Naar inhoud springen

Kemzieks woordenboek/Woordsoorten

Uit Wikibooks

Adjectief

[bewerken]
  • Aangedampt (bv. een spiegel of een ruit) - 'oun.gə.doempt
  • Bang - bə.’naat; ‘schou
  • Barstensvol - pro.pəs.tə.vol
  • Bekaf - pomp.af
  • Beschamend - ‘schom.tə.lek
  • Bezopen; stomdronken - 'poe.pə.loe.rə.zat; ‘stroont.zat
  • Breed - brjied
  • Doorzichtig - gə zie.tər ‘los.sən.deur
  • Duur en goedkoop - dier;’kos.tə.lek en ‘goe.je.kjuup
  • Eigenaardig; bizar; vreemd - our.dəg
  • Erg; in hoge mate - nɛ̃g; 'bjies.təg
  • Gaaf - gjɛ̃f
  • Gaar (bv. gekookte aardappelen of groenten) - zocht
  • Geribbeld - gə.’re.bəld
  • Gerimpeld (huid); gekreukt (bv. hemd, blad papier) - vər.’rom.pəld
  • Geschift (bv. melk) - gə.kab.bəld
  • Glad - ‘glat.təg
  • Graag - gjɛ̃.rə
  • Gratis - vər.’niet
  • Hard en zacht - et en zocht
  • Heel donker - 'pik.kən.don.kər
  • Heel droog - poe.jər.drjuug
  • Hoog - juug; uujg
  • Hoorndol; gek gemaakt, in het bijzonder door lawaai of te veel informatie - juu.rən.dul
  • In een gebukte houding - i zit op zin uk.kən
  • Jaloers - zja.’loes
  • Jong en oud - joonk en aad
  • Klein, kleiner, kleinst - klɛ̃n, 'klen.dər, klenst; klɛ̃nst
  • Kort - kurt
  • Lager en hoger - 'ljie.gər en 'juu.gər
  • Lang en langer - laank en lan.gər
  • Lelijk en mooi - ljulk en schjuun
  • Met bladgoud bekleed - vər.guld
  • Nadelig - schwjaa.lek
  • Niet duur - ‘prij.sə.lek
  • Nieuw en oud - nuuf en aad
  • Nipt - nip
  • Onbeleefd; vrijpostig - as.'grant
  • Ongeduldig - on.gə.'duu.rəg
  • Opvallend (met een negatieve bijklank) - per.mɛ̃n.təg
  • Opzettelijk - as.’pres
  • Ouderwets - ‘aa.wets; ‘aa.rə.wets
  • Overdadig; buitensporig - van ‘kan.nie.mjier
  • Overrijp - ‘maa.tər
  • Plezant; leuk - 'leu.təg
  • Precies - pər.'sies
  • Ranzig (bv. boter die niet koel werd bewaard) - rens
  • Razend - 'ros.təg; kol.jɛ̃.rəg
  • Roze - roos
  • Schoon en schoner - schjuun en schjuun.dər
  • Verschillend - tə.’frent
  • Vervallen (bv. een gebouw dat niet onderhouden is) - 'oon.dər.kom.mən
  • Vervelend - am.bə.’taant
  • Verwelkt - vər.schruun.səlt
  • Vlaams - Vloms
  • Voos (bv. een hand of een been) - vjuus 
  • Vriendelijk - ‘vrien.də.lek
  • Vrij en blij - vrɛ̃ en blɛ̃
  • Warm en koud - wɛ̃rm en kaad; kaa
  • Weinig - wɛ̃.nəg
  • Wreed - wrjied
  • Zacht - zocht

