Naar inhoud springen

Kemzieks woordenboek/Thema's

Uit Wikibooks

APPARAAT

[bewerken]
  • Een apparaat (bv. hoorapparaat en fototoestel); een kunstgebit - nən ap.pa.’rel
  • Een centrifuge - nə ‘zwier.dər; nən 'drjuug.zwier.dər
  • Een draagbare radio - nə por.ta.tief
  • Een fototoestel - nə ko.'dak
  • Een gasfornuis - ə ‘gaa.zə.vuur
  • Een mangel - nə vrin.gər
  • Een naaimachine - ə ‘stik.ma.sjien; ə ‘nwjaa.ma.sjien
  • Een slingeruurwerk - nə rig.gə.la.’tuir
  • Een telefoon - nən tel.lə.’fon
  • Een televisie - nən tel.lə.’vies

BEROEP

[bewerken]
  • De apotheker - dən ap.’tee.kər
  • De beheerder van een postfiliaal - də post.mjies.tər
  • De boswachter - də ‘gar.dən
  • De dierenarts - də ‘pjɛ̃r.də.mjies.tər
  • De douanebeambten - də kom.’mie.zən
  • De drankenhandelaar - dən braar
  • De grafdelver - də ‘graf.mou.kər
  • De man die je op de bus een kaartje kwam verkopen - də koon.vwjo.'juir
  • De notaris - də no.’tor.ries
  • De oogarts - dən 'uujg.mjies.tər
  • De pastoor - də ‘pas.tər; də pas.'tjuur
  • De directeur van de lagere school - dən ‘boo.və.mjies.tər
  • De kleuterleidster - də 'juf.fra
  • De slager - dən ‘bjien.aar; də 'slag.tər
  • Een administratief bediende - i zi.top dən bu.roo
  • Een advocaat - nən av.və.’kout
  • Een agent - nə po.'lies; nən a.'zjent
  • Een arbeider die zwaar grondwerk doet - i zi.top dən tra.’voo
  • Een boekhouder - nən ‘boek.aar
  • Een brandweerman - nə pom.’pier
  • Een dokter - nən dok.teur
  • Een fietshersteller - nə ‘vee.loo.mou.kər
  • Een fotograaf - nə por.'tretn.trek.kər
  • Een handelaar - nə mar.’sjan; nə kom.mer.'sant
  • Een heier - nə ‘pou.lə.stam.pər
  • Een kapster - ən kwja.’feus
  • Een kinesist - nə mas.’seur
  • Een kokkin - ən ‘koo.kas
  • Een matroos - nə ma.trjuus
  • Een mecanicien - nə mik.ka.'nie.kər
  • Een molenaar - nə ‘mul.dər
  • Een ober - nə gar.'son
  • Een onervaren persoon; een beginneling - ən bleu.kə
  • Een rijkswachter - nə flik
  • Een schaapherder - nə schou.pər
  • Een scharenslijper - nə 'schjei.rə.sliep
  • Een soldaat - nən ‘boe.fer (eerder negatief); nə pa.jot (eerder vaderlandslievend, tevens gebruikt voor iemand die niet in het leger dient en toch erg vaderlandslievend is)
  • Een tandarts - nən daan.'tiest
  • Een veehandelaar - nən ‘bjiez.tə.kjuu.pər
  • Een veldwachter - nə sjam.’pet.tər
  • Een venter - nə leur.dər
  • Een vrouw die het huishouden doet van rijke burgers - zə dient
  • Een werkloze - nən dop.pər
  • Een werkster - ən 'kus.vraa
  • In het leger gaan - nor dən troep goun

BOER

[bewerken]
  • Bieten - bjie.tən
  • Bundels graan rechtop bij elkaar plaatsen - ‘stui.kən
  • De aardappelsoort Sumatra - ‘su:r.tə.maa
  • De bergplaats voor karren en machines - ‘tker.rə.kot
  • De bovenste laag van een mijt zodanig plaatsen dat regen niet in de mijt kan doordringen - 'af.dek.kən
  • De melkerij - də mel.kə.'rɛ̃
  • De oogst - dən oest
  • De kuil waarin aardappelen werden gelegd en afgedekt om bewaard te worden - də pə.tet.mijn
  • De pacht betalen - de sɛ̃s bə.tou.lən
  • De toegang tot een akker over een gracht - ‘tmen.nə.gat
  • De twee houten, lange staken of balken van een lamoen - treemn
  • Diep ploegen - ‘diep.rɛ̃n
  • Dorsen - dus.sən
  • Een aalputemmer aan een stok - ən bjɛ̃r.loet
  • Een akker die heel snel droog ligt - ən voug
  • Een balk of hek waarmee de opening van een weide wordt afgesloten - nən 'dren.bjuum
  • Een behoorlijk lange, dikke stok (bv. om vee te drijven) - nə klip.pəl
  • Een boomgaard - nən ‘boo.gard
  • Een dier dat bevrucht is (in het bijzonder een koe of merrie) - zis gə.'dekt
  • Een dorsmachine - nən ‘dus.meu.lən
  • Een eg - ən ee.gə.də
  • Een riek met gekromde tanden - nə ‘mes.ouk
  • Een hoeve; een boerderij - ən ‘doe.nink
  • Een hooi- of strozolder boven een stal - nə schelf
  • Een hoop hooi of graan zorgvuldig bij elkaar plaatsen - ‘schel.vən
  • Een kar om aal (naar de akkers) te vervoeren - ən 'bjɛ̃r.kɛ̃r
  • Een koe die bereid is om te paren - zis spee.ləg
  • Een koe die geen kalf (meer) kan krijgen - ən kween
  • Een koeienvlaai - nə pla.’des.tər
  • Een konijn doden door het nek te breken - tfas ‘af.sloun
  • Een maaidorser - ə kom.’bien
  • Een mijt zorgvuldig opbouwen - tas.sən
  • Een paard leiden: vooruit!, stoppen!, naar links, naar rechts - ə pjɛ̃rd in dand aan: juu!, ou!; ouw!, 'ɛ̃.rom, 'u:.tom
  • Een paardenjuk - ən oum
  • Een rij aardappelen - ən root pə.tetn
  • Een sikkel - ən ‘zig.gəl
  • Een stoeltje met drie poten om te melken - nə pik.kəl
  • Een taps toelopend stuk land - nən tip
  • Een tractor - nən trek.’tuir
  • Een vaalt - nə mes.put; nə ‘mes.sing
  • Een voor (na het ploegen) - ən vjuur
  • Een zwangere koe of merrie - zə zit vol
  • Ervoor zorgen dat een grote lading hooi of stro tijdens het vervoer niet van de kar schuift, door touwen op de lading aan te spannen - ‘rjie.pən
  • Gemaaid koren bijeen brengen en binden - schjuu.vən
  • Gemet (oppervlaktemaat voor akkers) - gə.meet
  • Gerst - gjest
  • Gier over akkers verspreiden - ‘bjɛ̃.rən
  • Graan met de hand maaien - pik.kən
  • Graan naar de hoeve brengen - men.nən
  • Gras of graan machinaal maaien - ‘af.rɛ̃n
  • Haver - ou.vər
  • Het geldbedragje dat aan een kind van de boer werd gegeven nadat een rund was verkocht, om het nog goed te verzorgen totdat het werd opgehaald om naar het slachthuis gevoerd te worden - ‘stjert.jəs.geld
  • Gras - tgas
  • Het vilbeluik - 'tvul.blik
  • Hooi stapelen op het veld - ‘op.pə.rən
  • Iets over een akker verspreiden (gier, mest of kunstmest) - ‘uit.rɛn
  • Jonge plantjes (bv. van bieten of wortelen) verwijderen zodat andere plantjes meer ruimte krijgen om te groeien - dun.nən
  • Maïskorrels - ‘Spon.sə tɛ̃rf
  • Mestvocht - ma.’sol.lie
  • Met een stok graan uit de aren slaan; erwten uit de gedroogde peulen slaan; rijp fruit uit een boom schudden - ’klip.pə.lən
  • Mond- en klauwzeer - də muil.ploug
  • Planken bovenop een kar plaatsen waardoor meer lading kan worden vervoerd - bar.dəs zetn
  • Prikkeldraad - ‘pin.nə.kəs.droud
  • Pulp (rest van bieten na de verwerking van bieten tot suiker, gebruikt als veevoeder) - puulp
  • Schrikdraad - dən

