Naar inhoud springen

Kemzieks woordenboek/Situering

Uit Wikibooks

Dialect van het Waasland

[bewerken]

Kemzieks heeft unieke woorden, maar veel meer deelt het de woordenschat met andere dialecten uit het Waasland (zoals het dialect van Sinaai, https://www.sinaaileeft.be/heemkring-den-dissel/#2018, of van Sint-Niklaas, https://www.mijnwoordenboek.nl/dialect/Sint-Niklaas) en zelfs daarbuiten (zoals over de grens met Nederland, in Zeeuws-Vlaanderen, https://oostzeeuwsvlaamsdialect.com).

Belgisch-Nederlands

[bewerken]

Het lexicon van het Kemzieks behoort vaak tot het "algemeen Vlaams", door Van Dale "Belgisch-Nederlands" of "gewestelijk" genoemd, bv. vuilblik, draperie, kozijn en muit (zie ook: https://www.vlaamswoordenboek.be), Sommige woorden neemt men in het Kemzieks ongewijzigd over, bv. dra.pə.'rie, muit; soms ondergaan ze een klankwijziging, bv. 'vul.blik, 'koz.zən.

Tussentaal

[bewerken]

Kemzieks (zoals ik het leerde kennen en gebruiken) heeft alle kenmerken van wat “de tussentaal” wordt genoemd. We beseffen dat de term "tussentaal" een negatieve connotatie heeft, maar de term is nu eenmaal ingeburgerd om de transitie van dialect naar AN te benoemen. Voor een overzicht van de kenmerken van de tussentaal in Vlaanderen, zie: https://libstore.ugent.be/fulltxt/RUG01/002/508/354/RUG01-002508354_2018_0001_AC.pdf (Vergeet niet dat ook Nederlanders een tussentaal hanteren, met kenmerken die soms afwijken van de tussentaal in Vlaanderen, zoals het gebruik van 'hun' als subject, bv. hun hebben dat niet geweten.)

