Naar inhoud springen

Kemzieks woordenboek/Reacties

Uit Wikibooks
  • Alles gaat verkeerd - al.ləs slout ‘tee.gən
  • Als ik hem te pakken krijg... - ‘az.zək em tə stek.kən krijg...
  • Als ik in jouw plaats was... - ‘az.zək van aa was…
  • Als je naar de bakker gaat, ga dan ook eens bij de slager langs - az.gə nor dən bak.kər got, springt (of: sprinkt) dan aan.pas.’saan is bi dən ‘bjien.aar bin.nən
  • Alstublieft (vanuit enige spot of tegenzin) - nim
  • Ben je niet goed wijs!? - gə vangt zə zee.kər!?
  • Ben je wel zeker van je stuk? - … sər.’jeus?
  • Daar ben ik sterk in! - das min.nə four!
  • Daar is iets mis - dour schilt wa
  • Daarvoor kan je gestraft worden (omdat je handelt tegen de wet) - gə zi ‘pak.bour
  • Dat gaat je niet aan! - get.tər gjien af.fei.rə mee!
  • Dat is algemeen geweten - das ‘al.gə.mjien gə.kend
  • Dat is bizar; dat werd niet verwacht - das ko.'miek
  • Dat is duur - das ‘kos.tə.lek
  • Dat is een vergissing - das ən mis.sink
  • Dat is mijn mening - das mijn gə.dacht
  • Dat is mogelijk, maar er blijven twijfels - da kan
  • Dat is niets waard; dat is brol - das kam.mə.’lot; das iets van kjes.kə.’schiet
  • Dat is redelijk - das ri.zə.’naa.bəl
  • Dat lijkt me het beste - das ‘tzui.vər.stə
  • Dat scheelt niet veel - da schil nie veel
  • Dat spreekt voor zich; uiteraard - van.’ɛ̃.gəst
  • Dat werkt niet, hoor! - da pakt nie, zul.lə!; da gon.nie zun.nə!
  • De afvoer loopt niet meer door - tis vər.’stropt
  • De elkaar verschuldigde bedragen zijn betaald - wə ston ef.fən; wə zin kiet
  • De kattin of de teef moet bevallen - zə moet jon.gə.rən
  • De kruidenier of slager denkt dat je al het nodige hebt - da zalt gə.wist zin?
  • De kwalijke gevolgen vallen al bij al nog mee - zon.dər veel ɛ̃rg
  • De ouders willen weten of hun kind in hun afwezigheid braaf is geweest? - twas ən in.gəl.tsjə, mi ən bee dər.'veur (Het antwoord is schertsend bedoeld.)
  • Dezelfde problemen duiken steeds weer op - tis van kom vər.drom
  • Doe al je kleren uit - spil dal.ləs mor uit
  • Doe je best - wjɛ̃r.do
  • Door een val is iets volledig kapot - tligt in stukn van.iejn
  • Door strategie of list iemand verslaan of te slim af zijn - kem.em zui.vər; kem.em bi zin.nə schree.pər
  • Door zelf bewust een leugentje te vertellen verneemt men na enige tijd de ware toedracht - mi leu.gəs ach.tər də wo.red kom.mən
  • Dreigen met een lichamelijke straf als een kind zich onhebbelijk blijft gedragen - straks nə klets ‘tee.gən a ‘juu.rən
  • Een groot deel van de vrouwelijke borsten is zichtbaar - mi hjiel eu.rən ‘tet.tə.kar.ree bljuut
  • Een artikel is in prijs verlaagd - tis in dən ‘af.slag
  • Een jongeman heeft nog altijd geen beroepskeuze gemaakt - wa wur.də lou.tər, 'stroont.schep.pər ach.tər dən tram?
  • Een kennis of familielid woont in het buitenland en komt je bezoeken - i kom.doo.vər
  • Een kind dat je niet voortdurend in de gaten moet houden - get.tər gjien om.zien nor
  • Een kind dat niet meer gehoorzaamt - get.tər nieks mjier oun tə zɛ̃.gən
  • Een kind dat onwennig is bij vreemden - tis jien.an.nəg
  • Een kind dat zich heel fatsoenlijk gedraagt - get.tər gjien kind oun.
