouwens - en.dər.bij (gebruikt als introductie op het finale argument als men een discussie dreigt te verliezen)
- Uitermate - tee.gən də 'stɛ̃.rən op
- Van zodra - van.ast; zju.gaa
- Vanzelfsprekend - van.ɛ̃.gəst
- Veel te veel - veels tə veel
- Vooraf betalen - in a.’vaans bə.’touln
- Vooraleer dat… - veur.dak; veur.da.gə; veur.da.tij; veur.das.sə; veur.dam.mə; veur.da.gul.dər
- Zeer traag - op zin ‘el.fən.der.təg.stə
- Zo een... - a.zjuu (mannelijk of onzijdig); a.zjuun (vrouwelijk)
- Zoals - gə.lek
Voornaamwoord
[bewerken]- Dat (aanwijzend voornaamwoord) - da (onzijdig); die (vrouwelijk); die.nə; die.nən (mannelijk)
- Dat is van haar (bezittelijk voornaamwoord) - das teur
- Dat is van hen (bezittelijk voornaamwoord) - das tul.dər; da van ul.dər
- Die; dat (betrekkelijk voornaamwoord): de man die (mannelijk); het kind dat (onzijdig); de vrouw die (vrouwelijk); zij die (meervoud) - dən die.nən; tkeend da; zij die; də die
- Dit; deze (aanwijzend voornaamwoord) - deez (onzijdig of vrouwelijk); dee.zə; dee.zən (mannelijk)
- Elkaar - ma.'kour
- Haar (bezittelijk voornaamwoord) - eur (onzijdig of vrouwelijk); eu.rən of eu.rə (mannelijk)
- Jouw; je; uw (bezittelijk voornaamwoord) - aa of o (onzijdig of vrouwelijk); aa.nə, aa.nən of o.nə (mannelijk)
- Jullie (bezittelijk voornaamwoord) - ul.dər (onzijdig of vrouwelijk); ul.də.rə of ul.də.rən (mannelijk)
- Mijn (bezittelijk voornaamwoord) - min (onzijdig of vrouwelijk); min.nə (mannelijk)
- Ons (bezittelijk voornaamwoord) - oonz (onzijdig of vrouwelijk); oon.zən (mannelijk)
- Van wie...? (vragend voornaamwoord) - wie.zə…?; wies…?; wie.zən…?
- Waar? (vragend voornaamwoord) - wour?
- Wanneer? (vragend voornaamwoord) - wa.'njier?
- Wat voor een...? (vragend voornaamwoord) - 'oe.kən...? (onzijdig of vrouwelijk); 'oe.kə.nə...? (mannelijk)
- Welke...? (vragend voornaamwoord) - waf.fər...; waf.fə.rə...?
- Zijn (bezittelijk voornaamwoord) - zin (onzijdig of vrouwelijk); zin.nə of zin.nən (mannelijk)
Werkwoord
[bewerken]Vooraf: de tweede persoon jij (enkelvoud) en jullie (meervoud) is in het Kemzieks gij of gi respectievelijk gul.dər.
- Ademen - ‘os.sə.mən
- Afbieden - ‘af.bjien
- Afduwen - ‘af.dougn
- Applaudisseren; spreken - klapn
- Bedelen; schooien - schwjoen
- Beentje lichten - ‘pjuut.sjə schɛ̃.rən
- Behanglijm aanbrengen - ‘in.papn
- Beledigen - af.fron.’teern
- Bespieden; op slinkse wijze afhandig maken - ‘af.loern
- Bevroren - bə.’vroo.zən
- Bidden om onheil af te wenden - 'oo.vər.lee.zən
- Biljarten - biel.'jaa.rən
- Boodschappen doen - om kom.’mis.sies goun
- Bouwen - baan
- Braken - ‘spou.gən
- Branden - bran.nən
- Breien - brɛ̃n
- Brouwen - braan
- Dansen - 'daan.sən
- Dat ben ik - da ‘ben.nə.kik; da ‘zin.nə.kik
- Dat is goed besteed - das goe bə.'stjied
- De kerkklokken luiden - də klokn luin
- Denk je dat? - ‘pɛ̃s.də gi da?