el.lən.’trie.kən droud

  • Stro - strjuu
  • Tarwe - tɛ̃rf
  • Vroege aardappelen - ‘jies.tə.lingn

DE MAN EN ZIJN ONDEUGDEN

[bewerken]
  • De lokale vrouwenversierder - də pa.’ro.chə.stier
  • Een armoedzaaier - nən 'ɛ̃r.mwjoe.lij.ər; nən 'ɛ̃r.mwjoe.zou.jər
  • Een bangerik - nən ‘broek.schij.tər; nən bə.’naat.schij.tər; ən ban.gə.scheet
  • Een dwarsligger; een koppigaard - nən ‘dwjɛ̃.zən; i ligt dwjɛ̃z; nən ‘et.tə.kop
  • Een egoïst - nən urk
  • Een gemene, egoïstische man - nə 'schurf.tə.rik
  • Een geniepige man die onrust en tweedracht stookt - nən ‘drum.mər
  • Een gierigaard - nən ‘dui.tə.klie.vər
  • Een handelaar die niet te vertrouwen is - nə ‘sjag.gə.rjɛ̃r
  • Een hielenlikker; een slijmerd - nən bou.zə.poe.pər
  • Een hovaardig iemand - nə jan.min.’kljuu.tən
  • Een knoeier - nə ‘mjuus.kljuut; nə ‘mjuus.pot, nə ‘mjuu.sər
  • Een losbol - nə ‘kwies.tən.bie.bəl; nə kwiet
  • Een man die de sociale regels niet volgt; een dommerik - nən an.nə.’wui.tən
  • Een man die hooghartig is - nə ‘stree.kə.vent
  • Een man met een sterke, maar af te keuren, seksuele appetijt - ən jiet ‘vɛ̃r.kən; ən jiet pa.’tee.kən
  • Een nietsnut - nə ‘kloef.kap.pər
  • Een nietsnut die van anderen profiteert - nən ‘biet.skoe.pər
  • Een nieuwsgierig iemand - nə kur.’jeu.zə.’neus; nə kur.’jeu.zə.’neu.zə.’mos.tərd.pot
  • Een onhandige sul die slecht presteert en niet aan de verwachtingen voldoet - nə ‘krab.bə.koo.kər
  • Een onnozele, waardeloze vent - nən ‘oe.lə.wap.pər
  • Een onsympathieke, vervelende vent - nən ‘beu.rik; nə ‘jan.min.gat
  • Een onuitstaanbare vent - nən ‘bad.dən
  • Een opschepper - nən bla.’geur.mou.kər; nə stoe.fər; ən ‘wind.blous
  • Een slappeling; iemand die niets durft - nə 'la.bə.kak
  • Een slome - nə ‘lam.zak
  • Een sullig persoon - nən dzoe.bən
  • Een valsspeler - nən ‘or.zak
  • Een vitter; iemand die misbaar maakt over onbenulligheden - nə ‘pee.zə.wee.vər
  • Een zonderling - nən our.də.gən
  • Iemand die achterbaks is - die is oon.dər.’dums
  • Iemand die allerlei zaakjes ritselt; een bedrieger - nə ‘foe.fə.ljɛ̃r
  • Iemand die als minderwaardig werd behandeld - die wierd schjief bə.’kee.kən
  • Iemand die anderen ophitst - nən ‘op.mou.kər
  • Iemand die anderen tegenwerkt - nə vrin.gər
  • Iemand die de zaken lastig maakt - nən ‘troe.tən; nə ‘schjief.zjie.kər
  • Iemand die echt niet deugt - nə 'niet.op; ə stuk stroont; nə 'gang.stər
  • Iemand die een onsympathiek karakter heeft - i ee dən (slecht) kar.rə.’tjɛ̃r
  • Iemand die egoïstisch is en zich enkel materieel wil verrijken - nən eb.bər
  • Iemand die geen enkele ambitie heeft of geen goed werk aflevert - nə vod.də.vent
  • Iemand die gemeen kan zijn - die kan ljulk uit dən oek kom.mən
  • Iemand die iedereen naar de mond praat - nən ‘too.tən.trek.kər
  • Iemand die in alles het negatieve ziet en geen levensvreugde uitstraalt - nən a.'zijn.pis.sər
  • Iemand die je nooit ziet lachen of plezier maken - nən ‘drjuug.kljuut
  • Iemand die niet aandachtig is en de gevolgen van z’n daden niet bekijkt - i is nee.glie.’zjent
  • Iemand die niet gemotiveerd is om te werken; iemand die geen orde en regelmaat kent - nə ‘flie.rə.flui.tər
  • Iemand die niet goed wijs is - nən ‘al.və ‘gou.rən
  • Iemand die niet te vertrouwen is - nə fie.’loe
  • Iemand die niet veel durft; een flauwerik - nə ‘lab.bə.kak
  • Iemand die ongewenste seksuele handelingen stelt - ə vet.zak.skə
  • Iemand die overal zijn voordeel haalt, desnoods met illegale middelen - nə scha.mo.’tuir (oorspronkelijk een kleibaggeraar of escavateur in de gelaagputten)
  • Iemand die snel en veel eet - nən ‘deur.jou.gər; nə ‘fret.zak
  • Iemand die snel geïrriteerd wordt als hij moet wachten - nən on.gə.’duu.rəg.ord
  • Iemand die vaak gemene dingen doet, maar zijn ware aard weet te verbergen - nən 'ei.mə.lek.kən
  • Iemand die vaak onrustig en gestresseerd is - ən ‘zee.nə.pees
  • Iemand die van mening is veranderd - i ee zin.nə ka.’zak gə.drwjaad
  • Iemand die verschrikkelijk koppig is - nə ‘stjien.ee.zəl
  • Iemand die voor het minste pijntje gaat klagen - nə ‘klɛ̃n.zjie.rə.gən
  • Iemand die weinig of niets zelf doet en profiteert van het werk van anderen; iemand die over het minste pijntje gaat klagen, vaak om zich aan een taak te onttrekken - nə ka.’rot.tən.trek.kər
  • Iemand die zich vlug kwaad maakt - tis nə ko.’trie.kə.gən
  • Iemand die zijn standpunt per se wil doordrijven; iemand die in een geschil geen toegeving wil doen - i aa zin.nə kop stijf
  • Iemand op wie je niet kan rekenen; iemand die niet doet wat hij belooft - nə ‘zjie.kər

DE VROUW EN HAAR ONDEUGDEN

[bewerken]
  • Een bazige vrouw (tegenover haar man) - nə sjam.pet.tər
  • Een bitsige vrouw - ən pie.kə.’tijn
  • Een gierige vrouw - ən ‘gie.rə.gə pin
  • Een dwaze vrouw - ən kal
  • Een onhebbelijke, gemene vrouw - ən tang; ən vui.lə ros
  • Een opgetutte vrouw - ən mies.taan.’get
  • Een venijnige vrouw - ən (‘smjɛ̃.rə.gə) tiek
  • Een vrouw die hooghartig is - ən ‘stree.kə.ma.dam; ən kak.ma.dam
  • Een vrouw die liegt - ən leu.gə.nas
  • Een vrouw die luid praat of lacht - zə ‘schet.tərt; tis ən ‘schet.tər.kont
  • Een vrouw die onsympathiek overkomt - ən trees
  • Een vrouw die verschrikkelijk aan 't zagen is - da mɛ̃ns is vrjied ont per.mə.’tee.rən
  • Een vrouw die zich niet verzorgt of haar huis niet onderhoudt - ən slons
  • Een vrouw van lichte zeden - ən kie.lə.’boes; tis ər iejn van ach.tər troum

DIER

[bewerken]
  • De houtworm - də mulm
  • Een bromvlieg - nə 'roon.kord
  • Een bunzing - nə vis; nə fis
  • Een cavia - ən stjien.sə rat
  • Een dikke vlieg - nə mwjaa.schij.tər
  • Een eend - ən piel (een piel is eigenlijk een eendenkuiken)
  • Een egel - ə 'stee.kəl.vɛ̃r.kən
  • Een hommel - ən 'bom.bie
  • Een jonge kip - ən poe.’lie
  • Een kalf - nə mut.tən
  • Een kanarie - nə ka.'nan.nə.voo.gəl; ən ‘pie.tə.kə
  • Een kikker - nə puit
  • Een kikkervisje - ən oe.kə.’doe.lə.kə
  • Een kip - ə 'kie.kən
  • Een kuikentje - ən ‘tsjiep.kə
  • Een leiband (voor een hond) - ən lis
  • Een leeuw - nə ljie
  • Een libel - nə ‘glou.zə.snɛ̃r (In de Vlaamse dialecten, zelfs in deze van het Waasland, verschillen de namen van insecten erg van elkaar; zie: e-WVD: Woordenboek van de Vlaamse Dialecten, https://www.e-wvd.be/lid/wvd/f?p=131:1::::::)
  • Een lieveheersbeestje - ə pie.tər.’nel.lə.kə
  • Een mannetjesduif - nə koo.pə.rən
  • Een mannetjeskonijn - nə ‘rip.pər
  • Een meeuw en de meeuwen - nə mjie en də mjien
  • Een meikever - nə ‘meu.lə.njɛ̃r
  • Een merel - nə 'mjɛ̃r.lon
  • Een mier - nə 'mjuu.rə.zjie.kər
  • Een oorworm - nən ‘tjie.nə.nij.pər
  • Een pad - ən pad.də
  • Een papegaai - nə pap.pə.’gwjaa
  • Een parkiet - nə per.’ruusj
  • Een pauw - nə paa
  • Een regenworm - nə pie.lə.’wui.tər
  • Een spreeuw - ən sprjie
  • Een staart - nə stjɛ̃rt
  • Een steekvlieg - nən dous
  • Een stekelbaarsje - ə ’stee.kəl.bak.skə
  • Een uier - nən eur
  • Een vaars - ən vjɛ̃s
  • Een vleugel van een vogel - nə ‘vleu.rink
  • Een vrouwelijk konijn - ən vwjoe
  • Een zwaluw - nə ‘zwom.məl

DOOD

[bewerken]
  • Een dode - nən djuun
  • Een doodsprentje; een bidprentje - ən djuu.’bie.lə.kən
  • Een grafsteen - ə zɛ̃rk
  • Hij is begraven - i lee.tər oon.dər
  • Hij rouwt - i is in də raa
  • Iemand is overleden - i eet zin kjɛ̃s ut.gə.blouzn; i eet zin.nə kop gə.leen
  • Iemand is overleden en opgebaard - i ligt in ‘lij.kən

FAMILIE EN SOCIAAL

[bewerken]
  • De waarheid - də wo.red
  • Een babbeltje slaan - kat.tə.'naan.sə; kaa.tən
  • Een binnenvetter; iemand die zijn ontgoochelingen en frustraties niet onder woorden brengt - nən 'er.tə.fret.tər
  • Een CVP'er - nə 'kat.tə.kop
  • Een homo - ən zja.net
  • Een jubileum - nə zjuu.bie.'lee
  • Een meisje en een jongetje - ə mes.kə; mes.kən en ən jong.ske
  • Een man of een jongen die te beklagen is - nən duts
  • Een mens - nə mɛ̃ns
  • Een niet nader bepaald aantal chiroleden - də ‘gie.roos
  • Een niet nader bepaald aantal mannen - ‘man.nə.vol.lək
  • Een oom - nə noon.kəl
  • Een oudere mannelijke vrijgezel - nə 'joonk.man
  • Een socialist - nə sos
  • Een speciaal, nogal eigengereid iemand; iemand van wie je niet zomaar wat gedaan krijgt - tis nə 'num.mə.roo
  • Een stotteraar - nən ‘ak.kə.ljɛ̃r; nən ‘dod.də.ljɛ̃r
  • Een tante - ən taant
  • Een vleier - nə 'maa.vee.gər
  • Een vrouw die te beklagen is - ən sljuur
  • Een vrouw die veel tegenslag heeft - ən suk.kə.las
  • Een vrouw die voor zichzelf opkomt en tegen de wensen en eisen van haar man ingaat - ən dol.lə mie.na
  • Een vrouw en een man (personen waarover men verder amper iets weet) - ə ‘vraa.mens en ə ‘man.nə.mens
  • Een weduwe en een weduwnaar - ən weef en nə 'wee.və.njɛ̃r
  • Een zoon en zonen - nə zeun en zeuns
  • Het bejaardenhuis - taa.’pee.kəs.uis; tsticht
  • Het comité - 'tkom.mie.teit
  • Iemand die geen plagerijtjes kan verdragen - nə ‘sui.kə.rən
  • Iemand die liberaal stemt - i is vur de blaa
  • Iemand die onduidelijk spreekt - nən ‘broe.bə.ljɛ̃r
  • Iemand die overdreven vriendelijk is - nə ‘plat.tən
  • Iemand die praktische grappen uithaalt - nə far.’suir
  • Iemand die tegenspreekt - ən ‘fran.kə toot
  • Iemand die teruggetrokken leeft en niet sociaal is - i is op zin ‘ɛ̃.gən
  • Iemand uit het buitenland; iemand die niet tot de vertrouwde sociale kringen behoort - nə vrem.dən
  • Iemand van wie het sociaal gedrag niet alledaags te noemen is; iemand met bijzondere talenten - tis nə spis.’sjaa.lən
  • Kinderen - klɛ̃n man.nən
  • Mijn buurman - min.nə gə.buur
  • Mijn neef - min.nə koz.zən
  • Mijn vriend; mijn maat - min mot.sjə; min.nə mout
  • Moeder - moen
  • Onze vader - oonz vod.dər
  • Ouders die hun kind al tijdens hun leven het overgrote deel van hun vermogen hebben gegeven - zem.mən ul.dər ‘uit.gə.kljied
  • Schoonfamilie - 'oun.gə.traa.də fa.'mie.lə
  • Verre familie - van tzee.vəs.tə knjuups.gat
  • Ze krijgt weinig bezoek - zə ee wɛ̃.nəg oun.sprouk