  • Een kind dat zich heel fatsoenlijk gedraagt - get.tər gjien kind oun
  • Een kind geeft op zeurderige toon aan dat het dorst heeft - ‘Hed.də dust? ‘Gon.nor Jant.sjə Wust, die ‘ee.dən ‘ond,sjə en die piest in.a ‘mond.sje, die ‘ee.dən ‘kat.sjə en die krabt on.a gat.sjə
  • Een kind maakt een vuistje. Elke vinger wordt dan uit het vuistje genomen en benoemd, eerst de duim en tot slot de pink. Daarna wordt de vrijgekomen handpalm gekieteld - Ans Knap, 'Pie.le.fluit, Lan.gə Wap, 'Kor.tən Buik, ... Klɛ̃n Pie.tən.'deug.nuut.sjə ... kie.lə, kie.lə, kie.lə
  • Een kind probeert te hete soep te eten. - ee.da moe.dər a nie gə.’ljierd tə blouzn?
  • Een kind vraagt het cadeautje terug dat het eerder aan een ander kind gaf - gə.'gee.vən is gə.'gee.vən, tis al lank in del gə.schree.vən
  • Een kind vraagt naar de inhoud van een gesprek tussen volwassenen, waar het geen zaken mee heeft. - ‘pui.tən.our in də Kwak.kəl (de Kwakkel is een gehucht buiten het centrum)
  • Een kind zegt dat het iets niet kan - zet.ta kan in də goot!
  • Een klant rondt een te betalen bedrag af naar boven (geeft dus een fooi) - tis zjust gə.past
  • Een man wordt dikker na zijn huwelijk - i stod.op ən goei wɛ̃
  • Een netelige kwestie - ən ‘dil.lə.kou.tə zouk
  • Een nieuwsgierig kind vraagt met wie volwassenen spraken - Mie.lə.kən Dən ‘Ui.lən.daan.sər (De voornaam mag dan vertrouwd klinken, het tweede lid van de fictieve familienaam moet het kind doen inzien dat het geen zaken heeft met het gesprek.)
  • Een opdracht is slecht aangepakt of rommelig afgewerkt - tis van kjes.kə schiet
  • Een stof die vergaan is - tis vər.duurd
  • Een vloek - vər.’doe.mə; miel.’jɛ̃r.də; də.’dzjuu
  • Een vloek in de overtreffende trap - ‘god.miel.jɛ̃r.də ‘vlam.məs.tə
  • Een voorwerp is helemaal door een ander voorwerp gegaan - tging ər ‘los.sən.deur
  • Een vraag die men niet kan beantwoorden - 'dak.kət nie.jən weet
  • Een vrouw die trouwt terwijl ze al in verwachting is - tis van moe.təs
  • Een vrouw vraagt haar man waarom hij zo laat thuis is - wə zin nog is nou.gə.wist (De man is onderweg nog naar een of meerdere cafés geweest, en met deze reactie vermijdt hij het woord ‘café’ te gebruiken.)
  • Een weinig appetijtelijk allegaartje; een mengelmoes - nə ‘miek.mak
  • Een winkelier wil een kind een snoepje aanbieden - wil.də snoe.pə.rən? (Als de moeder aanwezig is: mag um snoe.pə.rən?)
  • Er dreigt een straf - gə ries.’keer.dən straf
  • Er is geen haast bij - tpres.’seer nie
  • Er is onzorgvuldig werk afgeleverd - tis alf zin gat gə.doun
  • Er komt ergens veel volk samen - da was dor ‘nog.al ən bə.’gan.kə.nis
  • Er was heel wat aan de hand! - da was dor ən jiel bə.doe.nink!
  • Er zit houtworm in de plankenvloer - dər zit mulm in də plan.'sjee
  • Er zitten heel veel muggen (of: vliegen, slakken, donderbeestjes etc.) - das ier vər.’gee.vən van de mugn
  • Fictie op tv toont onwaarschijnlijke zaken en is de werkelijkheid niet - das al.lə.moul mor tel.lə.'vies
  • Flauwe praat - flaa.wən truut
  • Ga uit de weg! - mikt o!; ut min.nə schiet.lap!
  • Ga weg! - bol ət af!: dour is tgat van dən ‘tem.mər.man
  • Gedraag je fatsoenlijk! - gə.droug da kon.və.nou.bəl!
  • Geduld! - pa.’sjɛ̃n.sə!
  • Geef eens een handje (gevraagd aan een klein kind) - gif dis ə ‘pol.lə.kə!
  • Geef haar een schop onder haar kont - gif tər nən trok oon.dər ər gat!
  • Geef hem ervan langs! - toef.tər op!
  • Geen band met iemand hebben en die persoon zelfs mijden - ik kan nie mi em om
  • Goed gedaan! - sja.poo!
  • Goedendag (in het voorbijgaan op straat) - dzjuir; uij
  • Haast je wat! - af.fə.’seer do!; spoej do!; ost o!