Bijwoord

[bewerken]
  • Alles samen - al.tə.gour
  • Altijd en nooit - al.tid en njuut
  • Bijna - ost; bə.kan; bə.kans; bə.kanst; vɛ̃r; bots
  • Bijvoorbeeld - 'pak.na
  • Daar - gin.tər
  • Dat daar! - ‘da.dour!; ‘da.tor!
  • Dikwijls - dik.kəls
  • Doorgaans; gewoonlijk - 'deur.gons
  • Eender - jien.dər
  • Eender wie - jien.dərt wie 
  • Even - 'ee.və.kəs; 'ef.kəs
  • Heen en terug - ‘oo.vər.en.tweer
  • Helemaal - ‘gjie.lə.gans; ‘gjie.lə.ganst
  • Helemaal niet - bə.lan.gə nie
  • Helemaal niets - rjɛ̃n.də.knots
  • Hoe langer hoe meer - al.langs.om.’mjier
  • Ieder om de beurt - elk zin.nən toer 
  • Immers - om.mərst
  • Maar - mo; mor
  • Naargelang - ‘nou.və.nant
  • Nee - njie
  • Nadien - nor.’dien
  • Nochtans - pər.’tang
  • Ook - uk; juuk
  • Om het eerst - ‘om.tər.jiest
  • Ongeveer - a.peu.’pri
  • Onophoudelijk - gə.’duu.rəg
  • Opnieuw - op.tər.’nuuf
  • Per ongeluk - per mal.’eur
  • Per se - mal.gree
  • Plots - al.mi.nə.’kjier
  • Rakelings - ‘schjɛ̃r.lings
  • Samen - tjuup
  • Soms - a.mets; som.tets
  • Steeds opnieuw - ‘alt.mor
  • Trouwens - en.dər.bij (gebruikt als introductie op het finale argument als men een discussie dreigt te verliezen)
  • Uitermate - tee.gən də 'stɛ̃.rən op
  • Van zodra - van.ast; zju.gaa
  • Vanzelfsprekend - van.ɛ̃.gəst
  • Veel te veel - veels tə veel
  • Vooraf betalen - in a.’vaans bə.’touln
  • Vooraleer dat… - veur.dak; veur.da.gə; veur.da.tij; veur.das.sə; veur.dam.mə; veur.da.gul.dər
  • Zeer traag - op zin ‘el.fən.der.təg.stə
  • Zo een... - a.zjuu (mannelijk of onzijdig); a.zjuun (vrouwelijk)
  • Zoals - gə.lek

Voornaamwoord

[bewerken]
  • Dat (aanwijzend voornaamwoord) - da (onzijdig); die (vrouwelijk); die.nə; die.nən (mannelijk)
  • Dat is van haar (bezittelijk voornaamwoord) - das teur
  • Dat is van hen (bezittelijk voornaamwoord) - das tul.dər; da van ul.dər
  • Die; dat (betrekkelijk voornaamwoord): de man die (mannelijk); het kind dat (onzijdig); de vrouw die (vrouwelijk); zij die (meervoud) - dən die.nən; tkeend da; zij die; də die
  • Dit; deze (aanwijzend voornaamwoord) - deez (onzijdig of vrouwelijk); dee.zə; dee.zən (mannelijk)
  • Elkaar - ma.'kour
  • Haar (bezittelijk voornaamwoord) - eur (onzijdig of vrouwelijk); eu.rən of eu.rə (mannelijk)
  • Jouw; je; uw (bezittelijk voornaamwoord) - aa of o (onzijdig of vrouwelijk); aa.nə, aa.nən of o.nə (mannelijk)
  • Jullie (bezittelijk voornaamwoord) - ul.dər (onzijdig of vrouwelijk); ul.də.rə of ul.də.rən (mannelijk)
  • Mijn (bezittelijk voornaamwoord) - min (onzijdig of vrouwelijk); min.nə (mannelijk)
  • Ons (bezittelijk voornaamwoord) - oonz (onzijdig of vrouwelijk); oon.zən (mannelijk)
  • Van wie...? (vragend voornaamwoord) - wie.zə…?; wies…?; wie.zən…?
  • Waar? (vragend voornaamwoord) - wour?
  • Wanneer? (vragend voornaamwoord) - wa.'njier?
  • Wat voor een...? (vragend voornaamwoord) - 'oe.kən...? (onzijdig of vrouwelijk); 'oe.kə.nə...? (mannelijk)
  • Welke...? (vragend voornaamwoord) - waf.fər...; waf.fə.rə...?
  • Zijn (bezittelijk voornaamwoord) - zin (onzijdig of vrouwelijk); zin.nə of zin.nən (mannelijk)

Werkwoord

[bewerken]

Vooraf: de tweede persoon jij (enkelvoud) en jullie (meervoud) is in het Kemzieks gij of gi respectievelijk gul.dər.