- Draaien - drwjaan
- Druk bezig zijn - in də weer zin
- Duw een beetje - daat ən bik.kə!
- Duwen - daan; dou.gən
- Een beetje opzij of achteruit gaan - ‘dɛ̃.zən
- Een handeling of werkzaamheid beëindigen - 'uit.schjien
- Een heftig, overtuigend betoog houden - 'af.stee.kən
- Een leiding of een kabel in huis brengen - bin.nən.trekn
- Een nieuwe pastoor feestelijk ontvangen - ‘in.hou.lən
- Een omheining plaatsen (bv. rond een weide) - ‘af.mou.kən
- Een stukje losmaken; afbieden - 'af.piet.sən
- Een taak voortijdig beëindigen; ergens mee stoppen - 'uit.schjien
- Er is gevochten - dər is gə.’bad.dərd
- Erwtjes uit de peul losmaken - ert.sjəs puurn
- Eten, in het bijzonder op kamp - ‘bie.kən
- Flink doorwerken - buz.zə gee.vən
- Fluiten - schuf.fə.lən
- Fruit stelen uit een boomgaard - 'bun.də.rən
- Gaan: ik ga; gij gaat, hij gaat, wij gaan, jullie gaan - goun: ik go;kgon, gij got, i go, wij gon, gulder got
- Gaan, maar dreigen te vallen; waggelen - 'zwɛ̃n.sə.lən
- Gebruiken - ‘bee.zən
- Gedacht - gə.docht
- Geeuwen - ‘gou.pən
- Geregeld in het gezelschap van iemand vertoeven - ‘op.trekn
- Gescheiden - gə.’schjien
- Gooi het - ‘rjuu.gət
- Gooien - rjuun; piern
- Gulzig en veel eten - fretn; boe.fən
- Hakkelend spreken - ‘dod.də
- Hard vallen - 'tot.tə.rən
- Hard werken - tra.’vakn
- Hardnekkig weigeren iets te doen - ət vər.rek.kən
- Hebben - ɛ̃n; tegenwoordige tijd: kem of ken, gij et, i eet of i ee, wi em.mən, gul.dər et; verleden tijd: ik aa, gij ad (of: aad), i ad, wi em.mən gad, gul.dər et gad (in het meervoud gebruikt men een voltooid tegenwoordige tijd in plaats van een onvoltooid verleden tijd); voltooid deelwoord: gad
- Hebben (bij inversie) - em.mək?, ed.də gij?; ee.ti?, em.mə wi?, ed.də gul.dər?
- Heftig discussiëren - strɛ̃n
- Herstellen; oplappen - ‘op.kal.lə.’faa.tə.rən
- Hij denkt dat wij het waren - i pɛ̃st dam.me wij ət wou.rən
- Hij heeft een hele taart opgegeten - i ee dən jiel toert ‘bin.nən.gə.spild
- Hij heeft het gezegd - i ee.dət gə.zeed; i ee.dət gə.zeen
- Hij is begonnen! - ij is bə.gost! (in een uitroepende zin wordt de /ij/ in het voornaamwoord behouden)
- Hij is geslagen - i is 'af.gə.toept
- Hij is verdwenen - i is scham.pa.’vie
- Hij is vertrokken - i is vju:rs (of: vju:s) gə.goun
- Iemand aanspreken om wat van die persoon te bekomen of om hem terecht te wijzen - ie.mand ‘oun.pieln
- Iemand een ferme loer draaien - nə kljuut ‘af.drwjaan
- Iemand goederen of geld afhandig maken - ‘af.lui.zən; ‘af.loe.rən
- Iemand iets opdringen - ‘op.sol.fə.rən
- Iemand polsen of uithoren - ‘lut.sən
- Iemand prijzen en bewieroken - bə.’bof.fən
- Iets afwijzen - ‘af.ket.sən
- Iets doen wat niet mag; kattekwaad uithalen - iets ‘uit.stee.kən
- Iets goed afwerken - tə.goei doen
- Iets in elkaar flansen; iets zelf proberen te herstellen - fa.brie.’kee.rən
- Iets snel afhandelen - ‘af.lapn
- Iets stouts doen - mis.peu.tə.rən
- Iets vluchtig lezen - oo.vər.’lee.zən
- Iets zodanig behandelen dat het onbruikbaar is geworden - vər.rin.nə.'wee.rən
- Ik dacht - kdocht
- Ik heb dorst - kem dust; ken dust
- Ik heb gespeeld - ken gə.spild
- Ik kon - i kost
- Ik moet het niet hebben - kmoet ət nie ɛ̃n
- Ik schrok - kvər.’schoot mi
- Ik schrok heel erg - kvər.’schoot mi nən bult
- Ik spreek, jij spreekt, hij spreekt - kspreek, gij sprikt, i sprikt
- Ik zou, hij zou, wij zouden - ik zo; ik zon, i zo; wi zon
- In het water stoeien - in twou.tər plet.sən
- Indien het zou regenen - moest ət gon reeg.nən
- Inmaken; wecken - ‘op.leg.gən
- Je hebt gemorst - get gə.’smod.dərd
- Je hebt het begrepen! (ironisch) - get ət gə.’snoo.pən!