  • Het gaat niet slecht, maar ook niet goed - kom.sie, ‘kom.sa
  • Het is heel druk, maar niets verloopt geordend, waardoor de zaak nauwelijks beheersbaar is ; een overrompeling - das ier ə ‘zot.tə.kot
  • Het is helemaal kapot - tis ‘jie.lə.ganst in fruut; tis in stukn van.iejn
  • Het is maar om te lachen; je moet dat niet ernstig nemen - tis mor om tə 'zwaan.sən
  • Het is tijd om te gaan slapen (tegen een kind) - wə gon doo.’doo.kəs doen
  • Het is zoekgeraakt of kwijt - tis rie.bə.də.’bie
  • Het kan me niet schelen! - tkan mə nie bom.mən!
  • Het moet correct zijn - tmoet zjuust zin!
  • Het valt mee - tis 'mee.gə.slou.gən
  • Hij blijft boos en wil van geen verzoening weten - i wɛ̃.rəkt zin.nə kop uit
  • Hij doet het helemaal verkeerd - i doe.dət koon.tə vər.kjierd
  • Hij heeft dikke pech; hij is in de luren gelegd - i is gə.’zjost
  • Hij heeft een dutje gedaan - i ee nən trok gə.doun
  • Hij heeft er geen plezier aan beleefd - i ee.tər gjin gə.niet van gad
  • Hij heeft het uitvoerig uitgelegd - i ee.dət int laank en int brjied ui.də doe.kən gə.doun
  • Hij heeft zijn werk goed gedaan - i eet zin də.vjuur gə.doun
  • Hij is een winkel nog geld schuldig - i 'sto.dop də poef
  • Hoe dom kan je zijn!? - waf.fər nə mut.tən zid.də gij!?
  • Hoe kan ik zo fout zijn!? - oe kan.nək zjuu a.'bu:s zin!?
  • Hoe laat is het? - wa.duur ist?
  • Hoepel op! - kust min gat!
  • Hou er nu maar mee op! - ge.dal on.dərd!
  • Hou je mond! - ‘aa.don.nə kwjɛ̃t!; ‘aa.da toot!; 'aa.da smoel!; 'aa.dan.nə smik.kəl!; ‘aa.don.nə kweb.bəl!
  • Hou je smoel! (heel dwingende toon) - ‘aa.da ‘bak.kəs!
  • Iemand aanmanen zich rustiger of beleefder te gedragen - ‘gog.gət zju wa!
  • Iemand aanporren die talmt - wa.'njier god.də na (ɛ̃.gə.lek) in gaank schietn?
  • Iemand beeldt zich wat in - das al.lə.moul ‘man.zjə.nie
  • Iemand berispen - kzal zin pan is in.'vetn; kzal em zin saas is gee.vən
  • Iemand de zekerheid geven dat een afspraak wordt nagekomen - tzal nie man.’keern
  • Iemand die aanstalten maakt te betalen laten merken dat hij dat niet moet doen - lot mor zitn
  • Iemand die bij het kaarten probeert de kaarten van een andere speler te bekijken - gij sə gie.’raf!
  • Iemand die de puntjes op de i wil - da stikt naa
  • Iemand die fout inschatte hoe zwaar een opdracht was - i ee dəm mis.’pakt
  • Iemand die geluk heeft - nə sjan.’saar; nə ‘piet.zak; nə gə.’luk.zak; i ee ‘mee.val; i ee ‘doe.rə,sjaans
  • Iemand die het leven na het overlijden van de echtgenoot niet meer ziet zitten - das.sə mi uk mor kom.mən ou.lən
  • Iemand die kaal wordt - i ee dour mi ka.rak.tər, tvalt lie.vər uit as grijs tə wor.rə
  • Iemand die lang op stap is en niemand weet hoe of waarheen - i is op ‘va.droej
  • Iemand die onnozele praat vertelt of onzinnige argumenten gebruikt - gə zi nə ‘zjie.və.rjɛ̃r!
  • Iemand die op veel onwil, tegenkanting of verzet is gebotst - i ee tər nə post gə.pakt
  • Iemand die pijn heeft vraagt een pijnstiller - gif mi is ən ‘poe.jər.kə Də Man (eigenlijk is de merknaam Mann)
  • Iemand die schijnbaar doelloos aan het werk is en geen vooruitgang boekt - wa ‘sto.də dor tə ‘des.tə.rən?
  • Iemand die veel durft; hij is me er eentje! - tis ‘nog.al nə kas.’taar!