FIETS

[bewerken]
  • Een bagagedrager - ə stoe.lə.kə
  • Een bakfiets - nən trie.por.’teur
  • Een fiets - nə ‘vee.loo; nən ar.lie trap.son
  • Een fiets met pedaalremmen - nən tor.’pee.doo; nən ‘tor.pə.doo
  • Een lekke band - nə ‘plat.tən tsjoep; min.nən baand ee.dən fwiet
  • Een reflector - ən ‘kat.tən.juug
  • Een spaak van een wiel - nə ri.’jong
  • Een spatbord - ən ‘moor.schelp
  • Een spatlap - nə ‘spjiet.lap
  • Een tandwiel van een fiets - nə pie.jon
  • Een ventiel - nə soe.’pap
  • Een versnellingsapparaat - ‘vie.tes.sən; ə vər.'zet
  • Een zadel - ən zoul
  • Remmen - frɛ̃ns
  • Velgen - ‘zjan.tən

FINANCIEEL EN JURIDISCH

[bewerken]
  • Armoede - ‘ɛ̃r.mwjoe
  • Cash - bour geld
  • De gevangenis - dən a.’mie.goo; dən bak
  • De opzegtermijn - dən ‘op.zeg
  • De verzekering - ‘das.graan.sə
  • Een kasticket - ə soesj.kə
  • Een klant - nə ka.'lant
  • Een koopje; iets dat men tweedehands koopt - ən ok.ko.zie
  • Een kwitantie - ən kie.'taan.sə
  • Een opslagplaats - nən die.'poo
  • Een premie - nə priem
  • Een waarschuwing van een gezagsdrager (bv. een agent) - ə rə.plə.’ment
  • Een zaak die duur is om aan te kopen of te onderhouden - tis ən run.nə.wien
  • Er is een juridische beslissing genomen - dər is bə.’schjied gə.doun
  • Er zijn verkiezingen - tis keuz; tis ‘kie.zink
  • Failliet zijn - op strout stoun
  • Geld op een spaarboekje of dat niet meteen aangewend wordt - lig.gənd geld
  • Het gemeentehuis - tgə.’mjien.tən.uis
  • Hij heeft geërfd - i ee gə.’djield
  • Hij is failliet - i is gə.rin.nə.weerd
  • Hij krijgt steun van de Openbare Onderstand (nu: het OCMW) - i leeft van dən ‘ɛ̃r.mən
  • Hij verdient goed - i ee.dən schjuun pree
  • Iemand die de prijs opdrijft bij een openbare verkoop - nə ‘strjuut.sjəs.man
  • Ik heb een officieel bericht gekregen - kəm tɛ̃nk gad
  • Ik heb mijn loon ontvangen (destijds om de veertien dagen) - kem ka.’zjiem gə.trokn
  • Schade - schwjaa
  • Werk - ‘wɛ̃.rək

GEBAK

[bewerken]
  • Amandel- of kokosrotsjes - ma.’krons
  • Een eclair - ə ‘sjoe.kən
  • Een gebakje in de vorm van een zwaan - ə zwon.tsjə
  • Een gebakje van meringue - ə mer.vi.’jeu.kə
  • Een hoorntje, gevuld met vanillecrème - ən ‘jɛ̃.rə.pijp
  • Een klein rond koekje met gekleurde harde suiker erop (van de Sint) - ə 'mok.skə
  • Een krentenkoek - nən ‘bee.zə.koek
  • Een rond broodje; een pistolet - nə pies.too.’lee
  • Een taart - ən toert
  • Een tompoes - ən ‘boek.skən [AVH]
  • Een vlaai - ən vlwjaa
  • Een wafel - nə ‘wof.fəl
  • Eender welk gebakje waarvoor geen aparte naam bestaat - ə pa.'tee.kən
  • Speculoos - spik.kə.lous

GEREEDSCHAP EN MATERIAAL

[bewerken]
  • Chroom - krom.'mee
  • De verlostang - dij.zərs
  • Een aarding (bv. in een stopcontact) - nən tjɛ̃r
  • Een aluminium drinkbus - ən pul.lə
  • Een boodschappentas - ən kal.lə.’bas; ən ka.’baa
  • Een condoom - ən ka.poot
  • Een dekzeil (ook om tegen de regen beschermd te zijn op de fiets) - ən basj
  • Een deuk (bv. in een auto of een kookpot) - nən bluts
  • Een dop - ən 'dop.səl
  • Een draagtas; een rugzak - ən ba.’zas
  • Een elastiek - nə 'rek.kər
  • Een flessenopener - nən ‘af.trek.kər; nə ‘stoe.pən.trek.kər
  • Een gaatje - ə got.sjən
  • Een hark - ən rijf
  • Een hechtpleister - nə ‘plak.kər
  • Een juten zak - ən boul
  • Een kaars - ən kjɛ̃s
  • Een kassei - nə kal.lə.sɛ̃
  • Een knapzak - nə kan.’duit; nə ‘schoof.zak
  • Een ladder - ən ljier (let op: een jas van leer is "nə lee.rə frak")
  • Een lampfitting - ən sok.'ket
  • Een lucifer - ə ‘stek.skə
  • Een magneet - ə ‘plak.ij.zər
  • Een mand - ən man.də
  • Een olielamp - nə kin.’kee
  • Een portefeuille - nə por.tə.’fuul
  • Een postzegel - nen ‘tem.pər
  • Een rietje (om te drinken) - ə strjuu.kə
  • Een ringetje dat als pakking dient - ə ron.del.lə.kə
  • Een schaar - ən schjɛ̃r
  • Een schoffel; een hak - nə ‘kap.pər
  • Een schoudertas (gedragen over één schouder) - nən bal.lə.’son
  • Een schroevendraaier - ən toer.na.’vies
  • Een sleutel - nə ‘sneu.təl; nə ‘sleu.tər
  • Een spade - ən spwjaa
  • Een tuit (bv. van een koffiepot) - ən teut
  • Een veiligheidsspeld - ən ‘toe.spel
  • Een verdeelstekker - nə kat.tə.kop
  • Een vijs die niet kan worden aangedraaid - deez vijs drwjaat (gə.lek) zot
  • Een zaklamp - ən 'piel.lamp; ən 'piel.licht
  • Een zeis - ən zɛ̃s
  • Een zekering - nə plong; nə plon
  • Elektriciteit - dən el.lən.'triek
  • Iets waar je batterijen voor nodig hebt - da werkt op ‘pie.lən
  • Kippengaas - ol.lə.kəs.droud
  • Piepschuim - ie.sə.'moo
  • Potten van klei waarin gezouten groenten (bv.sperziebonen) werden bewaard – Kjuul.sə potn
  • Resten, andere dan bezinksel, die aan een recipiënt blijven kleven (bv. eten, melk) - ‘oun.lwjaa.səl
  • Rode menie - rjuu mien
  • Stopverf - mas.’tiek
  • Tape om een windel vast te maken of om een gaatje te dichten - ‘spar.rən.drap

GROENTEN EN FRUIT

[bewerken]
  • Aalbessen - 'tros.kəs.beezn
  • Aardbeien - 'jɛ̃.rə.beezn
  • Bramen - 'brom.beezn
  • Een bloemkool - ən 'blom.kjuul
  • Een Clapp’s Favourite (peersoort) - ən klaps
  • Een kersenboom - nə 'kjɛ̃.zə.ljɛ̃r
  • Een mispel - ən 'mup.səl
  • Een peer - ən pjɛ̃r
  • Een perzik - ən paas; ən pisj
  • Een pruim - ən prum
  • Een savooikool - ən sa.'vwjoe
  • Een schorseneer - ən schor.sə.'njiel
  • Een sinaasappel - nən ap.pəl.'sien
  • Een tomaat - ən tom.mat [AVH]
  • Een ui - nən ajuin
  • Een walnoot - ən 'boe.rə.noot
  • Erwten en wortelen - 'et.sjəs en 'pee.kəs
  • Kersen - kaa.ze.'kriekn
  • Peterselie - pie.tər.'see.lie
  • Prei - 'pa.rei
  • Rabarber - rə.'ber.bər
  • Rodekool - rjuu.'kjuul
  • Salade; sla - sa.'lwjaa
  • Spinazie - 'spie.nwjaa.zie
  • Stekelbessen - 'stik.kəl.beezn