  • Ademen - ‘os.sə.mən
  • Afbieden - ‘af.bjien
  • Afduwen - ‘af.dougn
  • Applaudisseren; spreken - klapn
  • Bedelen; schooien - schwjoen
  • Beentje lichten - ‘pjuut.sjə schɛ̃.rən
  • Behanglijm aanbrengen - ‘in.papn
  • Beledigen - af.fron.’teern
  • Bespieden; op slinkse wijze afhandig maken - ‘af.loern
  • Bevroren - bə.’vroo.zən
  • Bidden om onheil af te wenden - 'oo.vər.lee.zən
  • Biljarten - biel.'jaa.rən
  • Boodschappen doen - om kom.’mis.sies goun
  • Bouwen - baan
  • Braken - ‘spou.gən
  • Branden - bran.nən
  • Breien - brɛ̃n
  • Brouwen - braan
  • Dansen - 'daan.sən
  • Dat ben ik - da ‘ben.nə.kik; da ‘zin.nə.kik
  • Dat is goed besteed - das goe bə.'stjied
  • De kerkklokken luiden - də klokn luin
  • Denk je dat? - ‘pɛ̃s.də gi da?
  • Draaien - drwjaan
  • Druk bezig zijn - in də weer zin
  • Duw een beetje - daat ən bik.kə!
  • Duwen - daan; dou.gən
  • Een beetje opzij of achteruit gaan - ‘dɛ̃.zən
  • Een handeling of werkzaamheid beëindigen - 'uit.schjien
  • Een heftig, overtuigend betoog houden - 'af.stee.kən
  • Een leiding of een kabel in huis brengen - bin.nən.trekn
  • Een nieuwe pastoor feestelijk ontvangen - ‘in.hou.lən
  • Een omheining plaatsen (bv. rond een weide) - ‘af.mou.kən
  • Een stukje losmaken; afbieden - 'af.piet.sən
  • Een taak voortijdig beëindigen; ergens mee stoppen - 'uit.schjien
  • Er is gevochten - dər is gə.’bad.dərd
  • Erwtjes uit de peul losmaken - ert.sjəs puurn
  • Eten, in het bijzonder op kamp - ‘bie.kən
  • Flink doorwerken - buz.zə gee.vən
  • Fluiten - schuf.fə.lən
  • Fruit stelen uit een boomgaard - 'bun.də.rən
  • Gaan: ik ga; gij gaat, hij gaat, wij gaan, jullie gaan - goun: ik go;kgon, gij got, i go, wij gon, gulder got
  • Gaan, maar dreigen te vallen; waggelen - 'zwɛ̃n.sə.lən
  • Gebruiken - ‘bee.zən
  • Gedacht - gə.docht
  • Geeuwen - ‘gou.pən
  • Geregeld in het gezelschap van iemand vertoeven - ‘op.trekn
  • Gescheiden - gə.’schjien
  • Gooi het - ‘rjuu.gət
  • Gooien - rjuun; piern
  • Gulzig en veel eten - fretn; boe.fən
  • Hakkelend spreken - ‘dod.də
  • Hard vallen - 'tot.tə.rən
  • Hard werken - tra.’vakn
  • Hardnekkig weigeren iets te doen - ət vər.rek.kən
  • Hebben - ɛ̃n; tegenwoordige tijd: kem of ken, gij et, i eet of i ee, wi em.mən, gul.dər et; verleden tijd: ik aa, gij ad (of: aad), i ad, wi em.mən gad, gul.dər et gad (in het meervoud gebruikt men een voltooid tegenwoordige tijd in plaats van een onvoltooid verleden tijd); voltooid deelwoord: gad
  • Hebben (bij inversie) - em.mək?, ed.də gij?; ee.ti?, em.mə wi?, ed.də gul.dər?
  • Heftig discussiëren - strɛ̃n
  • Herstellen; oplappen - ‘op.kal.lə.’faa.tə.rən
  • Hij denkt dat wij het waren - i pɛ̃st dam.me wij ət wou.rən
  • Hij heeft een hele taart opgegeten - i ee dən jiel toert ‘bin.nən.gə.spild
  • Hij heeft het gezegd - i ee.dət gə.zeed; i ee.dət gə.zeen
  • Hij is begonnen! - ij is bə.gost! (in een uitroepende zin wordt de /ij/ in het voornaamwoord behouden)
  • Hij is geslagen - i is 'af.gə.toept
  • Hij is verdwenen - i is scham.pa.’vie
  • Hij is vertrokken - i is vju:rs (of: vju:s) gə.goun