- Klauteren - ‘klef.fə.rən
- Knellen (bv. een deur of schoen) - pran.gən
- Knijpen - piet.sən
- Kritiek geven op een venijnige manier - 'deur.steekn
- Kwijlen - zab.bə.rən
- Laden - lwjaan
- Langskomen; bij iemand op bezoek gaan - ‘af.kom.mən
- Lawaai maken - la.’wɛ̃t mou.kən
- Liften - ot.too.’stop doen
- Lijken op - trekn op
- Lippenstift aanbrengen - ‘rjuud.sə.lən
- Luisteren - lus.tə.rən
- Mank lopen - ‘pik.kə.lən
- Men gunt iemand iets - tis a gə.jond
- Men is nog niet aan een nieuwe situatie gewend - da vourt
- Men wordt in verlegenheid gebracht - kzin in af.’fron.tə gə.valn
- Mengen - 'oon.dər.jien doen
- Moeten - moes.tən; moetn
- Mogen, ik mag, jij mag, hij mag - meu.gən, kmag, gij meugt, i mag
- Mompelen - 'moom.pə.lən
- Morsen; knoeien - 'mjuu.sən
- Nabootsen - ach.tər.’nou.doen
- Omgooien - 'om.piern
- Omvallen - stuikn
- Onderzoekend, kritisch bekijken - ‘mie.rən; ‘af.let.tən
- Onrustig en voortdurend kleine bewegingen maken (bv. mieren) - kra.'wie.tələn
- Ontkennen; heftig weerleggen - ‘af.strɛ̃n
- Op een hoop gooien - op nən juup klet.sən
- Opgegeten - ‘op.geetn
- Opjagen - ‘af.staan
- Opzichtig kauwen - ma.sjən
- Pesten - koe.jə.'nee.rən
- Piekeren - prak.kə.zee.rən
- Pochen - bof.fən
- Prakken - ‘ded.də.rən
- Pruilen - moon.kən
- Raden; gokken - grwjaan
- Remmen - ‘frɛ̃.nən
- Rijden - rɛ̃n
- Roddelen - kom.’mee.rən
- Ronddolen - ‘tsjoo.lən
- Ruien (bv. een hond of een kip) - rui.vən
- Ruilen - ‘man.gə.lən
- Schaatsen - schet.sən
- Schommelen - bie.zə.’bij.zən; ‘bij.zən
- Slippen (met de auto) - pa.tie.nee.rən
- Sloffen (gaan); traag komen aanlopen - ‘stes.sə.lən
- Smakelijk lachen - gib.bə.rən
- Sneeuwen - snjien
- Snel naar meerdere plaatsten gaan -‘rond.sjeezn
- Snijden, ik snij, ik heb gesneden - snɛ̃n, ksnɛ̃, kem gesneen
- Snurken - ‘roon.kən
- Spitten - spetn
- Spreken - klapn; kou.tən; ri.zə.'nee.rən
- Spuwen in één fluim - spjiekn
- Spuwen in meerdere korte stoten - ‘spug.gə.lən
- Stelen - schoepn; piekn; ‘schjief.sloun
- Sterven - 'stɛ̃.rə.vən; 'stɛ̃r.vən
- Stevig gaan drinken - pin.tə.'lie.rən
- Stoeien (maar met het grote risico dat het eindigt in ruzie) - fiek.fak.kən
- Struikelen - ‘soe.sə.lən
- Tegenwerken - ‘kljuu.tən
- Tijdens een examen de antwoorden van je buur bekijken - ‘af.kijkn
- Uit de echt scheiden - van ma.kour goun