HUIS

[bewerken]
  • De beerput - dən 'bjɛ̃r.put
  • De bestekamer; het salon; de plaats waarin niet dagelijks werd geleefd, enkel hoog bezoek werd ontvangen - ‘tveur.uis
  • De betegeling rond het huis (meestal enkel aan de voorgevel) - ‘tplan.sier
  • De brievenbus - də bwjout
  • De eetplaats - ‘dit.kom.mər; ‘dit.plots
  • De koer achteraan het huis, bij de keuken - dən ach.tər.’buitn
  • De voordeur - də ‘veur.deur
  • De zolder - 'top.pər.stə
  • Een dakgoot - ən kor.’nisj
  • Een deurstijl - nə sjam.’brang
  • Een gemetseld waterreservoir - nən ‘tras.bak
  • Een gemetselde bak in de kelder waarin gepekeld vlees werd bewaard - ən ‘vljiez.kuip
  • Een hek - ən ek.kən
  • Een kalklaagje op een muur aanbrengen - witn
  • Een kamer waar erg veel gerookt is - dər angt nən dikn doemp
  • Een klink - ən kleenk
  • Een omheinde groentetuin - nə 'loch.tink
  • Een likje verf - ə lek.skə vɛ̃rf
  • Een plankenvloer - nə plan.’sjee
  • Een schouw - ən schaa
  • Een serre - ən sjɛ̃r
  • Een slaapkamer - ən ‘slop.kom.mər
  • Een spleet (bv. tussen planken of tegels) - nə 'gar.rəl
  • Een spoelbak in de keuken - nə 'pomp.stjien
  • Een stutbalk - nə pə.’trel; nə ‘poe.trel
  • Een tegel - nən ‘ti.chəl
  • Een tuin - nən hof
  • Een urinoir - ən pie.’sien
  • Een venster - ən ‘veng.stər; ən ‘vus.tər
  • Een vensterbank - ən 'veng.stər.blad; ən 'veng.stər.ta.blet
  • Een vensterluik - ən blaf.fə.’tuur
  • Een vloertegel in natuursteen of beton - nən dal
  • Een vochtige muur - ən ‘boch.tə.gə muur
  • Het achterhuis - ‘tpomp.uis
  • Het afvoerputje - ‘tmoor.put.tə.kən
  • Het grasveld waarop linnengoed aan de zon wordt blootgesteld om wit te worden - dən bljiek
  • Het portaal bovenaan een trap - dən al.’lee; dən ‘oo.vər.ljuup; də pal.’jee
  • Het toilet buiten, zonder stromend water - ‘tus.kən, tvər.trek, də koer
  • Hout of een muur met teerverf beschermen - tjɛ̃rn
  • In de tocht zitten - in dən trok zitn
  • Rolluiken (later ook zonneblinden en luxaflex) - pər.’sjəns

HUWELIJK

[bewerken]
  • De huwelijkspartner verlaten en met iemand anders gaan samenwonen - er van.'oon.dər trekn
  • Een liefje (meestal van tijdelijke aard) - ə 'mok.skə
  • Het bruidspaar - də traars
  • Het huwelijksgevolg - də swiet
  • Hij heeft een affaire met iemand - i ee.tər mee iejn van.’doen; i aad oun
  • Hij is verloofd - i ee ‘ken.nis
  • Huwen; trouwen - traan
  • Lieverd (tussen echtgenoten) - ‘loe.kə

KAARTEN

[bewerken]
  • Abondance - ab.bən.’daans
  • De eerste kaart op tafel leggen - ‘uit.kom.mən
  • De kaarten niet correct verdelen - mis.’djie.lən
  • Een joker - nə zjoo
  • Een spelletje solitaire winnen - kzin uit.gə.rokt
  • Hoge kaarten: koning, koningin, boer - ‘prent.sjəs: nə 'keu.nink; nən jier, ən dam; ən vraa, nə zot
  • Kaarten - kor.tən
  • Kaarten in je hand volgens kleur en waarde ordenen - də kor.tən stee.kən
  • Kleuren in het kaarten: harten, klaveren, ruiten, schoppen - et.təs, er.təs; klou.və.rən, klou.vərs; ‘pij.kəs; ‘koe.kəs
  • Men heeft het aantal geboden slagen net gehaald - tis nə ‘zjuus.tən
  • Overtuigd zijn dat je bij wiezen geen enkele slag zult halen en al je kaarten op tafel leggen - mie.’zee.rie op tof.fəl
  • Solitaire - ‘af.leg.gər.kə

KERK

[bewerken]
  • Bidden - lee.zən
  • Bidden tot een heilige om van een ziekte te genezen of een kwaal te verhelpen - ‘af.lee.zən
  • De kerkbaljuw - də swies
  • De paashaas doet zijn aankopen in de Nopri - də ‘pous.klokn vər.trekn nor ‘Rjuu.mə
  • De parochie - də pa.’ro.chə
  • De pastoor - də 'pas.tər
  • De pastorie - də pas.tor.'rie
  • Een doopmeter - ən pit.tə; ən pit
  • Een dooppeter - nə ‘pee.tə.rən
  • Een kerk - ən kɛ̃rk
  • Een mis - nən dienst
  • Een opzichtig kerk- en pastoorsgezind iemand - nə piel.’jɛ̃.rən.bij.tər
  • Een schapulier - ə ska.pu:.’lier
  • Een schapulier in de vorm van een medaille - ə ma.’do.lie.kə
  • Het geld dat tijdens een misviering bij elke aanwezige wordt opgehaald voor het onderhoud van de kerk - ‘stoe.lə.kəs.geld
  • Het klooster - 'tkljuus.tər
  • Het koor - tkjuur
  • Het oksaal - ‘tjuug.zoul
  • Het vormsel - tvurm.səl
  • Kerstmis - ‘kest.dag
  • Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart - aalf oest (eigenlijk: halverwege de oogst)
  • Op bedevaart gaan - gon 'bee.wee.gən
  • Palmzondag - pal.mə.zon.dag
  • Pinksteren - Sink.sən

KEUKEN

[bewerken]
  • De gootsteen - də pom.bak
  • Een vergiet - ə stra.’mien
  • Een aardappelmesje - nə pə.'tet.schel.dər
  • Een blikopener - nən 'oo.pən.doen.dər
  • Een bord - ən tal.’juur
  • Een deksel - ə scheel
  • Een dienblad - nə pla.'too
  • Een grote kookketel - nə mar.’miet
  • Een keukenhanddoek - nən ‘af.drjuu.gər
  • Een koffiezak in een koffiepot - ən ‘kaf.fə.buz
  • Een kookpot - nə kas.’trol
  • Een lepel - nə 'lee.pər
  • Een metalen rekje waarop de kookpot op tafel werd gezet - ən bar.rə.kən
  • Een roerzeef - nə paz.zə.’viet
  • Een schuimspaan - ən ‘schum.blad
  • Een soepbord - ən diep bord
  • Een vaatdoek - ən ‘schoo.təl.vod.də
  • Een voorschoot - nə ‘vus.schjuut
  • Een vork - ə vər.’ket; ən vurk
  • Een waterketel - nə mjuur
  • Het botervlootje - dən 'boo.tər.pot
  • Met de hand koffiezetten - op.gietn

KIND

[bewerken]
  • De jeugd - də jonk.ed
  • De kraamkliniek - tmoe.dər.uis
  • De lieveling van de juffrouw - də feb, də ‘feb.bə.kak
  • De plasser van een jongen - nə pie.zə.’wie.tər
  • De puberteit - də bib.bər.jou.rən
  • Doopsuiker - 'kin.nə.kəs.kak
  • Een baby'tje - ən ‘boe.lə.kə; ə plat keend
  • Een braaf, maar saai en klagerig meisje - ən ‘seu.tə.bees; ən ‘seu.tə.mie
  • Een buggy - ə stee.kər.kə [AVH]
  • Een fopspeen - nən ‘tuu.tər; ən ‘tie.kən
  • Een kind dat al flink is gegroeid of al behoorlijk zelfredzaam is - ə ferm bou.zə.kə; ə ferm bos.kə
  • Een kind dat iets heeft uitgespookt of regelmatig iets uitspookt - ə ‘snot.joonk
  • Een kind dat niet stil kan zitten, niet aandachtig is en niets ernstig neemt - nə ‘ruu.lə.’wuu.tər
  • Een kind dat nog in zijn bed plast - nən ‘bed.də.zjie.kər
  • Een kind kietelen op de buik - ‘krie.be.lən.buik doen
  • Een kinderwagen - ən vwja.’tuur; ən koets
  • Een kwajongen - ə pa.'tee.kə; ə pa.'tee.kən
  • Een luier - nə ‘pis.doek
  • Een park voor baby’s en peuters - nən boks
  • Een rakker; een deugniet - nə gal.’jaar
  • Een slabbetje - ən ba.'vet
  • Een stout kind - nə ‘fran.kord
  • Een wipstoeltje (voor baby’s) - ə ‘wip.pər.kən
  • Een zielig kind - nən duts
  • Geboorte - gə.bor.tə
  • Het jongste kind van een gezin - də ‘kak.kə.nest

KLEDIJ

[bewerken]
  • Een beha - nə soe.’tjen; nən ‘tet.zak
  • Een bontjas - nə pel.sə.frak
  • Een boord onderaan een jurk (of een ander stuk stof) - ən ‘bie.zə.kən
  • Een corset - nə kor.’see
  • Een das - nə 'plas.'tron
  • Een drukknoop – ə 'piet.sər.kə
  • Een fluwelen jas - nə floe.rə frak
  • Een gebreide sjaal - nə gə.'bree sjal
  • Een gesteven hemd - ə stijf em
  • Een gulp - ən spriet
  • Een hemd met ruitjes - ə ka.’roo əm
  • Een hielstuk aan de binnenzijde van een schoen - nə koun.trə.’fjuur (van het Franse contrefor)
  • Een jas - nə frak
  • Een jurk - ə kljied
  • Een kap (aan een jas) - ən kap.pə.’teut
  • Een kraag - nə kol
  • Een lange, meestal grijze, schort gedragen om de kleding te beschermen - nə stof.frak
  • Een lange jas - nə ga.bar.’dien
  • Een mouw - ən maa
  • Een muts - ən pots
  • Een nachtjapon - ə ‘slop.kljied
  • Een onderhemd - ən ‘oon.dər.lif.kə
  • Een onderrok - nə kom.bie.nə.’zong
  • Een opvouwbaar regenjasje - nə kaa.wee
  • Een panty; een collant - ən ‘kaa.sə.broek
  • Een pet - ən klak
  • Een pochet - ə ‘stoe.fər.kə
  • Een puntmuts - ən pin.nə.muts
  • Een regenjas - nən im.pər.mee.’jaa.bəl
  • Een rits - ən tie.'ret
  • Een rokkostuum - nə ‘pie.tə.ljɛ̃r
  • Een sjaal - nə sjal
  • Een sluier - ən vwjal
  • Een tuinbroek - ən sa.loo.pet
  • Een veter - nə ‘nes.tlink; nə ‘nes.tling
  • Een voering – ən voe.jə.rink
  • Hij draagt een kledingstuk binnenstebuiten - i ee ət ‘aa.və.rechs oun
  • Ik krijg jeuk van de trui die ik draag - min.nən trui piekt!
  • Kleren - kljie.rən
  • Klompen - blokn
  • Laarzen - botn
  • Nylonkousen - zɛ̃.'kaa.sən
  • Rubberen laarzen - kat.’sjoe botn
  • Sandalen - ‘slet.sən
  • Sloffen (schoeisel) - ‘slef.fərs (enkel vooraan dicht); ‘sloe.fən (rondom dicht)
  • Stevige, hoge wandel- of werkschoenen - bot.'tie.nən
  • Suède - dɛ̃
  • Teenslippers - ‘pie.lə.pjuu.tən