  • Iemand die veel geld heeft - i ee veel kluitn
  • Iemand die voor de sfeer zorgt en plezier maakt - tis nə ‘leu.tə.gən
  • Iemand die voortdurend van hier naar daar loopt en telkens maar kort aanwezig blijft - i doe.tə pa.’troe.lə
  • Iemand die ze niet op een rijtje heeft - i is nie zjuust in zin ‘boo.və.kom.mər
  • Iemand die zich niet laat doen - i lot əm nie vər.’kib.bə.zak.kən
  • Iemand die zijn luxe overdreven etaleert - i is vur dən 'uit.kom
  • Iemand gaat plots weg - i is də piest in; i is də piest uit; i is roe.fəl.də.pijp; i is rie.bə.də.’bie
  • Iemand gedraagt zich alsof hij overal de baas is; iemand met kapsones - i ee veel zjest en zjaar; tis nə 'stree.kə.mou.kər
  • Iemand heeft de (sociale) regels erg overtreden - da got.tər oo.vər!
  • Iemand heeft de aard van en gedraagt zich als zijn pa of ma - i eet ət van gjien vrem.də
  • Iemand heeft iets onverwachts gedaan - da zud.dəm nie ‘oun.gə.’gee.vən em.mən
  • Iemand heeft iets onverwachts gedaan of houdt er vreemde ideeën op na (wat af te keuren is) - gij zin.nə fris.sə, gij!
  • Iemand heeft veel pech of tegenslag gehad en is daardoor de moed verloren; iemand ziet het niet meer zitten - i ee gjie.nən ie.vər nie.mjier
  • Iemand heeft zinnige dingen te vertellen - naa juu.rək a kou.tən
  • Iemand hetzelfde wensen (bij de nieuwjaarswens) - vans.gə.’lij.kən
  • Iemand is fel vermagerd - i is nog tvel oo.vər tbjien
  • Iemand is niet snel tevreden en maakt voortdurend opmerkingen - i eet veel ‘kom.plə.men.tə; tis ‘nog.al wa gə.’schee.tən
  • Iemand is op reis - i is op vwja.'jo.zjə
  • Iemand is op stap - i is op trot
  • Iemand is verbouwereerd - i is də kluts kwijt
  • Iemand is verdwenen zonder dat het werd opgemerkt - i is ər van oon.dər gə.muisd
  • Iemand is verkouden - ed.də mi o gat bljuut gə.leegn?
  • Iemand krijgt een uitkering van de ziekteverzekering - i sto.dop də zie.kə.kas
  • Iemand laat zien dat hij erg bang is - i doe.din zin broek van schot.tə
  • Iemand lijkt erg deugdzaam, maar is dat niet - gə zud.dəm də com.’mu:nə gee.vən zoon.dər tə biech.tən
  • Iemand maakt van zijn oren - i mokt van zin la'wɛ̃t; i mokt van zin.nən tak
  • Iemand moet een plasje gaan doen - kmoet nor də ‘klɛ̃.nə koer; kmoet ən ‘pies.kə gon doen
  • Iemand motiveren om niet snel op te geven, te blijven proberen en te blijven leren - das ən op.pak.kən!
  • Iemand neemt een emotieloze houding aan en is met geen stokken meer vooruit te krijgen - i zit dor gə.lek nə puit op nə kluit
  • Iemand stelt de zaken mooier of anders voor dan ze zijn - i gif.tər nən drwjaa oun; i vər.drwjaat də zouk
  • Iemand verzoeken via de achterdeur het huis binnen te komen - kom.mor langs ach.tər (of: ach.tə.rən)
  • Iemand welkom heten - kom bin.nə en zet o!; pakt nə stoel en zet o!
  • Iemand wil weten wat er gaande is en vraagt 'wa.dist?' ('wat is er?'), maar men heeft geen zin om op die vraag te reageren - ə pjɛ̃rd da pist!
  • Iemand wil zaken met je ruilen - wa krij.gək in də plots?
  • Iets dat een zaak meer uitstraling of waarde geeft - da gift ka.sjet
  • Iets dat toch niet helemaal zeker is - gə wit.ta njuut; gə wit.ta njuut nie
  • Iets hoort niet bij de rest - da stikt af
  • Iets is heel lastig of moeilijk - a.maj, min.nə frak; a.maj, min kljuu.tən
  • Iets is niet correct afgewerkt - tis mor 'al.və.lings gə.doun; tis mor 'alf.zin.gat gə.doun
  • Iets is van goede kwaliteit - das goe.jə mar.sjan.’dies
  • Iets is verstrengeld en daardoor moeilijk los te maken - da zit in də knos.səl; tis in de war.rəl
  • Iets loopt slecht af of is slecht uitgevoerd - tis van dən ond zin voe.tən
  • Iets vlakaf zeggen (bij wijze van samenvatting en meteen ook de verontschuldiging als men te hard zou zijn overgekomen) - das kurt en goed gə.’zeed
  • Ik ben bijna klaar - kzin vɛ̃r kljɛ̃r
  • Ik ben de hele dag in de weer geweest - kzin də ‘god.gan.sən dag ‘bee.zəg gə.wist
  • Ik ben erg geschrokken van je reactie! - wad.də!