I. Fonologie
[bewerken]
  • 1. Procope van de h-. De h aan het begin van een woord wordt niet aangeblazen en valt weg, bv. das eel goe (dat is heel goed), ond (hond), em (hemd), uiln (huilen).
  • 2. Procope van de eerste klinker of de eerste lettergreep, bv. kmag nor uis (ik mag naar huis), tuur.lək kom.mək! (natuurlijk kom ik!).
  • 3. Apocope. De eindmedeklinker of de eindlettergreep in korte woorden valt weg, bv. kem da nie gə.doun (ik heb dat niet gedaan).
  • 4. Syncope. De medeklinker of lettergreep in het midden van een woord valt weg, bv. das am.məl gə.loo.gən (dat is allemaal gelogen).
  • 5. Apocope van toonloze e op het einde van een woord. De toonloze e valt weg als het volgende woord met een klinker begint of met een h-procope, bv. zis (ze is), zee.'don.gər (ze heeft honger).
  • 6. Progressieve assimilatie. Als een woord begint met een d- én volgt op een woord dat eindigt op een -t, dan wordt die d- ook als t- uitgesproken, bv. i zit mit tə poe.pərs (hij heeft schrik – “hij zit met de poepers”), da.'doe.nə.kik nie (dat doe ik niet).
  • 7. Apocope van de eind-d. Werkwoorden waarvan de stam op -d eindigt, verliezen de eind-d, bv. kvin da nie (ik vind dat niet), win da nie op! (wind je niet op!).
  • 8. De svarabhaktivocaal. Toevoeging van een klinker, meestal de doffe e, in lettergrepen die eindigen op twee medeklinkers waarvan de eerste de l of de r is én de tweede geen t- of s-klank is, bv. mel.lək, wɛ̃.rək (werk), vol.lək.
  • 9. De auslaut van de eind-t. Als een woord begint met een klinker én volgt op een woord dat eindigt met een -t, dan wordt die -t als -d uitgesproken, bv. wa.dist? (wat is er?).
  • 10. Onomasiologie, met name de vervanging van ‘er’ en ‘daar’ door ‘dər’ of ‘dər-', bv. der is wa gə.beurd, kem em dər.straks nog gə.zien (ik heb hem daarstraks nog gezien), dər.veur zin.nək nie gə.kom.mən (daarvoor ben ik niet gekomen).
  • 11. De intervocale d wordt vervangen. Als een d tussen twee klinkers staat, dan wordt die -d- vervangen door een j of een w, bv. das ou.wən brol (dat zijn oude spullen), rij.jə wi nor uis? (rijden we naar huis?).
II. Morfologie
[bewerken]
  • 12. Verbuiging van de onbepaalde lidwoorden. Voor wie Kemzieks praat is het in principe een koud kunstje om te weten of een nomen mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is: als je voor het nomen ‘nə’ of ‘nən’ kan plaatsen, dan is het mannelijk, in het geval van ‘ən’ is het vrouwelijk en in het geval van ‘ə’ is het onzijdig.
  • a) Als een mannelijk nomen begint met een klinker, een t, d, h of b, dan zegt men ‘nən’, in de andere gevallen zegt men ‘nə’, bv. nən ap.pəl, nən braar (een brouwer), nə man (een man).
  • b) Een onzijdig nomen krijgt als onbepaald lidwoord enkel een ə als het niet begint met een h of een klinker, bv. ə keend (een kind), maar ən uis (een huis).
  • 13. De verbuiging van functiewoorden (bv. voornaamwoorden en telwoorden) gebeurt zoals de verbuiging van onbepaalde lidwoorden, bv. min.nən ot.too (mijn au.to, want auto is mannelijk en begint met een klinker), min.nə koz.zən (mijn neef, want neef is mannelijk en begint met een n), min vraa (mijn vrouw, want vrouw is vrouwelijk), mi keend (mijn kind, want kind is onzijdig), dən twjie.dən elft (de tweede helft). Ook adjectieven worden vaak op dezelfde manier verbogen, bv. nə schjuu.nən ot.too (een mooie auto, want auto is mannelijk en begint met een klinker).
  • 14. Vervanging van het persoonlijk voornaamwoord ‘jij’ of ‘je’ door ‘gij’ of ‘ge’ (in het Kemzieks vaak vervormd tot ‘gi’). Vervanging van het bezittelijk voornaamwoord ‘je’ of ‘jouw’ door ‘uw’ (in het Kemzieks vaak vervormd tot ‘aa’, ‘aa.nə’ of ‘aa.nən’).
  • 15. Vervanging van het persoonlijk voornaamwoord ‘hij’ door ‘i’, maar enkel in bevestigende of vragende zinnen, niet in uitroepende zinnen waarin de nadruk op het onderwerp ligt, bv. i komt (hij komt), kom.ti? (komt hij?), maar: ij ee.ta gə.doun! (hij heeft dat gedaan!).
  • 16. De verkleinvorm -kə(n) (of: -skə; -əkə) in plaats van -jə, bv. to.fəl.kə, koek.skə, bal.lə.kə.
  • 17. Cliticum. Persoonlijke voornaamwoorden vormen vaak een geheel met het voorgaande woord, meestal een werkwoord, en worden samen uitgesproken. Je hoort dan een -de of een -te na het werkwoord, bv. moog.də.gi da wel? (mag je dat wel?), wa heb.də zo.al? (wat heb je zoal?), wa moet.tə kom.mən doen? (wat moet je komen doen?).
  • 18. Wijziging van de meervoudsvorm van -s naar -n, en omgekeerd, bv. eieren wordt 'ɛ̃.rən maar ook 'ei.jərs, zonen wordt zeuns, draperieën wordt dra.pə.'ries.
  • 19. Wijziging van de werkwoordsvorm.
  • a) In de eerste persoon enkelvoud wordt vaak een -n toegevoegd, bv. wa ston.nək ier nog tə doen? (wat sta ik hier nog te doen?), wa.toen.nək naa!? (wat doe ik nu!?).