LICHAAM

[bewerken]
  • Bakkebaarden - fa.sjən
  • Blootsvoets - ‘ber.rə.voets
  • Blozende wangen - bloo.zə.’kriek.skəs
  • Bovenarmspieren - ‘fors.baln
  • Bruin bier stimuleert de borstvoeding - bruin bier is goe vər tzog
  • De bevalling - 'tkin.dər.bed.də
  • De menopauze - tkjie.rən van də jou.rən
  • De ouderdom - dən ‘aa.wər.dom
  • Dikke benen - ‘wɛ̃.pouln
  • Dikke snot die aan de neus blijft hangen - ən snot.kjɛ̃s
  • Donshaar - ‘paa.zə.wol
  • Dunne benen - ‘stek.kə.bjie.nən
  • Een appendix; een ontsteking van de blindedarm - nən ap.paan.də.'siet; ap.paan.də.'siet
  • Een borst - ən bust
  • Een brildrager - ən ‘bril.lə.kas
  • Een dikke man - nə ‘pap.zak
  • Een fors bovenlichaam - ən fer.mə ka.’ruur
  • Een gezicht - ə weezn
  • Een hart - ən ert
  • Een hoofd - nə kop
  • Een jongen met lang haar - nən bie.təl
  • Een knipoog - ən juug.skə trekn
  • Een kus - ən toot; ən beez; ən ‘too.tə.beez
  • Een lang, mager persoon - nən ‘bjuu.nə.stouk
  • Een lende - ən lee
  • Een lies - ən ‘jie.kə.nis
  • Een lip - ən lep
  • Een maaltand - nən ‘bok.tand
  • Een magere vrouw - ən ‘pan.lat; ən spie
  • Een navel - nə ‘nou.gə.lən.buik
  • Een ongelijkmatig gebit - ən ‘pjɛ̃r.də.muil
  • Een onverzorgd iemand - nə ‘mot.tə.gord
  • Een oog - ən juug; ən uujg
  • Een oude man - nən aa pee
  • Een oude vrouw - ən aa djuus
  • Een paardenstaart (van een meisje) - ən 'pjɛ̃r.də.kod.də;nə 'pjɛ̃r.də.stjeirt
  • Een piemel - nə flosj
  • Een schouder - ən schour
  • Een schriele mannelijke borst - ən kie.kə.bust
  • Een slungel - nə (lan.gə) zwiep
  • Een snottebel - ən ‘snot.kjɛ̃s
  • Een spottend lachje - nə ‘gree.məl
  • Een struise, sterke man - nən bjuum van nə vent
  • Een teen - nən tjien
  • Het voorste kootje van een vinger - dən tsjoep
  • Een vrouw met grote borsten - dər is veel vol.lək in də stou.sə
  • Enkels - ‘knoe.səls
  • Gaatjes in de tanden vullen - plom.’bee.rən
  • Golvend haar - ‘bek.kən int our
  • Grote handen - ‘kool.schup.pən
  • Haar haar - eur our
  • Hersenen - ‘es.səs
  • Het voorste kootje van een vinger - dən tsjoep
  • Hij heeft een dutje gedaan - i ee nən trok gə.doun
  • Hoofdroos - ‘pel.lə.kəs
  • Iemand die niet tegen kietelen kan - i is 'kie.təl.ach.təg
  • Iemand is buiten adem - i eet op zin.nən os.səm gə.’trapt
  • Iemand met een onverzorgd uiterlijk - nən ‘boo.ee.mər
  • Iemand met ros haar - nə ‘ros.tə.kop
  • Kippenvel (van koude of emotie) - ‘kie.kə.vljiez
  • Klein en gedrongen - gə.blokt
  • Klein van gestalte - klɛ̃n van pos.'tuur
  • Lichaamsgeur - ‘lif.geur
  • Naakt - in zin.nə ‘pad.də.rən; in zin.nən ‘bljuu.tən; in zin.nə flik.kər
  • Naar het toilet gaan - nour tgə.mak goun
  • Rillen van de koude - ‘dou.və.rən van də kaa
  • Speeksel - ‘spug.səl;'spjiek.səl
  • Speeksel aangebracht om een kind te troosten na een val (in eerste instantie door de moeder) - ‘moe.dər.kəs.zalf
  • Sterk, maar klein en geblokt - gə.’stuukt
  • Stug haar - ne ‘vɛ̃r.kəs.bus.təl
  • Tanden van kinderen - tan.də.’bie.tərs
  • Teelballen - ‘klies.tərs
  • Vaginaal vocht - jeugd
  • Vlechtjes - ‘kod.də.kəs
  • Wenkbrauwen - 'wenk.braan
  • X-benen - ‘mut.tə.kəs.knien
  • Ze is in verwachting - zis in po.'zie.sə
  • Zweetvoeten - ‘stink.pa.tees; ‘zwjiet.pa.tees

MEUBELEN EN DECORATIE

[bewerken]
  • Een bed - ən bed.də
  • Een beeld van O.-L.Vrouw onder een glazen stolp - ən lie.və.'vraa
  • Een deken - ən ‘soz.zə
  • Een divan - nən die.vang
  • Een doek dat men ter decoratie op een dressoir of tafel legt - nən twjol.sə.'ree
  • Een doos; een contactdoos - ən bwjaat
  • Een kast - ən kas
  • Een kleerkast - - ən ‘kljier.kas
  • Een matras - nən 'ee.pə.daa
  • Een onderstel van een bed met metalen veren - nə rəs.sour
  • Een overgordijn - nən dra.pə.’rie; ən ‘stoz.zə
  • Een porseleinen, romantische voorstelling van een of meerdere kinderen en/of dames - ə pop.pə.’stuur.kə
  • Een pronkkast - ən glou.zə kas
  • Een sierstuk op de schoorsteenmantel - ə schou.stuk
  • Een staande lamp – nə lam.pa.’deir
  • Een stekker (ook het stopcontact zelf) - ən pries
  • Een tafel - ən ‘tof.fəl
  • Een vaas - ən vous
  • Een versierde bloempot rond een aarden bloempot (meestal met crêpepapier om de bloempot heen) - nə kasj.'poo
  • Gordijnen - stor.zies

MUZIEK

[bewerken]
  • De fanfare speelt - tmuu.'ziek go.’duit
  • Een accordeon - nən ‘trek.zak; ən ar.’mon.nie.kaa
  • Een liedje; een deuntje - ən jer.kə, ə lie.kə
  • Een lp - ə scheel; ən plaut
  • Een mondharmonica - ə ‘mond.mə.ziek.skə
  • Een orkestje dat in cafés speelt - nə zjas
  • Vals gezang; muziek die men niet wil horen - ‘kat.te.gə.jank

NATUUR

[bewerken]
  • Afrikaantjes (Tagetes) - 'steen.kər.kəs
  • Bloemetjes van seringen - ‘dum.kəs
  • Brandnetels - ‘tin.gəls
  • Doornen - djuurns
  • Een bloem - ən blom
  • Een bloementuil - nən blom.mə.’kee
  • Een dennenappel - ən 'spar.rə.noot; ən spər.rə.noot
  • Een dikke brok aarde - nə klot jɛ̃r.də
  • Een eik - nən iejk
  • Een haag - ən wjɛ̃r
  • Een kikker - nə puit
  • Een klaproos - nə ‘koe.kə.’loe.rən.oun
  • Een knoest in het hout - nə wjier
  • Een korenbloem - ən 'kjuu.rə.blom
  • Een paardenbloem - ən ‘pis.blom
  • Een pit van een kers - nə ‘ker.rəl
  • Een roos - ən rjuus
  • Een sloot - nə sljuut
  • Een stronk - nən troonk
  • Een tak die gemakkelijk te buigen is - ən wis
  • Een wormgat - ən ‘mwjaa.steek
  • In de schaduw - in də 'lom.mər.tə
  • Jasmijn - ‘zjaz.zə.mien
  • Kleefkruid - plak.kruid
  • Lisdodde - ən kjɛ̃s
  • Modder - moor
  • Muur (plant) - mjuur
  • Onkruid - vuil
  • Slijk - slik
  • Veldzuring (een merkwaardig plantje, want het wordt niet door koeien opgegeten vanwege het oxaalzuur) - koe.kə.’leut

ONDERHOUD, SCHOONMAAK EN WAS

[bewerken]
  • Bleekwater - ‘bljiek.wou.tər; ood.zja.'vel
  • De jaarlijkse grondige schoonmaak van het hele huis en de opruiming van de inboedel, in de lente - də grjuu.tə kuis
  • Een bezemsteel - nən ‘bes.səm.stok
  • Een borstel (bv. voor het haar of om te verven) - nən ‘bus.təl
  • Een borstel met stijve haren - nə schrob.bər; nə grov.vən ‘bus.təl
  • Een borstel met zachte haren om stof op het stofblik te vegen - ə 'vou.gər.kə
  • Een borstel om de vloer te vegen - nə ‘kjier.bus.təl
  • Een emmer - nen 'jie.mər
  • Een handdoek voor de badkamer - nə ‘spon.sən ‘and.doek
  • Een kleerborstel - nə 'klier.bus.təl
  • Een kuip van metaal - nən ‘bas.sing
  • Een ragebol - nə ‘kob.bə.jou.gər
  • Een stofblik - ə 'vul.blik
  • Een vloertrekker - nən ‘af.trek.kər
  • Een wasknijper (toen men enkel houten knijpers gebruikte) - ən ‘aa.tə.spel
  • Een zeemvel - nə zjie.mə.’lap
  • Heb je doorgespoeld (op het wc)? - ed.də ‘deur.gə.sjast?
  • Leidingwater - ‘kront.sjəs.wou.tər
  • Mijn huishouden - min ‘uis.aan
  • Netheid - pro.prə.’teit
  • Olie om hengsels, sloten, machineonderdelen, fietskettingen etc. te smeren - fijn ‘oo.lie
  • Schoensmeer - bleenk
  • Schoonmaken - kui.sən
  • Spatten op de ruiten - ‘spet.tə.lin.gən
  • Stijfsel toevoegen aan witgoed dat wordt gewassen - stis.sə.lən
  • Verbleekt of verkleurd door de langdurige blootstelling aan zonlicht (bv. gordijnen) - ver.’schee.nən
  • Water met soda of zeep - ljuug
  • Wc-papier - ‘schit.pa.pier