  • Ik ben ervan aangedaan - da ee mi gə.’rokt
  • Ik ben ervandoor - kzin ‘schup.pəs
  • Ik ben gehaast - kzin gə.pres.seerd
  • Ik ben helemaal op; mijn bobijntje is op - kzin ‘ten.nən
  • Ik ben iets vergeten door me te haasten - kzin wa in də rap.tə vər.’gee.tən
  • Ik ben moe; ik heb het gehad - tschoup is də preut af
  • Ik ben voor schut gezet - kzin in 'af.froon.tə gə.valn
  • Ik doe in deze zaak geen inspanning meer - foert!
  • Ik erger me daar erg aan - tis om.mo kas op tə fretn
  • Ik ga me daar niet aan wagen - ik go mi nie a.və.’tuu.rən
  • Ik geloof het helemaal niet; ik ga niet doen wat je vraagt - jaa, dag jan!; ta.raa.ra!
  • Ik heb de gelegenheid nog niet gehad - ken dok.'ko.zie nog nie gad
  • Ik heb er een afkeer van - kem.mər nən dwjɛ̃g van; da stikt mi tee.gən
  • Ik heb geen zin - kem gjien ‘goes.ting
  • Ik heb hem te pakken - kem em tə stekn
  • Ik heb te veel gegeten - kzin oo.vər.'boeft
  • Ik heb te weinig plaats (bv. om comfortabel te zitten of ergens langs te komen) - tis tə nipt
  • Ik kom onmiddellijk - ik kom gə.lijk
  • Ik kon er niets aan doen - kos.tər nieks on doen
  • Ik krijg de schuld; ik ben de pineut - ken də ‘boo.tər gə.fret
  • Ik krijg het van jou op mijn heupen - i krijg van aa də ‘ses.kəs!
  • Ik loop achter op mijn (werk)schema - kzin tən ach.tər
  • Ik moet ergens naartoe, maar ik zal snel terug zijn - kmoet rap oo.vər en tweer
  • Ik versta je niet, herhaal dat eens a.u.b - wad.də!?
  • Ik was er me niet bewust van - kat.tər gjien ɛ̃rg in
  • Ik word altijd als laatste gekozen - ik schiet al.tid oo.vər
  • In de herinnering rondt men een bedrag dat iets hoger lag dan 50 frank af naar beneden - twas fig.təg frang en on.ef.fən
  • Ja, hoor; maar natuurlijk! - jaat
  • Je bent erg bedankt! - nən dik.kə mer.’sie!
  • Je bent wel erg laat met je voorstellen of met je acties! - en dor kom.də nou mi af!
  • Je broek staat open - a spriet sto.’doo.pən!
  • Je hebt er geen zaken mee! - get.tər gjien ‘uit.stouns mee!; get.tər gjien af.’fei.rə mee!
  • Je hebt het fout; je raakt je doel niet (bv. het oog van de naald) - gə zit dər nef.fəst
  • Je hebt het geluk aan jouw kant; het zit je helemaal mee - gi boft ‘nog.al!
  • Je hebt veel tijd nodig hebt om een klus te klaren - op die.nən tijd god.də nor Bruu.səl
  • Je houdt me voor de gek - gə zim.mi op flesn ont trekn; gə zi mi op ‘stoe.pə.kəs ont trekn!
  • Je moet geen onnodige risico's nemen - angt dən eld nie uit!
  • Je moet het nu niet meer proberen goed te maken! - gə moet naa nie.mjier af.kom.mə!
  • Je moet je haar laten knippen - gə moet a ka.lot lou.tən 'af.doen
  • Je moet kordaat optreden! - mok.tər kom.'af mee!
  • Je moet gehoorzamen - gə moet lus.tə.rən
  • Je moet niet langer de schijn ophouden - stop mor mi die sie.nə.maa
  • Je moet nu niets meer doen en zwijgen! - roer.da nie!
  • Je neemt een loopje met de waarheid! - gə ‘zit.tər mi ont ‘zwaan.sən!; gə 'zit.tər mi ont 'la.chən!