- Uit een fles drinken - toe.tə.rən
- Uitglijden - oon.dər.’uit goun
- Uitlachen - 'uit.schijtn
- Urineren - zjie.kən; pis.sən; pie.sən; wou.tə.rən (geordend van dysfemisme naar eufemisme)
- Valsspelen - ‘zeu.rən; sa.’leu.rən
- Vechten - bat.tə.rən
- Veel heisa maken; keet schoppen - ba.’gaar ‘mou.kən
- Vegen (bv. de kamer of het voetpad); hooi omdraaien zodat de onderste laag ook aan de zon wordt blootgesteld en droogt - kjie.rən
- Veinzen - gə.’bou.rən
- Verkeerd rijden - mis.rɛ̃n
- Verklikken - ‘oo.vər.drou.gən
- Verraden - və.rwjaan
- Vertrekken - ‘oun.goun
- Verven - ‘vɛ̃.rə.vən
- Verwelken - vər.'slens.tə.rən
- Voederen - voe.jə.rən
- Voetballen - sjot.tən
- Vrijen - vrɛ̃n
- Waaien - wjaan
- Wecken - ster.rə.lie.'zee.rən
- Weggaan - er van.’oon.der trekn
- Weigeren (bv. een aanbod of een geschenk) - rə.fə.’zee.rən
- Wenen - schrjien; blɛ̃tn
- Wieden - wjien
- Wij konden - wə kos.tən
- Wij kunnen - wə keu.nən
- Wij laten ons fotograferen - wə lou.tən os trekn
- Wij wilden met hem meegaan - wi ‘wil.də.gən mee em ‘mee.goun
- Wij zijn verzekerd - wə zin vər.as.’suu.reerd
- Worden - wər.rə(n) of wor.rə(n); tegenwoordige tijd: kwor, gij wordt, i word, wi wor.rən, gulder word; verleden tijd: kwier, gij wierdt, i wierd, wi wie.rən, gul.dər wierd; voltooid deelwoord: gə.wər.rən
- Wriemelend bewegen - kra.’wie.tə.lən
- Wuiven (om goedendag te zeggen) - ‘zwie.rən
- Zaaien; zwaaien - zwjaan
- Zaken bijeen leggen - ram.ma.’see.rən
- Zeer hard lachen - gib.bə.rən
- Zeuren - ‘mem.mən; ‘sem.mə.lən
- Zich informeren - oon.dər,’juu.rən
- Zich verstoppen - a vər.'stee.kən
- Zij die dat gedaan hebben… - də.die da ta gə.doun em.mə…
- Zijn (bij inversie) - zin.nək?; zid.də gij?; is i?; is zi?; zim.mən wi?; zid.də gul.dər?
- Zijn (werkwoord) - zin; tegenwoordige tijd: kzin, gij of gə zit of zi, i is, wi zin of zim.mən, gul.dər zit of zi; verleden tijd: kwas, gij wourt, i was, wi wou.rən, gul.dər wourt; voltooid deelwoord: gə.wist
- Zijn we te laat? - zim.mə tə lout?
- Zou je? - zod.də?
- Zouden (bij inversie) - zon.nək? of zun.nək?, zod.də gij? of zud.də gij?, zo.ti? of zu.ti?, zo.zə? of zu.zə?, zom.mə wi? of zum.mə wi?, zod.də gul.dər? of zud.də gul.dər?
- Zullen (bij inversie) - zal.lək?, zul.də gij?, zu.ti?, zu.zə?, zul.lə wi?, zul.də gul.dər?