OP CAFE

[bewerken]
  • Bier met een laag alcoholpercentage - 'flut.sjəs.bier
  • De cafés - də sta.mie.’nees
  • Een bierviltje - ən 'bier.kort.sjə
  • Een biljartstoot die afschampt - nə fos.’keu
  • Een biljarttafel - nən biel.’jaar
  • Een café met vrouwen van licht allooi - ən kab.bər.’doesj
  • Een goed gevuld glas - das ‘Bee.vər.sə mout
  • Een jukebox - nə ‘zjuu.boks
  • Een kurk; een kroonkurk - ə ‘stop.səl
  • Een limonade a.u.b. - ə ‘lim.mə.nat.sjə as.tən.’blieft!
  • Een restje drank - ə klet.skən
  • Elixir - el.lek.'zier
  • Hij heeft heel zijn loon in de cafés gespendeerd - i ee jiel zin pree in də sta.mie.'nees 'op.gə.doun
  • Hij heeft veel gedronken - i ee.tər ‘nog.al wa ach.tər.oo.vər gə.kapt
  • Iemand die veel kan drinken zonder dronken te worden - i vər.zet.tər nog.al wa!
  • Iemand die veel koffie drinkt - ən ‘kaf.fie.loet
  • Neem een borrel! - pakt nən drup.pəl!

OPSMUK

[bewerken]
  • Eau de cologne - ‘rie.kə.də.wou.tər
  • Een armband - nən bran.zjə.’lee
  • Een bros (haarkapsel) - ən schor
  • Een gouden horloge - ən gaa or.’loo.zie
  • Een haarscheiding - ən schjie
  • Een halsketting - nə kol.’jee
  • Een handtas - ən sja.'kosj
  • Een pruik - ən ‘par.ruuk; ən ‘per.ruuk
  • Een ring - nə reenk
  • Een sjaaltje ter decoratie - ə ‘foe.lar.kə
  • Een vrouw met opvallende, overdreven make-up - ən schmink.djuus
  • Haar waarin watergolven zijn aangebracht - nə miez.aan.’plie
  • Haargel - brie.jan.’tien
  • Hij wast zich - i wast zən ‘ɛ̃.gən; i wast.em
  • Hoge hakken - juug ‘ie.lə
  • Iemand met een goed voorkomen - i ee.dən goe ‘dop.zicht
  • Mooi aangekleed en opgetut - ‘op.gə.tal.juurd
  • Poeder - ‘poe.jər
  • Zich elektrisch scheren - schjɛ̃.rən zoon.dər zjiep
  • Zijn beste kledij aandoen - ‘op.kljien

PLAATS

[bewerken]
  • Aan beide kanten - oun sweers.zɛ̃n
  • Amerikanen - Amee.ri.’kon.dərs
  • Antwerpenaren - die van oo.vər ‘twou.tər
  • België - Bel.lə.gə
  • Clinge - 'Dol.lan.sə Kling
  • De Klinge - Də Kling
  • De kaden - də kwjaan
  • De meersen - də mjɛ̃.sən
  • Dendermonde - ‘Djɛ̃.rə.mon.də
  • Drieschouwen (straat) - Drɛ̃.’schaan
  • Een dorp - ən durp
  • Een vrouw uit Brussel - ən ‘Bru:.sə.las
  • Engeland - ‘In.gə.laand
  • Ergens - ie.və.ranst
  • Heirweg (straat) - dən Jɛ̃r.weg
  • Italië - Ie.'tol.lə
  • In het midden - ‘taal.vən
  • Kemzekenaren - ‘Kem.zie.kə.njɛ̃.rən; 'Kem.zjie.kə.njɛ̃.rən
  • Meerdonk - ‘Mjɛ̃r.donk
  • Naast - nef.fəst; nee.vəst
  • Nergens - ‘nie.və.ranst
  • Rechtdoor - rech.tən.’deur
  • Sinaai - Snwjaa
  • Sint-Niklaas - Sin.nə.’klwjaas
  • Sint-Pauwels (voormalige buurgemeente) - Sin.’paals; Sim.’paals
  • Stationsstraat - stou.sie.strout
  • Stekenaars (spottend) - ‘mes.sən.trek.kərs
  • Temse - Temst
  • Veldweg op het afgebroken spoorwegtracé (nu: de verharde Spoorzate) - daa roet
  • Voorhoutstraat - 'Veur.aat.strout
  • Wegel over de akker tussen het kerkhof en het oude spoorwegtracé (nu: tussen de 2 bogen van de Reinaertlaan) - də Ker.kə.’wee.gəls

SCHOOL

[bewerken]
  • Carbonpapier - kal.’keer.pa.pier
  • De dag waarop de meester of de juffrouw in de klas werd opgesloten - slui.tər.kəs.dag
  • De examens (net voor een vakantieperiode) – də prijs.kamp
  • De kleuterschool - də ‘pap.school; də bə.’wour.school
  • De lieveling van de juffrouw - də ‘feb.bə.kak
  • De proclamatie van de schoolrapporten - də ‘prijs.uit.djee.link
  • De speelplaats - də koer
  • Een balpen - nən biek
  • Een boekentas - nə kan.nə.’sjɛ̃r; nə kan.nə.’sjeir
  • Een hoofdletter - nən ‘blok.let.tər
  • Een katheder - nə pə.’pie.tər
  • Een onderwijzeres - ən ‘juf.fra
  • Een potloodslijper - nə ‘pot.ljuud.scher.pər
  • Een ringmap; een opbergmap - ən far.də
  • Een woordenboek - nən diek.sjə.'neir
  • Gymnastiek - zjie.mə.’nas
  • Gympen - ‘turn.sloe.fən
  • Het schoolrapport - dən buu.le.’tɛ̃
  • Hij behaalt goede cijfers - i ljiert goe
  • Hij is geslaagd voor zijn examen(s) - i is ər deur
  • Iemand ongeoorloofd het antwoord op een vraag influisteren - 'op.stee.kən
  • In de rij staan - in də root stoun
  • Inkt - int
  • Kleurpotloden - ‘kleur.kəs
  • Overhoren (de leerstof) - 'op.vrou.gən

SNOEP

[bewerken]
  • Drank van zoethout - ka.’lie.sən.’dzjap
  • Een chocoladen figuurtje (van de Sint) - ə pos.’tuur.kə
  • Een cuberdon - nən ‘toep.neus
  • Een gelatineus snoepje - ə ‘zjie.zie.pə.kən
  • Een ijsje - ə pie.lə.kə.’kaat
  • Een ijsje op een stokje, bedekt met chocolade - nə fries.koo
  • Een lolly - nə ‘lek.stok; nə ‘lek.kə.stok; nə ‘gat.tə.klet.sər
  • Een ouwel (gevuld met een zuur poeder) - ən ‘os.tie
  • Een pomme d’amour - nə rjuun ap.pəl
  • Een reep chocolade - ən lat 'sjə.klat
  • Een snoepje om in de mond te laten smelten - ən ‘bol.lə.kən
  • Een zoetekauw - ən ‘zoe.tə.muil
  • Kauwgom - ‘tu:.tə.fruut; ən sjiek
  • Meerdere repen of tabletten chocolade in één verpakking - nən boek 'sjə.klat
  • Negerzoenen - nee.gə.’rin.nə.tetn
  • Pepermuntjes - mun.tə.bol.lə.kəs
  • Snoepjes in pastelkleur in de vorm van O.L.-Vrouw - lie.və.’vraa.kəs
  • Stiekem snoep of koekjes uit de voorraadkast wegnemen - i ee.din də kas gə.grwjaad
  • Zuur snoepgoed - ‘smoe.lən.trek.kərs; ‘mui.lən.trek.kərs; ‘too.tən.trek.kərs