  • Je pakt het helemaal verkeerd aan - gə 'doe.dət 'koon.tə.vər.kjierd
  • Je weet wat je moet doen - gə wit wa.do tə doen stot
  • Je zal verplicht worden te betalen! - gə zut moe.tən ‘af.dokn!; gə zut moe.tən ‘lam.mə.rən!
  • Kom ik ongelegen?; stoor ik niet? - is ər gjien bə.let?
  • Laat hem maar doen - lot əm mor bə.’tɛ̃n
  • Laat me even tot rust komen! - lot mi ef.kəs op min ef.fə kom.mən!
  • Laat ons eens overleggen en samen tot een besluit komen - lo.tons is ri.zə.’nee.rən
  • Laat ons hopen op een goede afloop - a.la.bon.eur
  • Leg het eens uit! - eks.plie.’keert da is!
  • Leg je oor te luisteren en probeer meer te weten te komen - oon.dər.’juur.ta nə kjier
  • Luxe is overduidelijk aanwezig - mi veel tra.la.’laa
  • Maak dat je op tijd bent! - 'mok.dag.gər in tits.zit!
  • Maak dat je wegkomt! - foert!
  • Maak mijn groeten over - doe.sə də ‘kom.plə.men.tə
  • Men beweert iets maar men is niet helemaal zeker - kwil ər van.af zin, mor…
  • Men beweert iets met stellige zekerheid; wees maar zeker! - zun.nə! (bv. zis kon.'tent, zun.nə)
  • Men brengt na de begroeting het gesprek op gang - wa nuus?; en oe ist aan.dərs?
  • Men checkt of de ander je standpunt goed heeft begrepen - vər.stod.də mi?
  • Men denkt dat iemand moeite zal hebben om zich aan een nieuwe situatie aan te passen - tzal em ə gat.sjə vou.rən!
  • Men denkt dat iemand nog een grote inspanning moet leveren - i go zin.nə pjɛ̃.rə nog zien!
  • Men denkt dat iemand pas later de psychische gevolgen van de huidige tegenslagen zal ervaren - i zal zin.nə ‘weer.bots nog wel krijgn
  • Men doet iets niet graag maar het moet worden gedaan - kak of gjie.nə kak, də pot op!
  • Men gaat na of er een zaakje te doen is of een voordeel te bekomen is - 'val.tər ier nog wa tə 'rou.pən?
  • Men gaat nog wachten vooraleer te handelen - kgon.nət nog ef.fəs ‘af.zien
  • Men geeft aan dat iets muf ruikt - da riekt vər.’duft
  • Men geeft aan dat men iets graag lust - das min.nə meug
  • Men geeft aan dat men niets heeft gedaan wat niet mocht - da.waz.zə kik nie! (in een uitroepende zin wordt het voornaamwoord niet verkort)
  • Men geeft aan dat men verschrikkelijk hard moet werken - ge moet dour a kljuutn ‘af.drwjaan
  • Men geeft de raad zijn lief te dumpen - lot zə zitn!
  • Men geeft een stille wenk - kad zjuu gə.docht
  • Men geeft te kennen dat men niet verder wil discussiëren - al.li, get dən ‘dik.stən!
  • Men geeft te kennen de ander niet zomaar te vertrouwen - kzin nie ‘ach.tər.lək
  • Men gooit je iets toe - a.zjuu smij.tə zə də ‘keu.nink zin ‘and.schoe.nən uk
  • Men handelt anders dan gewoonlijk (bv. stipt op tijd zijn maar vandaag te laat komen) - das nie van zin gə.'wen.tə
  • Men heeft blijkbaar niet gehoord wat er werd gezegd - zit.tər prut in a juur?
  • Men heeft geen fut meer waardoor elke uitnodiging voor een gezamenlijke ontspannende activiteit wordt afgewezen - ach, mi keend, kzin al blɛ̃ dak tlee.vən en
  • Men heeft nog heel wat te doen vooraleer een taak is afgehandeld - get.tər o wɛ̃.rək mee
  • Men hoopt dat een voornemen tot resultaten leidt of dat een plan goed wordt uitgevoerd - 'a.la bon.'uir
  • Men is aangenaam verrast over de kwaliteit - sjie.kə ‘din.gəs
  • Men is een loer gedraaid, maar men kan er al bij al nog schamper om lachen - gi sə vui.lən ond!
  • Men is geschrokken - da was vər.’schiet.ach.təg; kvər.’schoot mi nən bult!