  • b) In de gebiedende wijs wordt vaak een -t toegevoegd, bv. zegt ət na mor! (zeg het nu maar!).
  • c) De persoonsvorm van het werkwoord ‘zijn’ wordt gewijzigd, zowel deze van de eerste als van de tweede persoon enkelvoud, bv. gə zit.tər (je bent er), gə zi schou (jij bent bang), kzin in dən hof ount spetn (ik ben in de tuin aan het spitten).
III. Lexicon
[bewerken]
  • 20. Woorden maar vooral uitdrukkingen uit het AN krijgen in tussentaal een alternatief, bv. kzin al veel gə.’bee.tərd (ik ben aan de beterhand), nən ‘et.tə.kop (een koppig persoon), tis om.mo kas op tə fretn (ik erger me daar erg aan maar ik kan er niets aan veranderen).
  • 21. Wijziging van het aanwijzend voornaamwoord ‘zulke’ in ‘zo’n’ (in het Kemzieks is dat zjuun) wanneer men het meervoud hanteert, bv. zjuun schjuu.nə ‘kaa.sən (zulke mooie kousen).
  • 22. Tussenwerpsels. Die hebben in principe geen betekenis in de zin, maar drukken vaak een emotionele appreciatie van de spreker uit, bv. al.li, wa stod.də dər na te doen!? (wat sta je daar te doen… dat verbaast me of dat ergert me), der was wijn, bier, kur.tən drank en.al (er was wijn, bier, sterkedrank… er was van alles, maar vraag me niet in detail wat precies).
  • 23. Archaïsmen. Plechtig klinkende, maar ouderwetse woorden, bv. desalniettemin (toch), gjɛ̃.rə (“gaarne”) (graag), vər.niet (gratis), mi ət spoor (per trein), in.dien (als), bee.zən (“bezigen”) (gebruiken), kriek ət nie (ik ruik het niet).
  • 24. Purismen. Een poging om schijnbaar vreemde woorden te vernederlandsen, bv. duim.spij.kər (punaise), droog.zwier.dər (centrifuge).
IV. Syntaxis
[bewerken]
  • 25. Redundantie. Men voegt aan het begin van een bijzin ‘dat’ toe, na een vraagwoord of een voornaamwoordelijk bijwoord, bv. kwil wel is zien of dat i vər.mou.gərd is (ik wil wel eens zien of hij vermagerd is), tjie.nəg.stə waar dak min.nə kop oo.vər breek (het enige waar ik me zorgen over maak…).
  • 26. Subjectduplicatie. Zowel de zwakke als de sterke vorm van het onderwerp komt voor in een zin, waarbij de sterke vorm soms wordt weggelaten, bv. da dur.vək ik nie (dat durf ik niet), pɛ̃s.də gi da? (denk je dat?).
  • 27. Toevoeging van het hulpwerkwoord gaan in de toekomende tijd, bv. kzal straks gon kookn (ik zal straks koken), kzal da mɛ̃.rən wel gon mwjaan (ik zal dat morgen wel maaien).
  • 28. Inkorting van het voegwoord zodat tot ‘dat’, bv. gə.brukt mor ə kom.pas, da gə nie vər.loo.rən ljuupt (gebruik maar een kompas zodat je niet verdwaalt).
  • 29. Voornamen van mannen worden vaak voorafgegaan door ‘de’, bv. de Guust komt. Vrouwelijke voornamen krijgen geen ‘de’, wel vaak ‘oonz’ (ons), bv. der is zə zi, oonz Mar.ja! (daar zie, daar heb je Maria!)
  • 30. De vervanging van hoeven door ‘moeten’ in negatieve zinnen, bv. gə moet.ta nie doen (je hoeft dat niet te doen).
  • 31. De vervanging van mochten door ‘moeten’ in hypothetische zinnen, bv. moest.ək rijk zin, kging nie.mjier wɛ̃.rə.kən (Mocht ik rijk zijn, ik ging niet meer werken, of, als ik rijk was, ging ik niet meer werken).
  • 32. Doorbreking van de werkwoordelijke eindgroep. In AN is de regel: alle niet-vervoegde werkwoorden op het einde van de zin mogen niet worden doorbroken door een deelwoord of een ander woord dan een werkwoord. In tussentaal geldt die regel niet, bv. zə zou.dən moe.tən gə.pro.beerd heb.bən hem te helpen (ze zouden moeten hebben geprobeerd hem te helpen), i zal nie kun.nən met də kɛ̃r vər.trekn (hij zal niet met de kar kunnen vertrekken).
  • 33. Adjectieven verliezen de eind-s na het gebruik van iets, veel of niets, bv. das iet spee.sjaal (dat is iets speciaals), gi et veel goed gə.doun (je hebt veel goeds gedaan).
  • 34. Redundant gebruik van ‘geworden’ en ‘geweest’ in passieve zinnen, bv. i is deur zin.nə koz.zən gə.roe.pən gə.wist (hij is door zijn neef geroepen), i is deur de mjies.tər vər.plotst gə.wor.rə (hij is door de leraar verplaatst).
  • 35. Het gebruik van 'als' als bijwoord van tijd in plaats van ‘toen’, bv. "Als ik hem nog eens bekeek, ..."
  • 36. De betrekkelijke voornaamwoorden ‘die’ en ‘dat’ stemmen niet overeen met het grammaticale geslacht van hun naamwoorden (De regel is: 'die' heeft betrekking op de-woorden en het meervoud, 'dat' heeft enkel betrekking op het-woorden), bv. die gast da goe kan shotn (die kerel die goed kan voetballen).

Frans

[bewerken]

De invloed van het Frans is bovendien overduidelijk: tal van woorden zijn letterlijk uit het Frans overgenomen, bv. ən boe.'jot (een warmwaterkruik) of zijn aangepast aan de Kemziekse uitspraakregels, bv. nə koun.trə.’fjuur (een contrefort), nə soe.’tjen (een beha), nə paz.zə.’viet (een roerzeef), nə kas.’trol (een kookpot).

Informatie afkomstig van Wikibooks NL, een onderdeel van de Wikimedia Foundation.