SPEL

[bewerken]
  • Bikkels bij elkaar graaien - schɛ̃.rən
  • Blad-steen-schaar - ka.lie, lee.pəl of schɛ̃r (In eerste instantie is dit een nogal ruig spel. Het ene team levert spelers die in een rij met gebogen rug tegen elkaar staan. De eerste man van het team staat rechtop tegen een muur met zijn gezicht naar zijn medespelers gekeerd. Hij moet de sterkhouder van de rij zijn. Het andere team springt over en op de ruggen van het team dat in de rij staat. Het team dat springt verliest als een van hun spelers valt; het team dat in de rij staat verliest als een van hun spelers door zijn rug zakt. Pas als de wedstrijd geen verliezer kent moet een variant van blad-steen-schaar uitsluitsel bieden. Die beslissende ronde wordt gespeeld tussen de laatste springer en de man tegen de muur.)
  • Doen alsof men aan het koken is in een speelgoedkeukentje - koo.kən.’ee.tə.kə speeln op ə kwie.zə.’njɛ̃r.kən
  • Een grote knikker - nən biel
  • Een katapult - nə ‘mus.sə.schie.tər
  • Een knikker - nə ‘mer.rə.bol
  • Een lijn - ən meet
  • Een metalen knijper die, ingedrukt door de duim, een klakkend geluid maakte - nə klak.kər
  • Een schommel - ən bijs
  • Een schommelpaard - ən 'bij.zə.pjɛ̃rd
  • Een spel spelen zonder geld of ander gewin als doel - tis vər ‘tuu.tə.fru:t; tis vər ‘kie.kə.vljiez
  • Een step - ən trot.tie.’net
  • Een teerling - nən ‘tjɛ̃r.link
  • Glijden op een ijsbaantje - ‘slie.rən
  • Haasje-over - ‘bok.skə sprin.gən
  • Klappertjes voor een speelgoedpistool - moes.kəs
  • Met ballen tegen een muur gooien en ze opnieuw opvangen - ‘ket.sə.bal.lən
  • Met een tol spelen - non.nən
  • Spel waarbij twee groepen kinderen, één aan elke kant van het plein, proberen aan de andere kant te geraken, zonder door iemand van de andere groep getikt te worden. Wie getikt wordt, is 'gevangen' en moet aan de andere kant gaan staan, waarna iemand van zijn groep hem probeert te 'verlossen' door over te lopen en hem aan te tikken, zonder zelf getikt te worden. Wie kan overlopen heeft het voordeel dat hij de tegenpartij vanuit de rug kan aanvallen. De groep die op het einde van het spel het meest kinderen heeft gevangen, wint. - ‘stin.koo
  • Tafelvoetbal spelen - 'kik.kə.rən; mi də 'sjot.tər.kəs speeln
  • Tikkertje waarbij één kind eerst op een ander kind jaagt en het probeert aan te tikken. Wie getikt werd moet samen met het eerste kind, hand in hand, verder jagen op de andere kinderen. Zo vormt zich een duo, dan een trio en dan een steeds groter wordende menselijke ketting, die niet mag doorbroken worden in de jacht op andere kinderen. Het kind dat als laatste niet werd aangetikt, wint het spel. - ‘kat.sjə van də bɛ̃n.də
  • Tikkertje waarbij men niet kan worden getikt als men op een verhoogde plaats staat - 'kat.sjən 'om.juug
  • Twee bollen, verbonden door een koordje, die zodanig moeten worden bewogen dat ze een ratelend geluid maken - kloo.tər.kəs
  • Verstoppertje spelen - ‘piep.kən.duik

TELLEN EN FREQUENTIE

[bewerken]
  • Allemaal - am.məl
  • De even en oneven huisnummers - def.fə en don.əf.fə nu.mə.roos
  • De negende - də ‘nee.gəs.tə
  • De twaalfde - dən twelf.stə
  • De zevende - də ‘zee.vəs.tə
  • Drie en de derde - drɛ̃ en dən der.də
  • Duizend - duusd
  • Een (telwoord) - jien; iejn
  • Een beetje - ə ‘bit.tə.kə; ə bik.kə
  • Een handvol - ən ‘af.fəl
  • Een nummer - nə ‘num.mə.roo
  • Eerst - jiest; iejst
  • Geen - gjien; gjin
  • In twee gelijke delen verdelen - tal.vən.’deur doen
  • In twee stukken verdelen - in twjie.jən doen
  • Twee en de tweede - twjie en dən twjie.də
  • Veel te veel - vil tə veel
  • Vijf en de vijfde - vijf en də vif.də
  • Vijftig - fif.təg

TIJD

[bewerken]
  • Altijd al - al.zə.’lee.və
  • Alweer - wir.ral
  • Augustus - o.'guus.tuus
  • Binnenkort - ach.tər.’jien
  • Daarnet; zonet - zjuust; dər.zjuust; dor.straks; dour.straks
  • December - dis.’sem.bər
  • Deze morgen - van.də.’mɛ̃.rət
  • Een kwartier - ə kor.’tier
  • Een afgesproken periode loopt ten einde; een bepaalde datum komt dichterbij - tis ont kur.tən
  • En dan … - en ten …
  • Februari - fi.brə.'wou.rə
  • Het is bijna middag - tljuupt ‘tee.gən də noen
  • Het is buiten nog voldoende helder - tis nog kljɛ̃r
  • Het is half een - tis al.vər.jien
  • Het is kwart over elf - tis kort.sjə nou dən el.lə.vən
  • In de avond - sou.vəs
  • In de namiddag - sach.tər.’noens
  • In de ochtend - smɛ̃.rəs
  • In de voormiddag - ‘tveur.noens
  • In het duister van de avond of nacht - in dən ‘doon.kə.rən
  • Januari - jan.nə.'wou.rə
  • Maart - mjɛ̃rt
  • Mei - mɛ̃
  • Morgen - ‘mɛ̃.rən; ‘mɛ̃.rə.gən
  • Om de twee dagen - om dən ‘oo.vər.aan.tən dag
  • Ondertussen - swinst; binst
  • Onlangs - oo.vər.’lest
  • Op dinsdag - ‘tis.tags
  • Op maandag - ‘smoon.dags; 'smoun.dags
  • Tegenwoordig - tsin.nə.’wor.rəg
  • Tijdens - binst; swinst
  • Tot over een week - tot oo.vər acht dougn
  • Vorige week - də week die gə.pas.seerd is; vər.lee.jə week
  • Volgende week - tnos.tə week
  • Weldra - ach.tər.jien
  • Zo meteen - ‘sef.fəst; ‘tsef.fəst; sə.’biet

VERTIER

[bewerken]
  • De ijzeren constructie met een reeks pinnen waarop met kleurige pluimen versierde stopjes staan (boogschieten) - də prang (van de liggende of staande wip)
  • De jaarmarkt - də ‘jour.mart
  • De kermis - də ‘ker.mes; tis ‘ker.rə.mes
  • De kwast met wollen draden op de kermismolen die je te pakken moet krijgen voor een gratis ritje - də flosj
  • De tabak - dən 'toe.bak
  • Een aansteker - nən brie.'kee
  • Een accordeon - nən ‘trek.zak; ən ar.’mon.nie.kaa
  • Een cowboyfilm - nə ‘koo.bouj.fielm; nə ‘kob.bouj.fielm
  • Een doelpaal - ən pie.ket
  • Een duivenmand - ən keef
  • Een feest - ən fjiest
  • Een foto van een persoon - ə por.’tret
  • Een glijbaan - ən rits
  • Een haring van een tent - ən pie.ket
  • Een ijsbaan gemaakt van aangestampte sneeuw - ən ‘slier.boun
  • Een jubileum - nə zjuu.bie.’lee
  • Een klok om de vluchttijd van duiven te registreren - nə koon.sta.’teur
  • Een liedje; een deuntje - ən jer.kə, ə lie.kə
  • Een masker - ə ‘mom.bak.kəs
  • Een mondharmonica - ə ‘mond.mə.ziek.skə
  • Een penalty - nə pie.'nan.tie
  • Een podium - ə vər.’juug
  • Een prentje (bv. in een chocoladereep) - ən ‘bee.lə.kə; ən ‘bie.lə.kə
  • Een toneelvoorstelling - ə kon.’sjɛ̃r
  • Een zweefmolen - nə zwier.meu.lən
  • Er ontbreekt iemand om het gezelschap voltallig te maken - wə man.’kee.rən ie.mand
  • Het eet- en drankfeest van een vereniging - də ‘smɛ̃.ring
  • Het schot belandde op de doelpaal - pie.’ket!
  • Het zwembad - də ‘zwem.kom
  • Iemand die graag zwemt of graag in het water speelt - ə ‘wou.tər.kie.kən
  • In gezelschap - in kom.pa.’nie
  • Kop of munt - kop of let
  • Nieuwjaar - ‘nu:v.jor
  • Scheenbeschermers - scheen.lap.pən
  • Uitgaan - op schok goun; op zwier goun
  • Vals gezang; muziek die men niet wil horen - ‘kat.te.gə.jank
  • Vloeitjes (om zelf sigaretten te rollen) - ‘blet.sjəs
  • Zaal De Kroon - zoul De Krjuun

VERVOER

[bewerken]
  • De autobus stopt bij het bushokje - dən ot.too.bu:s stopt ont bu:s.kot.sjə'
  • De vuilniswagen - də ‘vul.kɛ̃r
  • Een aanhangwagen - nə rə.mork
  • Een bumper - nən baar.’sjok
  • Een claxon - nən ‘toe.tər
  • Een kar - ən kɛ̃r
  • Een motorfiets - ən mot.sie.’klet
  • Een motorkap - ən ka.’poot
  • Een nummerplaat - ən plak
  • Een personenauto (alle auto’s die niet bedoeld zijn voor vervoer van goederen) - ən ‘luuks.vwja.tuur
  • Een steekwagen met twee wielen - nə pie.rə.’wiet
  • Een trottoirband - nən bor.’duur
  • Een vorkheftruck - nə klark
  • Een vrachtwagen - nə kam.’jong
  • Een zijspan - ən ‘sie.tə.kɛ̃r
  • Het Centraal Station van Antwerpen - də ‘Mid.də.stou.sə
  • Ik heb een kortere weg genomen - kzin bin.nən.’deur gə.’reen
  • Ik heb vertraging - kem rə.taar
  • Richtingaanwijzers van een auto - ‘peen.kərs

VERWARMING

[bewerken]
  • Afval van kolen na verbranding - sin.təls
  • Centrale verwarming - sjo.'faa.zjə
  • De hendel en de rooster van de kachel om het vuur aan te wakkeren – tschof
  • Een bundel sprokkelhout of wissen; takkenbos - nə ‘pɛ̃n.sard (Het WNT schrijft ‘pensaard’ met een -d. De betekenis is: een dikbuik, die gelijkenis vertoont met een takkenbos.)
  • Een kachel - ən ‘stoo.və; ən stoof
  • Een klein kacheltje; een potkachel - ən ‘duu.vəl.kə
  • Een kolenkit - ən kjiet; ən 'koo.lə.kjiet
  • Een pook - nə 'stoof.ouk; nə 'koo.tər.ouk
  • Een warmwaterkruik - ən boe.'jot
  • Eivormige kolen - ɛ̃.rə.kooln; mus.sə.kopn
  • Het vuur aanwakkeren - ‘koo.tə.rən; ‘op.koo.tə.rən
  • Hout dat in een kachel wordt verbrand - ‘stoof.aat
  • Houtschilfers - ‘schof.fə.lin.gən