  • Men is helemaal niet bereid te doen wat werd gevraagd - da zie.də van ier
  • Men is het gezeur en geklaag beu - wa was mə.da ən gə.grjɛ̃f
  • Men is het niet eens met de ander; toch wel! - tən.’doet!
  • Men is ontgoocheld over de reactie van de andere - ‘al.li.na?!
  • Men is sterk verbaasd - a.’god.mar.ja, wa zeg.də ‘naa?!; a.maj!
  • Men is verontwaardigd - wa is mə da na!;da trek.tər na toch nie op!
  • Men is zeker dat wat men beweert correct is - da is!
  • Men kan elkaar niet uitstaan - das piek.a.piek
  • Men kent een nieuwtje en wil de ander nieuwsgierig maken - grjout is wad.dək gjuurd em?
  • Men keurt de manier waarop iemand zich heeft aangekleed af - oe zi.də gij naa ‘oun.gə.stekt!?
  • Men krijgt te maken met een erg trieste of pijnlijke situatie - das vrjied
  • Men maakt zijn standpunt duidelijk - vur min part
  • Men maant iemand aan om iets snel te doen om zo een aanslepend conflict te vermijden - ‘doe.ta a.gaa
  • Men meent de oorzaak van een probleem te kennen - tkan.nie mis.sən (bv. tkan nie mis.sən da.ti 'bui.tən is gə.zwierd, want i was njuut op tijd)
  • Men neemt afscheid en herinnert eraan dat er afspraken zijn gemaakt (ook: stopwoord bij het afscheid) - lek da tgə.’zeen is
  • Men minimaliseert de omvang of de ernst van een probleem of van de inspanning die men geacht wordt te doen - as.'ta.mor.is
  • Men probeert een kind tot gehoorzaamheid te dwingen door het bang te maken - as gə nie lus.tərt, 'gee.və.ka.mee mi.də 'schjei.rə.sliep
  • Men raadt aan een vrouw te zoeken die veel geld heeft - pak.tər o mor jien mi veel sɛ̃ns!
  • Men regeert afwijzend op iemand die een boer laat - gift die.nən boer nə stoel!
  • Men snoert iemand onvriendelijk de mond (ook spottend bedoeld om te beklemtonen dat een persoon weinig beslissingsmacht heeft) - gij ed.dier nieks tə bas.sən!
  • Men spreekt over iemand die hogere studies heeft gedaan - i is gə.ljierd
  • Men staat er een beetje afwezig of ongeïnteresseerd bij - i stot.tər tə koe.kə.loe.rən
  • Men verdenkt iemand ervan dat hij bedrog pleegt of de kluit belazert - zid.də wir ont pjuu.tə.rən!
  • Men veronderstelt dat iemand niet goed is opgevoed en uit tegelijkertijd afkeuring voor die opvoeding - oe zid.də gij op.gə.bracht!?
  • Men vindt dat de oplossing van een probleem niet dichterbij komt - tis nieks gə.nod.dərd; tis gjien a.’vaans; das nieks gə.kurt
  • Men vindt dat iemand domme of onnozele dingen zegt of doet - zid.də op an.nə kop gə.val.lə?
  • Men vindt dat iemand zich aan het overhaasten is - gə zi zjuu 'os.təg!?
  • Men vindt dat men met goed materiaal te maken heeft - das gjie.nə krot
  • Men vindt de situatie erg onprettig, ongemakkelijk of zorgelijk - tis tjien en taan.dər
  • Men vreest dat iemand de gevolgen van een ziekte of tegenslag pas later zal ondervinden - i zal ‘zin.nə ‘bots nog wel krijgn
  • Men vreest dat vader een beslissing weer niet zal goedkeuren - on.zən aan zal wel wir nie tak.'koord zin
  • Men vreest voor een slechte afloop - dour kom.mə mal.’eurn van
  • Men weet iemand zijn naam niet meer - ik ken a van ziens
  • Men wenst iemand op het einde van een gesprek het beste - sa.luu en ta.mu:.zə.ment; a.mə.’zeer.da
  • Men wil dat de ander goed beseft wat er speelt - ag.gə da mor wit!
  • Men wil dat iemand ophoudt met tegenspreken - aa don.nə fran.kən teut mor al!
  • Men wil de andere verzekeren dat het beloofde ook wordt gedaan - gə kun.tər van.op.oun
  • Men wil een jongen plagen en laten uitschijnen dat hij verliefd is of veel met meisjes omgaat - gə zin.nə ‘mes.kəs.zot!
  • Men wil een probleem aankaarten of iemand heeft het net over een probleem gehad - tis nog.’al iets, i!