  • Iemand aanspreken om wat van die persoon te bekomen of om hem terecht te wijzen - ie.mand ‘oun.pieln
  • Iemand een ferme loer draaien - nə kljuut ‘af.drwjaan
  • Iemand goederen of geld afhandig maken - ‘af.lui.zən; ‘af.loe.rən
  • Iemand iets opdringen - ‘op.sol.fə.rən
  • Iemand polsen of uithoren - ‘lut.sən
  • Iemand prijzen en bewieroken - bə.’bof.fən
  • Iets afwijzen - ‘af.ket.sən
  • Iets doen wat niet mag; kattekwaad uithalen - iets ‘uit.stee.kən
  • Iets goed afwerken - tə.goei doen
  • Iets in elkaar flansen; iets zelf proberen te herstellen - fa.brie.’kee.rən
  • Iets snel afhandelen - ‘af.lapn
  • Iets stouts doen - mis.peu.tə.rən
  • Iets vluchtig lezen - oo.vər.’lee.zən
  • Iets zodanig behandelen dat het onbruikbaar is geworden - vər.rin.nə.'wee.rən
  • Ik dacht - kdocht
  • Ik heb dorst - kem dust; ken dust
  • Ik heb gespeeld - ken gə.spild
  • Ik kon - i kost
  • Ik moet het niet hebben - kmoet ət nie ɛ̃n
  • Ik schrok - kvər.’schoot mi
  • Ik schrok heel erg - kvər.’schoot mi nən bult
  • Ik spreek, jij spreekt, hij spreekt - kspreek, gij sprikt, i sprikt
  • Ik zou, hij zou, wij zouden - ik zo; ik zon, i zo; wi zon
  • In het water stoeien - in twou.tər plet.sən
  • Indien het zou regenen - moest ət gon reeg.nən
  • Inmaken; wecken - ‘op.leg.gən
  • Je hebt gemorst - get gə.’smod.dərd
  • Je hebt het begrepen! (ironisch) - get ət gə.’snoo.pən!
  • Klauteren - ‘klef.fə.rən
  • Knellen (bv. een deur of schoen) - pran.gən
  • Knijpen - piet.sən
  • Kritiek geven op een venijnige manier - 'deur.steekn
  • Kwijlen - zab.bə.rən
  • Laden - lwjaan
  • Langskomen; bij iemand op bezoek gaan - ‘af.kom.mən
  • Lawaai maken - la.’wɛ̃t mou.kən
  • Liften - ot.too.’stop doen
  • Lijken op - trekn op
  • Lippenstift aanbrengen - ‘rjuud.sə.lən
  • Luisteren - lus.tə.rən
  • Mank lopen - ‘pik.kə.lən
  • Men gunt iemand iets - tis a gə.jond
  • Men is nog niet aan een nieuwe situatie gewend - da vourt
  • Men wordt in verlegenheid gebracht - kzin in af.’fron.tə gə.valn
  • Mengen - 'oon.dər.jien doen
  • Moeten - moes.tən; moetn
  • Mogen, ik mag, jij mag, hij mag - meu.gən, kmag, gij meugt, i mag
  • Mompelen - 'moom.pə.lən
  • Morsen; knoeien - 'mjuu.sən
  • Nabootsen - ach.tər.’nou.doen
  • Omgooien - 'om.piern
  • Omvallen - stuikn
  • Onderzoekend, kritisch bekijken - ‘mie.rən; ‘af.let.tən
  • Onrustig en voortdurend kleine bewegingen maken (bv. mieren) - kra.'wie.tələn
  • Ontkennen; heftig weerleggen - ‘af.strɛ̃n
  • Op een hoop gooien - op nən juup klet.sən
  • Opgegeten - ‘op.geetn
  • Opjagen - ‘af.staan
  • Opzichtig kauwen - ma.sjən
  • Pesten - koe.jə.'nee.rən
  • Piekeren - prak.kə.zee.rən
  • Pochen - bof.fən
  • Prakken - ‘ded.də.rən
  • Pruilen - moon.kən
  • Raden; gokken - grwjaan
  • Remmen - ‘frɛ̃.nən
  • Rijden - rɛ̃n
  • Roddelen - kom.’mee.rən
  • Ronddolen - ‘tsjoo.lən
  • Ruien (bv. een hond of een kip) - rui.vən
  • Ruilen - ‘man.gə.lən
  • Schaatsen - schet.sən
  • Schommelen - bie.zə.’bij.zən; ‘bij.zən
  • Slippen (met de auto) - pa.tie.nee.rən
  • Sloffen (gaan); traag komen aanlopen - ‘stes.sə.lən
  • Smakelijk lachen - gib.bə.rən
  • Sneeuwen - snjien