VLEESWAREN

[bewerken]
  • Biefstuk - ‘bief.stik
  • Blinde vinken - ljuu.zə vin.kən
  • Boulogne - wit mi zwart
  • Corned beef - kor.’ned bu:f
  • Doorregen spek - gə.’ree.gəld spek
  • Een bloedworst - ən ‘bul.link
  • Een bloedworst met krenten - ən zoe.tə ‘bul.link
  • Een frikandel - ən 'kur.rie.wust
  • Een gehaktbal - ən boe.’let
  • Een kotelet - ən ‘kor.tə.let
  • Een vleesbrood - fri.kan.'don; frie.kan.'don
  • Een worst - ən wust
  • Gebraden rundvlees - ros.’bu:f
  • Gehakt vlees - gə.’kapt
  • Gekookte ham - eps
  • Geperste varkenskop - grjuust
  • Gerookt paardenvlees - ‘pjɛ̃r.dən.aank
  • Gerookt rundvlees - ‘os.sən.aank
  • Gerookte en gedroogde achterham - raa eps
  • Het velletje rond de salami - tzwu.zə.kə
  • Ingedikt, slijmerig, gestold vleesnat, na het koken van vlees - jeugd
  • Salami - sos.'sies; aank
  • Soepvlees - bou.’lie
  • Spek in kleine reepjes gesneden - ‘pie.lə.kəs.spek
  • Stoofvlees - ker.mə.'nwjaan

VOEDING

[bewerken]
  • 250 gram - ən alf pond
  • Afgeroomde melk - ‘flut.sjəs.mel.lək
  • Appelmoes - 'ap.pəl.trut; 'ap.pəl.spijs
  • Bewerkt voedsel waaraan chemische producten zijn toegevoegd - das sjie.'miek
  • Boterhammetjes (voor kinderen) - 'boo.kəs
  • Broodbeleg - ‘toe.spijs
  • Cacao - ‘kak.ka.joo
  • Choco - ‘sjok.koo
  • Chocoladepudding - sjə.’klat.tə 'pud.dink
  • Drilpudding - 'schud.də.ma.tijs
  • Een boterham smeren - nən ‘bo.tram brɛ̃n
  • Een boterham zonder boter of beleg - nən 'drjuu.gən 'bo.tram
  • Een brood - ən brjuud
  • Een bruin brood - ə grof
  • Een ei - ən ɛ̃; ən tie.kən.’ɛ̃ (tegen kinderen)
  • Een ei dat niet lang genoeg is gekookt, waardoor het eiwit nog niet is gestold - da ɛ̃ is nog nis
  • Een haring om te bakken - nə ‘pan.jɛ̃.rink
  • Een haring op azijn - nə ‘pee.kəl.’jɛ̃.rink
  • Een korst (bv. van brood) - ən kust
  • Een koude schotel - nə kaa pla
  • Een omelet - nən ‘ɛ̃.rə.koek
  • Een peperkoek - nə ‘pom.koek
  • Een plakje kaas - ən schel kouz
  • Een spiegelei - ə ‘pjɛ̃r.dən.juug
  • Een tas koffie - ən zjat ‘kaf.fə
  • Eidooiers - ‘ɛ̃ .doo.jərs
  • Garnalen - ‘gjɛ̃r.nors
  • Gemalen cichorei toegevoegd aan koffie - par.’daf; Buis.man
  • Gestampte aardappelen - gə.ded.dər.də pə.tetn
  • Grenadine - ro.’zəl
  • Griesmeelpudding - ‘smoel.pap
  • Hagelslag - ‘mui.zə.stront.sjəs
  • Het eten is klaar - ‘tee.tən is gə.rjied
  • Honing - ‘eu.nink
  • Jam - koon.fie.tuur; zjə.’lɛ̃
  • Kaas - kouz
  • Kabeljauw - kab.bəl,'jaa
  • Karnemelk - 'kjɛ̃.rə.mel.lək
  • Koffie - kaf.fie; kaf.fə
  • Kristalsuiker - kries.ta.lie.'zee; kries.ta.lie.'zee sui.kər
  • Mayonaise - ma.jə.'nɛ̃s
  • Meel - blom
  • Middagmaal; warm eten - gə.kokt 'ee.tən
  • Muskaatnoot - ‘kru.noot; ‘krui.noot
  • Paling - ‘pou.ling; ‘pol.link
  • Paneermeel - sja.pə.'luur
  • Pauze om te eten en te drinken - ‘schof.ted
  • Rijstpap - ‘ris.pap
  • Roomijs - krim.'glas
  • Slagroom - krim.'frisj
  • Soppen in de koffie - dop.pən in də ‘kaf.fə
  • Stroop - sa.’roop
  • Zetmeel (bv. om saus te binden) - pə.tet.blom

WEER

[bewerken]
  • De zon schijnt en het regent tegelijkertijd - ‘duu.vəl.kəs.’ker.mes
  • Droog weer dat dorstig maakt - tis dus.təg weer
  • Een bliksem - ən ‘ee.mə.licht
  • Een flinke regenbui - nə spjiet
  • Een stortbui - nən drasj
  • Het heeft gevroren - tee gə.vroo.zən; də ‘vrie.zə.man is gə.wist
  • Het is drukkend warm - tis doef weer
  • Het is heel erg warm - tis om tə 'bus.tən
  • Het is koud - tis kaad
  • Het regent fel - ‘tree.gənt aa wij.vən; tis ont stront.ree.gə.nən
  • Het regent lichtjes - 'tzjie.vərt
  • Het sneeuwt - ‘din.gel.kəs en ul.dər bed ut.gə.schud
  • Het zal gaan regenen - tis ont oo.vər.'trekn
  • In de felle zon - in də ‘blak.kə zon
  • Zwoel weer - tis laf

ZIEKTE EN ONGEMAK

[bewerken]
  • Aambeien - tspeen
  • Acne - ‘jeugd.braand
  • Aderontsteking - tflə.’biet
  • Braaksel - ‘spog.səl
  • Buikloop - dən ‘af.gank
  • De stuipen - də ‘ses.kəs
  • Een beroerte - ən gə.’rokt.ed
  • Een buil; een puist - nən ‘boe.bəl; nən oe.bəl
  • Een draai rond de oren; een oorvijg - ən zjie.'flət; ən pjɛ̃r rond zin juu.rən
  • Een flink pak rammel - ən pan.’doe.rink
  • Een groot stuk geschonden huid (door schaafwonden, een ontsteking of door roodheid) - ən pla.’mus.tər
  • Een hoestwerend snoepje met eucalyptus - ə ‘pie.kər.kən
  • Een injectie - ən pie.’kuur
  • Een inzinking krijgen na een of meerdere slapeloze nachten, na een langdurige inspanning of na een tegenslag - i krijg zin.nə klop
  • Een jaap; een gapende wonde - ən gab.bə
  • Een keelontsteking - ən an.'zjien
  • Een klap in het gezicht - ən mot
  • Een korst op een wond - ən roef; ən roef.kə
  • Een longontsteking - nə ‘flur.ries; nə ‘fleu.ries
  • Een miskraam - nə ‘mis.val
  • Een nijdnagel - nə ‘nɛ̃.nou.gəl
  • Een ontstoken oog - ə ‘pink.juug
  • Een pleister (op een wonde) - nə plak.kər
  • Een puist - ən wuf.fəl
  • Een psychiatrische patiënt - nə zot
  • Een rammeling; een pak slaag - ən ‘peu.tə.ring; ən ‘smjɛ̃.rink; ən ‘roe.fəl; ən ‘dus.sink; ən ‘toe.fə.link
  • Een verkoudheid met hoestbuien - ən ‘val.link
  • Een verkoudheid met loopneus - ən ‘sneu.vring; ən ‘sneu.vrink
  • Een wonde die blijft etteren - da drougt
  • Een zweer - ən zwjɛ̃r
  • Een zwelling die ontzwelt - tis ont zeen.kən
  • Heftige diarree - tvlie.gənd schijt
  • Hij heeft een handicap - i is gə.'brek.kə.lek
  • Hij heeft een spraakgebrek - i sprikt gə.'brek.kə.lek
  • Hij heeft stress; hij is erg zenuwachtig; hij is zenuwziek - i ee də 'zee.nə.wən
  • Hij is daar gevallen en heeft zich erg verwondt of bezeerd - i ee tor nə wrjie ‘par.rəl gə.’doun; i is wrjie gə.tot.tərd
  • Hij is door de dokters verkeerd behandeld - i is mis.’mjies.tərd
  • Hij is gek aan het worden - i slou.tər nef.fəst; i slou.tər langs
  • Hij is naar het ziekenhuis gebracht - zem.mən em bin.nən gə.doun
  • Hij is opnieuw ziek - i is ər.’valn
  • Hij sukkelt al geruime tijd met zijn gezondheid – i is oon.dər də voet
  • Iemand die enorm veel pijn lijdt - i lig.tə krə.pee.rən van də pijn
  • Iemand die erge brandwonden heeft - i is ‘pol.fər vər.brand
  • Iemand die niet helemaal meer gezond is - i is wa ka.’duuk.kə.lek
  • Iemand die vaak moet gaan plassen - ən 'pis.kaas
  • Iemand hoest zwaar - i bast (gə.lek nən ond)
  • Iemand is duizelig, futloos en heeft braakneigingen - i is ‘kol.lək tə pas
  • Iemand valt bewusteloos - i go van zin ‘ɛ̃.gən; i go van zin zel.vən; i go van ‘zin.nə suus; i valt van ‘zin.nə stek; i go van zin.nə sen.tər
  • Ik ben aan de beterhand - kzin al veel gə.’bee.tərd
  • Ik heb een (hart)aanval gehad - kem ən kriez gad
  • Ik voel me onwel en heb braakneigingen - kzin ‘mot.təg
  • Jodiumtinctuur - tɛ̃n.’tuur.də.jod; Ar.’tuur.Də.Jood
  • Ischias - tsie.a.’tiek; rjuud
  • Jeuk - ‘juuk.səl
  • Koorts - ’kur.sən
  • Lumbago - tvər.schot
  • Medicijnen - ‘mid.də.ka.men.tən
  • Men voelt zich niet wel, misselijk of draaierig - kzin on.’pas.sə.lek
  • Mijn been is gevoelloos - min bjien is vjuus
  • Niet kunnen ontlasten - nie kun.nə goun
  • Overmand door emotie - van al.tə.'rou.sə
  • Paté die de oorzaak is van maag-darmklachten - ries.'keer.pa.tee
  • Reuma - rum.ma.’ties
  • Spataders - va.’rie.sən
  • Tetanus - də klem
  • Zijn arm ligt in het gips - zin.nən ɛ̃.rəm zit in də 'plos.tər
Informatie afkomstig van Wikibooks NL, een onderdeel van de Wikimedia Foundation.