  • Men wil een vrouw in een slecht daglicht plaatsen - tis ən trien!
  • Men wil meebeslissen in een zaak die je ook aanbelangt - kmoet dər uk min.nə zeg ovər doen
  • Men wil niet nadenken over wat er allemaal verkeerd kan gaan - kmag.gər nie goe op pɛ̃zn
  • Men wordt geacht een wederdienst te bewijzen of je hebt van iemand een wederdienst gekregen - tjien plə.zier is tan.dər wjɛ̃rd
  • Men wordt gevraagd actief deel te nemen maar men heeft geen fut of geen zin meer en weigert - lot mi, kzin blɛ̃ dak tlee.vən en
  • Men ziet een heftig gevecht - as.sə ma.kour də ‘es.səs mor nie ‘in.sloun
  • Men ziet elkaar terug en brengt het gesprek op gang - oe ed.do?
  • Men ziet of hoort iets dat ongepast, beschamend of ongeloofwaardig is - gə zi.gi zot 'zee.kərst!
  • Men ziet veel mensen die een plaatsje willen bemachtigen door te trekken en te duwen - da was dor ‘nog.al ə gə.drum
  • Men ziet veel mensen passeren - das ier nog.al ən bə.gan.kə.nis
  • Mijn geheugen laat me even in de steek - i kan dər nie ‘op.kom.mə
  • Na een bezoek aan een winkel besluit men om toch nog niets aan te kopen - kgon.dər nog.is oo.vər peizn
  • Natuurlijk ga ik! - van.’ɛ̃.gəst gon.nək!
  • Neem mij als voorbeeld - kikt nor mij; pakt mij na
  • Nu heb ik wat meegemaakt! - naa em.mək wa veur gad!
  • Op het laatste moment - op də nip.pər
  • Probeer me niet uit te dagen! - ries.’keer da nie!
  • Proost! - schol; san.'tee!
  • Toast bij het drinken - da.wə zə nog laank meugn meugn
  • Tot de volgende keer! - tot iejn van dees dou.gən!
  • Uitroep van medelijden - ‘och.got.tə.kes (indien sarcastisch bedoeld wordt de eerste lettergreep gerekt en ligt de klemtoon op de tweede lettergreep: ouch.‘got.tə.kes)
  • Van lage kwaliteit - das bucht; wan.nə krot is mə da!
  • Vanaf de puberteit begint een kind meer dan vroeger te eten - i is in zin.nən eet
  • Verstop je! - vər.’dukt a!; vər.stikt a!
  • Vol gas! - plan.’sjee!
  • Voor mij is het om het even - vur mij is tjien.dər
  • Vragen hoe laat het is - kik.is op a or.'loo.zjə - kik.tis op dor.'loo.zjə
  • Waar ga je heen? - wour god.də nor.toe?
  • Wacht eens even, klopt het wel wat je zegt? - ouw zee.kər, is.da wel zjuust?
  • Wanneer komen we nog eens tezamen? - wan.njier kom.mə wə nog is tjuup?
  • Wat blijft er voor mij over? - wa schie.tər vur mij oo.vər?
  • Wat heb je je nu laten opdringen? - wa həd.da naa lou.tən op.sol.fə.rən? 
  • Wat heb je nodig? - wa ed.də van.’doen?
  • Wat voor een bizar voorstel doe je nu!? - mi wa kom.də nou af!?
  • Wat voor een gulzigaard ben jij! - wa.sə nə schroep zid.də gij!
  • Wat voor een serpent ben jij! - gi.sə ros!
  • We gaan hem eens voor schut zetten (maar zonder kwade bedoeling) - wə gon.dər em is deur.sleu.rən
  • We hebben het gezellig - wem.mən oonz am.mə.zou.sə
  • We verdragen hem niet; we kunnen hem niet uitstaan - we keu.nan em nie af
  • Welterusten - slop.pal
  • Werk verder! - doe vjuurt!
  • Wie heeft er hier een windje gelaten? - wie ee.tər ier gə.prot?
  • Ze is in verwachting - zis in pos.’sie.sə
  • Ze loopt er pront bij (maar ook: ze is hovaardig) - zis ‘grjuut.səg
  • Ze volgt een dieet - zə sto.dop rə.’giem
  • Zoek je ruzie? - zoek.tə mot?; zoek.tə am.bras?
  • Zou dat wenselijk of mogelijk zijn? - zu.da?
  • Zwijg! - aa.da.'bak.kəs!
Informatie afkomstig van Wikibooks NL, een onderdeel van de Wikimedia Foundation.