  • Snel naar meerdere plaatsten gaan -‘rond.sjeezn
  • Snijden, ik snij, ik heb gesneden - snɛ̃n, ksnɛ̃, kem gesneen
  • Snurken - ‘roon.kən
  • Spitten - spetn
  • Spreken - klapn; kou.tən; ri.zə.'nee.rən
  • Spuwen in één fluim - spjiekn
  • Spuwen in meerdere korte stoten - ‘spug.gə.lən
  • Stelen - schoepn; piekn; ‘schjief.sloun
  • Sterven - 'stɛ̃.rə.vən; 'stɛ̃r.vən
  • Stevig gaan drinken - pin.tə.'lie.rən
  • Stoeien (maar met het grote risico dat het eindigt in ruzie) - fiek.fak.kən
  • Struikelen - ‘soe.sə.lən
  • Tegenwerken - ‘kljuu.tən
  • Tijdens een examen de antwoorden van je buur bekijken - ‘af.kijkn
  • Uit de echt scheiden - van ma.kour goun
  • Uit een fles drinken - toe.tə.rən
  • Uitglijden - oon.dər.’uit goun
  • Uitlachen - 'uit.schijtn
  • Urineren - zjie.kən; pis.sən; pie.sən; wou.tə.rən (geordend van dysfemisme naar eufemisme)
  • Valsspelen - ‘zeu.rən; sa.’leu.rən
  • Vechten - bat.tə.rən
  • Veel heisa maken; keet schoppen - ba.’gaar ‘mou.kən
  • Vegen (bv. de kamer of het voetpad); hooi omdraaien zodat de onderste laag ook aan de zon wordt blootgesteld en droogt - kjie.rən
  • Veinzen - gə.’bou.rən
  • Verkeerd rijden - mis.rɛ̃n
  • Verklikken - ‘oo.vər.drou.gən
  • Verraden - və.rwjaan
  • Vertrekken - ‘oun.goun
  • Verven - ‘vɛ̃.rə.vən
  • Verwelken - vər.'slens.tə.rən
  • Voederen - voe.jə.rən
  • Voetballen - sjot.tən
  • Vrijen - vrɛ̃n
  • Waaien - wjaan
  • Wecken - ster.rə.lie.'zee.rən
  • Weggaan - er van.’oon.der trekn
  • Weigeren (bv. een aanbod of een geschenk) - rə.fə.’zee.rən
  • Wenen - schrjien; blɛ̃tn
  • Wieden - wjien
  • Wij konden - wə kos.tən
  • Wij kunnen - wə keu.nən
  • Wij laten ons fotograferen - wə lou.tən os trekn
  • Wij wilden met hem meegaan - wi ‘wil.də.gən mee em ‘mee.goun
  • Wij zijn verzekerd - wə zin vər.as.’suu.reerd
  • Worden - wər.rə(n) of wor.rə(n); tegenwoordige tijd: kwor, gij wordt, i word, wi wor.rən, gulder word; verleden tijd: kwier, gij wierdt, i wierd, wi wie.rən, gul.dər wierd; voltooid deelwoord: gə.wər.rən
  • Wriemelend bewegen - kra.’wie.tə.lən
  • Wuiven (om goedendag te zeggen) - ‘zwie.rən
  • Zaaien; zwaaien - zwjaan
  • Zaken bijeen leggen - ram.ma.’see.rən
  • Zeer hard lachen - gib.bə.rən
  • Zeuren - ‘mem.mən; ‘sem.mə.lən
  • Zich informeren - oon.dər,’juu.rən
  • Zich verstoppen - a vər.'stee.kən
  • Zij die dat gedaan hebben… - də.die da ta gə.doun em.mə…
  • Zijn (bij inversie) - zin.nək?; zid.də gij?; is i?; is zi?; zim.mən wi?; zid.də gul.dər?
  • Zijn (werkwoord) - zin; tegenwoordige tijd: kzin, gij of gə zit of zi, i is, wi zin of zim.mən, gul.dər zit of zi; verleden tijd: kwas, gij wourt, i was, wi wou.rən, gul.dər wourt; voltooid deelwoord: gə.wist
  • Zijn we te laat? - zim.mə tə lout?
  • Zou je? - zod.də?
  • Zouden (bij inversie) - zon.nək? of zun.nək?, zod.də gij? of zud.də gij?, zo.ti? of zu.ti?, zo.zə? of zu.zə?, zom.mə wi? of zum.mə wi?, zod.də gul.dər? of zud.də gul.dər?
  • Zullen (bij inversie) - zal.lək?, zul.də gij?, zu.ti?, zu.zə?, zul.lə wi?, zul.də gul.dər?
Informatie afkomstig van Wikibooks NL, een onderdeel van de Wikimedia Foundation.